CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels en toelichting vaststelling bestemmingsplan Kerkstraat 21-23 in Erp

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kerkstraat 21-23 Erp23.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

 Gezond en schoon water Doelstellingen op dit punt betreffen het verbeteren van (mogelijk) verontreinigde waterbodems en het afvalwater zo goed mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten te blijven zuiveren. Hiertoe zal de samenwerking met gemeenten in de waterketen verder worden verbeterd. Tot slot blijft het waterschap initiatieven, om diffuse verontreinigingen terug te dringen, stimuleren.  Natuurlijk water De doelstelling is onder ander om 30 kilometer beek herstellen en 120 kilometer ecologische verbindingszones aan te leggen samen met gemeenten en terreinbeheerders. Samen met de gemeenten wil de belangrijkste knelpunten in stedelijk gebied aanpakken, zoals blauwalgen en waterstank. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

Bij kleine plannen (<500 m2) is geen compensatie verplicht. Bij grotere planontwikkelingen is een hydrologisch onderzoek noodzakelijk om de impact van het planvoornemen af te stemmen en kan de Rekenregel als uitgangspunt voor het bepalen van de compensatie gebruikt worden. Waardevol water in Meierijstad De gemeente Meierijstad (waartoe Erp behoort) en de waterschappen hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer i.p.v. nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave.

Hoofdstuk 4

28

Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt de maatschappij zoveel als mogelijk betrokken. Op particulier terrein liggen namelijk veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. De online 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten en vroegtijdige afstemming van het planvoornemen mogelijk maakt. Middels de waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag.

Doorwerking plangebied Oppervlaktewater Binnen en nabij de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig door de ligging in het centrum. Hierdoor kan niet rechtstreeks aangesloten worden op het oppervlaktewater en is geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Hemelwater Het plangebied is in de huidige situatie geheel verhard. Er komt geen nieuwe verharding bij. Rondom het appartementencomplex wordt groen aangelegd. Wanneer de huidige situatie wordt vergeleken met de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af. Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak. Het gemeentelijk beleid verplicht dat het een hemelwaterneutrale ontwikkeling is. Het gemeentelijk beleid is algemeen gericht op het zoveel mogelijk ter plaatse verwerken van hemelwater. Afvalwater De woningen worden aangesloten op het bestaande riool. Hiervoor wordt een aanvraag rioolaansluiting ingediend bij de gemeente Meierijstad. Door de aanleg van een gescheiden stelsel en de verhardingsafname is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Eventueel benodigde vergunningen zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd te worden middels het Omgevingsloket.

4.5

Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm

Hoofdstuk 4

29

voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Doorwerking plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten en conclusies opgenomen. In eerste instantie is er een vooronderzoek (conform de NEN 5725) uitgevoerd. In dit vooronderzoek wordt de aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem onderzocht. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. Als gevolg van een brand (in augustus 2018) wordt de locatie als heterogeen verdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt niet als asbestverdacht beschouwd. Er is geen sprake van bodemvreemde lagen. Resultaten verkennend bodemonderzoek In mengmonster BG1 van de sporen baksteenhoudende bovengrond zijn gehaltes aan zink, cadmium, kwik, lood en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden.

De verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmenging van baksteen. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. In mengmonsters BG2 en BG3 van zintuiglijk schone bovengrond zijn eveneens gehaltes aan zware metalen aangetoond. Een verklaring voor de licht verhoogde gehaltes aan metalen ligt mogelijk in het gebruik door de jaren heen. De aangetoonde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In mengmonster OG1 van de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen uit het standaardpakket gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 is een gehaltes aan naftaleen gedetecteerd boven de streefwaarden. De verhoging aan naftaleen wordt toe te schrijven aan verhoogde rapportagegrens door verstoring tijdens de labanalyse. Deze verstoring wordt veroorzaakt door zwevende deeltjes in het monster en vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. Conclusie De resultaten van het onderzoek stemmen overeen met de gestelde hypothese. De resultaten vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De locatie is onverdacht op aanwezigheid van asbest in bodem. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en bouw van appartementen.

De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.

