CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Steenoven II Fase II_Toelichting

Commissie Ruimte, Economie en Bedrijfsvoering 13 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Steenoven II fase II, Mariaheide'23.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gemeente legt het accent op het bouwen voor de doorstroming door goede alternatieven te realiseren voor ouderen (de woonwensen van ouderen in met name de kleinere kernen) en dure scheefwoners (in met namen de grotere kernen). Daarbij wordt ingezet op inbreiding in bestaande kernen met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de kracht van de kern. Een dergelijke kwaliteitsverbetering, die ook kan resulteren in unieke woonconcepten op unieke plekken is bijvoorbeeld wenselijk voor vastgoed dat niet meer voor het oorspronkelijke doel wordt gebruikt, leeg staat of al gesloopt is. Doorwerking plan(locatie) Voorliggend initiatief ziet op uitbreiding van Mariaheide. Zoals in paragraaf 3.1.3 is aangegeven zijn in de kern Mariaheide onvoldoende inbreidingslocaties of transformatielocaties beschikbaar om invulling te geven aan de woningbehoefte. Uitbreiding is daarmee de nige mogelijkheid om grootschaligere bouwprojecten mogelijk te maken. Door het plan direct te laten aansluiten op de bestaande woonbebouwing is toch sprake van een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Er worden maximaal 40 (reguliere) woningen gerealiseerd, bestaande uit: grondgebonden rijtjeswoningen; grondgebonden 2-onder-1 kap woningen; 30/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

grondgebonden vrijstaande woningen.

Figuur 3-4 Stedenbouwkundig ontwerp De ontwikkeling is in lijn met het streven van de gemeente Meierijstad naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt daarmee tegemoet aan een actuele behoefte. Een en ander houdt in dat het plan passend is binnen het vigerende beleid en uitvoeringsprogramma voor de toekomst van de gemeente Meierijstad en in het bijzonder voor Mariaheide. Conclusie Voorliggend plan sluit aan bij en doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie Meierijstad 2018.

3.3.3 Actieplan woningbouw Door voortschrijdend inzicht en bijstelling van de provinciale woningbouwprognoses is aanpassing van de Woonvisie gewenst. De bouwopgave is aanzienlijk en wordt veroorzaakt door voortdurende stijging van de prijzen en krapte op de woningmarkt. In het Actieplan woningbouw 2021 worden voorstellen gedaan voor wijzigingen in de Woonvisie en versnelling van de productie. Er is gekozen om geen nieuwe Woonvisie op te stellen, maar een Addendum toe te voegen. In het Addendum zijn een aantal aanpassingen vastgesteld: Er wordt uitgegaan van de provinciale prognoses. Dit betekend een opgave van 5750 woningen in de periode 2020-2040. De doelstelling is om de komende vijf jaar geen 400 maar 600 woningen per jaar te realiseren. De benodigde extra woningen worden eerder dan 2040 gerealiseerd. 31/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

Er wordt uitgegaan van 125% plancapaciteit om uitval van plannen op te kunnen vangen. De kwaliteit van de kernen en de hogere kwantiteit van te aantallen wordt zeker gesteld. Er wordt zowel naar mogelijkheden voor inbreidingsplannen als uitbreidingsplannen gekeken. Er wordt op een flexibele manier gekeken naar lokale mogelijkheden en kansen, en een evenredige verdeling over de kernen. In onderstaande tabel is de actuele inschatting opgenomen van de woningbouwprogrammering per kern. In onderstaand overzicht is te zien dat ten opzichte van de 49 benodigde woningen voor Mariaheide 79 woningen zijn gerealiseerd in de periode tot 2021 waarbij aanvullend nog 34 woningen gepland zijn in de periode na 2021. Daarmee zou ruim voldaan zijn aan de woningbehoefte in Mariaheide. In het actieplan wordt ook benoemd dat er naar kansen moet worden gekeken voor het realiseren van grotere aantallen woningen. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming.

Figuur 3-5 Woningbouwprogramma per kern Van de 34 nog geplande woningen in Mariaheide na 2021 zijn in 2021 en 2022 4 woningen gerealiseerd en zijn 9 woningen opgenomen in de harde plancapaciteit. Er bestaat nog een resterende behoefte van 21 woningen. Voor de gehele gemeente Meierijstad bestaat nog een resterende behoefte van 4.171 woningen ten opzichte van het Actieplan Woningbouw 2021. De woningen in Steenoven passen daarmee binnen de behoefte van de gemeente Meierijstad. Conclusie Met het plan worden meer woningen mogelijk gemaakt dan de woningbehoefte in Mariaheide. Dit past in het streven om meer woningen te bouwen dan in eerste instantie is gepland.

