Toelichting
Tekst van het document
37
7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogd plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied.
Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de water-toets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van
38
een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(gebied) Op het plangebied vindt een wijziging van de bebouwing en, het daarmee samengaande, verharde oppervlak plaats. Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. De integrale watertoets is als bijlage 3 bijgevoegd. Uit de watertoets blijkt dat de ontwikkeling tot gevolg heeft dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 449 m2. Omdat het verhard oppervlak met minder dan 500 m2 toeneemt geldt er geen verplichting tot het realiseren van een waterbergingsvoorziening.
Ondanks dat er geen verplichting is tot het realiseren van waterberging is er binnen het plangebied (ruim) voldoende (groene) ruimte om eventueel een voorziening met een capaciteit van 60 mm/m2 te realiseren. Een en ander is conform het gemeentelijk beleid en dat met name artikel 6.4 van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
39
8. Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen.
Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen hoogspanningslijnen, ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
40
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
41
9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Teeuwishoek. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. 9.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte merbeoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden:
42
1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de Dlijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de Clijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r.
overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Op het plangebied wordt de realisatie van twee wooneenheden mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.
43
Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (op grotere afstand dan 10 km van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om de oprichting van (netto) twee woningen wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) niet noodzakelijk. 9.3 Bodem Toetsingskader De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen is door Terra Milieu een verkennend asbest in bodemonderzoek en nader/ aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit betreft een aanvulling op een eerder uitgevoerd onderzoek.
Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit beider onderzoeken letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 4 bij de plantoelichting opgenomen.
Conclusie verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740(kenmerk rapport: 21-346 VBO, d.d. 08-11-2021 (v1.1)): • Op basis van de matige verontreiniging aan PCB in de puinhoudende grond, ter plaatse van boring B08 (0,50-0,85 m-mv), dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Het aanvullend onderzoek bestaat uit het horizontaal en verticaal inkaderen van de matige verontreiniging met PCB in de grond; • Op basis van het aantreffen van de asbesthoudende golfplaten op het maaiveld en het puin in de bodem dient de bovengrond als verdacht beschouwd te worden op de aanwezigheid van asbest. Geadviseerd wordt op de locatie een onderzoek naar asbest in bodem conform NEN 5707 uit te voeren.
44
Conclusie vooronderzoek Op basis van de matige verontreiniging aan PCB in de puinhoudende grond, ter plaatse van boring B08 (0,50-0,85 m-mv), dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Het aanvullend onderzoek bestaat uit het horizontaal en verticaal inkaderen van de matige verontreiniging met PCB in de grond. Op basis van het aantreffen van de asbesthoudende golfplaten op het maaiveld en het puin in de bodem dient de bovengrond als verdacht beschouwd te worden op de aanwezigheid van asbest. Geadviseerd wordt op de locatie een onderzoek naar asbest in bodem conform NEN 5707 uit te voeren. Conclusie en aanbevelingen aanvullend onderzoek Aanvullend/ nader bodemonderzoek: Op basis van de analyseresultaten van het aanvullend onderzoek, kan worden geconcludeerd dat in de grond rondom boring B08 maximaal verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden worden aangetroffen. De matige verontreiniging in de bodemlaag 0,50-0,85 m-mv van boring B08 is hiermee voldoende ingekaderd. Op de locatie is geen sterke bodemverontreiniging aanwezig. Indien wordt besloten of vanuit de gemeente wordt gevraagd om de spot met de matige verhoging te verwijderen van de locatie, dient rekening te worden gehouden met verhoogde afvoerkosten.