Hoofdstuk 4

30

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur

In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functie-scheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals be-drijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Gebied met functiemenging Aanvullend onderscheidt de VNG-publicatie 'functiemengingsgebieden'. Binnen een gebied met functiemenging kan de kan Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging worden toegepast. Hierbij is het beter mogelijk om menging van functies toe te staan. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan:  stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;  horecaconcentratiegebieden;  zones met functiemenging langs toegangswegen;  (delen van) woongebieden met kleinschalige cq. ambachtelijke bedrijvigheid. 2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

31

Hier zijn de richtafstanden niet van toepassing, maar wordt gewerkt met de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn:  categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;  categorie B: activiteiten die in een gebied met functiemenging kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden;  categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. De Omgevingswet komt eraan en de VNG wil zich hier samen met gemeenten en anderen op voorbereiden door in haar publicaties de werkwijze en de geest van de Omgevingswet waar mogelijk te integreren.

Derhalve is er in 2019 een nieuwe publicatie opgesteld door de VNG, de VNG-uitgave “Milieuzonering nieuwe stijl”. Hiermee wil de VNG gemeenten stimuleren tot en ondersteunen bij het op een alternatieve manier reguleren van bedrijven in het bestemmingsplan, vooruitlopend op de Omgevingswet. Deze nieuwe VNG-publicatie is dan ook een alternatief naast de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In deze nieuwe publicatie is aangegeven dat het uitgangspunt is dat zich in gemengd gebied met wonen alleen bedrijven zullen vestigen, die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen. Dat zijn over het algemeen kleinschalige, vaak ambachtelijke bedrijven, die hoofdzakelijk in de dagperiode in werking zijn. De productiewerkzaamheden geschieden hoofdzakelijk inpandig en er is in beperkte mate sprake van verkeersaantrekkende werking. Vrachtverkeer van en naar het bedrijf vindt vooral plaats in de dagperiode.

Naast bovengenoemde randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ de volgende criteria gehanteerd:  voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1;  voor categorie B betreft het activiteiten: - in categorie 1 voor het aspect gevaar; - in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; - in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; - met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen);  voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen). Op basis van de bovenstaande categorie-indeling, voorwaarden en criteria is in de VNG-publicatie (bijlage 4) een voorbeeld van een Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging opgenomen. Doorwerking plangebied Onderhavig gebied betreft een gebied met functiemenging. De Kerkstraat is immers een aanloopstraat/toegangsweg naar het centrum, waar woningen afwisselend met bedrijfsactiviteiten en detailhandel voorkomen.

Hoofdstuk 4

32

Kerkstraat 27 Grenzend aan de zuidkant van het plangebied is de bestemming Gemengd opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere bedrijven in categorie 1 en 2 (en die zijn genoemd in de als bijlage opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten) en daarnaast dienstverlening, kantoor, maatschappelijke voorzieningen en woningen. Tevens is de aanduiding ‘detailhandel – perifeer’ opgenomen. Ter plaatse is een bakkerij gevestigd. Het betreft een brood en banketbakkerij - v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van chargeovens. Een dergelijke bakkerij valt op basis van de VNG-publicatie Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging in categorie B. Het betreft een ambachtelijk bedrijf die hoofdzakelijk in de dagperiode in werking is. Het betreft dus een activiteit die in een gebied met functiemenging kan worden uitgeoefend naast, boven of onder woningen wanneer deze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaatsvindt. Onder bouwkundig afgescheiden moet worden verstaan dat de panden los van elkaar dienen te staan of dat er andere bouwkundige voorzieningen getroffen zijn waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. Er is sprake van een bouwkundige afscheiding tussen de bestaande bakkerij en de het nieuwe appartementencomplex. De bakkerij vormt geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling en vice versa.

Kerkstraat 60 Schuin tegenover het plangebied is bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Hier is een installatiebedrijf / loodgieter gevestigd, vergelijkbare bedrijven behoren tot categorie B op basis van de VNG-publicatie Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. De activiteiten kunnen dus uitgeoefend worden naast, boven of onder woningen wanneer deze bouwkundig afgescheiden van woningen plaatsvinden. Het bouwvlak van dit bedrijf ligt op 14 meter van het plangebied. De activiteiten vinden dus niet plaats aanpandig aan het nieuwe appartementencomplex. Daarnaast geldt voor milieucategorie 2 de grootste richtafstand van 10 meter tot gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan, dit bedrijf vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Bovendien zijn er op kortere afstand reeds bestaande woningen gevestigd, waardoor onderhavige ontwikkeling geen extra belemmeringen genereert voor de bedrijfsvoering. Den Uil 3 Op minstens 60 meter van het plangebied ligt een sportpark. Voor een veldsportcomplex (met verlichting) geldt de milieucategorie 3.1 met de bijbehorende richtafstand van 30 meter tot gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor het veldsportcomplex en vice versa. Bovendien zijn er op kortere afstand van het veldsportcomplex reeds bestaande woningen gevestigd.

