CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Steenoven II Fase II_Bijlagen bij de regels_Bijlage 1 Activiteitenplan Steenoven II

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bijlagenboek4.936 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENTE MEIJERIJSTAD

ACTIVITEITENPLAN STEENOVEN II TE MARIAHEIDE

23 MEI 2023

WSP NEDERLAND B.V. GAETANO MARTINOLAAN 50 6229 GS MAASTRICHT +31 (0)88 910 20 00 wsp.com

PROJECTNUMMER SLM018013 DOCUMENTNUMMER RAP001. SLM018013, versie 01

COLOFON RAPPORTHISTORIE 001

23 mei 2023

Oplevering conceptrapport

VERANTWOORDING Gemeente Meierijstad De heer R. Kinderdijk Stadhuisplein 1 5451KN Veghel CONTACTGEGEVENS Bart van Eijk 3439 LM Nieuwegein 06 8206 4760 Bart.vaneijk@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

SLM018013

RAP001. SLM018013

01

Definitief

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

PARAAF

B. van Eijk

junior ecologisch adviseur

23-05-2023

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Tom Zeegers

Senior ecoloog

23-05-2023

GOEDGEKEURD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Tom Zeegers

Senior ecoloog

23-05-2023

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

PARAAF

PARAAF

WSP 23 mei 2023 pagina 2/21

INHOUDSOPGAVE

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

1

INLEIDING

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Huidige situatie

4

1.3

Planontwikkeling

6

2

BESCHERMDE NATUURWAARDEN

7

2.1

Uitgevoerd onderzoek

7

2.2

Omgevingscheck

9

3

EFFECTENBEOORDELING

10

3.1

Effecten op verblijfsfuncties

10

3.2

Effecten op functioneel leefgebied

10

3.3

Effecten op gunstige staat van instandhouding

10

3.4

Vrijstelling en zorgplicht andere soorten

12

4

MAATREGELEN

14

4.1

Vrije spuitzone

14

4.2

Realisatie- en inrichtingsfase Steenoven II

16

5

WETTELIJKE BELANGEN EN ALTERNATIEVEN

17

5.1

Wettelijk belang

17

5.2

Alternatieven afweging

18

6

CONCLUSIE EN ADVIES

19

LITTERATUUR

20

BIJLAGE 1

21

WSP 23 mei 2023 pagina 3/21

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING

Gemeente Meierijstad is voornemens de nieuwbouwwijk Steenoven II, fase 2 te realiseren. Hierbij wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Op basis van de quickscan ecologie (WSP, kenmerk SLM018013.QS, d.d. 14-03-2022), en aanvullende onderzoekgegevens van de vogelwerkgroep Uden is vastgesteld dat de binnen het plangebied aanwezige begroeiing een essentieel foerageergebied van één steenuil paar betreft. De voorgenomen werkzaamheden (zie paragraaf 1.3) worden uitgevoerd (tussen 2023 en 2025) en bestaan uit het realiseren van het tweede deel van het woongebied Steenoven (Heiakkerstraat, Mariaheide). De uitvoering leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb, bijlage 1) onderdeel soortenbescherming (zie nadere toelichting hoofdstuk 3). Gemeente Meierijstad heeft WSP Nederland B.V. gevraagd de te nemen maatregelen (zie hoofdstuk 4) uit te werken in een activiteitenplan en een ontheffing in het kader van de Wnb - soortenbescherming aan te vragen. Het doel van de ontheffingsaanvraag en het bijbehorende activiteitenplan is het beperken van de overtreding van de verboden uit de Wnb en het vast leggen van de te nemen maatregelen.

1.2

HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied bevindt zich aan de zuidelijke kant van het dorp Mariaheide en omvat percelen met agrarisch grondgebruik. Het perceel heeft in totaal een oppervlakte van circa 14.500 m² en wordt benut als weiland ten behoeve van de productie van raaigras. Ten noorden bevindt zich een zandrug met struiken, en ten zuidwesten bevindt zich een voor een deel drooggevallen afwateringsgreppel met een bomenrij met een ondergroei van braam. Het perceel bevindt zich aan de zuidzijde van de nieuwste wijk van Mariaheide (zie figuur 1.1). Ten westen ligt een weiland dat voor agrarische doeleinden wordt gebruikt, ten oosten bevinden zich drie alleenstaande woningen met een aan de noordkant gelegen coniferenhaag. Daarnaast ligt de Heiakkerstraat met aan beide kanten een bomenlaan. Ten zuiden bevindt zich een pad met aangrenzend een perceel waarop een teler van zacht fruit is gevestigd, zie figuur 1.2 en 1.3.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 4/21

Figuur 1.1: Luchtfoto plangebied (bron: opdrachtgever en PDOK)

Figuur 1.2: Zicht op het plangebied, foto richting het westen.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

Figuur 1.3: Zicht op het plangebied, foto richting het zuidoosten.