32/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

3.3.4 Verordening doelgroepen De Verordening doelgroepen Meijerijstad is 12 februari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Meierijstad. Deze Verordening is mede mogelijk doordat de Wet ruimtelijke ordening (WRO) de gemeenten de mogelijkheid biedt om in bestemmingsplannen per deelgebied te eisen dat in nieuwbouwplannen per categorie woningen een bepaald percentage wordt gerealiseerd. Dit is mogelijk voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De doelgroepenverordening maakt het realiseren van gemeentelijk woningbeleid in bestemmingsplannen mogelijk, maar is alleen van toepassing op (ver)nieuwbouw. De Verordening bevat de categorieën sociale huurwoning, middeldure huurwoning, sociale koopwoning en sociale middeldure koopwoning. De maximale aanvangshuur en maximale verkoopprijs voor de diverse categorieën zijn hiermee ook vastgelegd. Door de Doelgroepenverordening wordt ook vastgelegd voor welke doelgroep de sociale categorieën bestemd zijn. Verder regelt de Verordening de periode dat per categorie de woningen beschikbaar moeten zijn, de zogenaamde instandhoudingstermijnen.

Huur- en koopprijzen De maximale huurprijs voor de sociale en middeldure huurwoning is gebaseerd op de bestaande huurtoeslaggrens (Artikel 13, eerste lid, onder a, Wet op de huurtoeslag) en sluit aan bij de bedragen genoemd in het Besluit ruimtelijke ordening (Artikel 1.1.1. eerste lid onder d en J). Deze grens bedraagt € 763 (prijspeil 2022). Voor een middeldure huurwoning bedraagt de bovengrens € 1.050 (prijspeil 2022). Een sociale koopwoning heeft een bovengrens van € 244.000,- (prijspeil 2022). Doelgroepen Tot de belangrijkste doelgroep voor sociale huurwoningen behoren huishoudens met een inkomen tot maximaal de DAEB-norm (tot € 45.014,- prijspeil 2022). De koopprijsgrens sociale koop is in Meierijstad in 2022 maximaal € 244.000. Hiervoor is een bruto jaarinkomen van circa € 55.000,- nodig. De gemeente Meierijstad kiest er voor om het DAEB inkomen te vermenigvuldigen met 1,5 om te verwijzen naar een wettelijke norm. Op deze manier resulteren prijswijzigingen niet telkens in het aanpassen van de verordening. Voor 2022 betekent 1,5 x DAEB norm een maximaal bruto jaarinkomen van €67.521,-. Hiermee is het bruto jaarinkomen iets verruimd. Het plan De initiatiefnemer is voornemens 40 woningen te realiseren aan de rand van Mariaheide.

Het woningprogramma bestaat uit minimaal 25% woningen in de sociale huursector; minimaal 10% woningen in de goedkope koopsector; 65% overige woningen (koop en/of huur). Het aanbod voldoet aan de woningbehoefte van de doelgroepen bestaande uit starters, gezinnen en senioren, en betaalbare woningen. Het resultaat is een inclusief woningaanbod dat past binnen de kaders van de Doelgroepenverordening van de gemeente Meierijstad. Conclusie Het initiatief past binnen de kaders van de Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad. Het aantal en het type woningen zijn vastgelegd in de planregels.

33/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

3.3.5 Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. De gemeente Meierijstad is voornemens om alle huidige bestemmingsplannen aan te laten sluiten bij de doelstellingen van deze wetswijziging. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Geldende bestemmingsplannen die in de regels reeds verwijzen naar het parkeerbeleid en/of waarvoor geldt dat in de regels reeds parkeernormen zijn opgenomen, hoeven strikt genomen niet te worden herzien, maar het kan wel. Voor de uniformiteit is ervoor gekozen om de normen op alle ruimtelijke plannen van toepassing te verklaren. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid.

Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Doorwerking (plan)locatie In paragraaf 4.13 wordt getoetst aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Meierijstad. Hieruit blijkt dat voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren / de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018.

3.3.6 Welstandsnota Meierijstad 2018 De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor iedereen in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en Sint Oedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. Met het nieuwe voorstel wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘themabeoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; monumenten; beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; bijzondere bebouwing en ensembles; gebieden met een beeldkwaliteitseisen; nieuwbouw in de overige gebieden.

Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De initiatiefnemers krijgen nu dus meer 34/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan. Doorwerking (plan)locatie Voor het plan geldt dat een welstandsbeoordeling noodzakelijk is. Zodra de plannen verder zijn uitgewerkt wordt de Welstands-/Monumentencommissie betrokken bij de beoordeling van het bouwplan en wordt advies gevraagd bij concrete aanvragen om vergunningen.

3.3.7 Duurzaamheid De concrete doelstellingen op het gebied van duurzaamheid voor de gemeente Meierijstad zijn vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma voor de duurzaamheidsvisie. Hierin staat centraal dat duurzaamheid geen afzonderlijk beleidsveld meer is binnen de gemeente, maar integraal terug moet komen in de werkzaamheden en projecten van de gemeente. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: duurzaam materiaalgebruik; slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalreductie; vastgesteld ambitieniveau (GPR).

Conclusie Het ontwerp van het plan zal ervoor zorgen dat het plan aansluit op de reeds aanwezige bebouwing. De toe te passen bouwmaterialen zullen afgestemd worden op de reeds aanwezige woningen. Bij de verdere uitwerking zal gekeken worden naar de mogelijkheden voor duurzaam materiaalgebruik en slimme energetische concepten.