Cruijgenstraat 28 Op circa 135 meter van het plangebied is volgens het vigerende bestemmingsplan een bestaand mengvoederbedrijf toegestaan. Dit mengvoederbedrijf is reeds verdwenen en een nieuw mengvoederbedrijf is niet toegestaan. Binnen deze bestemming kan een omgevingsvergunning verleend worden voor de vestiging c.q. uitoefening van een bedrijf, dat is opgenomen in categorie 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten dan wel niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten is opgenomen, en dat naar zijn aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de onder de categorieën 1 en 2 vallende bedrijven. Voor bedrijven in categorie 3.1 geldt een richtafstand van 30 meter tot gemengd gebied. Deze bedrijfsbestemming vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling en vice versa.

Hoofdstuk 4

33

Brugstraat 13 Op 260 meter ligt het bedrijf Fransen en Gerritsen. Dit is een bedrijf in milieucategorie 4, hiervoor geldt een richtafstand van 200 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Verder zijn er in de (directe) omgeving geen bedrijven aanwezig die van invloed kunnen zijn op onderhavige ontwikkeling omdat er altijd aan de richtafstand wordt voldaan. Vice versa heeft de planontwikkeling geen negatieve effecten op de bedrijfsactiviteiten van omliggende bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering.

4.8

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied Rondom de kern Erp zijn verschillende intensieve veehouderijen gelegen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt middels de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied.

Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken. In figuur 4.1 is een uitsnede weergegeven van de gecumuleerde geurbelasting (evaluatie van de gemeentelijke geurverordening 2015). Hierin is te zien dat ter plaatse van het plangebied de gecumuleerde geurbelasting 0 - 5 E/m³ is, waardoor sprake is van een optimaal woon- en leefklimaat. De ontwikkeling zal niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, er zijn immers al veel woningen gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Hoofdstuk 4

34

Figuur 4.1 Uitsnede Geursituatie 2015 Veghel (bron gemeente Veghel, 2016)

4.9

Akoestiek wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Doorwerking plangebied Er is door K-plus Adviesbureau een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie.

Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Kerkstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Hagelkruisstraat, Paus Johanneslaan en Den Uil opgenomen in het akoestisch onderzoek. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage, in deze toelichting staan de belangrijkste conclusies beschreven.

Hoofdstuk 4

35

Wet geluidhinder Algemeen De Wet geluidhinder geeft uitsluitend grenswaarden ten aanzien van de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De definitie van een gevel luidt: “de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak, met uitzondering van een constructie zonder te openen delen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33dB (bij verkeerslawaai)”. Kerkstraat De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Kerkstraat is maximaal 63 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Meierijstad kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van bestaande bebouwing van een gemengd gebied. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager.

De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €36.000,- (120 m * 6m * €50,-). Alle wegen in de omgeving zijn voorzien van klinkerverharding. Om een klein gedeelte te gaan voorzien van een ander wegdek is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud en esthetica niet wenselijk. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Het gebouw ter plaatse van waarneempunt 1 /m 11 en 25 en 26 beschikt niet over één geluidluwe gevel. De gevels van de overige waarneempunten zijn wel geluidluw. Gezien de indeling van de plattegronden beschikt niet ieder appartement over een geluidluwe gevel. Door het toepassen van bijvoorbeeld loggia’s kunnen de achterliggende gevels mogelijk geluidluw worden. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit.

De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In de rapportage staat de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Hagelkruisstraat Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 45 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 50 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

36

Pastoor Johanneslaan Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 36 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 31 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Den Uil Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 34 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 29 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Buitenruimten Op basis van geluidberekeningen blijkt dat de geluidniveaus bij een aantal balkons 63 dB is met aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder.