NEN 5707 (asbest in bodemonderzoek) Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek naar asbest, op het oostelijke deel van het terrein, kan worden geconcludeerd dat op de locatie zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest in de bodem wordt aangetroffen. Ter plaatse van de grond onder de asbesthoudende golfplaten is indicatief een monster genomen van de toplaag (0-10 cm). Dit monster is samengesteld door op verschillende plekken de toplaag af te schrapen, waardoor de meest verontreinigde laag is bemonsterd. Op basis van de analyse blijkt dat ter plaatse van deze laag een concentratie van asbest van 130 mg/kg ds. wordt aangetroffen. Deze concentratie overschrijdt de restconcentratienorm van 100 mg/kg. Wij adviseren om de toplaag onder asbesthoudende golfplaten te ontgraven. De grond dient afgevoerd te worden als asbesthoudende grond. Deze werkzaamheden kunnen wellicht worden uitgevoerd als de asbesthoudende golfplaten worden verwijderd. Ten behoeve van deze
45
werkzaamheden zou een plan van aanpak moeten worden ingediend bij de desbetreffende gemeente waarbinnen de onderzoekslocatie is gelegen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten bodem en asbest geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling, ervan uitgaande dat de genoemde adviezen in acht worden genomen. 9.4 Akoestiek Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld.
Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van voorliggend bouwplan is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai voor het onderliggende bouwplan uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 5 bij de plantoelichting opgenomen.
In dit onderzoek is de cumulatieve geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de beoogde woningen aan de Teeuwishoek in Schijndel berekend.
46
Hogere waarden Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een weg. Het verlenen van een hogere waarde is niet van toepassing. Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 53 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 20 dB (Standaardeis uit het bouwbesluit). Een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende geveldelen is niet nodig. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Redelijk’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan, rekening houdend met de onderzoeksresultaten, zoals beschreven in het wegverkeerslawaai- en geluidwering (gevels)onderzoek, geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.
47
9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze
48
geurgevoelige objecten. Voor deze locatie geldt een geurnorm van 3,0 ouE/m3 en een afstandseis van 100 meter. De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.
De dichtstbijzijnde veehouderij ligt aan Venushoek 32 op ongeveer 650 meter van het plangebied. Aan de afstandseis tot deze en andere veehouderijen wordt voldaan. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting), zie onderstaande afbeelding (kaart ODZOB, Achtergrondbelasting geur maart 2022).
49
Het woon- en leefklimaat is ‘zeer goed’. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Het plangebied en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van het plangebied komen feitelijk enkel woondoeleinden voor. Bedrijven en milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) De planlocatie en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van de planlocatie zijn een aantal bedrijven en is er gemengde functies aanwezig.
50
Daarom is een inventarisatie gemaakt van de feitelijke bedrijvigheid binnen dat gedeelte, zie onderstaande tabel.
51
Inrichting, bestemming
SBI Categorie milieuzonering Omschrijving toegestaan
Europalaan 42A, Hoogzaad Wonen
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
10
30
50
10
0
0
10
0
30
30
0
200
10
0
30
0
100
30
30
0
SBI 41, 42, 43 2
BP: Aannemer
- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m²
Europalaan 40A, 'T Vincentje
SBI 47A 2
BP: Kringloop
Detailhandel voor zover n.e.g.
Europalaan 44-46, Argos
SBI 473 (1) 4.1
BP: Tankstation
Benzineservisestations: - met LPG < 1000 m3/jr
Orion 4, Gsob
SBI 453 2
BP: Wasstraat
Autowasserijen
Plein 21, veehouderij
SBI 0141, 0142 3.2
BP: grondgebonden veehouderij
Rustig Gebied
Fokken en houden van rundvee
De richtafstand voor het aspect gevaar van het tankstation aan Europalaan 44-46 overlapt 4 meter met het plangebied. Binnen de overlapping worden geen woningen gerealiseerd. Bovendien geldt op grond van de milieuwetgeving een invloedsgebied van 150 meter voor LPG-tankstations. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. In en nabij het plangebied zijn geen andere bedrijven gelegen die conform de richtafstanden uit de voormelde VNG-brochure een belemmering zouden kunnen vormen voor de planvorming (en andersom). Naast de ruimtelijke ordeningaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Op basis van bovenstaande constatering kan reeds worden gesteld dat er vanuit een oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen zijn voor omliggende woonfuncties. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies
52
(zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Dit wordt milieuzonering genoemd. Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving zijn verder geen locaties gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarmee vormt dit onderdeel ook geen belemmering voor het plan. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren woning en de functies in de omgeving worden niet in de belangen geschaad. Op basis van bovenstaande constatering kan reeds worden gesteld dat er vanuit een oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen zijn voor omliggende functies. Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende plan. Daarnaast levert het plan, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. 9.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op.
Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als:
53
• • • •
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven,
54
bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 30 0 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde.
Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 μg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 μg/m3;
55
•
de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 μg NO2/m3).
Voor het plangebied gelden de volgende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 op een rekenpunt gelegen op ruim 500 meter (gegevens zijn afkomstig van de NSL-monitoringstool ): - NO2: 13, 856 μg/m3 - PM10: 16,502 μg/m3 - PM2,5: 9,419 μg/m3 De immissienormen voor deze stoffen volgen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bedragen: - NO2: 40,0 μg/m3 - PM10: 40,0 μg/m3 - PM2,5: 25,0 μg/m3 Op een afstand van ruim 500 meter van de weg (de rekenpunten uit de NSL-monitoringstool) wordt ruimschoots aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan. Gesteld kan worden dat verderop in het plangebied sprake is van een nog betere luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op het plangebied. Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
9.7 Externe veiligheid Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in
56
ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden.
Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Doorwerking plan(gebied) Externe veiligheid inrichtingen Aan de hand van de Signaleringskaart Externe Veiligheid kan in de vorm van een quickscan worden vastgesteld welke bronnen mogelijk een belemmering opleveren voor onderhavig plan.
57
58
Op basis van de Signaleringskaart Externe Veiligheid kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. De dichtstbij gelegen risicobron ligt op circa 225 meter. Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.
In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt aan de Teeuwishoek te Schijndel. Deze weg is echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in NoordBrabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaat geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Voorliggend plangebied kan worden gekenmerkt als risicoluw gebied.
Dit zijn locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en gemengde activiteiten zoals
59
wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente wil de burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en daarom worden er geen risicovolle inrichtingen toegelaten. Onderhavig initiatief maakt enkel de ontwikkeling van woningen mogelijk. Er is dan ook geen sprake van strijd met de beleidsvisie. Gesteld kan worden dat het voorgenomen plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig. Externe veiligheid is geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1 Endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen.
De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft een wijziging naar een woonbestemming en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader Er wordt voldaan aan de milieukundige advieswaarden, zoals blijkt uit de afbeelding in paragraaf 9.5 van deze toelichting (kaart ODZOB, Achtergrondbelasting geur maart 2022). Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat Er wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarden, zoals blijkt uit de afbeelding in paragraaf 9.5 van deze toelichting (kaart ODZOB, Achtergrondbelasting geur maart 2022). Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij
60
Er zijn geen bedrijven met meer dan een diersoort. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Binnen een straal van 2 kilometer bevinden zich wel geitenhouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Het plangebied is dus gelegen binnen de afstand van 2 km van twee geitenhouderijen. Van de geitenhouderij aan de Boxtelseweg geldt dat er op dit moment geen geiten aanwezig zijn en de eigenaar/exploitant plannen voorbereidt voor een ontwikkeling naar de hoofdactiviteit zorg. Met die ontwikkeling zal de vergunning voor het houden van geiten worden ingetrokken, omdat deze beide niet met elkaar gecombineerd kunnen worden. Voor de geitenhouderij aan de Oetelaarsestraat geldt een maatwerkaanpak, zoals deze door het gemeentebestuur in maart 2018 is vastgesteld.