WSP 23 mei 2023 pagina 5/21

1.3

PLANONTWIKKELING

De gemeente is voornemens om ter plaatse van het plangebied nieuwbouw te ontwikkelen, bestaande uit 50 grondgebonden woningen (zie voor een impressie figuur 1.4). Het gebied zal ontsloten worden via de Veldoven en Heiakkerstraat. Daarnaast worden parkeervoorzieningen en openbaar groen (in combinatie met waterberging) gerealiseerd. De nieuw woningen worden binnen het bestaande rechthoekige verkavelingspatroon gebouwd. Het nieuwe woongebied wordt ingepast in de aanwezige stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische structuren en sluit aan het bestaande bebouwingbeeld van Steenoven fase I. De bebouwing vormt een logische afronding van Mariaheide. Langs de randen van het gebied is een groenstrook voorzien die tevens dienst doet als waterberging. Hiermee wordt tevens voldoende afstand gecreëerd tot bestaande agrarische bedrijvigheid. Aan de zuidzijde wordt de bestaande laanbeplanting gehandhaafd.

Figuur 1.4: Impressie schetsontwerp toekomstige situatie.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 6/21

2 BESCHERMDE NATUURWAARDEN 2.1

UITGEVOERD ONDERZOEK

De planontwikkeling is getoetst aan de Wet natuurbescherming middels een quickscan (WSP, kenmerk SLM018013.QS, d.d. 14-03-2022). Op basis van de quickscan is contact opgenomen met de vogelwacht Uden voor de mogelijke aanwezigheid van steenuil. Hieronder volgen per onderdeel de bevindingen. Samenvatting uitgevoerde quickscan Hieronder zijn beknopt de bevindingen van de quickscan beschreven, voor een uitgebreidere omschrijving wordt verwezen naar de rapportage van de quickscan. ▪ Planten o Aanwezigheid van geschikte groeiplaatsen voor beschermde soorten ontbreken binnen het plangebied. ▪ Grondgebonden zoogdieren o Er zijn geen sporen of verblijfplaatsen aangetroffen van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. o Door het ontbreken van kleinschalige landschapselementen is het plangebied ongeschikt voor kleine marterachtigen en ontbreekt essentieel foerageergebied. o Wel kunnen algemene Nationaal beschermde soorten voorkomen, waarvoor een vrijstelling geldt ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. ▪ Vleermuizen o Diverse soorten vleermuizen komen voor in de directe omgeving van het plangebied. o Voor vleermuizen ontbreken verblijfplaatsen binnen het plangebied. o Het plangebied vormt geen onderdeel van een essentiële vliegroute of foerageergebied.

▪ Amfibieën o In het plangebied ontbreken oppervlaktewateren die dienst kunnen doen als voortplantingswater. Geschikt landhabitat ontbreekt eveneens. o Wel kunnen algemene Nationaal beschermde soorten voorkomen, waarvoor een vrijstelling geldt ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. ▪ Reptielen o Geschikt leefgebied voor reptielen is niet aanwezig in of in de directe omgeving van het plangebied. ▪ Vissen o In het plangebied ontbreekt enige vorm van oppervlaktewater en daarmee ook leefgebied voor vissen. ▪ Ongewervelden o Geschikt leefgebied voor beschermde ongewervelden is niet aanwezig in of in de directe omgeving van het plangebied. ▪ Vogels o Het plangebied kan het broedgebied vormen voor diverse algemene vogelsoorten als graspieper en kievit. o Tijdens het veldbezoek zijn rondom de bebouwing in de directe omgeving van het plangebied huismussen waargenomen. Het plangebied zelf kan incidenteel onderdeel vormen van het foerageergebied van huismussen, maar vormt hierin geen essentieel onderdeel. o Uit de bronnenstudie blijkt dat de steenuil voorkomt direct ten westen van het plangebied. Het betreft een verblijfplaats van de soort in een boerderij op 60 meter afstand, zie ook figuur 2.1. Op grotere afstand SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 7/21