Voor geluidniveau in de buitenruimten is geen wetgeving die aangeeft wat een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is. Tevens heeft de gemeente Meierijstad geen geluidbeleid, er geldt dus geen wetgeving voor een aanvaardbaar woon-leefklimaat bij buitenruimten. Omdat de berekende geluidniveaus bij een aantal balkons vrij hoog zijn en in het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er naar oplossingen gekeken wordt om de milieukwaliteit ter hoogte van de balkons te verbeteren. Er kunnen maatregelen genomen worden om de geluidbelastingen ter hoogte van de balkons met de hoge geluidniveaus te reduceren. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan maatregelen zoals een wintertuin met of zonder te openen delen, het doortrekken van de gevel middels een raamconstructie of een loggia. Het toepassen van een geluidscherm draagt bij aan een betere leefomgeving ter hoogte van de balkons. Om de geluidbelasting bij de balkons aan de Kerkstraat te reduceren worden er glazen geluidschermen geplaatst. Hiermee zal ter hoogte van de balkons het geluidsniveau afnemen, wat het woon- en leefklimaat ten goede komt. Het toepassen van glazen geluidschermen draagt bij aan een betere leefomgeving ter hoogte van de balkons. Aanvullend wordt als maatregel nog gedacht aan het aanbrengen van absorptiemateriaal ter hoogte van de balkonplafonds.

De omgevingsgeluiden die worden opgevangen worden door een standaard balkonplafond versterkt, absorptiemateriaal draagt bij aan reducering van omgevingsgeluiden. De uitwerking van de toe te passen glazen geluidsschermen worden momenteel in de verdere uitwerking van de ontwerpen meegenomen.

4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM

Hoofdstuk 4

37

(Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig plan worden 19 appartementen mogelijk gemaakt en worden er verder geen functies ontwikkeld. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Meetpunt 15520263 15520391 15520532 15520329 15520357 15520629 Norm

NO2 μg/m3 22.2 19.6 20.1 17.8 17.8 17.8 40

PM10 μg/m3 19.5 18.9 19.0 18.5 18.5 18.5 40

PM10 overschrijdingsdagen 7.2 6.8 6.8 6.5 6.5 6.5 35

PM2.5 μg/m3 11.4 11.2 11.3 11.1 11.1 11.1 25

Jaar 2020 2020 2020 2020 2020 2020

Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)

Er kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden nabij het plangebied ruim onder de norm liggen. Er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.11 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoofdstuk 4

38

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants3. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.2 is de risicokaart weergegeven.

3

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Hoofdstuk 4

39

Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Inrichtingen De risicokaart geeft aan dat op 240 meter ten noordoosten van het plangebied een tankstation gelegen. Dit tankstation heeft een vergunde LPG jaardoorzet van 500-1.000 m3. De volgende installaties zijn aanwezig: een LPG-reservoir met een risicocontour PR10-6 van 25 meter, een LPG-vulpunt met een risicocontour PR10-6 van 35 meter en een LPG-afleverinstallatie met een risicocontour PR10-6 van 15 meter. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico is 150 meter. Er wordt voldaan aan de risicoafstanden er hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De planlocatie ligt op een afstand van ca. 240 meter van het LPG tankstation aan de Cruijgenstraat. Op een afstand van meer dan 240 meter tussen de incidentlocatie en een gebouw waar mensen in verblijven zijn geen letale of ernstig gewonde slachtoffers te verwachten. Buisleidingen Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebieden van buisleidingen. Transport Kerkstraat Het plangebied is gelegen aan de Kerkstraat. Over deze weg vindt vervoer van de gevaarlijke stoffen LF1 en LF2 plaats. Deze gevaarlijke stoffen hebben een invloedsgebied van 45 meter. Het plangebied is gelegen op circa 7 meter van de Kerkstraat en ligt daarmee dus binnen het invloedsgebied.

Omdat er geen GF3 over de weg wordt vervoerd wordt de oriëntatiewaarde, volgens de Handleiding risicoanalyse transport (Hart), niet overschreden. De dichtheid van personen neemt in de nacht wel toe. Momenteel zijn er winkels en kantoren gevestigd en volgens tabel 4-5 van het Hart zijn daar ’s nachts geen mensen aanwezig. Daarentegen zegt diezelfde tabel dat er in woningen ’s nachts wel personen aanwezig zijn. Ondanks dat de dichtheid van personen wel toeneemt kan, volgens het Bevt artikel 8 lid 2, vooralsnog volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico boor het scenario plasbrand.

