Steenoven II Fase II_Toelichting
Tekst van het document
Afbeelding 4-4 Territoria en leefgebieden van uilen in de omgeving van het plangebied Het is niet uitgesloten dat de woningbouw negatiever effecten heeft op de territoria en leefgebieden van de uilen. Uit nader onderzoek (zie Bijlage 9) blijkt dat een deel van het foerageergebied van één steenuilenpaar, en daarmee ook een deel van het essentiële leefgebied, verdwijnt. Binnen de actieradius van het steenuilenpaar bevindt zich een boomgaard die dient als primair foerangeergebied die volledig behouwden blijft. Daarnaast worden halfopen bosschages, tuinen en moestuinen gebruikt als primair en secundair foerageergebied. Ook deze gebieden blijven behouden. Akkerranden en randen van weilanden zijn secundair foerageergebied, dit foerageergebied blijft voor 75% behouden. Er verdwijnt dus een relatief beperkt deel van het foerageergebied, dat periodiek een relatief slecht prooiaanbod biedt. Het beperkte verlies is door middel van mitigatie te neutraliseren. De mitigerende maatregelen worden getroffen in de het plangebied ter plaatse van de speciefieke bouwaanduiding bouwverbod. In figuur 4-5 is de inrichting van de zone weergegeven. Voor de specifieke maatregelen die in dit gebied worden getroffen wordt verwezen naar het Activiteitenplan. Met de maatregel wordt het verloren foerangeergebied volledig gecompenseerd. Tevens wordt een impuls gegevan aan de biodiversiteit als geheel.
52/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
Afbeelding 4-5 Mitigerende maatregel voor de steenuil De woningen mogen pas gebouwd worden als de mitigerende maatregel is ingericht en voldoet aan de gestelde eisen. Voorafgaand aan het inrichten van de mitigerende strook moet de grond gesaneerd worden. Voor de steenuil is op 5 juni 2023 een ontheffing soortenbescherming aangevraagd, deze ontheffing is 31 augustus 2023 verleend voor het vernielen of beschadingen van nesten en/of rustplaatsen van de steenuil voor de periode tot en met 31 december 2028 (zie Bijlage 10). Aan deze ontheffing zijn voorschriften verbonden: de mitigerende maatregelen moeten conform de aanvraag, het activiteitenplan een de aanvullende gegevens van 2 augustus 2023 uitgevoerd worden; de activiteiten moeten uitgevoerd worden onder begeleiding van een ecologisch deskundige op het gebied van de steenuil; een ecologisch werkprotocol moet opgesteld worden; het alternatieve foerageergebied moet bij de start van het broedseizoen van de steenuil volledig functioneel zijn. Conclusie Met uitzondering van de kerk- en steenuil vormen de in en om het plangebied aanwezige planten en diersoorten geen belemmering voor het plan. Om overtreding van de Wnb te voorkomen is het plaatsen van paddenschermen tijdens de uitvoering noodzakelijk en moet de coniferenhaag ten noorden van de vrijstaande woningen behouden blijven voor de huismus.
Voor de steenuilen moet alternatief foerageergebied aangeboden worden en is een ontheffing soortenbescherming verleend. Binnen het plangebied wordt een groenstrook ingericht die kan dienen als mitigerende maatregelen voor het verdwijnen van een deel van het foerageergebied. Uiteraard moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening worden gehouden met de verlichting van het bouwterrein en werkverkeer, het broedseizoen en is de algemene zorgplicht van toepassing. Ook bij de inrichting van het plangebied moet voorkomen worden dat straatlantaarns gericht zijn op de groenstrook.
53/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
4.9.3 Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Daarnaast heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de provincie Noord-Brabant is het natuurbeleid vastgelegd in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kampina & Oiter 'ligt 12,6 kilometer ten zuidwesten van het plangebied . Gezien de ruime afstand van het plangebied doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Externe effecten zoals trilling, geluid en beweging zijn op basis van de afstand van het Natura 200-gebied tot het plangebied ook uitgesloten. In paragraaf 4.9.4 wordt ingegaan op het aspect stikstof. Het plangebied overlapt niet met gebieden die zijn aangesloten bij Nationaal Natuurnetwerk Brabant. Van externe werking van effecten is evenmin sprake. Conclusie het plan heeft geen gevolgen voor beschermende gebieden.