3.3.8 Conclusie De beoogde ontwikkeling is, voor zover deze momenteel is uitgewerkt, in strijd met het Actieplan Wonen en het Addendum op de woonvisie. Verder is het plan niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

35/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de verschillende aspecten.

4.1 Milieueffectrapportage In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 (verder: Besluit m.e.r.) zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De bouw van 33 woningen valt onder het Besluit me.r. categorie D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De hierbij opgenomen drempelwaarden worden niet overschreden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het Besluit m.e.r.

(artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij deze beoordeling worden de selectiecriteria van de Europese richtlijn gevolgd: de kenmerken van het project, onder andere omvang en cumulatie: de plaats van het project, de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid van de omgeving; de kenmerken van de potentiële effecten, mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid. Er is een aanmeldnotitie opgesteld, waarin de bovengenoemde selectiecriteria zijn opgenomen en op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen of een milieueffectrapportage noodzakelijk is of niet. De aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 2. Conclusie Uit de aanmeldnotitie blijkt dat het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen en dat er geen noodzaak is om een milieueffectrapportage te doorlopen.

36/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. Het plangebied is gelegen binnen de zone van de Pastoor van Haarenstraat. De overige wegen in de omgeving zijn 30 km/uur wegen. De Wet geluidhinder is daarom niet van toepassing op deze wegen. In de omgeving van het plangebeid zijn eveneens geen gezoneerde spoorwegen of gezoneerde bedrijventerreinen gelegen. Daarnaast moet worden onderzocht of de nieuwe situatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, oftewel of ter plaatse een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat kan worden geboden.

4.2.2 Akoestisch onderzoek Uit het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 3 blijkt dat de geluidbelasting op het plangebied als gevolg van Pastoor van Haarenstraat ruim lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Zelfs als de verkeersaantrekkende werking van het plan volledig via de Pastoor van Haarenstraat wordt afgewikkeld, leidt dit niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De cumulatieve geluidbelasting als gevolg van de beschouwde wegen in de omgeving bedraagt 45 dB. Er is daarmee sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

4.2.3 Conclusie Ter plaatse van het plangebied is de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer ruim lager dan de voorkeursgrenswaarde. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen overige gezoneerde geluidbronnen die in het kader van de Wet geluidhinder beschouwd moeten worden. Vanuit akoestisch oogpunt is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijke plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

37/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1); woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 33 woningen en blijft daarmee ruim binnen de hiervoor genoemde grenzen. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Conclusie Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt de bouw van 33 woningen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.3.2 Woon- en leefklimaat De ontwikkeling van de woningen draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing moet echter ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in deze omgeving en dat de toekomstige bewoners een goed woon- en leefklimaat wordt geboden. Uit de grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN versie 2023) blijkt dat de concentratie luchtverontreinigende stoffen ter plaatste 12,7 µg/m3 bedraagt voor NO2. In combinatie met het berekende effect van de verkeersaantrekkende werking wordt ruim voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3.

Figuur 4-1 Concentratie NO2 in de omgeving van het plangebied (GCN 2023) Met behulp van de GCN is bepaald dat de concentratie PM10 ter plaatse 17,7 µg/m3 bedraagt. 38/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

Ook hiervoor geldt dat deze concentratie samen met het effect van de verkeersaantrekkende werking ruim lager is dan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3.

Figuur 4-2 Concentratie PM10 in de omgeving van het plangebeid (GCN 2023) Tot slot is met de GCN bepaald dat de concentratie PM2,5 ter plaatste 9,9 µg/m3 bedraagt. Ook voor PM2,5 geldt dat ruim wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 25 µg/m3.

Figuur 4-3 Concentratie PM2,5 in de omgeving van het plangebeid (GCN 2023) De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is ruim lager dan de wettelijke voorschriften en daarmee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Voor zo ver het gaat om het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van het plangebied.

39/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.

Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierinzijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

4.4.2 Risicobronnen in de omgeving In de quickscan externe veiligheid (zie Bijlage 4) wordt ingegaan op de risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn 4 externe veiligheidsbronnen gesitueerd. Het betreft 2 bedrijven, de Rijksweg A50 en een hogedrukgasleiding. Bij de bedrijven is een bovengrondse propaantank aanwezig. Voor beide bedrijven geldt dat de afstand tot de grens van het 40/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

plangebied veel groter is dan de veiligheidsafstand van de propaantank. Deze veiligheidsbronnen vormen daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor de A50 geldt ter plaatse een risicocontour van 0 meter en is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Omdat het plan op meer dan 200 meter van de weg is gelegen, hoeft ook niet ingegaan te worden op het groepsriscio. Voor de hogedrukgasleiding is de plaatsgebonden risicocontour op de leiding gesitueerd (contour van 0 meter). Het plangebied is ruim buiten het invloedgebied van de leiding gelegen. het plan heeft daarom geen gevolgen voor het groepsrisico van de leiding. Het plangebied ligt op circa 4,5 km van de meest nabij gelegen hoogspanningsleiding en is daarmee ruim buiten de magneetveldzone van 60 meter aan weerszijde van de leiding gesitueerd. De meest nabij gelegen zendmast bevindt zich op circa 350 meter vanaf het plangebied. Uit jaarlijkse veldsterktemetingen blijkt dat de blootstellingslimieten op publiek toegankelijkge plaatsen in Nederland nergens worden overschreden.

