CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Steenoven II Fase II_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 8 Quickscan Flora en Fauna

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bijlagenboek8.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENTE MEIERIJSTAD

QUICKSCAN ECOLOGIE STEENOVEN II MARIAHEIDE IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING 2 AUGUSTUS 2023

WSP NEDERLAND B.V. RINGWADE 41 3439 LM NIEUWEGEIN +31 (0)88 910 20 00 wsp.com

PROJECTNUMMER SLM018013 DOCUMENTNUMMER SLM018013.QS, versie 002

COLOFON RAPPORTHISTORIE 1

7 juni 2022

Oplevering concept

2

2 augustus 2023

Definitief

OPDRACHTGEVER Gemeente Meierijstad De Heer T. van den Waardenburg Stadhuisplein 1 5461KN VEGHEL CONTACTPERSOON WSP B. van Eijk +031 (0)6-82064760 Bart.vaneijk@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

SLM018013

SLM018013.QS,

Versie 002

Definitief

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

PARAAF

B. van Eijk

Junior Ecoloog

14 maart 2022

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Maria Mougenot

Adviseur Ecoloog

14 maart 2022

GOEDGEKEURD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Natascha Pirovano

Projectleider

2 augustus 2023

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

PARAAF

PARAAF

WSP 2 augustus 2023 pagina 2/34

INHOUDSOPGAVE

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

1

INLEIDING

5

2

WETTELIJK KADER

6

2.1

Soortenbescherming

6

2.2

Gebiedsbescherming

7

3

PLANGEBIED

8

3.1

Huidige situatie

8

3.2

Planontwikkeling

9

4

ONDERZOEKOPZET

10

4.1

Beschikbare gegevens en veldbezoek

10

4.2

Effectenbeoordeling

10

5

BESCHERMDE SOORTEN

11

5.1

Planten

11

5.2

Grondgebonden zoogdieren

11

5.3

Vleermuizen

12

5.4

Amfibieën

12

5.5

Reptielen

13

5.6

Vissen

14

5.7

ongewervelden

14

5.8

Vogels

15

6

TOETSING GEBIEDSBESCHERMING

17

6.1

Toetsing Wnb: Gebiedsbescherming: Natura 2000

17

6.2

Toetsing provinciaal natuurbeleid: Natuurnetwerk Brabant

18

7

EFFECTBEOORDELING

19

7.1

Vogelrichtlijnsoorten

19

7.2

Habitatrichtlijnsoorten

20

7.3

Nationaal beschermde soorten

20

7.4

Beschermde gebieden

21

8

SAMENVATTING BEVINDINGEN

22

9

ADVIES T.B.V. DE VERBETERING VAN BIODIVERSITEIT

24

WSP 2 augustus 2023 pagina 3/34

OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1

— Literatuur Bijlage 2

— Wetgeving en beleid Bijlage 3

— Impressie plangebied

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 4/34

1

INLEIDING

In opdracht van gemeente Meierijstad heeft WSP Nederland B.V. een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Heiakkerstraat te Mariaheide. Dit is gedaan als onderdeel van het opstellen van een bestemmingsplan. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb; bijlage 1) met betrekking tot soortbescherming en gebiedsbescherming (inclusief Natuurnetwerk Nederland, hierna NNN en Natura 2000). De voorliggende quickscan leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor geplande planontwikkeling.

Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect heeft op (potentieel) aanwezige beschermde planten- en diersoorten of functies voor deze soorten; en daarmee mogelijk strijdig is (zijn) met de soortenbescherming conform de Wnb; Algemene soorten in het plangebied te verwachten zijn waar op basis van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) rekening mee gehouden moet worden; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de in potentie voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het NNN en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing (voortoets) en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing.

Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van alle (algemene én strikt beschermde) soorten geldt in alle gevallen de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). WSP Nederland B.V. is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland B.V. zijn VCA gecertificeerd. Daarnaast is WSP lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). WSP is actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit betekent dat medewerkers van WSP Nederland B.V. zich conformeren aan gedragscodes uitgevaardigd door het NGB. Rapporten voldoen aan de richtlijnen en standaarden die zijn opgesteld door het NGB. WSP Nederland B.V. is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van deze quickscan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van Gemeente Meierijstad en is haar eigendom.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 5/34

2 WETTELIJK KADER De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden, nationale natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland; het NNN), planten- en diersoorten (bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In geval van overtreding van verboden zoals het opzettelijk doden van beschermde individuen, vernielen jaarrond beschermde nesten, eieren of andere beschermde leefgebieden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu). Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.

