CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Technische vragen vaststelling verordening Sociaal Domein Meierijstad

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Technische vragen vaststelling verordening sociaal domein Meierijstad3.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen raadsvergadering 29 januari 2026 Vaststelling verordening Sociaal Domein Meierijstad Fractie

Vragen

Antwoorden

VVD

1. In het raadsvoorstel staat dat de ambtshalve verstrekking individuele inkomenstoeslag naar verwachting € 27.000/jaar extra kost. Welke bandbreedte (min/max) is doorgerekend bij verschillende scenario’s (toename doelgroep, hogere instroom, hogere toekenningsgraad)?

We zijn bij de berekening van de extra kosten uitgegaan van de groep die bij een ambtshalve verstrekking de toeslag zou krijgen. Dat betreft de minima waarvan we weten dat ze recht hebben omdat we uit onze systemen geautomatiseerd kunnen vaststellen dat ze voldoen aan de criteria. Het dan te verstrekken bedrag hebben we verminderd met de huidige realisatie van de verstrekkingen van deze toeslag. Het huidige meerjarig budget bijzondere bijstand bedraagt € 3,2 miljoen per jaar. De minimaregelingen zijn zogenaamde ‘open-eind regelingen'. De verwachting is dat we net als voorgaande jaren binnen het gestelde budget zullen blijven. We maken bij de ambtshalve toekenning gebruik van de ons bekende minima (bijstandsgerechtigden). Wij kunnen op basis van ons beschikbare data (vanuit ons eigen uitkeringssysteem) geautomatiseerd vaststellen of zij voldoen aan de criteria. Op dit moment is er nog geen wettelijke grondslag voor verdere koppeling met bestanden van bijvoorbeeld het UWV of de SVB. Het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening SZW zal ons

2. Er wordt gesteld dat meerkosten worden opgevangen binnen het budget bijzondere bijstand. Wat is het huidige meerjarig budget bijzondere bijstand (2025–2028/2029) en welke ruimte is daarin structureel beschikbaar na reeds bekende verplichtingen? 3. Welke databronnen en koppelvlakken worden gebruikt voor ambtshalve toekenning (inkomen/vermogen/huishoudsamenstelling), en wat is de foutmarge die de gemeente acceptabel vindt?

4. Welke controle op vermogen wordt toegepast bij ambtshalve toekenning, aangezien in de verordening staat dat het vermogen op de aanvraagdatum wordt vastgesteld—hoe werkt dit bij ambtshalve (zonder “aanvraagdatum” door inwoner)? 5. Welke herstel- en terugvorderingsprocessen (inclusief capaciteit en kosten) zijn ingericht als ambtshalve ten onrechte is toegekend? (Let op: terugvordering is deels uit de verordening gehaald en via beleidsregel geregeld; hoe borgen we dit uitvoerend?)

6. Het raadsvoorstel noemt de wijziging van peildatum → peiljaar. Wat is het exacte toetsingsmoment (welk jaar, welke inkomenscomponenten) en hoe wordt omgegaan met wisselende inkomsten binnen het peiljaar? 7. Artikel 7.4.1 bevat criteria zoals “geen goede financiële buffer” en “geen uitzicht op verbetering”. Welke objectieve meetlat (indicatoren/afkappunten) hanteert de uitvoering om willekeur en bezwaar/beroepskosten te voorkomen?