4.4.3 Conclusie De risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied vormen geen belemmering voor de realisatie van het plan Mariaheide Steenoven II fase 2 in Mariaheide.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Door bij de realisatie van gevoelige functies (zoals woningen) voldoende afstand in acht te nemen tot milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) kan hinder en gevaar worden voorkomen. Daarnaast kan worden voorkomen dat bedrijfsbelangen worden geschaad. Door middel van een onderzoek bedrijven en milieuzonering wordt onderzocht of de toekomstige woningen mogelijk een belemmering vormen voor bestaande bedrijven in de omgeving en of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging in het kader van de ruimtelijke onderbouwing wordt voor de meest nabij gelegen bedrijven aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

4.5.1 Beoordelingssystematiek VNG-publicatie De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de versie uit 2009. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden tussen de grenzen van de bestemmingen die bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel die op basis van het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Indien deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening. Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde situatie. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt aan de hand van de in de publicatie genoemde richtafstanden. Indien woningen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden.

41/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

4.5.2 Richtafstanden inrichtingen (stap 1) De richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën worden vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. In de navolgende tabel worden de richtafstanden weergegeven. Milieucategorie

Richtafstand [m] rustige woonwijk

1

10

2

30

3.1

50

3.2

100

4.1

200

4.2

300

5.1

500

5.2

700

5.3

1.000

6

2.000

Tabel 4-1 Overzicht richtafstanden per bedrijf Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een 'rustig buitengebied' (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied', waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied', dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. In het onderzoek Bedrijven en milieuzonering (zie Bijlage 5) is uitgegaan van de richtafstanden voor een rustige woonwijk. De diverse bedrijven in de omgeving hebben een maximale richtafstand van 10 tot 50 meter vanaf de grens inrichting (greens van de bestemming op basis waarvan het bedrijf is toegestaan). Voor alle bedrijven geldt dat de afstand tot het deel van het plangebied waar woningbouw is toegestaan groter is. De richtafstand van alle bedrijven wordt 42/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

gerespecteerd. Daarnaast geldt voor alle bedrijven dat op kortere afstand bestaande woningen zijn gelegen. Deze bestaande woningen bepalen de uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijven. Het plan vormt daarmee geen belemmering voor de bestaande bedrijven. In de woonwijk zijn ook aan huis gebonden beroepen toegestaan. De bedrijfsactiviteiten die hierbij zijn toegestaan zijn weinig milieubelastend voor de omgeving en kunnen direct grenzend aan woningen uitgevoerd worden. Conclusie Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

4.6.1 Geurhinder (Wgv) Binnen een afstand van 350 meter vanaf het plangebied zijn diverse veehouderijen gesitueerd (zie figuur 4-1). In de omgeving van de veehouderijen liggen bestaand geurgevoelige objecten die bepalend zijn voor de toegestane geuremissie van de bedrijven. Het voorgenomen plan levert daarmee geen belemmering op voor omliggende bedrijven.

Figuur 4-1: veehouderijbedrijven (blauwe punten) in de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld)

43/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

4.6.2 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. De afstand tot de bestaande veehouderijen is zo groot dat er geen sprake zal zijn van een relevante voorgrondbelasting (de geurbelasting als gevolg van een individuele veehouderij). Om te bepalen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt ingegaan op de achtergrondbelasting ter plaatse (de cumulatieve geurbelasting als gevolg van de veehouderijen in de omgeving). De Omgevingsdienst Zuidookst-Brabant stelt online een kaart beschikbaar met de achtergrondbelasting in heel Noord-Brabant (https://odzob.nl/kaarten-agrarisch). De meest recente versie van de kaart heeft als uitvoerdatum van het rekenbestand maar 2022. In afbeelding 4-2 is de achtergrondbelasting in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 4-2 Uitsnede Evaluatie geurhinder Veghel (situatie medio 2010). Ter plaatse van het plangebied wordt de geurbelasting gekwalificeerd als goed met een geurbelasting van 3-7 ouE/m3. In de omgeving van het plangebied zitten twee bedrijven met een hogere vergunde geuremissie. Het betreft een bedrijf aan de Voorhei 2 met een vergunde emissie van 26.092 ou/s en een bedrijf aan de Bolstweg 6 met een vergunde emissie van 40.994 ou/s. Op basis van de gegevens in de kernsregistratie dierverblijven (https://veehouderijen.igoview.nl) is de geubelasting van deze bedrijven berekend op de grens van het gebied waar woningen gebouwd kunnnen worden. In Bijlage 6 zijn de invoergegevens en berekeningsresultaten opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat de geurbelasting als gevolg van het bedrijf aan de Voorhei 2 varieert van 1,1 tot 1,7 ouE/m3 als 98-percentielwaarde. Het bedrijf aan de Bolstweg 6 veroorzaakt een geurbelasting van 0,5 tot 0,9 ouE/m3 als 98-percentielwaarde. De achtergrondbelasting is daarom bepalend voor de geurbelasting ter plaatse.