blijken meerdere territoria aanwezig te zijn. Het is goed mogelijk dat het plangebied onderdeel vormt van het foerageergebied van de steenuil. Monitoringsgegevens 2022 Vogelwacht Uden Omdat het voorkomen van de steenuil zo goed als zeker is, met concrete verblijfplaatsen die bekend zijn in de NDFF, zou nader onderzoek in het veld enkel leiden tot herbevestiging van deze gegevens. Om deze reden is contact opgenomen met een lokale uilenwerkgroep, deze bleek onderdeel te zijn van de Vogelwacht Uden. Met behulp van lokale kennis is getracht om de betekenis van het plangebied als foerageergebied beter in beeld te brengen. Uit de communicatie met John Opdam van de Vogelwacht Uden is gebleken dat nabij het plangebied drie territoria bekend zijn van de steenuil en één territorium van de kerkuil. Het territorium van de steenuil strekt zich doorgaans uit in een straal van 300 meter van de verblijfplaats en die van een kerkuil tot in een straal van 500 meter. Dit indicatief uitgetekend op kaart (figuur 2.1) blijkt dat het plangebied overlapt met één territorium van de steenuil en één territorium van de kerkuil. Het plangebied is voor het steenuilenpaar dat gedeeltelijk overlapt met het plangebied van belang als onderdeel van het foerageergebied. Hierbij zijn vooral de randen van het grasland van het plangebied geschikt.

Deze randen zijn voor de steenuilen geschikt om op te jagen vanaf palen en struwelen. Het centrale deel van het monotone raaigrasland is in mindere mate geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Dit grasland is alleen geschikt als de aanwezige vegetatie kort is. Voor de kerkuil geldt dat het plangebied slechts een klein onderdeel vormt van het totale jachtgebied. Deze soort heeft voldoende uitwijk mogelijkheden. Het verdwijnen van dit perceel zal er niet toe leiden dat het aanwezige kerkuilenpaar foerageergebied te kort komt.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 8/21

Figuur 2.1: Grove inschatting territoria steenuilenparen (rode cirkels), de verblijflocatie van de steenuil ten westen van het plangebied (rode ster), territorium kerkuilenpaar (blauwe cirkel) en plangebied (bruin vlak)

2.2 OMGEVINGSCHECK In de directe omgeving van het plangebied is in de huidige situatie een grote variatie aan potentieel geschikte verblijfplaatsen en foerageergebied aanwezig. Deze betreffen het foerageergebied in de vorm van weilanden, graslanden en boomgaarden. Volgens de NDFF-gegevens en de informatie van Vogelwacht Uden bevinden zich in de omgeving van het plangebied meerdere nest- en rustplaatsen van steenuil. Het meest dichtstbijzijnde steenuil nest ligt op circa 75 meter afstand ten westen van het plangebied. Binnen een radius van 5 kilometer bevinden zich in totaal 300 locaties waar steenuilen zijn waargenomen (NDFF 2018-2023).

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 9/21

3 EFFECTENBEOORDELING 3.1

EFFECTEN OP VERBLIJFSFUNCTIES

Door de planontwikkeling (realisatie van woonhuizen, bestrating en openbaar groen) verdwijnt een deel van het foerageergebied van één steenuilenpaar en daarmee ook een deel van het essentiële leefgebied. Omdat bij de voorgenomen planontwikkeling een deel van de desbetreffende foerageerfunctie wordt aangetast, worden de verboden uit artikel 3.1 lid 2 en 4 van de Wnb overtreden. De verboden worden overtreden bij uitvoering van de werkzaamheden en ingrepen, zoals beschreven in hoofdstuk 1. Door het toepassen van mitigerende maatregelen worden negatieve effecten op de lokale populatie voorkomen (zie hoofdstuk 4).