4.9.4 Stikstof In het kader van het plan is een onderzoek uitgevoerd naar de toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden in verband met de beoogde extra activiteiten op grond van dit bestemmingsplan Steenoven II Fase II. Het doel van het stikstofdepositie-onderzoek is het beoordelen of de toekomstige activiteiten die mogelijk worden op basis van de planologische situatie mogelijk significante gevolgen heeft op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden én of het op basis van de stikstofdepositie noodzakelijk is een passende beoordeling op te stellen. Uitgangspunt voor het onderzoek is dat de nieuwbouw in het plangebied gasloos wordt uitgevoerd en dat alleen de verkeersaantrekkende werking van het plan gevolgen heeft voor de emissie van stikstof en ammoniak. De verkeersaantrekkende werking is bepaald op circa 320 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersbewegingen zijn beschouwd totdat ze zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de gebruiksfase van het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie is Natura 2000-gebied. Voor de bouwfase is vastgesteld binnen welke randvoorwaarden geen sprake is van een toename van de depositie. De volgende emissies zijn in dat geval toegestaan: maximaal 860 kg NOx en 369 kg NH3 op jaarbasis op de bouwplaats.
Dit komt overeen met de verbranding van 150.000 liter brandstof. Machines van STAGE klasse IV met een motorvermogen van 75 tot 560 kW kunnen, bij een brandstofverbruik van 15l/uur en de toevoeging van 6% AdBlue, 10.000 uur per jaar worden gebruikt; 10.000 bewegingen met lichte motorvoertuigen en 5.000 bewegingen met zware vrachtwagens van en naar de bouwplaats. Deze inzet van machines en verkeer wordt voldoende geacht om de bouw mogelijk te maken. Daarnaast kan onbeperkt gebruik worden gemaakt van emissieloos materieel. Het plan kan daarom ook geen significante gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.
54/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
4.9.5 Conclusie Voor de aantasting van het foerageergebied van de steen- en kerkuil moeten mitigerende maatregelen worden getroffen en eventueel een ontheffing soortenbescherming worden aangevraagd. Om overtreding van de Wnb te voorkomen is het plaatsen van paddenschermen tijdens de uitvoering noodzakelijk en moet de coniferenhaag ten noorden van de vrijstaande woningen behouden blijven voor de huismus. Het plan heeft verder geen gevolgen voor beschermde soorten of beschermde gebieden. Uiteraard moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen en is de algemene zorgplicht van toepassing.
4.10
Bodemkwaliteit
4.10.1
Algemeen
In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Vanwege de voorgenomen functiewijziging van de bestemming "Agrarisch met waarden" naar de bestemming "Wonen" dient inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te worden verkregen, teneinde vast te stellen of de bodem geschikt is voor de boogde functie(s). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is vast te stellen of er ter hoogte van de onderzoekslocatie sprake is van een verontreiniging van grond en/of grondwater. De opzet van het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse norm "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (NEN 5740:2009+A1:2016).
4.10.2
Bodemonderzoek
Het verkennend bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Op basis van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken is het de verwachting dat een lichte tot matige verontreiniging van de bodem niet is uit te sluiten, maar dat de aanwezigheid van sterke verontreiniging onwaarschijnlijk is. Er is geen reden om asbestverontreiniging te verwachten mar wel kunnen bestrijdingsmiddelen aanwezig zijn in de bodem. Voor het veldwerk is het gebied opgedeeld in een weiland van circa 1,3 ha en een overig terreindeel van ruim 0,2 ha. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Zintuiglijk zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond van het weiland licht tot matig en plaatselijk zelfs sterk verontreinigd is met bestrijdingsmiddelen. Die verontreiniging is waarschijnlijk betrekkelijk homogeen en in de bodem van het gehele voormalige weiland aanwezig. De ondergrond is niet tot nauwelijks verontreinigd met OCB. Op het overige terreindeel zijn in de bovengrond ook licht tot matig verhoogde gehaltes van bestrijdingsmiddelen aangetroffen. In het weiland, de voormalige boomgaarden, is sprake van een plaatselijk sterke verontreiniging met bestrijdingsmiddelen, en elders met een lichte tot matige verontreiniging.