2.1

SOORTENBESCHERMING

In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (tabel 2.1). Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren. Tabel 2.1: Op hoofdlijn verboden per beschermingsregime SOORTEN VOGELRICHTLIJNSOORTEN

ARTIKEL VERBODEN

3.1

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 en 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding)

HABITATRICHTLIJNSOORTEN, SOORTEN UIT BIJLAGE I EN II VAN DE BERN CONVENTIE EN BIJLAGE I VAN DE BONN CONVENTIE

3.5

ANDERE BESCHERMDE SOORTEN

3.10

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel B)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 6/34

2.2 GEBIEDSBESCHERMING Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. In de provincie Noord-Brabant is het natuurbeleid vastgelegd in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel uitmaakt van het NNN.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 7/34

3 PLANGEBIED 3.1

HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied bevindt zich aan de zuidelijke kant van het dorp Mariaheide. Het plangebied bestaat uit één bouwperceel. Het perceel heeft in totaal een oppervlakte van circa 14.500 m2 en bestaat voor het grootste gedeelte uit een agrarisch land dat dient als weiland. Het weiland bestaat uit korte ondergroei van Engels raaigras. Ten noorden bevindt zich een zandrug met struiken, en ten zuidwesten bevindt zich een voor een deel drooggevallen afwateringsgreppel met een bomenrij met een ondergroei van braam. Het perceel bevindt zich aan de rand van een woonwijk met aangrenzende woningen aan de noordzijde (zie figuur 3.1 en bijlage 3). Ten westen ligt een weiland dat voor agrarische doeleinden wordt gebruikt, ten oosten bevinden zich 3 alleenstaande woningen met een aan de noordkant gelegen coniferenhaag. Daarnaast ligt de Heiakkerstraat met aan beide kanten een bomenlaan. Ten zuiden bevindt zich een pad met aangrenzend een appelboomgaard. Zie fotobijlage voor een impressie van het plangebied.

Figuur 3.1: kadasterkaart van het plangebied (rood omkaderd).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 8/34

3.2 PLANONTWIKKELING De gemeente Meierijstad is voornemens een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het plangebied in het kader van de realisatie van 40 woningen. Dit omdat het plangebied gelegen is in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en heeft de enkelbestemming ‘agrarisch met waarden’. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 9/34

4 ONDERZOEKOPZET 4.1

BESCHIKBARE GEGEVENS EN VELDBEZOEK

De quickscan bestaat uit één veldbezoek in combinatie met een bureaustudie. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2022, opgevraagd op 5 januari 2022) van de afgelopen 10 jaar binnen een straal van maximaal 5 kilometer rondom het plangebied. Het plangebied is op 21 januari bezocht door Bart van Eijk, MSc., ecoloog bij WSP. Ten tijde van de inspectie was het droog, 6°C en bewolkt met een zwakke zuidelijke wind (2 Bft). Tijdens dat veldbezoek is gezocht naar beschermde natuurwaarden en is een inschatting gemaakt van de mogelijk aanwezige beschermde soorten op basis van een habitatbeoordeling.

4.2 EFFECTENBEOORDELING De omvang van de ontwikkeling en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. Op basis van de effectenbeoordeling is beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en permanente effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en volledigheid van de uit te voeren werkzaamheden en planning daarvan. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 10/34

5 BESCHERMDE SOORTEN In dit hoofdstuk zijn per soortgroep de bevindingen beschreven van zowel de bureaustudie alsook het uitgevoerde veldbezoek.

5.1

PLANTEN

Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen vijf km afstand van het plangebied op meerdere locaties de beschermde drijvende waterweegbree voorkomt. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek (buiten het bloeiseizoen) zijn geen geschikte groeiplaatsen of groeiomstandigheden van de drijvende waterweegbree aangetroffen. Het plangebied bestaat uit zeer algemene soorten zoals klaver en Engels raaigras. Op basis van de aangetroffen planten, de ligging van het plangebied en het gebruik van het perceel (weiland) kan worden vastgesteld dat het plangebied geen functie heeft als groeiplaats voor deze en andere beschermde plantensoorten.

5.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN De verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) geven aan dat in de directe omgeving van het plangebied diverse beschermde grondgebonden zoogdierensoorten kunnen worden aangetroffen. Voor een aantal van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere ree, vos en konijn) geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Noord-Brabant, 2016). Deze vrijstelling geldt niet voor de in de verspreidingsgegevens vermelde soorten: bever, bunzing, wezel, das, eekhoorn en steenmarter. De bever is waargenomen op ongeveer 2,5 km van het plangebied. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor de bever aangezien geschikt water ontbreekt (op een ondiepe, tijdelijke sloot na). De kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor kleinschalige landschappen. Deze soorten gebruiken oude holen van bijvoorbeeld, muizen, mol, konijn, vos en das welke over het algemeen in de omgeving van bosschages, houtstapels, heggen of andere lijnvormige elementen die voldoende dekking bieden liggen.