3.2 EFFECTEN OP FUNCTIONEEL LEEFGEBIED De voorgenomen werkzaamheden worden uitgevoerd in een deel van essentieel foerageergebied. Door deze werkzaamheden zal dit deel van het foerageergebied verdwijnen. Figuur 2.1 geeft indicatief de actieradius weer van het betreffende steenuilenpaar. Binnen dit gebied bevindt zich het volgende aan foerageergebied: ▪ Boomgaard op het adres waarin de steenuil verblijft in het gebouwcomplex. Betreft primair foerageergebied en blijft 100% behouden. Aanbod aan prooien divers, insecten, wormen, zangvogels, kleine zoogdieren. ▪ Halfopen bosschages, tuinen, moestuinen aan diverse adressen. Betreft afwisselend primair en secundair foerageergebied en blijft 100% behouden. Aanbod aan prooien divers, insecten, wormen, zangvogels, kleine zoogdieren. ▪ Akkerranden en randen van weilanden. Betreft secundair foerageergebied en blijft voor circa 75% behouden. Aanbod aan prooien voornamelijk wormen en muizen op de momenten dat het gras niet al te hoog is. Bovenstaande volgend verdwijnt een relatief beperkt deel van het foerageergebied, dat periodiek een relatief select prooiaanbod biedt. Dit beperkte verlies is doormiddel van mitigatie te neutraliseren. Naast het feitelijke oppervlakteverlies zonder mitigatie, kan er eveneens sprake zijn van verstoring op het territorium in de vorm van toenemende nachtelijke verlichting en geluidsverstoring.

Ook deze effecten zijn door mitigatie te neutraliseren. Zeker ook omdat de steenuil voorkomt komt in cultuurlandschappen, waardoor de soort enigszins is gewend aan de menselijke aanwezigheid.

3.3 EFFECTEN OP GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING Met betrekking tot de staat van instandhouding van de steenuil in Nederland zijn er recente aanwijzingen voor een lichte toename in aantallen in de laatste 5 jaar (zie box 1). De voorgenomen ontwikkeling heeft effect op slechts één steenuilenterritorium in een goed bezet steenuilen gebied. Door mitigatie kan dit territorium in stand worden gehouden. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de landelijke staat van instandhouding.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 10/21

Box 1: staat van instandhouding van de Steenuil

De steenuil heeft zijn grootste populaties in het oostelijke deel van Nederland. Daarnaast komt de soort vooral voor in het midden en zuiden van Nederland. In de Noordelijke provincies en Waddeneilanden komt de soort nauwelijks voor. De staat van instandhouding van de steenuil is matig ongunstig. Volgens de gegevens van NEM, soortenorganisaties en CBS is de populatie trend van steenuil tussen 1990 en 2019 als licht dalend beschouwd. De trendklasse in de laatste 5 jaar kent een matige toename.

Deze kaart is gebaseerd op landelijke tellingen Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (kolonies en zeldzame broedvogels). Weergegeven is de jaarlijkse van kolonievogels en zeldzame broedvogels (Meetnet Broedvogels). Per atlasblok

populatie-index, gebaseerd op de gehele populatie of aantallen

van 5x5 km is het aantal broedparen gegeven.

in de belangrijkste broedgebieden (rode punten) en de trendlijn (donker gekleurde lijn).

Regionaal en Lokaal Ook regionaal en lokaal komt de steenuil algemeen en wijdverspreid voor. Het oostelijke deel van Noord-Brabant en het aangrenzende rivierengebied vormen goed bezetten steenuil gebieden op regionaal schaalniveau. Op lokaal niveau blijkt uit de communicatie met de uilenwerkgroep dat de soort goed vertegenwoordigd is in de omgeving. Dit beeld wordt eveneens bevestigd door gegevens uit de NDFF, zie figuur 3.4. Er zijn geen aanwijzingen van een negatieve trend op lokaal niveau. Doordat het middels mitigatie mogelijk is om het aanwezige territorium te behouden, is er ook niet op lokale schaal sprake van aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de steenuil.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 11/21

Figuur 3.4. Waarnemingen steenuil (groen) in omgeving van het plangebied van de afgelopen 5 jaar (bron: NDFF, 2023) ten opzichte van het plangebied (rood gearceerd).