4.6.3 Conclusie In de directe omgeving van het plan liggen geen veehouderijen. Het plan vormt daarmee geen belemmering voor veehouderijbedrijven. Op basis van de afstand tot veehouderijbedrijven is er geen sprake van een relevante voorgrondbelasting voor geur. De achtergrondbelasting als gevolg van geur is zo laag dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

44/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

4.7 Gewasbescherming Rond fruit(boom)gaarden is sprake van een zogenaamde spuitcirkel waarbinnen woningbouw niet zonder meer mogelijk is in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de nabij gelegen percelen toegestaan. Ten zuiden van het plangebied, ter plaatse van Heiakkerstraat 1, is een fruitteler gesitueerd die ook gebruik maakt van bestrijdingsmiddelen. In Nederland is niet wettelijk vastgelegd wat de minimale afstand moet zijn tussen fruit(boom)gaarden en nabijgelegen gevoelige objecten. Door het ontbreken van wetgeving is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen fruit(boom)gaarden en een gevoelig object moet worden aangehouden. Bij deze afstand treden geen nadelige gezondheidseffecten op voor de omwonenden/aanwezigen. Op basis van het Activiteitenbesluit hebben fruit(boom)gaarden een teeltvrije zone om te voorkomen dat bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater terecht komen. De afstand van 50 meter rondom fruit(boom)gaarden is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken. In het bestemmingsplan is een bebouwingsvrije zone opgenomen van 50 meter vanaf de agrarische percelen waarbij rekening is gehouden met een eventueel aanwezige teeltvrije zone.

Indien uit specialistisch onderzoek blijkt dat voor de specifieke situatie een kleinere spuitcirkel van toepassing is, dan kan met een binnenplanse afwijking de bebouwingsvrije zone verwijderd/aangepast worden.

4.8 Gezondheid in relatie tot veehouderijen 4.8.1 Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Uit afbeelding 4-3 blijkt dat het plan ligt binnen 2 km van een geitenhouderij aan de Duifhuizerweg 24, met 1.325 geiten.

45/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

Afbeelding 4-3 Locaties van geitenhouderijen met meer dan 50 dieren in de gemeente Meijerijstad. Er is daarmee sprake van een verhoogd gezondheidsrisico omdat het plan voorziet in een nieuwe gevoelige bestemming. Initiatiefnemer – de gemeente Meierijstad – heeft kennisgenomen van de volksgezondheidsrisico's met betrekking tot de ligging in een straal van 2 km van geitenhouderijen. In 2018 heeft de gemeente Meierijstad een ingestemd met een werkwijze voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van woningbouw in de omgeving van geitenhouderijen. Het afwegingskader voor het toelaten van woningen is gebaseerd op de volgende punten: Terughoudendheid is geboden bij grootschalige woningbouwprojecten (12 woningen of meer) waarbij de gemeente inzet op (1) het voorkomen van een toename van het aantal geiten bij de nabij gelegen veehouderijen en (2) bevordert dat bedrijfsgerichte maatregelen bij de veehouderijen worden getroffen om de uitstoot van stoffen te verminderen.

Daarnaast moet de initiatiefnemer het risico dragen dat de gemeente een lopende procedure stopzet op basis van aanvullend wetenschappelijk onderzoek; De bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij mag niet verkleind worden; Terughoudendheid is geboden bij bouwplannen die zijn gelegen binnen de 2000 meter zone van meerdere geitenhouderijen of van één geitenhouderij met een ander overlast veroorzakend bedrijf; Er wordt binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen kwetsbare mensen gebruik van maken.

4.8.2 Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Stap 1 Endotoxine 46/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Voor overige veehouderijbedrijven is de bijdrage aan de endotoxinenorm beperkt. Het plan voldoet aan de endotoxine richtafstanden voor varkensbedrijven van 200 meter en de endotoxine richtafstanden voor pluimveehouderijen van 500 meter. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3 . Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft het bouwen van 33 woningen en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur Toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader. De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie (zie ook paragraaf 4.6). Stap 3b Geur Toetsen aan een aanvaardbaar woon-/ leefklimaat op basis van de gezondheidskundige advieswaarde. Er wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde als gevolg van de geursituatie in het gebied (zie ook paragraaf 4.6). Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Het plan voorziet niet in de ontwikkeling van veehouderijbedrijven of wijziging van bestaande veehouderijbedrijven.

Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot veehouderijen De planlocatie is gelegen binnen de straal van 2 km van een geitenhouderij: Duifhuizerweg 24. Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen 250 m van een schapenhouderij: Voorhei 8. Advies van de GGD is noodzakelijk. De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf. Stap 6 Mestbewerking Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden.