Door de afwezigheid van randbegroeiing, konijnenholen, houtwallen en bosranden is de functie als verblijfplaats voor bunzing uitgesloten. In het plangebied zijn geen bosschages, houtstapels, konijnenholen of heggen aanwezig. Hierdoor is het plangebied ongeschikt als verblijfplaats voor kleine marters. Het plangebied kan als onderdeel van het foerageergebied wel geschikt zijn voor deze soort. Gezien de ligging van het plangebied (dorpsrand) is dit een zeer klein deel van het totale foerageergebied en wordt daardoor niet als essentieel gezien. De das is op twee km van het plangebied waargenomen. De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 meter onder het maaiveld (BIJ12, 2017a). In de omgeving zijn geen dassenburchten bekend. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen graafsporen, burchten of wissels aangetroffen. Hierdoor kan de aanwezigheid van de das in het plangebied worden uitgesloten.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 11/34

De eekhoorn is voornamelijk gebonden aan bossen met voldoende nestgelegenheid en voldoende foerageer mogelijkheden. Het voedsel bestaat uit eikels, noten, kegels van naaldbomen, maar ook paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en onder meer bladeren. Eekhoorns maken bolvormige nesten van bladeren, maar ze kunnen ook oude ekster- of kraaiennesten of boomholtes in gebruik nemen. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte nesten aangetroffen. De bomenrijen en bosgebied ten zuiden van het plangebied vormen het leefgebied van de eekhoorn. Dit leefgebied blijft behouden.. Het plangebied is niet geschikt als leefgebied, daar deze soort zich in principe niet in open terrein begeeft. Daarnaast is de bomenrij aan de zuidwestelijke rand van het plangebied ook niet geschikt De steenmarter is op twee km van het plangebied waargenomen. De steenmarter is een cultuurvolger die in Nederland vooral voorkomt in kleinschalige cultuurlandschappen en parken maar ook in open terrein en in het stedelijk gebied. De steenmarter heeft een territorium wat kan fluctueren tussen de 80 en 700 hectare. Binnen haar territorium bevinden zich meerdere verblijfplaatsen. Vanuit haar verblijfplaats kan steenmarter tussen de 10-15 kilometer afleggen om in haar voedselvoorziening te kunnen voorzien. Verblijfplaatsen bestaan uit onder andere holtes, takkenhopen en zolders.

Binnen het plangebied ontbreken geschikte verblijf- en schuilplaatsen voor de steenmarter. Hierdoor kan een verblijfplaats van de steenmarter in het plangebied worden uitgesloten.

5.3

VLEERMUIZEN

De verspreidingsgegevens van vleermuizen (Broekhuizen et al. 2016; NDFF 2022) geven aan dat in de regio van het plangebied verschillende vleermuizen kunnen voorkomen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd conform de Wnb. De in de directe omgeving (tot 5 kilometer) voorkomende vleermuizen zijn, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis: Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en laatvlieger zijn overwegend gebouwbewonende soorten. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor gebouwbewonende vleermuizen op voorhand worden uitgesloten. De bebouwing ten noorden en oosten van het plangebied biedt geschikte mogelijkheden voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. De soorn franjestaart is overwegend boombewonend en zal geen hinder ondervinden van de geplande herinrichting van het plangebied. Aan de zuidwestelijke rand van het plangebied zijn een aantal bomen met holtes aanwezig, deze zijn echter te laag gesitueerd en zijn niet naar boven uitgerot. Dit maakt ze ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten worden uitgesloten. De bomenrij aan zowel de zuidelijke grens als de oostelijke grens is geschikt als vliegroute.

Daarnaast is het plangebied geschikt als klein onderdeel van het totale foerageergebied, maar vormt hierin geen essentieel onderdeel. Indien door de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt worden is het nader onderzoek naar vleermuizen niet nodig.

5.4 AMFIBIEËN De verspreidingsgegevens van amfibieën (NDFF 2022) geven aan dat in de omgeving van het plangebied diverse amfibieënsoorten aanwezig kunnen zijn. De mogelijk voorkomende soorten zijn veelal algemene soorten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt echter wel, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Deze vrijstelling geldt niet voor de mogelijk voorkomende strikt beschermde soorten, poelkikker, kamsalamander, rugstreeppad en alpenwatersalamander

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 12/34

Poelkikker In de omgeving van het plangebied zijn ook NDFF-waarnemingen van de poelkikker bekend. Deze waarnemingen betreffen de oevers van de Leijgraaf en de Aa. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. De afwateringsgreppel in het plangebied staat grotendeels droog en staat door de bomenrij gedeeltelijk in de schaduw. Hierdoor wordt de afwateringsgreppel als ongeschikt beschouwt. Hierdoor leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot overtreding van verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming. Kamsalamander In de omgeving van het plangebied is één NDFF-waarneming van de kamsalamander bekend. Deze waarneming betreft een oever van de Leijgraaf op 2,5 km ten oosten van het plangebied. De kamsalamander plant zich voort in matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Vanaf half maart zijn de volwassen dieren in het water te vinden. De piek van de paartijd is in april. De meeste kamsalamanders verlaten eind juni alweer het voortplantingswater. De soort foerageert en overwintert op het land.