Hoofdstuk 4

40

Beperkte verantwoording groepsrisico Het maatgevend scenario is een plasbrand. Een plasbrand wordt veroorzaakt bij een incident waarbij door een mechanische impact op de tank leeg stroomt. Een groot deel van de benzine stroomt in korte tijd uit. Er wordt een plas gevormd die zich in de omgeving verspreidt. Ontsteking leidt tot een korte brand. Bestrijdbaarheid Een maatgevend scenario is de plasbrand van een zeer brandbare vloeistof als gevolg van het instantaan falen van een tankwagon op de route vervoer gevaarlijke stoffen. Bij het instantaan falen van een tank met zeer brandbare vloeistoffen zal een plas met zeer brandbare vloeistoffen ontstaan die bij ontsteking tot een plasbrand leidt. De ontwikkeling van dit scenario zal vrij snel plaats vinden waardoor vluchten niet altijd mogelijk is. Slachtoffers zullen vooral vallen onder de mensen in de plas of in de directe omgeving van de plas. Daarnaast bestaat er de kans op brandoverslag naar gebouwen die in de directe omgeving van het incident zijn gelegen. De bestrijdbaarheid van het scenario plasbrand is slecht. De plas is waarschijnlijk al grotendeels opgebrand voordat de brandweer ter plaatse is. De hulpdiensten zullen zich richten op het redden van slachtoffers en het blussen van de plasbrand met een schuimvormend blusmiddel en het blussen van eventuele secundaire branden in de omgeving.

Mocht de plas nog niet ontstoken zijn dan zal de brandweer proberen om de vloeistofplas af te dekken met een schuimlaag. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Voor het scenario plasbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Het plangebied laat geen objecten toe die bestemd zijn voor verminderd zelfredzame personen. Dit betekent dat de aanwezigen in het plangebied instaat zijn zichzelf in veiligheid te brengen/vluchten zonder hulp van anderen. Cruijgenstraat en Heesakker Het plangebied ligt vlakbij de Cruijgenstraat (circa 240 meter) en de Heesakker (circa 300 meter). Over deze wegen vindt transport van gevaarlijke stoffen GF3, LF1 en LF2 plaats. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. Derhalve is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied (BLEVE) van deze weg. Omdat het plangebied binnen 200 meter van de transportroute ligt is in principe volgens art.

8 Bevt een volledige verantwoording groepsrisico noodzakelijk. Volgens de vuistregels van het HART wordt in dit geval het groepsrisico niet overschreden en is een beperkte verantwoording voldoende. Kijkend naar de vuistregels moet zowel de oriëntatiewaarde als de 10% van de oriëntatiewaarde getoetst worden. Voor beide geldt vuistregel 1 dat de tankwagens geen stoffen bevatten uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 anders dient er een berekening gemaakt te worden. In deze zaak is dit niet het geval. Vuistregel 2 richt zich op de drempelwaarde GF3 vervoer voor overschrijding van de oriëntatiewaarde of de 10% van de oriëntatiewaarde. Dit is te controleren in tabel 1-6 in bijlage 1 van het HART4. Op basis van een dichtheid van 10 ha en 30 meter afstand van de as van de weg is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde. Op basis van deze resultaten wordt volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario BLEVE5. 4 5

RIVM (2017) Handreiking Risicoanalyse Transport Besluit Externe Veiligheid Transport, art. 7.

Hoofdstuk 4

41

Beperkte verantwoording groepsrisico Het maatgevend scenario is een koude BLEVE. Een koude BLEVE ontstaat doordat de inhoud van een tankwagon met brandbaar gas, bijvoorbeeld door een botsing, ineens vrijkomt en direct ontsteekt in de vorm van een vuurbal. Bestrijdbaarheid De ontstane vuurbal geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Personen die zich binnen de vuurbal bevinden zullen komen te overlijden. Mensen buiten de vuurbal en buiten de 35 kW/m 2 -contour kunnen komen te overlijden als gevolg van warmtestraling als ze zich buiten bevinden (dus niet in een gebouw). De koude BLEVE treedt plots op als gevolg van bijvoorbeeld een mechanische beschadiging van de tankauto en heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Voor een koude BLEVE zijn geen mogelijkheden voor zelfredzaamheid, aangezien dit scenario in principe geen ontwikkeltijd kent. Aangezien een koude BLEVE geen ontwikkeltijd kent en maar enkele seconden duurt, is het niet mogelijk om voor het incident het gebied te ontvluchten en/of te schuilen. De inrichting van het plangebied is daardoor niet bepalend voor de zelfredzaamheid bij dit type scenario.