Zaaknummer 2999724

Pagina 2 van 14

datum 12 januari 2026

daarin waarschijnlijk vanaf 2027 meer mogelijkheden gaan bieden. De foutmarge is 0% omdat de ambtshalve verstrekkingen alleen plaatsvinden aan die inwoners waarvan 100% gegarandeerd is dat zij voldoen aan alle voorwaarden. Ambtshalve verstrekkingen vinden alleen plaats aan uitkeringsgerechtigden. En die hebben geen vermogen boven de vermogensgrens. Want bij een vermogen boven de vermogensgrens is er geen recht op een bijstandsuitkering. Zie ook antwoord bij vraag 3. De selectie van ambtshalve verstrekkingen is dusdanig dat een terugvordering niet aan de orde kan zijn. De criteria zijn dusdanig duidelijk dat er geen terugvorderingen uit zullen volgen. Daarom zijn geen extra aanpassingen nodig. Nota bene: Het schrappen van bepalingen over terugvordering uit de verordening heeft geen consequenties voor de huidige werkwijze; die blijft ongewijzigd op basis van de in 2022 vastgestelde beleidsregels. Bij de beoordeling van een aanvraag over peiljaar 2026 zal het gemiddelde inkomen van de 3 voorafgaande kalenderjaren (2023, 2024 en 2025) worden afgezet tegen de geldende inkomensgrens (van 120%). “Geen goede financiële buffer” verwijst naar de landelijke vermogensgrenzen in de Participatiewet, die ook voor de algemene bijstand gelden. Die zijn nu € 8.000 voor alleenstaande en € 16.000 voor gezinnen.

“Geen zicht op inkomensverbetering” is een individuele beoordeling, die wel vanuit de beleidsregel inkomensondersteuning is gekaderd. Zie hiervoor

8. De Meedoenregeling vergoedt ook abonnementen tv/internet/telefoon. Welke afbakening geldt (wel/niet basispakket, max per jaar, welke bewijsstukken) om kostenstapeling te voorkomen?

Zaaknummer 2999724

Pagina 3 van 14

datum 12 januari 2026

artikel 40 van de betreffende beleidsregel: “Uitzicht op inkomensverbetering, volgens artikel 36 van de wet, wordt niet aanwezig geacht als: a. een niet werkende (uitkeringsgerechtigde) voldoet aan de vereiste van een langdurig laag inkomen; b. een werkende voldoet aan de vereisten van een langdurig laag inkomen en door in de persoon gelegen factoren niet in staat wordt geacht door urenuitbreiding of (aanvullende) werkzaamheden elders het inkomen voor langere tijd te verhogen tot boven de inkomensgrens. Dit uitzicht op inkomensverbetering moet zich binnen 12 maanden kunnen voordoen volgens het college.” De Meedoenregeling wordt verstrekt om minima in staat te stellen mee te doen. Daarvoor wordt een standaardbedrag verstrekt. Het is aan de betreffende inwoner om zelf keuzes te maken waaraan dat geld wordt uitgegeven op het gebied van ‘meedoen (participeren)'. We gaan daarbij uit van vertrouwen; nagenoeg alle inwoners zullen dat bedrag dat ze krijgen op jaarbasis uitgeven aan activiteiten die onder ‘meedoen’ vallen, waaronder dus ook abonnementen op tv/internet en telefoon.

9. De gemeente kan de Meedoenregeling ambtshalve verstrekken. Welke controle voorkomt dubbele toekenningen (bijv. gescheiden huishoudens, co-ouderschap, verhuizingen binnen het jaar)?

10. Pgb formele hulp kan tot max 100% ZIN-tarief (met onderscheid regulier vs micro). Hoe wordt voorkomen dat het Pgb structureel duurder uitpakt (bijv. hogere inzet uren, andere productmix) dan ZIN?

11. Welke maximale looptijden/afschrijvingstermijnen hanteert de gemeente bij Pgb-producten, en hoe wordt gecontroleerd dat een product “nog adequaat is” (dus niet onnodig vervangen) om kosten te beheersen?