De overwinteringsperiode van kamsalamander loopt globaal van november tot en met februari/maart. Overwintering gebeurt vooral op het land op vochtige, vorstvrije locaties buiten de invloed van het grondwater in holletjes, onder stammen, etc. Normaliter liggen overwinteringsplekken binnen een straal van ongeveer 100 meter van hun voortplantingswateren (RVO 2014b, BIJ12 2017). In situaties waar geschikt landhabitat niet in de directe omgeving liggen, kunnen kamsalamanders wel circa 1.000 meter afleggen tussen voortplantingswateren en overwinteringsgebieden (Creemers & Van Delft 2009). Permanente en stilstaande wateren met goed ontwikkelde onderwatervegetatie zijn binnen het plangebied niet afwezig. Hierdoor is het voorkomen van de kamsalamander in het plangebied en het gebied binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling uitgesloten. Hierdoor leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot overtreding van verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming. Ten zuiden van het plangebied ligt een voor een deels opgedroogde afwateringsgreppel. Deze kan geschikt zijn als voortplantingswater voor de bruine kikker en andere algemene amfibieën. Het plangebied is weinig geschikt als landhabitat voor de algemene soorten. Dit vanwege het ontbreken van structuurrijke begroeiingen met een extensief en vochtig karakter.

Het is mogelijk dat algemene soorten het plangebied incidenteel passeren, maar het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor deze soorten. Rugstreeppad Rugstreeppad gebruikt met name ondiepe, schaars begroeide, vrij snel opwarmende wateren als voortplantingsplaats. Dit kunnen bijvoorbeeld tijdelijke poeltjes zijn, maar ook ondiepe slootjes. Overwintering vindt voornamelijk plaats in zandige plekken en bosjes in nabijheid van water, soms wel een meter diep onder de grond. Geschikte wateren en winterverblijven ontbreken binnen het plangebied. De rugstreeppad is echter een pioniersoort die kilometers kan afleggen op zoek naar geschikte voorplantingswateren en overwinteringsplaats. Volgens de NDFF-gegevens is deze soort ten noorden van de A50 aanwezig, op circa 1700 meter ten noorden van het meest noordelijke deel van het plangebied. Van belang is om te zorgen dat het plangebied, tijdens de toekomstige bouw ontoegankelijk blijft voor deze soort. Een van de voorgestelde maatregelen om te voorkomen dat de rugstreeppad tijdens de uitvoering aanwezig is, is het plaatsen van paddenschermen.

5.5 REPTIELEN De verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) geven aan dat op drie km van het plangebied de beschermde, levendbarende hagedis voorkomt. De levendbarende hagedis is in de provincie Noord-Brabant beschermd. De levendbarende hagedis komt voor op heide- en hoogveengebieden, ruige graslanden en open bossen. Door het ontbreken van dit habitat is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. De voorgenomen werkzaamheden leiden dan ook niet tot overtreding van verbodsartikelen binnen de wet natuurbescherming.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 13/34

5.6 VISSEN De verspreidingsgegevens van vissen (NDFF 2022; RAVON, 2016) geven aan dat op 2 km van het plangebied de beschermde grote modderkruiper voorkomt. Grote modderkruiper leeft in ondiep, stilstaand of zeer langzaam stromend water waarin veel planten aanwezig zijn en waar op de bodem een dikke modderlaag aanwezig is. De soort wordt het meest aangetroffen in kleine wateren, vooral in poldersloten met een goede waterkwaliteit. In het zuidwesten van het plangebied is een deels opgedroogde afwateringsgreppel aanwezig met geen watervegetatie. De watergreppel is geen geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper gezien de afwezigheid van waterplanten. Voorkomen van de grote modderkruiper wordt daardoor uitgesloten. Gezien de greppel in het natte seizoen weinig water bevat is het aannemelijk dat in het drogere seizoen de greppel droog staat. Op basis van deze terreinkenmerken, habitateisen (Creemers & Van Delft, 2009) en recente verspreidingsgegevens worden andere beschermde vissoorten uitgesloten. Daarnaast is het ook geen geschikt habitat algemene vissoorten. De voorgenomen werkzaamheden leiden dan ook niet tot overtreding van verbodsartikelen binnen de wet natuurbescherming.

5.7 ONGEWERVELDEN De verspreidingsgegevens van de NDFF 2022 en van vlinderstichting geven aan dat weinig beschermde ongewervelden in de omgeving van het plangebied voorkomen. De uitzonderingen hiervan zijn de volgens de habitatrichtlijn beschermde witsnuitlibel en de nationaal beschermde soorten; grote vos en iepenpage. Witsnuitlibel De witsnuitlibel is op 4,5 km van het plangebied waargenomen. De meeste gevlekte witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. In de duinen is de soort gevonden bij verlandingsvegetaties met een laagveenkarakter. Deze biotooptypen hebben met elkaar gemeen dat het water helder, ondiep (één meter of minder), matig voedselrijk en beschut gelegen is. Zowel vegetatieloze als dichtgegroeide wateren worden gemeden. Het plangebied voldoet niet aan de habitatseisen van de witsnuitlibel en kan daardoor worden uitgesloten. Grote Vos De grote vos is op één km van het plangebied waargenomen. De soort komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen.