Derhalve is het niet nodig om extra eisen te stellen aan de inrichting van het gebied ten gevolge van een koude BLEVE. Conclusie Bij de beperkte verantwoording van het groepsrisico dient conform art. 9 Bevt de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. De Veiligheidsregio Brabant Noord is om advies gevraagd, dit advies is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. Er wordt geadviseerd om de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief te informeren. T.z.t. zullen de risico’s aan de nieuwe bewoners kenbaar wordt gemaakt. Tevens heeft de brandweer geadviseerd om zorg te dragen voor de aanwezigheid een interne vluchtweg aflopend van de Kerkstraat. Gezien het plangebied aan alle andere zijden dan aan de Kerkstraat grenst aan particulier terrein is het realiseren van een (vlucht)ontsluiting een andere richting op niet zondermeer mogelijk. In de meest noordelijke punt van het plangebied grenst het plangebied aan een appartementencomplex aan de Paus Joanneslaan. Ten noorden van dit appartementencomplex loopt een brandgang. Deze brandgang komt uit op de gezamenlijke tuin van het appartementencomplex, welke grenst aan onderhavig plangebied. In de erfafscheiding van onderhavig plangebied wordt een brandpoort gerealiseerd.

Een deur in een vluchtroute met een standaard cilinderslot is niet toegestaan, daarom zal deze deur bij een brandmelding automatisch vrij worden gegeven. Tevens kan de deur worden voorzien van een noodontgrendeling om de deur in geval van een calamiteit direct te ontgrendelen. Het betreft dus geen normale doorgang maar enkel een doorgang die wordt gebruikt in incidentele bedreigende situaties.

4.12 Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 2,8 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 60 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering.

Hoofdstuk 4

42

4.13 Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.

4.14 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing op afstanden door de ODBN blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxinen richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf: Boterweg 26 (stap 5b) maar niet binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). Met betrekking tot stap 5b wordt door de GGD het volgende opgemerkt: Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (20142016) werd dat verband niet meer gevonden.

Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2 km). In de handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1 km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelasting, zie ook paragraaf 4.8 (stap 3). De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter (stap 4). Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelfstandige activiteit (stap 6) en er is bij omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het gehele stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) is doorlopen.

Een advisering van de GGD hoeft niet te worden gevraagd voor dit plan. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

43

4.15 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Doorwerking plangebied Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de minimale verkeersgeneratie in de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW (381).

Voor dure huurappartementen is de verkeersgeneratie in schil centrum, weinig stedelijk gebied per woning gemiddeld 5,9 per appartement. Voor 4 dure appartementen is de verkeersgeneratie 23,6 motorvoertuigen per etmaal. Voor huurappartementen midden/goedkoop (inclusief sociale huur) is de verkeersgeneratie in schil centrum, weinig stedelijk gebied per woning gemiddeld 4,1 per appartement. Voor 15 huurappartementen midden/goedkoop (inclusief sociale huur) is de verkeersgeneratie 61,5 motorvoertuigen per etmaal. In totaal komt de verkeersgeneratie hiermee op 85,1 motorvoertuigen per etmaal. Er worden geen problemen met betrekking tot verkeersdrukte verwacht. Bovendien zal er gezien het huidige gebruik van het pand als bedrijfsverzamelgebouw nauwelijks tot geen toename zijn aan het extra verkeersbewegingen. Parkeren De parkeerbehoefte voor de ontwikkeling is berekend met de parkeernormen uit de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ (zie tabel 4.3). Volgens de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn er voor sociale huurappartementen 1,8 parkeerplaatsen per appartement vereist, waarvan 0,3 voor bezoekers. Voor 7 sociale huurappartementen dienen er 10,5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd voor de bewoners en 2,1 parkeerplaatsen voor bezoekers.

Voor middeldure huurappartementen zijn er 2,1 parkeerplaatsen per appartement vereist, waarvan 0,3 voor bezoekers. Voor 8 middeldure appartementen dienen er 14,4 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd voor bewoners en 2,4 voor bezoekers. Voor dure huurappartementen zijn er 2,3 parkeerplaatsen per appartement vereist, waarvan 0,3 voor bezoekers. Voor 4 dure appartementen dienen er 8 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd voor bewoners en 1,2 voor bezoekers

Hoofdstuk 4

44

Tabel 4.3 Parkeernormen Meierijstad (bron: Nota Parkeernormen Meierijstad 2018).