4.8.3 Advies GGD Op basis van de handreiking veehouderij en volksgezondheid is vanwege stap 5a en 5c een advies van de GGD gewenst voor deze planontwikkeling. Dit advies is opgevraagd door de gemeente Meierijstad. In het advies (zie Bijlage 7) worden de volgende aanbevelingen gedaan: 1. geef het plangebied een groen aanzicht en koppel (bestaande) fiets- en wandelpaden aan structuren binnen het plangebied. 2. creëer ruimt voor speel- en informele zitgelegenheid. 3. tijdelijke waterberging vormt (stilstaand) oppervlaktewater, wees er op bedacht dat dit kan leiden tot blaualg vorming en/of muggen overlast. 4. informeer toekomstige bewoners dat binnen een straal van 2 km een geitenhouderij is gelegen en dat hierdoor sprake is van een verhoogd risico op longontsteking. 5. streef naar een zo laag mogelijke fijnstof belasting, het stoken van hout moet ontmoedigd worden. 6. maak de geluidsbelasting in de nachtelijke uren inzichtelijk en tref zo nodig maatregelen om slaapverstoring te voorkomen. 47/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

7. maak inzichtelijk of de achtergrondgeurbelasting lager is dan 5 ouE/m3 en tref zo nodig maatregelen. 8. houd de ontwikkeling op het gebied van endotoxine in de gaten. 9. zeker bij nieuwe woningen, waar sprake is van een goede isolatie, is goed ventileren van belang. Heb hierbij ook aandacht voor de geluidproductie van de ventilatie- of klimaatsystemen. 10. houd een minimale afstand van 25 meter aan van woningen tot locaties waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in tuinbouwkassen en 50 meter van woningen tot locaties waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt bij open teelt. Met een aantal van deze adviezen is reeds rekening gehouden in het plan. Zo wordt aan de zuidzijde van het plangebied een strook vrijgehouden van bebouwing om de afstand van 50 meter van woningen tot aan locaties waar gewasbeschermingsmiddelen bij open teelt worden gebruikt te waarborgen. In het akoestisch model is nagegaan wat de geluidbelasting op het plangebied is in de nachtperiode. Deze geluidbelasting bedraagt exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh ten hoogste 36 dB. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtwaarde van de GGD van 40 dB Lnight. Er is onvoldoende informatie bekend over overige geluidbronnen in de omgeving om de cumulatieve geluidbelasting in de nacht inzichtelijk te maken.

De gemeente Meierijstad heeft aangegeven dat geen geurberekeningen worden uitgevoerd om de achtergrondgeurbelasting te berekenen. In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de ventilatie van woningen.

4.9 Natuurwaarden 4.9.1 Algemeen Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden. Door middel van een quickscan Flora en fauna (zie Bijlage 8) is inzicht verkregen in de gevolgen van het plan voor de soortenbescherming en gebiedsbescherming. Op basis van de resultaten van deze quickscan is een nader onderzoek voor kerk- en steenuilen uitgevoerd (zie Bijlage 9). Daarnaast is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd om de gevolgen van het plan op nabij gelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken (zie Bijlage 11).

4.9.2 Soortenbescherming In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Planten Binnen vijf km afstand van het plangebied komtop meerdere locaties de beschermde drijvende waterweegbree voor. Gedurende het veldbezoek (buiten het bloeiseizoen) zijn geen geschikte groeiplaatsen of groeiomstandigheden van de drijvende waterweegbree aangetroffen. Het plangebied bestaat uit zeer algemene soorten zoals klaver en Engels raaigras. Op basis van de aangetroffen planten, de ligging van het plangebied en het gebruik van het perceel (weiland) kan worden vastgesteld dat het plangebied geen functie heeft als groeiplaats voor deze en andere beschermde plantensoorten. Grondgebonden zoogdieren 48/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

De verspreidingsgegevens geven aan dat in de directe omgeving van het plangebied diverse beschermde grondgebonden zoogdierensoorten kunnen worden aangetroffen. Voor een aantal van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere ree, vos en konijn) geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor de in de verspreidingsgegevens vermelde soorten: bever, bunzing, wezel, das, eekhoorn en steenmarter. De bever is waargenomen op ongeveer 2,5 km van het plangebied. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor de bever. De kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor kleinschalige landschappen. Deze soorten gebruiken oude holen van bijvoorbeeld, muizen, mol, konijn, vos en das welke over het algemeen in de omgeving van bosschages, houtstapels, heggen of andere lijnvormige elementen die voldoende dekking bieden liggen. Het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor bunzing en kleine marters. Het plangebied kan als onderdeel van het foerageergebied wel geschikt zijn. Gezien de ligging van het plangebied (dorpsrand) is dit een zeer klein deel van het totale foerageergebied en wordt daardoor niet als essentieel gezien. De das is op twee km van het plangebied waargenomen.

De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. In de omgeving zijn geen dassenburchten bekend. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen graafsporen, burchten of wissels aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van de das in het plangebied worden uitgesloten. De eekhoorn is voornamelijk gebonden aan bossen met voldoende nestgelegenheid en voldoende foerageer mogelijkheden. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte nesten aangetroffen. De bomenrijen en bosgebied ten zuiden van het plangebied vormen het leefgebied van de eekhoorn. Dit leefgebied blijft behouden. Het plangebied en de bomenrij aan de zuidwestelijke rand van het plangebied zijn niet geschikt als leefgebied. De steenmarter is op twee km van het plangebied waargenomen. De steenmarter heeft een territorium wat kan fluctueren tussen de 80 en 700 hectare. Binnen haar territorium bevinden zich meerdere verblijfplaatsen. Vanuit haar verblijfplaats kan steenmarter tussen de 10-15 kilometer afleggen om in haar voedselvoorziening te kunnen voorzien. Binnen het plangebied ontbreken geschikte verblijf- en schuilplaatsen voor de steenmarter. Hierdoor kan een verblijfplaats van de steenmarter in het plangebied worden uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied kunnen verschillende vleermuizen voorkomen.