Daarnaast moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. De waardplanten voor de grote vos zijn iep, zoete kers en een aantal iepen en wilgensoorten (bos wilg en grauwe wilg). Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten voor de grote vos waargenomen waardoor de aanwezigheid van grote vos kan worden uitgesloten Iepenpage De iepenpage is op 3,5 km van het plangebied waargenomen. De iepenpage heeft geen groot leefgebied nodig en kan al voorkomen op plaatsen waar enkele iepen bij elkaar staan. Er zijn populaties bekend die slechts één boom ter beschikking hebben. De vlinder leeft vooral bij bloeiende en vruchtdragende bomen of op relatief jonge iepen. De soort komt voor in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen. De waardplanten voor deze soort zijn diverse soorten iep, zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars. In en rondom het plangebied zijn geen iepen aanwezig hierdoor is de aanwezigheid van de iepenpage uit te sluiten. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek en vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten en permanente wateren kunnen beschermde vlinders en libellen binnen het plangebied worden uitgesloten.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 14/34

5.8 VOGELS ALGEMENE BROEDVOGELS De verspreidingsgegevens van de NDFF 2022 en van de vogelbescherming geven aan dat veel verschillende algemene vogelsoorten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Dit zijn onder andere de houtduif, zwarte kraai, koolmees, ekster en vink. Tijdens het veldbezoek zijn individuen waargenomen van houtduif, ekster, merel, kauw en vink. In de zuidwestelijke bomenrij zijn twee voormalige nestlocaties van de houtduif waargenomen. Door het ontbreken van kruidenrijke graslanden en de ligging van het plangebied direct naast de bebouwde kom wordt het plangebied uitgesloten als foerageergebied of nestlocatie voor weidevogels. Soorten zoals houtduif, merel en mezen kunnen wel tot broeden komen in de bomen en struiken in het zuidwesten van het plangebied. Indien buiten het broedseizoen wordt gewerkt door de voorgenomen werkzaamheden geen bomen gekapt worden zal er geen overtreding van verbodsartikelen binnen de wet natuurbescherming plaatsvinden.

VOGELS MET EEN JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATS OF WAARVOOR VOLDOENDE FUNCTIONEEL LEEFGEBIED AANWEZIG MOET BLIJVEN Vanuit verspreidingsgegevens van de NDFF en de vogelbescherming blijkt het voorkomen van een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten. Zo zijn de buizerd, havik, boomvalk, steenuil, sperwer en huismus rondom het plangebied waargenomen. Door de afwezigheid van bosgebieden en grote bomen met nesten vervult het plangebied geen functie als nestlocatie voor de buizerd, havik, boomvalk en sperwer. Ook in de omgeving van het plangebied zijn geen grote nesten aangetroffen die een indicatie kunnen zijn voor de aanwezigheid van deze soorten. Huismus Gedurende het veldbezoek is één vogelsoort met een jaarrond beschermde nestplaats waargenomen. Dit was de huismus. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen. Tijdens het veldbezoek zijn meerdere individuen waargenomen net buiten het plangebied bij de coniferenhaag ten noorden van de vrijstaande woningen grenzend aan het plangebied. De bebouwing aan de noord- en oostgrens vormt geschikt leef- en broedgebied voor huismus.

De aanwezige coniferen heg is geschikt als winterverblijfplaats (kwetterplek) voor de huismus. Verder is het plangebied geschikt als foerageergebied. Dit foerageergebied is echter niet essentieel gezien de aanwezigheid van voldoende foerageergebied rondom het plangebied. Daarnaast zal een deel van het verloren foerageergebied vervangen worden door tuinen die opnieuw kunnen dienen als foerageergebied Steenuil De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden waarbij voldoende zit- en uitkijkposten om te foerageren en om te rusten aanwezig zijn. Daarnaast heeft de steenuil een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie nodig. De steenuil nestelt vaak in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De in het plangebied aangetroffen bomen met holten ten zuidwesten van het plangebied zijn niet geschikt als broedplaats voor de steenuil. Dit aangezien de holtes te klein zijn en een aantal niet dicht zijn aan de bovenkant waardoor neerslag in de holtes kan komen. Er zijn ook geen sporen gevonden (krijtstrepen of braakballen) die duiden op de aanwezigheid van de steenuil in het plangebied. Wel blijkt uit de NDFF-gegevens dat de steenuil rondom het plangebied veel voorkomt.

Er zijn meerdere territoria van de steenuil binnen 5 kilometer van het plangebied aanwezig. De dichtstbijzijnde waarnemingen zijn op 60 meter van het plangebied gedaan bij een boerderij ten westen van het plangebied. De boerderij ten westen van het plangebied kan mogelijk als verblijfplaats voor de

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 15/34

steenuil dienen. De laatste bekende NDFF-waarnemingen zijn van 2014. Indien de westelijk gelegen schuur nog steeds in gebruik is door deze soort dan vormt het plangebied daardoor onderdeel van het territorium van de steenuil (200 meter rondom verblijfplaats). Als dit gebied verloren gaat door de huizenbouw kan dit een negatief effect hebben op het territorium en leefgebied van de steenuil. Echter wordt deze quickscan uitgevoerd ten behoeve van een aanpassing in het bestemmingsplan en zijn er nog geen concrete bouwplannen voor het plangebied. Hierdoor zullen mogelijk negatieve effecten op de steenuil nog niet in de nabije toekomst plaatsvinden. Zodra concrete plannen zijn gemaakt zal nader onderzoek gedaan moeten worden naar de aanwezigheid van de steenuil in de omgeving van het plangebied. Daarnaast wordt geadviseerd contact op te nemen met de steenuilenwerkgroep voor meer informatie over de functie van het plangebied voor de mogelijk aanwezige steenuilen.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 16/34

6 TOETSING GEBIEDSBESCHERMING De bescherming van gebieden is in dit hoofdstuk uitgesplitst in Natura2000 en in Nationaal Natuurnetwerk Brabant. Beide zijn hieronder nader toegelicht.