De contour van het gebied met een sterke verontreiniging is nog niet vastgesteld, wel is duidelijk dat binnen het gehele weiland sprake is van verhoogde gehaltes. Het is ook niet uit te sluiten dat sprake is van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging', hiervan is sprake als het totale volume sterk verontreinigde grond groter is dan 25 m3. 55/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
De kwaliteit van de bovengrond is zodanig dat als deze van elders zou worden aangevoerd ten behoeve van ophoging deze niet aan de generieke landelijk geldende eisen voldoet behorend bij het huidige en toekomstige gebruik. De bovengrond heeft de kwaliteit Industrie en plaatselijk zelfs 'Niet Toepasbaar'. De kwaliteit voor de bovengrond voldoet aan Lokale Maximale Waarden die in andere gemeentes zijn vastgesteld voor terreinen van voormalige boomgaarden met een vergelijkbaar nieuw gebruik. De gemeente Meierijstad heeft echter geen specifiek beleid dat afwijkt van het generieke landelijke kader. Uit een toets met Sanscrit blijkt dat er geen sprake is van humane risico's bij het voorgenomen gebruik. Als het plangebied wordt beschouwd als een gebied met de functie 'wonen met tuin, volkstuinen, groen met natuur-waarden' dan is sprake van ecologische risico's. Uitgaande van een gebiedstype 'ander groen, bebouwing, industrie en infrastructuur' wordt wel aan de norm voldaan en is er geen sprake van ecologische risico's. Of wel of niet sprake is van ecologische risico's is dus afhankelijk van de kwalificatie van het gebied. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zware metalen (van nature verhoogd), xylenen en naftaleen gemeten.
Er is geconcludeerd dat nader onderzoek noodzakelijk is naar hotspots, met name op delen van het plangebied die een gevoelig gebruik krijgen, zoals groenvoorzieningen en particuliere tuinen. Dit nader onderzoek is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 13. Doel van het nader onderzoek was het vaststellen van de mate en omvang van de verontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen, en vaststellen of op de locatie sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, het in beeld brengen van de 'wonen-contour' en een eventuele saneringsnoodzaak. In het nader onderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie vanaf 1974 deels in gebruik is geweest ten behoeve van tuinbouwactiviteiten waarbij een groot deel van 1998 tot 2003 is gebruikt als boomgaard. In het rapport is eveneens de conclusie van de omgevingsdienst op het rapport van WSP opgenomen. Zij stellen dat risico's niet kunnen worden uitgesloten en dat het wenselijk is dat wordt gesaneerd. Zij willen daarom dat de contouren van de interventiewaarde en de kwaliteit 'Wonen' in beeld worden gebracht. Ook moet de verontreinigingssituatie op plekken die een gevoelig gebruik krijgen (zoals speelveldjes en groenvoorzieningen) beter in beeld worden gebracht. In het nader bodemonderzoek is de kwaliteit van de bovenste 0,3 m van de bodem vastgesteld omdat met name deze bodemlaag 'verdacht' was.
In het nader onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Er is sprake van een viertal 'spots' waar in de bovenste 0,3 m van de bodem de interventiewaarde van organochloorbestrijdingsmiddelen wordt overschreden. Het totale volume sterk verontreinigde wordt geschat op 12 m3. In het grootste gedeelte (13.800 m2) van het onderzoeksgebied voldoet de bodemkwaliteit in de bovenste 0,3 m niet aan de eisen die daaraan worden gesteld voor 'Wonen'. De totale hoeveelheid grond welke niet voldoet aan klasse wonen is hiermee bepaald op circa 4.400 m3. De sterke verontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen wordt als 'historisch' beschouwd en de omvang ervan is niet zodanig dat sprake is van een 'geval van ernstige verontreiniging'. Uitgaande van een 'worst case' (toekomstig gebruik 'Wonen met tuin', 'Plaatsen waar kinderen spelen' en 'Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie' en het hoogst gemeten gehalte aan som DDT in de grond) is gebleken dat geen sprake is van actuele humane risico's (een risico-index van 0,37). Of sprake is van ecologische risico's is afhankelijk van hoe dit gebied ecologisch wordt 'getypeerd'. Is dit de typering 'ander groen, 56/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
bebouwing, industrie en infrastructuur' dan is geen sprake van ecologische risico's, is dit 'wonen met tuin' dan wel. Samenvattend wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor het beoogde gebruik, en dat sprake is van een 'historische verontreiniging'. Dit betekent dat de gemeente Meierijstad opgave moet doen bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De bodem moet ter plaatse van toekomstige gevoelige functies worden gesaneerd (door ontgraven en aanvullen met geschikte grond). Het inrichtingsplan vormt hiervoor de basis. Conclusie In het plangebied zijn ongewenst hoge gehaltes bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Door middel van een nader onderzoek is vastgesteld dat 13.800 m2 van het plangebied gesaneerd moet worden. Aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken en het inrichtingsplan moet een saneringsplan worden opgesteld om de grondkwaliteit te laten aansluiten bij het voorgenomen gebruik. In de boven- en ondergrond zijn, met uitzondering van bestrijdingsmiddelen, geen verbindingen aangetroffen die de achtergrondwaarde overschrijden.