Alle vleermuizen zijn strikt beschermd conform de Wnb. De in de directe omgeving voorkomende vleermuizen zijn, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis: Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en laatvlieger zijn overwegend gebouwbewonende soorten. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor gebouwbewonende vleermuizen op voorhand worden uitgesloten. De soort franjestaart is overwegend boombewonend en zal geen hinder ondervinden van de geplande herinrichting van het plangebied. Aan de zuidwestelijke rand van het plangebied zijn een aantal bomen met holtes aanwezig, deze zijn echter te laag gesitueerd en zijn niet naar boven uitgerot. Dit maakt ze ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten worden uitgesloten. De bomenrij aan zowel de zuidelijke grens als de oostelijke grens is geschikt als vliegroute. Daarnaast is het plangebied geschikt als klein onderdeel van het totale foerageergebied, maar vormt hierin geen essentieel onderdeel. Indien door de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt worden is het nader onderzoek naar vleermuizen niet nodig. Amfibieën In de omgeving van het plangebied kunnen diverse amfibieënsoorten aanwezig zijn.

De mogelijk voorkomende soorten zijn veelal algemene soorten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine 49/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

watersalamander. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Ten zuiden van het plangebied ligt een voor een deels opgedroogde afwateringsgreppel. Deze kan geschikt zijn als voortplantingswater voor de bruine kikker en andere algemene amfibieën. Het plangebied is weinig geschikt als landhabitat voor de algemene soorten. Dit vanwege het ontbreken van structuurrijke begroeiingen met een extensief en vochtig karakter. Het is mogelijk dat algemene soorten het plangebied incidenteel passeren, maar het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor deze soorten. Deze vrijstelling geldt niet voor de mogelijk voorkomende strikt beschermde soorten, poelkikker, kamsalamander, rugstreeppad en alpenwatersalamander In de omgeving van het plangebied zijn ook NDFF-waarnemingen van de poelkikker bekend. Deze waarnemingen betreffen de oevers van de Leijgraaf en de Aa. De poelkikker is een zonen warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. De afwateringsgreppel in het plangebied staat grotendeels droog en staat door de bomenrij gedeeltelijk in de schaduw.

Hierdoor wordt de afwateringsgreppel als ongeschikt beschouwt. De kamsalamander plant zich voort in matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Vanaf half maart zijn de volwassen dieren in het water te vinden. De piek van de paartijd is in april. De meeste kamsalamanders verlaten eind juni alweer het voortplantingswater. De soort foerageert en overwintert op het land. Permanente en stilstaande wateren met goed ontwikkelde onderwatervegetatie zijn binnen het plangebied niet afwezig. Hierdoor is het voorkomen van de kamsalamander in het plangebied en het gebied binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling uitgesloten. Rugstreeppad gebruikt met name ondiepe, schaars begroeide, vrij snel opwarmende wateren als voortplantingsplaats. Dit kunnen bijvoorbeeld tijdelijke poeltjes zijn, maar ook ondiepe slootjes. Overwintering vindt voornamelijk plaats in zandige plekken en bosjes in nabijheid van water, soms wel een meter diep onder de grond. Geschikte wateren en winterverblijven ontbreken binnen het plangebied. De rugstreeppad is echter een pioniersoort die kilometers kan afleggen op zoek naar geschikte voorplantingswateren en overwinteringsplaats. Van belang is om te zorgen dat het plangebied, tijdens de toekomstige bouw ontoegankelijk blijft voor deze soort.

Een van de voorgestelde maatregelen om te voorkomen dat de rugstreeppad tijdens de uitvoering aanwezig is, is het plaatsen van paddenschermen. Reptielen De verspreidingsgegevens geven aan dat op drie km van het plangebied de beschermde, levendbarende hagedis voorkomt. De levendbarende hagedis komt voor op heide- en hoogveengebieden, ruige graslanden en open bossen. Door het ontbreken van dit habitat is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. De verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) geven aan dat op drie km van het plangebied de beschermde, levendbarende hagedis voorkomt. De levendbarende hagedis is in de provincie Noord-Brabant beschermd. De levendbarende hagedis komt voor op heide- en hoogveengebieden, ruige graslanden en open bossen. Door het ontbreken van dit habitat is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. Vissen De verspreidingsgegevens van vissen geven aan dat op 2 km van het plangebied de beschermde grote modderkruiper voorkomt. Grote modderkruiper leeft in ondiep, stilstaand of zeer langzaam stromend water waarin veel planten aanwezig zijn en waar op de bodem een dikke modderlaag aanwezig is. De soort wordt het meest aangetroffen in kleine wateren, vooral in poldersloten met een goede waterkwaliteit.