Het volgende wordt hierbij overwogen: • Er is sprake van een kleinschalige woningbouwontwikkeling (slechts 1 extra woning); • De afstand tot de geitenhouderij meer dan 1.500 meter bedraagt; • Het gezondheidsrisico dat nieuwe bewoners lopen is aanzienlijk kleiner dan het risico van de bewoners, die nu in bestaande woningen op kortere afstand van de geitenhouderij verblijven; • Er is geen sprake van cumulatie met andere overlast van onder andere geur en fijn stof, omdat andere veehouderijen op geruime afstand van de planlocatie zijn gelegen en de geitenhouderij aan de Boxtelseweg feitelijk al is beëindigd. Initiatiefnemer heeft tevens de ‘verklaring geitenhouderijen’ getekend. Op ongeveer 170 meter van het plangebied ligt een voormalige melkrundveehouderij aan Plein 21. Planologisch is een grondgebonden veehouderij toegestaan. Omdat alleen een grondgebonden veehouderij is toegestaan, zijn er geen grote geuremissies (met name bij intensieve veehouderijen) of grote fijnstofemissies (met name bij pluimvee) te verwachten. Bovendien liggen bestaande woningen binnen de bebouwde kom van Schijndel op een afstand van ongeveer 50 meter van die veehouderij. Bij een oprichting van een nieuwe veehouderij zal ter plaatse van die woningen ook sprake moeten zijn van een aanvaardbare gezondheidssituatie. Het plangebied vormt daarom geen belemmering voor de (mogelijkheid
61
tot) veehouderij en er is sprake van een aanvaardbare gezondheidssituatie ten aanzien van een mogelijke grondgebonden veehouderij. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat overwogen dient te worden om advies van de GGD in te winnen. Initiatiefnemer neemt verder het risico op zich dat de gemeente een lopende procedure stopzet, indien uit aanvullend wetenschappelijk onderzoek blijkt dat sprake is van verhoogde risico’s van het wonen in de omgeving van een geitenhouderij en de oorzaken te herleiden zijn tot de aanwezigheid van een geitenhouderij. 10. Mobiliteit en parkeren De gemeente Meierijstad streeft naar een goede ontsluiting en ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is. De ontsluiting van het gemotoriseerd verkeer (auto’s) vindt plaats op de Verdistraat (noordelijke woning) en de Teeuwishoek (zuidelijke woning). De toename van het aantal verkeersbewegingen op de omliggende straten/wegen is dermate marginaal dat hiervan geen significante (nadelige) invloed uitgaat.
Voor de parkeernormen is aansluiting gezocht bij de Nota Parkeernormen Meijerijstad 2018 (Paraplubestemmingsplan parkeren). Per woning dienen minimaal twee parkeerplekken op eigen terrein aanwezig te zijn. Initiatiefnemer heeft samen met gemeente Meierijstad tevens bepaald dat er in de openbare ruimte - binnen een loopafstand van 100 meter van het plangebied - per woning één parkeerplek aan dit contigent mag worden toegevoegd.
62
11. Juridische planopzet 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro , het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.
11.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • de digitale raadpleegbaarheid; • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied;
63
•
de aanduiding.
64
12. Uitvoeringsaspecten 12.1 Economische uitvoerbaarheid Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit de planmaatregel voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 6 van deze plantoelichting. Uit de gevoerde dialoog blijkt dat de aan- en omwonenden de voorgenomen planontwikkeling kritisch volgen, maar er heerst op voorhand geen negatieve grondhouding ten opzichte van de ontwikkeling.
65
13. Conclusie In dit bestemmingsplan is nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke, stedenbouwkundige en milieu-hygiënische effecten van het plan. Gemotiveerd is dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieu-hygiënische deelaspecten onderzocht. Aan de volgende voorwaarden is voldaan: • •
het motiveren van de wijziging van de geldende bestemming middels het opstellen van onderliggend bestemmingsplan; het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid;
Met dit bestemmingsplan is thans een planologische en juridische basis gelegd om de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) te kunnen verlenen en daarmee het onderliggende bouwplan te kunnen realiseren.
66