In totaal dienen er, op basis van de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ voor de ontwikkeling 38,6, afgerond 39 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd op eigen terrein voor de bewoners en bezoekers. Om een reëler beeld te krijgen van de daadwerkelijke parkeerbehoefte van het plan wordt gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages. In tabel 4.4 zijn de aanwezigheidspercentages gekoppeld aan de normatieve parkeerbehoeftes van de appartementen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de bewoners en de bezoekers van de woningen. Uit de tabel blijkt dat een werkdagavond in dit geval het meest maatgevende moment is met betrekking tot parkeren. De parkeerbehoefte is dan, naar boven afgerond 35 parkeerplaatsen. Er worden op eigen terrein 35 parkeerplaatsen aangelegd (zie figuur 2.2). Er worden conform de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd.

Functie

Parkeer eis 100%

Werkdag ochtend

Werkdag middag

Werkdag avond

Werkdag nacht

Koopavond

Zaterdag middag

Zaterdag avond

Zondag middag

Woningen goedkoop (bewoners)

10,5

5,25

5,25

9,45

10,5

8,4

6,3

8,4

7,35

Woningen goedkoop (bezoekers)

2,1

0,21

0,42

1,68

0

1,47

1,26

1,68

1,47

Woningen midden (bewoners)

14,4

6,2

6,2

12,96

14,4

11,52

8,64

11,52

10,08

Woningen midden (bezoekers)

2,4

0,24

0,48

1,92

0

1,68

1,44

1,92

1,68

Woningen duur (bewoners)

8

4

4

7,2

8

6,4

4,8

6,4

5,6

Woningen duur (bezoekers)

1,2

0,12

0,24

0,96

0

0,84

0,72

0,96

0,84

Totaal

38,6

16,02

16,59

34,17

32,9

30,31

23,16

30,88

27,02

17

17

35

33

31

24

31

28

Totaal (afgerond naar boven)

Tabel 4.4 Parkeerbehoefte naar aanwezigheidspercentages

Hoofdstuk 4

45

Fietsparkeren In Nederland worden veel ritten op de fiets gemaakt. Daarbij is het noodzakelijk om de fiets ook ergens te parkeren. Voor nieuwe voorzieningen, waarvoor een omgevingsvergunning, benodigd is, geldt conform de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, ook een parkeereis voor fietsparkeervoorzieningen. De fietsparkeernormen voor woningen uit de 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' zijn weergegeven in tabel 4.5.

Tabel 4.5 Fietsparkeernormen voor woningen (bron: Nota Parkeernormen Meierijstad, 2018)

Met onderhavig planvoornemen worden er 19 appartementen gerealiseerd, voor ieder appartement wordt een berging gerealiseerd die voldoende groot zijn om 2 fietsen te parkeren. Het fietsparkeren voor de bewoners wordt hiermee inpandig opgelost. Voor de bezoekers van 19 appartementen is daarnaast nog eens rekening gehouden met de gemiddelde fietsparkeernorm van 0,75 per woning. Derhalve dienen er nog eens 15 fietsparkeervoorzieningen te worden gerealiseerd in de openbare ruimte. Er wordt een openbare fietsenstalling gerealiseerd op het parkeerterrein.

Hoofdstuk 4

46

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Het bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling van het appartementengebouw met bijbehorende voorzieningen, een en ander zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast zoveel mogelijk afgestemd op het vigerende bestemmingsplan en andere actuele bestemmingsplannen binnen de gemeente. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Meierijstad nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 5

47

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan.

Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- of bouwhoogte) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is in dit artikel geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen of bouwhoogten door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.

 algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 5

48

algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. overige regels: dit artikel bevat een regeling omtrent het parkeren. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt hieraan getoetst. Er dient voldoende parkeergelegenheid conform de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 te zijn voorzien.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen In dit bestemmingsplan is slechts één enkelbestemming opgenomen, namelijk ‘Wonen’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ mogen de gronden worden gebruikt voor het wonen in gestapelde woningen, bergingen en stallingen ten behoeve van de woningen en een beroep aan huis bij het wonen. Verder zijn bijbehorende erven, tuinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, e.d. toegestaan. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen. Gebouwen moeten binnen dit bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven. De positionering van het bouwvlak en de maximum hoogten zijn afgestemd op het bouwplan, zoals in hoofdstuk 2 beschreven. Buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=f8c57a35-c6b5-434a-a7ec-8758b40bd04f