4.11
Waterparagraaf
4.11.1
Algemeen
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
4.11.2
De Watertoets
Uit de watertoets (zie Bijlage 14) blijkt dat het te verharden en bebouwen deel van het perceel circa. 5.705 m2 bedraagt en circa. 39% van het gehele plangebied omvat. De wateropgave bedraagt circa 342,3 m3. Bij de gemeente Meierijstad gaat de voorkeur uit naar oppervlakkige en zichtbare voorzieningen, die ook goed en goedkoop zijn te onderhouden Daarom ligt een maaiveldverlaging in de vorm van greppels en wadi's op openbaar terrein voor de hand. De dimensies daarvan worden bepaald door de wateropgave en de maximaal haalbare diepte.Afhankelijk van de locatie op het terrein kunnen greppels en wadi's met een diepte van 0,4 tot 0,8 m-mv aangelegd worden. Hiermee kan ongeveer 150 m3 waterberging worden gerealiseerd. Enkele potentiële mogelijkheden tot vergroting van de capaciteit van tijdelijke opvang van hemelwater: De sloot aan de westzijde vergroten van 1,50 (boven-breedte) naar 2,50 m. Deze verbreding levert 44 m3 extra op. Het waterschap verlangt echter dat hierbij maatregelen getroffen worden om water vertraagd af te voeren, bijvoorbeeld via een overlaatconstructie. Een aantal maaiveldverlagingen vergroten van 1,5 naar 2,5 m (boven-breedte) waardoor het bergend volume toeneemt met 123 m3. De wateropgave op parkeerplaatsen verkleinen door te kiezen voor meer open betrating zoals grastegels.
Om dichtslibben van de halfverharding op termijn te vookomen moet de keuze van het materiaal hierop afgestemd worden en moet onderhoud van de halfverharding geborgd worden. Onder parkeerplaatsen kunnen ook waterbergende voorzieningen aanleggen, bijvoorbeeld in de vorm van lavasteen (met veel en grote poriën), kratten, en andere constructies die in de handel zijn. Uiteraard kan er ook voor worden gekozen het hemelwater op de bebouwing af te voeren naar lokale opvangmogelijkheden op eigen, particulier, terrein. 57/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
Niet verkende alternatieven die haalbaar zijn beschouwen zoals bijvoorbeeld infiltratieriolen. Gezien de bodemopbouw (redelijk goed doorlatende grond) is het aannemelijk dat de voorzieningen voor tijdelijke waterberging weer binnen 24 zijn leeggelopen in de bodem, en dus weer beschikbaar zijn voor nieuwe buien. Huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd via de bestaande riolering. In zijn algemeenheid zal bij het inrichten, bouwen en beheer zo veel mogelijk worden getracht te voorkomen dat vervuilende stoffen aan de bodem, grondwater en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Om te voorkomen dat het ruimtegebruik de goede werking van eventuele toekomstige bodeminfiltratievoorzieningen in de weg zitten, wordt geadviseerd in de planregels alle gronden mede te bestemmen voor 'water en waterhuishoudkundige voorzieningen'. Voorzieningen voor de opvang van hemelwater kunnen via een 'voorwaardelijke verplichting' in de planregels worden vastgelegd. Dat betekent dat het gebouw pas in gebruik mag worden genomen (of een deelgebied ontwikkeld) als de voorzieningen zijn aangelegd en functioneren. Conclusie Gezien bovenstaande is de wateropgave voor dit plangebied haalbaar, maar in het nadere ontwerp moeten nog wel keuzes worden gemaakt.
4.12
Archeologie en cultuurhistorie
4.12.1
Algemeen
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988.De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Op basis van de Erfgoedwet en artikel 3.1.6, tweede lid onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening moet in een plan rekening worden gehouden met de cultuurhistorie. Op basis hiervan is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta).