3.4 VRIJSTELLING EN ZORGPLICHT ANDERE SOORTEN Vrijgestelde algemene soorten Het aanwezige groen binnen het plangebied heeft mogelijk een functie voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt. Voor deze en andere diersoorten is te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11, zie bijlage 1) van toepassing. Dit betekent o.a. dat diersoorten niet verwond en gedood mogen worden en dat te allen tijde een vluchtroute voor aanwezige soorten beschikbaar moet zijn. Broedseizoen vogels Er dient extra gelet te worden op aanwezigheid van broedvogels. Broedende vogels (in gebruik zijnde broedlocaties/nesten) zijn beschermd en mogen derhalve niet verstoord worden (geen ontheffing mogelijk). Het broedseizoen is een globale periode (in ieder geval tussen 15 maart en 15 augustus), waarin de kans op broedgevallen aanwezig is. Omdat alle broedgevallen beschermd zijn, vallen ook broedgevallen buiten deze globale periode onder het verstoringsverbod. Als de realisatie binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, dient voorafgaand aan de werkzaamheden contact te worden opgenomen met een ecoloog. In overleg wordt bepaald waar zich de grootste risico’s bevinden in het werk en hoe hier mee om te gaan. Een actie kan zijn om voorafgaand een broedvogelcontrole te laten uitvoeren.

De deskundige stelt SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 12/21

vast of er broedsels aanwezig zijn en – zo ja – of deze worden verstoord door de toekomstige werkzaamheden. Het resultaat van deze controle kan gevolgen hebben voor de uitvoering en planning indien er broedsels worden aangetroffen.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 13/21

4 MAATREGELEN Er worden door de planontwikkeling negatieve effecten verwacht op de steenuil. Door het nemen van mitigerende maatregelen wordt voorkomen dat de planontwikkeling de staat van instandhouding van de lokale populatie negatief beïnvloed. Door het uitvoeren van maatregelen worden de negatieve effecten van de planontwikkeling teniet gedaan. De te nemen maatregelen zijn conform het kennisdocument van de steenuil (BIJ12, 2017). Deze maatregelen worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van uilen.

4.1

VRIJE SPUITZONE

In het ontwerp van de gemeente voor het plangebied is een deel daarvan opgenomen als vrije spuitzone (figuur 4.1). Dit is een strook die parallel loopt aan de aangrenzende boomgaard en voor een afscheiding zorgt voor de toekomstige woonwijk en de boomgaard. Deze circa 50 meter brede afscheiding wordt aangehouden zodat in het te ontwikkelen gebied geen bestrijdingsmiddelen neerslaan. Deze spuitvrije zone wordt als gebied aangewezen voor de mitigatie van het foerageergebied van de steenuil en als verbetering voor de biodiversiteit in het gebied met als doel een gebied waar veel soorten voor kunnen komen. Inrichting vrije spuitzone De inrichting van de spuitvrije zone (figuur 4.1) bestaat uit verschillende onderdelen waaronder takkenrillen, ruigten, kruidenzomen, een muizenruiter, keverbanken een wadi en een poel. in de spuitvrije zone ten zuidwesten van de woonwijk worden in totaal vier takkenrillen neergelegd die elk 10 meter lang zijn. Aan de westelijke, noordelijke en oostelijke randen van de spuitvrije zone worden ruigte- en kruidenzomen gerealiseerd. Deze zomen moeten acht meter breed zijn en langs de gehele grens van de spuitzone lopen. De al bestaande bomen langs de zuidzijde van de spuitzone blijven staan. Een nieuwe innovatieve maatregel die wordt genomen is het aanleggen van drie keverbanken.

Dit zijn kleine stroken land die een halve meter hoger worden gemaakt dan de omliggende grond. Hierdoor liggen deze banken droger en worden ze sneller warm. Dit zorgt voor een goed leefgebied voor veel soorten insecten, en zorgt daardoor ook voor meer voedselaanbod voor de steenuil en akkervogels. Deze verhoogde strook is drie meter breed en worden rondom de wadi gerealiseerd (figuur 4.1). De keverbank wordt ingezaaid met een mengsel van polvormende grassen en kruiden. Naast de keverbank komt een strook met groene braak te liggen. In de spuitvrije zone worden ook een wadi en een waterpoel gerealiseerd. De waterpoel trekt verschillende soorten amfibieën aan die het prooi aanbod van de steenuil verhogen. De poel wordt aan de oostelijke kant van de spuitvrije zone gerealiseerd. Daarnaast wordt een wadi van 10 meter breed en 70 meter lang gerealiseerd. Deze wadi dient 1 meter diep te zijn.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 14/21