Zaaknummer 2999724

Pagina 4 van 14

datum 12 januari 2026

Inwoners kunnen maximaal 1 x per jaar recht hebben op de Meedoenregeling. Bij de ambtshalve verstrekkingen wordt nagegaan of de persoon al eerder een bijdrage heeft gehad. Bij de ambtshalve verstrekking wordt uitgegaan van de situatie zoals die op dat moment is. Bijvoorbeeld: Woont een kind bij ouder A, dan krijgt ouder A de bijdrage voor dat kind. Verhuist het kind later in dat jaar naar ouder B, dan kan ouder B niet alsnog voor dat kind een bijdrage krijgen. Omdat het pgb tarief voor zowel producten als diensten vanuit de Wmo maximaal 100% bedraagt van het ZIN tarief, is ondersteuning middels pgb niet duurder dan die via ZIN. Waar het ondersteuning betreft waarvoor de indicatie in uren is uit te drukken, gebeurt dit voor ZIN en pgb op dezelfde manier. Deze ondersteuning wordt zowel in ZIN als in pgb per geïndiceerd uur betaald. Een met een pgb aangeschaft product wordt geacht minimaal 7 jaar mee te gaan. Er wordt hierbij uitgegaan van een technische afschrijvingstermijn, dus als een product na deze 7 jaar nog adequaat is, wordt het niet vervangen. Bij een verzoek om vervanging van het product wordt de inwoner gevraagd een rapport te overleggen van de leverancier waaruit blijkt dat het product niet meer voldoet en dat vervanging de enige oplossing is.

Bij twijfel hieraan of bij het ontbreken van een dergelijk rapport, kan de gemeente een extern deskundige inzetten om de staat van het product te beoordelen.

12. Welke toets op het Pgb-plan (inhoudelijk én financieel) wordt standaard toegepast vóór goedkeuring, en welke doorlooptijden/capaciteit zijn hiervoor beschikbaar (om dure noodoplossingen te voorkomen)?

13. Collectief maatwerkvervoer kent een grens van 3000 km/jaar, maar de gemeente kan “gemotiveerd afwijken”. Welke objectieve criteria gelden voor afwijking, hoeveel afwijkingen verwacht men, en wat is het maximale budgettaire effect?

14. De verordening noemt op meerdere plekken dat de gemeente nadere regels/beleidsregels kan vaststellen (o.a. gebruikelijke hulp, algemene voorzieningen, Meedoenregeling, Pgb-onderscheid formeel/informeel). Welke lijst nadere regels volgt nog, en wat is het financiële effect per nadere regel (impactanalyse)?

Zaaknummer 2999724

Pagina 5 van 14

datum 12 januari 2026

Vóór goedkeuring van een pgb-budgetplan worden de volgende punten beoordeeld: is de betreffende inwoner pgb vaardig, wordt het pgb ingezet voor de noodzakelijk geachte ondersteuning, voldoet de gekozen aanbieder aan de gestelde kwaliteitseisen, wat is de hoogte van het genoemde budget en wordt hiermee het maximale budget (max. 100% van het ZIN-tarief) niet overschreden? Deze beoordeling van het pgb-budgetplan is regulier onderdeel van het takenpakket van de Wmo consulenten. Hiervoor wordt geen extra capaciteit ingezet. Als wordt afgeweken van deze maximale km grens, is sprake van een individuele maatwerkoplossing. De ervaring is dat inzet hiervan uitzonderlijk is. Op dit moment kennen we twee lopende indicaties waarbij deze afwijking noodzakelijk is gebleken. De budgettaire impact hiervan is minimaal. Inherent aan het feit dat sprake is van een maatwerkoplossing, is dat er geen objectieve criteria voor zijn vastgesteld. De basis voor het afwijken van de maximale km grens is altijd de vraag of dit noodzakelijk is om beperkingen in zelfredzaamheid of participatie te compenseren. Bij jeugd en Wmo kennen we respectievelijk de nadere regels jeugdhulp en de nadere regels Wmo. Hierin worden begrippen gedetailleerder uitgewerkt en uitgelegd. Deze regels hebben geen direct financieel effect.

15. Artikel 3.1.3: de gemeente kan budgetplafonds instellen voor voorzieningen (niet voor loonkostensubsidie/beschut werk). Voor welke voorzieningen worden in 2026 concreet plafonds voorzien, wat zijn die bedragen, en welk sturingsmechanisme treedt in werking bij dreigende overschrijding (stop, wachtrij, herprioritering)?

16. Is er over 2025 nu 0,19 uitgekeerd of 0,23 en gezien dit in 2026 eveneens 0,23 wordt kan dit direct worden benoemd. Als dit 0,19 was hoe gaat de gemeente dit dan corrigeren? 17. 9.2.8 lid 4 waar is de twee maanden op gebaseerd?

De beleidsregels inkomensondersteuning (bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag) zijn in augustus 2025 door het college vastgesteld. Die hebben een budgettair neutraal financieel effect. Er is op dit moment geen voornemen om nadere regels te stellen voor de Meedoenregeling. Deze bepaling is al enige jaren ongebruikt in de verordening opgenomen. Voor re-integratievoorzieningen zijn geen budgetplafonds vastgesteld. De inzet van deze voorzieningen vindt plaats op basis van een individuele beoordeling, binnen de beschikbare middelen en voor zover de verordening dit toelaat. Een adequate en tijdige inzet van reintegratievoorzieningen draagt bij aan duurzame participatie en werkhervatting en voorkomt hogere maatschappelijke kosten op de langere termijn, waaronder het oplopen van uitkeringslasten. Voor jeugd en WMO is in 2025 al € 0,23 uitgekeerd en betreft het nu een administratieve wijziging om artikel 4.2 lid 11 van de verordening te actualiseren. De periode van 2 maanden stond al in de Afstemmingsverordening Participatiewet uit 2017 en werd in 2022 overgenomen in de eerste integrale verordening voor het sociaal domein waar onder andere de Afstemmingsverordening in opgegaan is. De motivatie voor de twee maanden is ook terug te vinden in de was-wordt lijst: Met toevoeging van deze bepaling wordt het door eigen toedoen werkloos worden voorafgaande aan de bijstand hetzelfde

Zaaknummer 2999724

Pagina 6 van 14

datum 12 januari 2026

18. 9.5.6 al dan niet steekproefsgewijs? Hoe wordt dit concreet gedaan?

19. 9.5.7, worden hierin ook afspraken gemaakt over malussen? Zowel lid 1, 2 en 3.

SP

Paragraaf 7.8: Schuldhulpverlening 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt.

Zaaknummer 2999724

Pagina 7 van 14

datum 12 januari 2026

'bestraft' als tijdens de bijstand. Dit vindt alleen plaats als de inwoner redelijkerwijs kon weten dat hij een bijstandsuitkering nodig zou hebben. In die situatie wordt de bijstandsuitkering namelijk ook voor twee maanden verlaagd. Onderzoek naar recht- en doelmatig gebruik van pgb's vindt op verschillende manieren plaats. Lokaal wordt door de betrokken Wmo consulent bij elk evaluatiemoment van lopende ondersteuning en bij een herindicatie bekeken of het pgb correct is ingezet. Waar twijfel bestaat over recht- en doelmatige inzet van het pgb kan gekozen worden om de regionale toezichthouder in te schakelen. Toezicht en handhaving in het kader van Wmo en Jeugd is regionaal belegd. Er kan daardoor ook regionaal beoordeeld worden of het doen van steekproeven of themagericht onderzoek naar besteding van pgb's en de kwaliteit van de geboden ondersteuning passend is. De contracten met zorgaanbieders bevatten afspraken over wat er gebeurt als een aanbieder niet aan de verplichtingen voldoet. Dit kan gaan om: terugvordering van teveel betaalde bedragen, waarschuwingen of verbeterverplichtingen, aanscherping van afspraken en uiteindelijke ontbinding bij ernstige tekortkomingen. We maken voor schuldhulpverlening inderdaad gebruik van een externe partij. Dit is de Kredietbank Den Bosch, onderdeel van de gemeente ‘s-Hertogenbosch.

Indien men gebruik maakt van een externe partij voor het verlenen van schuldhulpverlening, is er dan een vorm van controle en/of toezicht?

Artikel 12.1: Kwaliteit 2. Hoe waarborgt de gemeente de kwaliteit van de dienstverlener tijdens de dienstverlening?

Zaaknummer 2999724

Pagina 8 van 14

datum 12 januari 2026

We houden uiteraard actief contact met hen om de voortgang van de trajecten van onze inwoners te monitoren. Ook hebben we standaard overleggen ingepland om op de kwaliteit te controleren. Daarnaast is de Kredietbank Den Bosch lid van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Bij dat lidmaatschap gelden strenge kwaliteitseisen. Zo vinden regelmatig vanuit de NVVK audits plaats om de kwaliteit van de geleverde diensten te controleren. Wel is het zo dat de Kredietbank Den Bosch pas wordt ingezet wanneer een inwoner een officieel schuldtraject ingaat, zoals bijvoorbeeld een saneringskrediet of een aanvraag Wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Het eerste contact dat inwoners hebben is altijd met een medewerker geldzorgen van onze gemeente. De snelheid waarmee een inwoner ondersteuning krijgt met het oplossen van schulden hebben we dus in eigen hand. Consulenten hebben hierin een rol bij evaluatie van lopende ondersteuning en bij herindicaties. Ook contractbeheerders vanuit RIOZ (Regionale Inkooporganisaties Zorg voor regio NO Brabant en regio Meierij & Bommelerwaard) en RIWMO (Regionale Inkoop Wmo voor regio Brabant Noordoost Oost) hebben een rol hierin. Verder wordt middels een klanttevredenheidsonderzoek periodiek bij inwoners gevraagd naar hun ervaringen met zorgaanbieders.

GBM

1. 4.2 lid 11 - Kunt u toelichten waarom in de tekst “medicaliseren/normaliseren” staat, terwijl in landelijke en gemeentelijke beleidskaders juist wordt gesproken over “demedicaliseren en normaliseren” als doelstelling in de jeugdhulp?

2. Is het zo dat “medicaliseren” hier taalkundig én inhoudelijk een ongewenst signaal afgeeft? Het suggereert dat de gemeente vertrekt vanuit een medische benadering in plaats van het voorkomen daarvan? 3. Is het zo dat “gebruikelijke hulp” in de Jeugdwet uitgaat van wat in redelijkheid van ouders verwacht mag worden, en niet van een vooraf vastgelegd maximum aantal ritten per week?

4. Op welke grondslag is gekozen om specifiek “twee keer per week brengen” als norm voor gebruikelijke hulp op te nemen, en hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van maatwerk per gezin? 5. Op welke grondslag is gekozen om specifiek “twee keer per week brengen” als norm voor gebruikelijke hulp op te nemen, en hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van maatwerk per gezin? 6. Hoe zorgt het college ervoor dat de norm van twee ritten per week als “gebruikelijke hulp” bij vervoer naar jeugdhulp niet leidt tot overbelasting van ouders of tot het afzien van noodzakelijke hulp door gebrek aan vervoer, vooral bij lage inkomens en alleenstaande ouders?

Zaaknummer 2999724

Pagina 9 van 14

datum 12 januari 2026

Tekstueel wordt bedoeld medicaliseren versus normaliseren. Ter verduidelijking inderdaad beter om te wijzigen in: demedicaliseren en normaliseren. De tekst van de nieuwe verordening is hier op aangepast. Zie antwoord bij 1. De gemeente wil onnodig of te snel medicaliseren juist voorkomen. Het klopt dat gekeken moet worden wat in redelijkheid van ouders of verzorgers verwacht mag en kan worden. De door de gemeente Meierijstad gekozen grondslag van twee keer per week wordt als uitgangspunt gehanteerd als zijnde gemiddeld haalbaar. Voor veruit de meeste gezinnen is dit ook het geval. De jeugdconsulenten van de gemeente bespreken per gezin deze haalbaarheid en geven aan als het nodig is om hiervan af te wijken. In dit geval is er sprake van maatwerk. Zie antwoord bij 3.

Deze vraag staat er dubbel in.

Zie antwoord bij 3.

7. Hoe kunnen we met de gekozen constructie met beleidsregels, in de verordening alsnog een aantal duidelijke hoofdlijnen vast te leggen (bijvoorbeeld doelgroepen, uitgangspunten rechtszekerheid, gebruik hardheidsclausule) zodat inwoners en raad meer grip houden op het minimabeleid? 8. Hoe wordt geborgd dat wijzigingen in beleidsregels bijzondere bijstand en terugvordering niet “stilletjes” plaatsvinden, maar altijd vooraf aan de raad worden voorgelegd en publiekelijk worden gecommuniceerd richting inwoners?

9. Mantelzorg, datum is vervroegd van 31 december naar 30 november. Hoe gaan we zorgen dat inwoners hier tijdig van op de hoogte worden gebracht? 10. In hoeverre biedt de vernieuwde regeling voor mantelzorgwoningen daadwerkelijke verruiming voor inwoners (bijvoorbeeld meer situaties waarin mantelwonen mogelijk is) en hoe wordt dit actief onder de aandacht gebracht bij mantelzorgers en zorgverleners?

Zaaknummer 2999724

Pagina 10 van 14

datum 12 januari 2026

Het college is op grond van de wet direct bevoegd een beleidsregel over bijzondere bijstandsverlening vast te stellen. Het is dus niet zo dat er een keuze is voor een constructie, dit is een wettelijk voorgeschreven systematiek. De bevoegdheid van het college om deze beleidsregels vast te stellen volgt direct uit de Participatiewet. De besluiten van het college kunnen ter kennisname gedeeld worden met de raad zodat deze haar controlerende taak kan vervullen. De kaders waarbinnen de beleidsregels moeten passen zijn het beleidsprogramma en de integrale verordening sociaal domein en die zijn ook door de raad vastgesteld. Beleidsregels worden verder op de gebruikelijke wijze gepubliceerd en zijn afdwingbaar voor inwoners. Daarmee bieden ze rechtszekerheid. Inwoners die geraakt worden door wijziging van beleid worden passend voorgelicht. Vanuit het mantelzorgsteunpunt worden inwoners hierover actief geïnformeerd op verschillende momenten in het jaar. De regeling voor mantelzorgwoningen is niet veranderd. Hiervoor is een verklaring nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een onderlinge zorgrelatie. De nieuwe regeling rondom mantelwonen biedt hiernaast de mogelijkheid voor mensen om vanuit een sociale relatie in elkaars nabijheid te wonen en elkaar te ondersteunen.

Informatie rondom mantel(zorg)wonen is beschikbaar via de communicatiekanalen van de gemeente en wordt actief onder de aandacht gebracht door consulenten binnen het sociaal domein en vanuit het mantelzorgsteunpunt.

11. Wmo: verhuizen, woningaanpassing en bedragen: Welke concrete criteria gebruikt het college in het onderzoek naar de “meest passende oplossing” bij woningaanpassingen boven 18.000 euro, en hoe wordt de voorkeur van de inwoner meegewogen als die graag in de eigen woning wil blijven wonen?

Zaaknummer 2999724

Pagina 11 van 14

datum 12 januari 2026

Er is ook een flyer ontwikkeld over dit onderwerp. Externe partners zoals seniorenraad en dorpsraden zijn hierin meegenomen. In situaties waarbij binnen 5 jaar woningaanpassingen noodzakelijk zijn voor méér dan € 18.000,- wordt onderzocht of verhuizen adequater is dan het aanpassen van de woning. In dit onderzoek worden onder andere de volgende vragen meegenomen: Hoe groot is het aanbod van geschikte of eenvoudig aan te passen woningen? Is er binnen een medisch aanvaardbare termijn een passende woning beschikbaar? Welke omstandigheden zijn van belang voor de inwoner om te kiezen voor wel of niet verhuizen? (bv nabijheid sociaal netwerk of mantelzorgers) Wens van de inwoner zelf; wil hij verhuizen of in de huidige woning blijven? Welke invloed heeft verhuizen op de woonlasten? Aanwezigheid voorzieningen als openbaar vervoer of winkels.

D66

1. Waarom is in de nieuwe Wmo-verordening geen maximale termijn opgenomen voor de behandeling van aanvragen en het afgeven van beschikkingen, terwijl dit in andere gemeentelijke procedures gebruikelijk is?

2. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat aanvragen “zo spoedig mogelijk” worden afgehandeld? Zijn er interne streeftermijnen vastgesteld? In het verleden stond er namelijk wel een termijn hiervoor dat was namelijk 8 weken.

Zaaknummer 2999724

Pagina 12 van 14

datum 12 januari 2026

De voorkeur van de inwoner zelf om wel of niet te verhuizen is een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. De afhandeltermijn van Wmo aanvragen is vastgelegd in de Wmo2015. De Wmo2015 gaat hierbij vóór op de termijnen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat dit specialistische wetgeving is. De Awb kent een standaard afhandeltermijn van 8 weken tussen aanvraag en beschikking. De Wmo2015 kent ook een afhandeltermijn van 8 weken. Deze is onderverdeeld in een onderzoeksperiode en een beslisperiode. De eerste 6 weken na binnenkomst van een Wmo melding zijn bestemd voor onderzoek door de gemeente. Na deze 6 weken kan de inwoner een concrete Wmo aanvraag doen waarop binnen 2 weken door de gemeente beslist moet worden. Deze afhandeltermijn tussen melding en beschikking is voor alle gemeentelijke regelingen opgenomen in art. 2.3.4 van de verordening. Afgelopen jaar is een efficiëntieslag gemaakt op werkprocessen en procedures. Op dit moment ligt de afhandeltermijn na een Wmo melding ruim binnen de termijn van 8 weken. Er zijn geen interne streeftermijnen. We hanteren de wettelijke afhandeltermijnen. Deze is opgenomen in art.2.3.4 van de verordening.

3. Hoe wordt de indicering momenteel uitgevoerd en welke stappen zijn gezet om de werkdruk van Wmo-ondersteuners en mantelzorgers te verlagen?

4. Op welke wijze wordt in de contracten met zorgaanbieders aandacht besteed aan de kwaliteit van zorg en het salarisniveau van zorgmedewerkers?

Nadat een melding voor Wmo ondersteuning is gedaan, wordt door de Wmo consulent onderzocht wat de beperkingen zijn die de inwoner ervaart en wordt samen met de inwoner bekeken hoe deze opgelost kunnen worden. Als blijkt dat een geïndiceerde Wmo voorziening nodig is, wordt de aard en omvang hiervan bepaald door de Wmo consulent in samenspraak met de betreffende inwoner (en zijn naasten). Waar nodig kan door de Wmo consulent externe deskundigheid worden ingezet als onderdeel van het onderzoek. In situaties waarin sprake is van mantelzorg, wordt ook de mantelzorger betrokken bij het onderzoek naar de noodzakelijke oplossingen. De mogelijkheden van de mantelzorger om ondersteuning te kunnen (blijven) bieden zijn mede bepalend voor de (omvang van de) inzet van professionele ondersteuning. Dit kan, hoewel geen technische vraag mbt verordening, als volgt beantwoord worden. Bij opstellen van aanbestedingsdocumenten wordt gekeken welke kwaliteitscriteria en prestatieindicatoren passend zijn. Dit is mede afhankelijk van de aard van de aan te besteden opdracht. Het is niet toegestaan om in contracten eisen te stellen ten aanzien van de salariëring omdat dit discriminerend kan zijn en de concurrentie beperkt, maar je kunt wel eisen stellen aan de naleving van sociale en arbeidsrechtelijke wetgeving (zoals de cao en het minimumloon). Per aanbesteding wordt gekeken wat het best passend is.

Zaaknummer 2999724

Pagina 13 van 14

datum 12 januari 2026

5. Zijn er kwaliteitscriteria of prestatie-indicatoren opgenomen in de aanbesteding of contracten?

Ja, dit is het geval. De inhoud van aanbestedingsopdrachten en contracten zijn geen onderdeel van de verordening. In de productenboeken die zijn gepubliceerd op de website van RIOZ (Regionale Inkooporganisaties Zorg voor regio NO Brabant en regio Meierij & Bommelerwaard) zijn wel kwaliteitscriteria per product opgenomen. Het voert te ver om in dit antwoord in te gaan op kwaliteitscriteria of prestatie-indicatoren in specifieke contracten. Mocht hieraan behoefte bestaan, dan kan aanvullende informatie op een later moment worden geleverd.

Zaaknummer 2999724

Pagina 14 van 14

datum 12 januari 2026

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2cb48ce8-971a-4c41-b12e-b4b0eb9c9c60