De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De voormalige gemeente Veghel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Buitengebied heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,3 meter. Het initiatief is daarmee onderzoeksplichtig.
4.12.2
Cultuurhistorie
In afbeelding 4-5 is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant weergegeven. Het plangebied is met een rode ster weergegeven.
58/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
Afbeelding 4-5 Uitsnede uit de Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant Het plangebied ligt in het gebied dat wordt aangeduid met de naam 'Meierij'. De bewoningsgeschiedenis en inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpmen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Daarnaast wordt het landschap van de Meierij gekenmerkt door landgoederen, buitenplaatsen en de populierenteelt. Het plangebied en de omgeving behoort echter niet tot een cultuurhistorisch landschap van provinciaal belang.
4.12.3
Archeologie
Door KSP Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 15. Doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is aan het plangebied een lage archeologische verwachting toegekend. Op basis van luchtfoto's is vaststeld dat het grootste deel van het plangebied in de periode 2016-2021 in gebruik is geweest als akker- of weiland. Het centrale deel van het plangebied is in gebruik geweest als erf van een agrarische onderneming. Het plangebied is gelegen in het Brabants zandgebied, hetgeen een relatief vlak gebied is. In de ondergrond zijn een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken aanwezig. Het huidige landschap is met name tijdens de laatste ijstijd ontstaan. In die tijd heeft zich een dekzandpakket aan het oppervlakte gevormd. In de diepere ondergrond liggen afzettingen bestaande uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten die tot de Formatie van Boxtel worden gerekend. Begin 19e eeuw was het plangebied in gebruik als dennenbos. Rondom he tlangebied zijn kavels met weilanden aanwezig en ten noodoosten een perceel met heide. In de loop van de 19e eeuw worden sloten aangelegd op het perceel. Het oosten wordt gebruikt als als akker en het westen als weiland.
In de tweede helft van de 20e eeur zijn grote delen van het plangebied in gebruik als boomgaard. Rond 1999 ontstaat bebouwing ten noordoosten van het plangebied. 59/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
De bodem kan zijn aangetast door werkzaamheden in het kader van de ontginning van heide naar dennebos. Sinds begin 19e eeuw hebben diverse veranderingen plaatsgevonden binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten, onderzoeksmeldingen en vonstmeldingen aanwezig. Binnen een straal van 500 meter van het plangebied zijn 5 onderzoeksmeldingen gedaan. Er zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend en deze worden ook niet verwacht. De historische verwachting is laag voor zowel het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen en voor de Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Op grond van de natte ligging, jonge ontginning en een wisselend landgebruik van bos, akker, weide, tunnelkas en boomgaard heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor alle periode. Daarnaast is door het verwachte bodemtype (beekeerdgrond) de kans groot dat door de omvorming van heide naar bos naar een afwisseling van grasland, weide en boomgaard de bodem tot in de C-horizont verstoord is. Een vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht en de archeologische dubbelbestemming kan komen te vervallen. Dit advies vormt een slectieadvies.
De resultaten van het archeologisch bureauonderzoek moeten eerst worden beoordeeld door de gemeente Meierijstad, die vervolgens een selectiebesluit neemt. Selectiebesluit gemeente Meierijstad Op 5 augustus 2022 heeft de gemeente Meierijstad een selectieadvies archeologische monumentenzorg voor het Plan Steenovern II fase II te Mariaheid gegeven. Er is geoordeeld dat het archeologisch rapport voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. De gemeente kan instemmen met het advies van KSP om geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Toevalsvondsten moeten conform de Erfgoedwet, artikel 5.10 gemeld worden.
4.12.4
Conclusie
Het plangebied heeft vanuit cultuurhistorisch en archeologisch oogpunt geen bijzondere waarde. Beide aspecten vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het gebied.
4.13
Parkeren en ontsluiting
De gemeente Meierijstad streeft naar een goede ontsluiting en ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor de planlocatie betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is. De ontsluiting van de planlocatie en de parkeerplaatsen vindt plaats via de Veldoven en Heiakkerstraat. Vanaf daar is verdere ontsluiting via de hoofdwegen van Mariaheide mogelijk. Deze wegen bevatten voldoende capaciteit om de toenemende verkeersbewegingen door de ontwikkeling van dit plan op te vangen. Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente Meierijstad wordt het plan beschouwd als een nieuw ontwikkelingsplan. Mariaheide is hieraan aangemerkt als een weinig stedelijk gebied. Voor het plan zijn de volgende parkeernormen van toepassing.