6.1

TOETSING WNB: GEBIEDSBESCHERMING: NATURA 2000

Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oiter ‘ligt 12,6 kilometer ten zuidwesten van het plangebied (figuur 6.1). Gezien de ruime afstand van het plangebied doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Externe effecten zoals trilling, geluid en beweging beperken zicht tot enkele honderden meters en zijn daarom op voorhand uitgesloten. In een afzonderlijke rapportage wordt ingegaan op de effecten van stikstofemissie op de Natura 2000-gebieden.

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

Kampina & Oisterwijkse Vennen

Figuur 6.1 Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura2000-gebieden. (Bron: Natura2000.nl 18-01-2022)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 17/34

6.2 TOETSING PROVINCIAAL NATUURBELEID: NATUURNETWERK BRABANT Het plangebied overlapt niet met gebieden die zijn aangesloten bij Nationaal Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie figuur 6.2). Van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is daarom niet noodzakelijk.

Figuur 6.2: ligging plangebied (globaal, rode contour) ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant (groen en bruine vakken)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 18/34

7 EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk zijn de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de planontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn per beschermingsregime de verbodsartikelen genoemd die mogelijk overtreden kunnen worden. Voor een uitgebreidere omschrijving wordt verwezen naar tabel 2.1 in hoofdstuk 2 (wettelijk kader).

7.1

VOGELRICHTLIJNSOORTEN

Bij de effectenbeoordeling op broedvogels is onderscheid gemaakt in nesten die eenmalig in gebruik zijn en nesten die vast in gebruik zijn en daarmee ook permanent zijn beschermd. ALGEMENE BROEDVOGELS Nesten van de meeste soorten vogels zijn beschermd tijdens het gebruik ervan, overtreding van artikel 3.1, lid 2 (beschadigen/ vernielen van nesten) is buiten het broedseizoen niet aan de orde Voor deze vogelsoorten volstaat om rekening te houden met het broedseizoen (globaal de periode 15 maart tot en met 15 augustus). In het geval het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, moet in overleg met een ecoloog bepaald worden hoe overtreding van het eerdergenoemde verbodsartikel voorkomen kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of door uitvoering van broedvogelcontroles door de ecoloog. Daarnaast kan de aanwezige vegetatie voor het broedseizoen verwijderd worden zodat het plangebied ongeschikt is voor broedvogels. De aanwezige coniferenhaag bij de noordgrens van het plangebied is van belang gezien dit een geschikte nestplaats is voor algemene vogelsoorten zoals merel en mees. Daarnaast is de bomenrij aan de zuidwestelijke grens geschikt als broedplaats voor algemene soorten zoals houtduif. Als de genoemde maatregelen zijn uitgevoerd kunnen de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd.

Anders moet een broedvogelcheck een aantal dagen voor de geplande werkzaamheden plaatsvinden. VOGELS MET EEN JAAR ROND BESCHERMDE NESTPLAATS Naast algemene broedvogels zijn er ook vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Deze vogelsoorten maken gebruik van hun verblijfplaatsen het hele jaar door of keren jaarlijks terug naar hetzelfde nest, of nestplek. Dit betekent dat het verwijderen of aantasten van deze nesten leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2, ook al worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Tevens is de functionele leefomgeving rondom de nestlocatie van deze broedvogels beschermd. Het plangebied vervult mogelijk een functie voor de soort steenuil. Het weiland is mogelijk een deel van het territorium van de steenuil en is geschikt als foerageergebied. Gezien de quickscan wordt uitgevoerd voor een aanpassing in het bestemmingsplan en er nog geen concrete bouwplannen zijn zal een negatief effect op de steenuil voorlopig uitblijven. Als uit de toekomstige plannen blijkt dat het weiland zal verdwijnen, zal dit een negatief effect hebben op de functionele leefomgeving van de steenuil. Als dit gebeurt zal deze ontwikkeling leiden tot het overtreden van verbodsartikelen. Het plangebied vervult ook een functie voor de soort huismus. De coniferenhaag net over de grens van het plangebied is geschikt als winterverblijfplaats voor huismussen.

Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied voor de huismus. Als men woningen op de percelen bouwt zal een deel van dit foerageergebied verdwijnen. Echter zal een deel hiervan terugkomen in de vorm van tuinen. De voorgenomen ontwikkelingen zullen niet leiden tot het overtreden van verbodsartikelen indien natuurinclusieve maatregelen ten gunste van huismus worden genomen (zie aanbevelingen hoofdstuk 8).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 19/34

7.2 HABITATRICHTLIJNSOORTEN Ten aanzien van Habitatrichtlijn soorten is geen sprake van overtreding van de artikelen 3.5, lid 4 (aantasten en vernietigen van rustplaatsen) en 3.5, lid 2 (opzettelijk verstoren). Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder alle soorten vleermuizen. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen raakvlakken met het voorkomen van soorten die beschermd zijn onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij heeft de bomenrij langs de zuidwestelijke en oostelijke grens mogelijk een functie als vliegroute voor vleermuizen. Deze vliegroute wordt niet aangetast indien alleen de noordelijke rij bomen mogelijk wordt verwijderd. Daarnaast kunnen de bouwwerkzaamheden mogelijke een negatief effect hebben op de pionierssoort rugstreeppad. Door paddenschermen te plaatsen voor de bouwwerkzaamheden beginnen kan de aanwezigheid van rugstreeppad worden voorkomen. Voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot het overtreden van verbodsartikelen.

7.3 NATIONAAL BESCHERMDE SOORTEN Ten aanzien van Nationaal beschermde soorten kan er sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.10, lid 1b (aantasten en vernietigen van rustplaatsen). Verstoring is ten aanzien van deze soorten niet benoemd als verbodsartikel. Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder diverse grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Vrijstelling en zorgplicht Ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van onder andere ruimtelijke ontwikkelingen. De soorten die zijn vrijgesteld verschillen per bevoegd gezag. In deze situatie geldt de vrijstelling ten aanzien van de meeste voorkomen algemene grondgebonden zoogdieren (haas, konijn, vos, etc.) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, etc.) De zorgplicht blijft echter van kracht, ook al zijn soorten vrijgesteld of niet opgenomen in de lijsten van de verschillende beschermingsregimes. De zorgplicht houdt in dat met de voorkomende soorten rekening wordt gehouden in zoverre dit redelijkerwijs mogelijk is. Om te voldoen aan de zorgplicht is het niet nodig om te werken conform een goedgekeurde gedragscode of een verleende ontheffing. Voldoen aan de zorgplicht kan als volgt: ▪ ▪ ▪

Biedt de voorkomende soorten de gelegenheid te kunnen vluchten bij het aantreffen ervan. Minder mobiele soorten als egel of gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van het werk. Als de percelen braak komen te liggen zijn bovenstaande maatregelen in het bijzonder relevant tijdens het verwijderen van het aanwezige groen.

Niet vrijgestelde soorten of soorten die periodiek in het jaar zijn vrijgesteld Het voorkomen van niet vrijgestelde soorten (zoals de steenmarter, hermelijn en wezel) is niet uitgesloten binnen het plangebied. Het plangebied kan dienen als foerageergebied voor kleine marterachtigen en steenmarter. Echter zal het plangebied maar een klein deel van het totale foerageergebied zijn. Daarnaast is door de monotone begroeiing en weinig beschutting het plangebied geen essentieel foerageergebied.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 20/34

7.4 BESCHERMDE GEBIEDEN Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied en bevindt zich niet in een regio met Natura 2000-gebieden tot op minimaal een kilometer afstand hemelsbreed. Veel externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten rijken doorgaans tot enkele honderden meters en zijn hierdoor uit te sluiten. In tegenstelling tot de eerdergenoemde externe effecten, kan het effect van neerslag van stikstof wel tot verder rijken dan enkele honderden meters. Een beoordeling over de noodzaak tot vervolgstappen ten behoeve van stikstofemissie wordt separaat uitgevoerd. Het plangebied maakt geen onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is daarom niet noodzakelijk.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 21/34

8 SAMENVATTING BEVINDINGEN De bevindingen van natuurtoets zijn in de onderstaande tabel samengevat. Hierbij is gebruik gemaakt Van de volgende kleurcodering:

Geen vervolgonderzoek/ acties noodzakelijk voor de geplande werkzaamheden De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits het gegeven advies wordt opgevolgd. Vervolgonderzoek: er is onvoldoende inzicht verkregen om de effecten van de werkzaamheden te bepalen Ontheffing is noodzakelijk. De werkzaamheden zullen leiden tot een negatief effect.

BESCHERMINGSREGIME (relevante soortgroepen)

(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN VOORGENOMEN ONTWIKKELING

ADVIES

VERVOLGSTAPPEN NOODZAKELIJK?

Huismus: Natuur inclusieve maatregelen treffen zoals kastjes en geschikte struiken. De haag die als kwetterplek wordt gebruikt dient behouden worden.

Steenuil: Nader onderzoek zodra er bouwplannen zijn.

Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming) Ja

Vogelrichtlijn

Steenuil: contact opnemen met de steenuilenwerkgroep voor informatie over de functie van het plangebied.

(Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats)

Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen, zie verder onder paragraaf 7.1. Geen

Tijdens de bouwwerkzaamheden het terrein ongeschikt houden voor de rugstreeppad met paddenschermen.

Nee

Geen

Er moet voldaan worden aan de zorgplicht, zie verder onder paragraaf 7.3.