Figuur 4.1; Inrichtingsplan spuitvrije zone Steenoven II, fase 2

Het grootste deel van het voedsel van de steenuil bestaat uit muizen. Naast de diverse landschapselementen die gunstig zijn voor de prooidieren van de steenuil en voor de leefomstandigheden van deze uilen zelf. zijn er ook diverse mogelijkheden voor een betere muizenstand door te zorgen voor extra muizenvoedsel en droge, beschutte overwinteringsplekken. Een goede muizenstand garandeert voldoende voedsel voor de steenuil in elk seizoen. Door het aanleggen van één muizenruiter/muizenpiramide (figuur 4.3) in de spuitvrije zone stijgt het aantal muizen in het gebied. Dit zorgt voor een goede voedselbron voor de steenuil. Daarnaast zal een verhoogde muizenstand ook voordelig zijn voor andere diersoorten zoals kleine marters en andere roofvogels zoals buizerd. Bovenstaande voorzieningen worden in de spuitvrije zone gerealiseerd zodat het foerageergebied niet vermindert als de werkzaamheden plaatsvinden. Deze landschapselementen zullen voor meer voedselmogelijkheden zorgen zodat het verloren foerageergebied wordt gecompenseerd. Daarnaast is dit naast een mitigatie voor de steenuil ook een impuls voor de biodiversiteit als geheel. De takkenrillen en muizenruiter dienen als verblijfplaats voor verschillende zoogdieren zoals muizen en vogels en de ruigte – en kruidenzomen en de keverbanken zorgen voor leefgebied voor veel soorten insecten.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 15/21

Voorwaarden realisatie voorzieningen foerageergebied: • Minimaal 3 maanden voor het broedseizoen/ de werkzaamheden de voorzieningen realiseren om de dieren te laten wennen aan deze voorzieningen. • Voor de realisatie van de kruidenzomen dient een maaibeheer van maaien en afvoeren te worden ingesteld zodat de grond verschaalt. Hierbij zal een sinusbeheer (figuur 4.3) worden toegepast waarbij per maaibeurt ca. 40% van de vegetatie blijft staan en er wordt gewerkt met een slingerende maaipaden. Deze variëren in ruimte en tijd. Als resultaat ontstaat heel veel variatie, wat zeer gunstig is voor de biodiversiteit. • Als de spuitzone is ingericht zal een controle ronde worden uitgevoerd op de kwaliteit van de spuitvrije zone. Als tijdens de controle wordt geconcludeerd dat deze voldoet aan de gestelde eisen kan verder gegaan worden met de bouw van de woonwijk. Deze controle ronde kan door WSP worden uitgevoerd waarna een memo zal worden opgemaakt.

Figuur 4.3; Een muizenruiter (links) en rechts een voorbeeld van sinusmaaien Bron: Landschapsbeheer Nederland & De Vlinderstichting

4.2 REALISATIE- EN INRICHTINGSFASE STEENOVEN II Tijdens de realisatiefase van Steenoven II, fase 2 moet rekening gehouden worden met de verlichting van het bouwterrein en het werkverkeer. De verlichting van het bouwterrein moet zo zijn gericht dat alleen het bouwterrein wordt verlicht en dat zo weinig mogelijk strooilicht op het overgebleven deel van het territorium van de steenuil valt. Daarnaast moeten de in- en uitritten van het bouwterrein zich aan de kant van de heiakkerstraat bevinden. De onverharde weg langs de zuidzijde van het plangebied wordt doordat het van cultuurhistorische waarde is en er een grotere kans op verstoring van de steenuil plaats kan vinden niet gebruikt. Uit bodemonderzoek is gebleken dat er DDT in de bodem zit (zie bijlage 3). Humaan is het risico minimaal, maar vanuit de ecologische waarde en het bevorderen van het leefgebied van de steenuil wenst de gemeente deze zone te saneren. Daarom mag de aanleg van de spuitvrije zone pas beginnen als de bodem is gesaneerd. Zodra dit is gebeurd moet de spuitvrije zone worden aangelegd en ingericht. Dit moet gebeuren voordat de werkzaamheden van de realisatiefase beginnen. Tijdens de inrichtingsfase van Steenoven II, fase 2 moet rekening gehouden worden met de verlichting van de woonwijk en de ontsluitingswegen.

Zo moeten geen straatlantaarns gericht zijn op de spuitvrije zone om verstoring van fauna te voorkomen. Daarnaast mogen de ontsluitingswegen zich alleen aan de Heiakkerstraat bevinden om zoveel mogelijk verstoring te voorkomen. SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 16/21

5 WETTELIJKE BELANGEN EN ALTERNATIEVEN Voor de steenuil kan alleen een ontheffing aangevraagd worden indien een activiteit nodig is op de grond van een in de wet genoemd belang en indien er geen alternatieven zijn. Deze zijn in dit hoofdstuk nader toegelicht.

5.1

WETTELIJK BELANG

Voor de steenuil kan alleen een ontheffing aangevraagd worden indien een activiteit nodig is op de grond van een in de wet genoemd belang en indien er geen alternatieven zijn. Het project dient het wettelijke belang van ‘Volksgezondheid en ter bescherming van flora en fauna, aangezien op deze wijze de leefbaarheid van Mariaheide vergroot. Tijdens de vooronderzoeken voor de vergunningsaanvraag voor Steenoven II, fase 2 zijn bodemonderzoeken gedaan (bijlage 3). Uit deze onderzoeken is gebleken dat de bovenlaag van het gehele plangebied verontreinigd is met het bestrijdingsmiddel DDT. DDT is een chemisch bestrijdingsmiddel dat sinds 1973 verboden is in Nederland maar erg slecht afbreekbaar is. DDT hoopt zich op in de voedselketen en kan dodelijk zijn voor veel diersoorten en ernstige gezondheidsklachten veroorzaken bij de mens als de concentratie hoog genoeg is. De grond van het plangebied zal gesaneerd worden zodat de aanwezige DDT wordt verwijderd. Hierdoor verminderd het risico van opname van DDT door mens en dier aanzienlijk. Belang bescherming Flora en Fauna Doordat steenuilen jagen in het plangebied, krijgen zij DDT binnen via prooidieren. Dit hoopt zich op, waardoor individuen uiteindelijk sterven door een te hoge ophoping in het lichaam van deze giftige stoffen.

Doordat het territorium geschikt blijft en andere steenuil territoria aangrenzend voorkomen, wordt het aanwezige territorium telkens opnieuw bezet door jonge dieren die gaan zwerven na het uitvliegen van het nest waar ze vandaan komen. Dit leidt er toe dat het territorium bezet blijft, doordat in het wordt ingenomen door nieuwe individuen. De jongen dieren uit het nest van het aanwezige territorium, worden vanzelfsprekend ook gevoed door de oudervogels met prooidieren waarin DDT zit. Dit heeft uiteindelijk effect op het reproductiesucces van het broedpaar dat een territorium bezit dat overlapt met het plangebied. Belang Volksgezondheid en openbare veiligheid Het plangebied grenst aan een woonwijk. De kans dat DDT wordt opgenomen door mensen is vermoedelijk beperkt, maar toch niet uitgesloten. Denk aan kinderen die uit onwetendheid iets in hun mond stoppen of in geval groente en fruit wordt verbouwd in eigen tuin, grenzend aan het plangebied.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 17/21

5.2 ALTERNATIEVEN AFWEGING De werkzaamheden zijn locatie gebonden en een logisch vervolg op de eerste fase van de uitbreiding van het woongebied. Een alternatief kan zijn om een geheel nieuwe locatie te vinden in Mariaheide om de woonwijk te realiseren. Dit heeft echter meer impact op de omgeving (waaronder natuurwaarden) dan de voorgenomen realisatie van de woonwijk Steenoven II die aansluit op steenoven fase I. Daarnaast blijkt uit de kaart van NDFF en de data van de uilenwerkgroep dat uilen rondom het plangebied veelvuldig voorkomen. Een ander locatie zoeken heeft daarom geen zin, omdat dan de maatregelen ook in conflict komen met een territorium van steen- en/of kerkuil. Als gevolg hiervan is het noodzakelijk om werkzaamheden uit te voeren ter plekke van de bestaande plannen en tegen de naastgelegen woonwijk aan. Het in het geheel niet uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een oplossing van het woning tekort en bovendien is het saneren van de bodem een noodzaak in verband met de aangetroffen DDT. Een redelijk alternatief ontbreekt.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 18/21

6 CONCLUSIE EN ADVIES In deze rapportage is geconcludeerd dat de planontwikkeling een negatief effect heeft op binnen het plangebied aanwezig essentieel foerageergebied van steenuil. Door voldoende maatregelen te treffen; aanbieden van voedselmogelijkheden en het verbeteren van de biodiversiteit door het ecologisch inrichten van de vrije spuitzone worden negatieve effecten voor deze soort als geheel voorkomen en wordt een duurzame instandhouding van de populatie steenuil op deze locatie gewaarborgd. De maatregelen dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Om deze maatregelen te waarborgen zal op basis van de Wnb een ontheffing aangevraagd worden. Onderhavig activiteitenplan dient als bijlage voor het aanvragen van een ontheffing in het kader van onderdeel soorten van de Wnb.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 19/21

LITTERATUUR Quickscan Ecologie Steenoven II kenmerk SLM018013.QS, d.d. 14-03-2022 Kennisdocument |Steenuil (Athene noctua), versie 1.0, juli 2017 Monitoringsgegevens Vogelwacht Uden, april 2022 Vogelbescherming.nl Sovon.nl

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 20/21

BIJLAGE 1 Conclusies en aanbevelingen bodemonderzoek Steenoven II, fase 2 MILON bv te Veghel heeft in opdracht van gemeente Meierijstad een nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel aan de Heiakkerstraat te Mariaheide. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Norm NEN 5725 en Nederlandse Technische Afspraak (NTA 5755) voor nader onderzoek. Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat plaatselijk in de bodemlaag vanaf maaiveld tot 0,3 m-mv een gehalte DDT aanwezig is boven de interventiewaarde. De omvang is bepaald op circa 12 m3 (oppervlakte 40 m2 en bodemtraject 0-0,3 m-mv). Daarnaast is in de bodemlaag tot 0,3 m-mv over nagenoeg het gehele terrein een DDTgehalten gemeten waardoor niet voldaan wordt aan de klasse wonen. In de bodemlaag van 0,3 tot 0,6 m-mv is plaatselijk grond aanwezig welke niet voldoet aan klasse wonen. De totale hoeveelheid grond welke niet voldoet aan klasse wonen is bepaald op circa 4.400 m3 . Op de tekeningen in bijlage 2 zijn de verontreinigingscontouren weergegeven per bodemlaag. De exacte herkomst of bron van de DDT-verontreiniging is niet te achterhalen maar wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de activiteiten op de locatie sinds het gebruik voor tuinbouwactiviteiten vanaf 1974.

Er is in het vooronderzoek van dit en voorgaande onderzoeken informatie bekend geworden over wanneer bestrijdingsmiddelen met DDT zijn gebruik. Op basis hiervan wordt ervan uitgegaan dat het een historisch geval van bodemverontreiniging betreft. Omdat er minder dan 25 m3 grond verontreinigd is boven de interventiewaarde is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging niet zijnde een geval. Op basis van een risicobeoordeling uit voorgaand onderzoek, waarbij is uitgegaan van het toekomstig gebruik ‘Wonen met tuin’, ‘Plaatsen waar kinderen spelen’ en ‘Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ en het hoogst gemeten gehalte aan som DDT in de grond, is er geen sprake van actuele humane risico’s. Daarnaast is beoordeeld of sprake is van ecologische risico’s, waarbij uitgaan is van de gemiddelde gemeten gehaltes bestrijdingsmiddelen en een oppervlak van het gehele plangebied, dan is bij het gebiedstype waaronder de functie ‘wonen met tuin’ valt sprake van ecologische risico’s. Uitgaande van een gebiedstype ‘ander groen, bebouwing, industrie en infrastructuur’ wordt wel aan de norm voldaan en is er geen sprake van ecologische risico’s. Of wel of niet sprake is van ecologische risico’s is dus afhankelijk van de kwalificatie van het gebied. Omdat de toekomstige inrichting van het terrein niet bekend is kan hier in deze rapportage geen uitspraak over worden gedaan.

Middels het onderzoek is een goed beeld verkregen van de bodemkwaliteit en is de omvang van de grondverontreiniging in beeld gebracht. De bodemkwaliteit is niet geschikt voor het beoogde gebruik. Voor de voorgenomen herontwikkeling dient een saneringsplan te worden opgesteld waarna de bodem kan worden gesaneerd. De sanering kan bestaan uit ontgraven en afvoeren van grond met te hoge gehalten DDT. Op basis van een inrichtingsplan kan dit selectief plaatsvinden op basis van het voorgenomen gebruik. Ter plaatse van opstallen en infrastructuur gelden andere eisen ten aanzien van de kwaliteit ten opzichte van gevoeliger gebruik.

SLM018013 – Activiteitenplan RAP001.SLM018013, versie 01 Gemeente Meijerijstad

WSP 23 mei 2023 pagina 21/21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=269d18d8-f1c4-42e3-be4e-530581d505bf