60/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
Uitgaande van rest bebouwde kom geldt voor grondgebonden woningen een norm van 2,2 tot 2,4 parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van de nu ingetekende 35 woningen zijn 79 parkeerplaatsen noodzakelijk. Het schetsontwerp voorziet in de realisatie van 9 garages, waarbij op 9 opritten ook nog ruimte is voor 1 tot 2 parkeerplaatsen. Daarnaast zijn 36 parkeerplaatsen voorzien in openbaar gebied. Daarmee wordt nog niet voldaan aan de parkeernorm van de gemeente Meierijstad. Er is binnen het plangebied echter voldoende ruimte beschikbaar om bij de uitwerking van het plan te kunnen voldoen aan de parkeernorm. Conclusie De wegen waarmee het plan wordt ontsloten hebben voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan op te vangen. Bij de uitwerking vna het plan moet worden voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Meierijstad. Er is binnen het plan voldoende ruimte om te kunnen borgen dat aan deze norm wordt voldaan.
4.14
Duurzaamheid
Het plangebied is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied. In de Structuurvisie Mariaheide is aangegen welke locaties binnen Mariaheide in aanmerking komen voor herstructurering of transformatie. Op de locatie Mariahof is de afgelopen jaren nieuwbouw gepleegd. De woningen van aan de Ericastraat (grenzend aan het Dobelsteenplein) zijn verkocht aan particulieren, waardoor deze locatie niet meer in aanmerking komt voor herstructurering. Transformatie van het Heijzo terrein aan de Pastoor van Haarenstraat behoort nog tot de mogelijkheden maar het aantal woningen (7) op deze locatie is onvoldoende om te voorzien in de lokale behoefte aan woningen. Gelet op de huidige ruimtelijke structuren, bebouwing rondom het plangebied en alternatieve bouwmogelijkheden binnen Mariaheide, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Hoewel de planlocatie niet binnen bestaand stedelijk gebied ligt, sluit de locatie wel direct aan op bestaand stedelijk gebied wat de keuze voor deze locatie toch geschikt maakt. Het bouwplan voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik. Ten aanzien van de nieuwe woningen geldt dat deze gasloos (all-electric) moeten worden uitgevoerd. Conclusie Het voorliggend plan wordt voor zowel het ruimtegebruik als in de uitvoering van de gebouwen duurzaam uitgevoerd.
4.15
Kabels en leidingen
Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in een bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. Plangebied Binnen het plangebied ligt een klein stukje laagspanningskabel en middenspanningskabel, zie 61/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
de onderstaande afbeelding. Laagspannings- en middenspanningskabels zijn planologisch niet relevant en worden gebruikt voor onder andere het vervoeren van electriciteit en vormen geen risico. Verder ligt binnen het plangebied een een stuk waterleiding en een stuk riool onder overof onderdruk. Tot slot is een lage druk gasleiding in het plangebied gelegen. Ook deze leiding vormt geen risico. Voor het overige zijn in of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.
Afbeelding 4-6 Kabels en leidingen binnen het plangebied Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert.
62/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen 5.1 Planopzet De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Planvorm Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Bij de overwegingen over de gewenste opzet van het bestemmingsplan staat men voor het dilemma dat er enerzijds een duidelijke behoefte is aan minder regelgeving. Daarnaast moet het plan flexibel zijn om op toekomstige ontwikkelingen in te spelen. Om de flexibiliteit te waarborgen is ervoor gekozen om globaal te bestemmen en slechts de hoofdlijnen van de planopzet vast te leggen in regels.
Dit zijn: Het maximaal aantal woningen dat toegestaan wordt; Het type woningen: vrijstaand, twee-onder-een-kap en aaneengebouwd; De maximale goot- en bouwhoogte; Afstanden tot de perceelsgrenzen; Een regeling voor erfbebouwing. Plankaart en regels Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Om dit te bereiken zijn op de plankaart maatvoerings-aanduidingen voor de goot- en bouwhoogte opgenomen. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn verder afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen.
5.2 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten.
63/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd.
In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.