Nee

Geen

Geen

Nee

Habitatrichtlijn rugstreeppad

Vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Algemene soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën) Niet of deels vrijgestelde Nationaal beschermde soorten

Gebiedsbescherming (Wet Natuurbescherming en NNN)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 22/34

BESCHERMINGSREGIME (relevante soortgroepen)

(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN VOORGENOMEN ONTWIKKELING

ADVIES

VERVOLGSTAPPEN NOODZAKELIJK?

Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming) Natura 2000-gebieden

Geen (stikstofemissie wordt separaat beoordeeld)

Geen

Nee

NNN-gebieden

Geen

Geen

Nee

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 23/34

9 ADVIES T.B.V. DE VERBETERING VAN BIODIVERSITEIT Tijdens het veldbezoek is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied geschikt habitat is voor huismus. Om het leefgebied van deze soort en de algemene biodiversiteit te verbeteren kunnen een aantal maatregelen worden getroffen. Bij de toekomstige inrichting van de geplande huizenbouw kunnen verschillende groenstructuren worden aangelegd die bijdragen aan de biodiversiteit en leefgebied soorten in het plangebied. Er wordt geadviseerd om soorten zoals haagbeuk, wilde lijsterbes, vuurdoorn en meidoorn te gebruiken. Deze plantensoorten bieden dekking en voedsel voor huismussen maar ook veel andere soorten fauna. Daarnaast geven de soorten in het voorjaar een kleurrijk beeld wanneer de planten bloeien (goed voor insecten). In het najaar dragen deze soorten bes en zijn een dan een voedselbron voor vogels. Bij dichte oudere struiken kunnen de struiken eveneens fungeren als broedlocaties voor broedvogels en migratie-/vliegroute voor grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Het plangebied heeft in de actuele situatie geen verblijf of broedfunctie voor de huismus. Wel ligt het plangebied in de directe omgeving van bekende nestlocaties en territoria van deze soorten. Door natuurinclusief te bouwen kan binnen het plangebied een aanzienlijke winst voor deze soort worden gerealiseerd.

Door het creëren van verblijfplaatsen en leefgebieden wordt een grote bijdrage gerealiseerd aan de lokale bescherming van deze soort. Geadviseerd wordt om inbouwkasten te plaatsen voor deze soort in de toekomstige woningen. De kasten dienen in de noord-of oostelijke gevel ingebouwd te worden en op een hoogte van ten minste 3 meter.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 24/34

OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1

— Literatuur Bijlage 2

— Wetgeving en beleid Bijlage 3

— Impressie plangebied

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 25/34

BIJLAGE

1

LITERATUUR

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 26/34

LITERATUUR NDFF, 2021. Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied – levering uit de NDFF, NDFF – ndffecogrid.nl Netwerk Groene Bureaus (NGB), werkgroep Standaarden en protocollen (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017, www.netwerkgroenebureaus.nl Kennisdocument Steenuil, Athene Noctua Versie 1.0, juli 2017 Kennisdocument Huismus Passer domesticus Versie 1.0, juli 2017 Websites: https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-brabant Natuurbeheerplan Brabant https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten www.NDFF.nl www.Habitus.nl/vrijgesteldesoorten www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 27/34

BIJLAGE

2

WETGEVING EN BELEID

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 28/34

WETGEVING EN BELEID WET NATUURBESCHERMING De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten en houtopstanden. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: - het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en - het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies.

De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet. In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000-gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. ZORGPLICHT Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: Dergelijke handelingen achterwege laat dan wel Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 29/34

Gebiedsbescherming In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Nb een vergunningensysteem opgenomen. Hieraan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving. Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd.

De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. SOORTENBESCHERMING De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal. Het is erop gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. VERBODSBEPALINGEN De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes.

Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1). Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen:

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 30/34

Lid 1:

Lid 2: Lid 3: Lid 4: Lid 5:

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om: Lid 1a: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Lid 1c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen.

NESTEN De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als u maatregelen treft die voorkomen dat deze soorten zich op de bouwplaats vestigen tijdens het broedseizoen. U mag dus buiten het broedseizoen nesten verplaatsen of verwijderen, maar daar zijn uitzonderingen op. Nesten die het hele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop.

De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 31/34

3.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Deze categorieën zijn terug te vinden in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten De aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend. Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De soorten uit bovenstaande categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.

Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 32/34

BIJLAGE

3

IMPRESSIE PLANGEBIED

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 33/34

Foto 1.3: Overzicht noordoosten plangebied + de drie vrijstaande huizen,

Foto 2.3: Overzicht zuidwestelijk deel plangebied + bomenrij en greppel

Foto 3.3: Zandrug met struiken noordelijk deel plangebied

Foto 4.3: Boom in het zuidwesten van het plangebied met houtduif nest

Foto 5.3: Pad met bomenrij en boomgaard ten zuidwesten van het plangebied

Foto 6.3: coniferen heg noordelijke grens van plangebied.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 2 augustus 2023 pagina 34/34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=f71bfee4-4837-49ca-a8f7-418d5062ccf5