In het zuidwesten van het plangebied is een deels opgedroogde afwateringsgreppel aanwezig met geen watervegetatie. De watergreppel is geen geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper gezien de afwezigheid van waterplanten. Voorkomen van de grote modderkruiper wordt daardoor uitgesloten. Gezien de greppel in het 50/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

natte seizoen weinig water bevat is het aannemelijk dat in het drogere seizoen de greppel droog staat. De aanwezigheid van andere beschermde en algemene vissoorten wordt uitgesloten. Ongewervelden De verspreidingsgegevens geven aan dat weinig beschermde ongewervelden in de omgeving van het plangebied voorkomen. De uitzonderingen hiervan zijn de volgens de habitatrichtlijn beschermde witsnuitlibel en de nationaal beschermde soorten; grote vos en iepenpage. De witsnuitlibel is op 4,5 km van het plangebied waargenomen. Het plangebied voldoet niet aan de habitatseisen van de witsnuitlibel en kan daardoor worden uitgesloten. De grote vos is op één km van het plangebied waargenomen. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Daarnaast moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. De waardplanten voor de grote vos zijn iep, zoete kers en een aantal iepen en wilgensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten voor de grote vos waargenomen waardoor de aanwezigheid van grote vos kan worden uitgesloten De iepenpage is op 3,5 km van het plangebied waargenomen. De iepenpage heeft geen groot leefgebied nodig en kan al voorkomen op plaatsen waar enkele iepen bij elkaar staan. De waardplanten voor deze soort zijn diverse soorten iep.

In en rondom het plangebied zijn geen iepen aanwezig hierdoor is de aanwezigheid van de iepenpage uit te sluiten. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek en vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten en permanente wateren kunnen beschermde vlinders en libellen binnen het plangebied worden uitgesloten. Algemene broedvogels Veel verschillende algemene vogelsoorten komen in de omgeving van het plangebied voor. Dit zijn onder andere de houtduif, zwarte kraai, koolmees, ekster en vink. Tijdens het veldbezoek zijn individuen waargenomen van houtduif, ekster, merel, kauw en vink. In de zuidwestelijke bomenrij zijn twee voormalige nestlocaties van de houtduif waargenomen. Door het ontbreken van kruidenrijke graslanden en de ligging van het plangebied direct naast de bebouwde kom wordt het plangebied uitgesloten als foerageergebied of nestlocatie voor weidevogels. Soorten zoals houtduif, merel en mezen kunnen wel tot broeden komen in de bomen en struiken in het zuidwesten van het plangebied. Indien buiten het broedseizoen wordt gewerkt door de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt worden zal er geen overtreding van verbodsartikelen binnen de wet natuurbescherming plaatsvinden. Vogels met een jaarrond beschermd nest In de omgeving van het plangebied komen een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten voor.

Zo zijn de buizerd, havik, boomvalk, steenuil, sperwer en huismus rondom het plangebied waargenomen. Door de afwezigheid van bosgebieden en grote bomen met nesten vervult het plangebied geen functie als nestlocatie voor de buizerd, havik, boomvalk en sperwer. Ook in de omgeving van het plangebied zijn geen grote nesten aangetroffen die een indicatie kunnen zijn voor de aanwezigheid van deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere individuen van huismus waargenomen net buiten het plangebied bij de coniferenhaag ten noorden van de vrijstaande woningen grenzend aan het plangebied. De bebouwing aan de noord- en oostgrens vormt geschikt leef- en broedgebied voor huismus. De aanwezige coniferen heg is geschikt als winterverblijfplaats (kwetterplek) voor de huismus. Verder is het plangebied geschikt als foerageergebied. Dit foerageergebied is echter niet essentieel gezien de aanwezigheid van voldoende foerageergebied rondom het plangebied. Daarnaast zal een deel van het verloren foerageergebied vervangen worden door tuinen die opnieuw kunnen dienen als foerageergebied De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden waarbij voldoende zit- en uitkijkposten om te 51/67 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.MAR001BP0012022P-VG01 -

foerageren en om te rusten aanwezig zijn. Daarnaast heeft de steenuil een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie nodig. De steenuil nestelt vaak in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De in het plangebied aangetroffen bomen met holten ten zuidwesten van het plangebied zijn niet geschikt als broedplaats voor de steenuil. Dit aangezien de holtes te klein zijn en een aantal niet dicht zijn aan de bovenkant waardoor neerslag in de holtes kan komen. Er zijn ook geen sporen gevonden (krijtstrepen of braakballen) die duiden op de aanwezigheid van de steenuil in het plangebied. Wel blijkt uit de NDFF-gegevens dat de steenuil rondom het plangebied veel voorkomt. Er zijn meerdere territoria van de steenuil binnen 5 kilometer van het plangebied aanwezig. De dichtstbijzijnde waarnemingen zijn op 60 meter van het plangebied gedaan bij een boerderij ten westen van het plangebied. Uit contact met de uilenwerkgroep is gebleken dat het gebied dient als territorium en leefgebied voor steenuilen en kerkuilen (zie afbeelding 4-4).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=9007a757-64e7-4943-8f85-307d44fed8c7