5.3 Bestemmingsregels Artikel 3 Woongebied heeft betrekking op alle gronden binnen het bestemmingsplan. Binnen deze bestemming wordt ook het openbaar groen, verkeer, parkeren, waterhuishoudkundige voorzieningen en het openbaar gebied mogelijk gemaakt. Een deel van het woongebied wordt onder een bouwverbod met wijzigingsbevoegdheid geschaard, vanwege het toegestane gebruik van bestrijdingsmiddelen op de nabijgelegen agrarische percelen. Wanneer het gebruik van bestrijdingsmiddelen op deze percelen niet meer is toegestaan en indien er voldoende regionale behoefte aan woningbouw bestaat, kan het bouwverbod opgeheven worden.
5.4 Overige regeling anti-dubbeltelregel : deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn, zijnde 2,5 meter voor stoepen, entrees, veranda's, balkons en dergelijke, 2 meter voor erkers en serres en 1,5 meter voor andere ondergeschikte onderdelen. In deze regels is ook de voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Daarnaast is in dit artikel opgenomen dat overtreding van de algemene gebruiksregels een strafbaar feit is (economisch delict). algemene aanduidingsregels: De algemene aanduidingsregels bevatten regelingen voor de gebiedsaanduidingen die op de verbeelding zijn opgenomen. Dit betreffen gebiedsaanduidingen die doorwerking hebben op meerdere verschillende (hoofd)bestemmingen.
De in dit plan opgenomen gebiedsaanduidingen zijn boringsvrije zone en vrijwaringszone radar; 64/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. overige regels: in de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen.
5.5 Overgangs- en slotregels Hieronder zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze laatste regel geeft aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
65/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Steenoven II Fase II' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.
De ontwikkeling van de locatie komt voor rekening en risico van de grondeigenaren. De gemeente heeft bij de verwerving van de grond afspraken gemaakt over zelfrealisatie door de voormalige eigenaren en het aanbieden van een deel van de grond aan ontwikkelaars/bouwbedrijven die afspraken hadden met de voormalige grondeigenaren. Het overgrote deel van het plan zal door de gemeente zelf uitgegeven gaan worden. Op basis van geactualiseerde cijfers blijkt dat er sprake is van een sluitende grondexploitatie. Aangezien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bestaat er geen noodzaak tot het vaststellen van een exploitatieplan om kosten te verhalen. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in de voorliggende situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit de planmaatregel voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Uit de reeds gevoerde ‘omgevingsdialoog’ is gebleken dat de directe omgeving de ontwikkelingen kritisch volgt, maar er heerst geen negatieve grondhouding ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling. Het verslag van de omgevingsdialoog is als Bijlage 18 opgenomen bij deze plantoelichting.
6.2.1 Inspraak Gezien het karakter van de ontwikkeling ziet de gemeente af van een inspraakmogelijkheid, voorafgaande aan de officiele wettelijke zienswijzetermijn. Betrokkenen zijn reeds geraadpleegd bij het opstellen van bijvoorbeeld de Structuurvisie Mariaheide in 2003, waarin een uitbreiding van het woongebied van het dorp op deze locatie voorzien is, daarnaast is een omgevingsdialoog gevoerd waarbij omwonenden hun standpunt over het plan kenbaar hebben kunnen maken.
66/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -
6.2.2 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro De gemeente Veghel zal in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan overleg plegen met de Provincie Noord-Brabant daar deze betrokken is bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De Waterparagraaf is beoordeeld door het Waterschap en de opmerkingen en aanbevelingen van het waterschap zijn verwerkt in de aangepaste Waterparagraaf. Het ontwerpbestemmingsplan wordt toegezonden in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Reacties voortkomend uit het vooroverleg worden in het kader van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan zorgvuldig afgewogen en verwerkt in voorliggend ontwerpbestemmingsplan.
6.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 29 november 2023 tot en met 9 januari 2024 ter inzage gelegen. In deze periode zijn 15 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een Nota van Zienwijzen, die in bijlage 19 bij deze toelichting is gevoegd. De zienswijzen leiden niet tot een wijziging van het bestemmingsplan, met uitzondering van een aanpassing in de paragraaf over het provinciale beleid. Verder zijn er enkele ambtelijke wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
6.2.4 Beroep Na de vaststelling van het plan bestaat de mogelijkheid om beroep in te stellen.
67/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -