CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels Elde 3

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3'14.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Regels

bestemmingsplan “Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3” Planstatus: ontwerp Datum: 2023-02-01 Plan identificatie: NL.IMRO.1948.BGS000BP0032021P-ON01 Auteur: Geling Advies

1 Inleidende regels .................................................................................................................................. 3 Artikel 1 Begrippen ............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten .................................................................................................................. 18 2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................ 19 Artikel 3 Bedrijf .................................................................................................................................. 19 Artikel 4 Groen .................................................................................................................................. 28 Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 ...................................................................................................... 30 Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 ...................................................................................................... 34 Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen ..........................................................

38 Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle ensembles .......................................................... 40 Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebieden ............................................................ 41 Artikel 10 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen ........................................................ 43 3 Algemene regels ................................................................................................................................ 45 Artikel 11 Anti-dubbeltelregel........................................................................................................... 45 Artikel 12 Algemene bouwregels ...................................................................................................... 46 Artikel 13 Algemene gebruiksregels ................................................................................................. 47 4 Overgangs- en slotregels ................................................................................................................... 49 Artikel 14 Overgangsrecht ................................................................................................................ 49 Artikel 15 Slotregel ............................................................................................................................ 50

2

1 INLEIDENDE REGELS ARTIKEL 1 BEGRIPPEN 1.1 Plan het bestemmingsplan 'Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3)' met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGS000BP0032021P-ON01 van de Gemeente Meierijstad; 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aardkundige waarde gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die een bepaalde mate van bescherming genieten; 1.6 aansluitend terrein aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied; 1.7 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1m achter de voorgevel en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.8 achtergevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel; 1.9 afhaalpunt een locatie waar de consument uitsluitend - voorafgaande aan het bezoek - via internet bestelde goederen kan afhalen of

retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten; 1.10 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van 3

gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren; 1.11 agrarisch grondgebruik het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van landbouwdieren. Onder agrarisch gebruik wordt ook verstaan het hobbymatig gebruik van de gronden voor het houden van boerderijdieren zoals koeien, paarden, schapen en geiten; 1.12 agrarisch-technisch hulpbedrijf bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking; 1.13 agrarisch-verwant bedrijf bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn pensionstalling, dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs en proefbedrijven; 1.14 archeologische waarden cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigd; 1.15 ander bouwwerk: bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.16 bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken; 1.17 bebouwingscluster vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten de bebouwde kom; 1.18 bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; 1.19 bebouwingslint min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten de bebouwde kom; 1.20 bed & breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 4

1.21 bedrijf een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van opslag- en administratie, waaronder tevens verstaan een plattelandsonderneming; 1.22 bedrijfsactiviteiten handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf; 1.23 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.24 bedrijfsbebouwing ten dienste van een veehouderij bedrijfsbebouwing ten dienste van een veehouderij te weten: 1. gebouwen in gebruik voor de huisvesting van vee (niet zijnde hobbyvee); 2. gebouwen in gebruik ten behoeve van de uitoefening van de (intensieve) veehouderij in de brede zin (zoals bijvoorbeeld een machineberging waarin de machines die gebruikt worden ten behoeve van de veeteelt zijn of worden gestald); 3. bouwwerken voor de opslag van mest.

1.25 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke; 1.26 bedrijfswoning/dienstwoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor de huisvesting van een huishouden dat daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; 1.27 beleidsregel parkeren een beleidsregel die voor de uitoefening van de in het plan opgenomen regels uitleg geeft met betrekking tot het aspect parkeren, als bedoeld in artikel 3.1.2, lid 2 onder 'a.' van het Besluit ruimtelijke ordening; 1.28 beperkt kwetsbaar object de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.29 beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend; 1.30 Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van

inrichtingen 5

milieubeheer zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan; 1.31 bestaand 

a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning; t,.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;

1.32 bestaande aantal woningen woningen die legaal aanwezig zijn op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt, woningen die gebouwd mogen worden op grond van een geldend bestemmingsplan en woningen waarvoor een omgevingsvergunning verleend is; 1.33 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.34 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.35 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.36 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk

visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

6

uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt. 1.37 bijgebouw een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt; een bijgebouw wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in de zin van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; 1.38 boerderijsplitsing het - binnen de bestaande (hoofd)bouwmassa - opdelen van een boerderij(gebouw), in maximaal 2 woningen; 1.39 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk; 1.40 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.41 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, niet zijnde de ruimte onder de kap; 1.42 bouwmassa een complex van aaneengebouwde bouwwerken; 1.43 bouwperceel aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn

toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan; 1.44 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 1.45 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten; 1.46 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij 7

indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.47 bruto-vloeroppervlakte de totale binnen een gebouw beschikbare vloeroppervlakte inclusief die van eventuele verdiepingen; 1.48 cultuurhistorische waarden en kenmerken waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historischgeografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden; 1.49 dagrecreatie activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan; huifkarren worden hier mede onder begrepen; 1.50 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.51 dierenwelzijn het fysieke en gevoelsmatige welzijn van dieren of lichamelijke en geestelijke gezondheid en welbevinden van een dier; 1.52 ecologische verbindingszone langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd; 1.53 ecologische waarden aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en

natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde; 1.54 evenement een georganiseerde publieke gebeurtenis in de vorm van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in de vorm van muziek, sport, spel, cultuur, tradities en dergelijke; 1.55 extensief recreatief medegebruik die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie; 1.56 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 8

1.57 gebruiksoppervlakte gebruiksoppervlakte als bedoeld in artikel 1 van het Bouwbesluit 2012 juncto NEN 2580 1.58 geluidsgevoelige objecten woningen, scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs, hoger onderwijs en gezondheidszorggebouwen; 1.59 geluidsgevoelige terreinen terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, of woonwagenstandplaatsen; 1.60 geluidzoneringsplichtige inrichting bedrijven welke vallen onder artikel 2.4. van Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; 1.61 geomorfologisch de vorm van het landschap, ontstaan door geologische processen en beïnvloedt door menselijk handelen; 1.62 geurgevoelige objecten gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt; 1.63 goothoogte de afstand gemeten vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij ondergeschikte bouwdelen niet worden meegerekend.

1.64 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven / boomkwekerijen, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. 1.65 grondgebonden veehouderij veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie; 1.66 grondgebonden woning woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld. 9

1.67 hobbymatig houden van dieren het houden van enkele dieren voor educatieve of recreatieve doeleinden of als liefhebberij, zonder winstoogmerk; 1.68 hoofdgebouw een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.69 horeca bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, nader te onderscheiden in: 1a Lichte daghoreca: horecabedrijven die qua exploitatievorm primair gericht zijn op de ochtend en middag en waarbij openingstijden veelal zijn afgestemd op openingstijden van andere dagvoorzieningen (zoals winkels en musea) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. 1b Lichte avondhoreca: Horecabedrijven die in beginsel overdag en ‘s avonds geopend zijn (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken.

2 Middelzware horeca: horecabedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken; 3 Zware horeca: horecabedrijven die voor een goed functioneren ook ‘s nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen. 4 Logiesverstrekker: Horecabedrijven die geheel of in overwegende mate zijn gericht op het verstrekken van nachtverblijf. 1.70 huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn:  

voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; 10

 

eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats.

Bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'. 1.71 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning. 1.72 huisvesting van tijdelijke werknemers het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voorzover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering; 1.73 insteek van de watergang het begin van het sloottalud; 1.74 kamerverhuur het opdelen van een woning in twee of meer onzelfstandige wooneenheden óf het opdelen van een woning in één zelfstandige en één of meer onzelfstandige wooneenheden; 1.75 kantoor Voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, zonder baliefunctie; 1.76 kernrandzone overgangszone van de stedenbouwkundige bebouwde kom naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies; 1.77 kleinschalige grondgebonden veehouderij kleinschalige grondgebonden veehouderij op gronden met een andere hoofdfunctie, waarbij de oppervlakte beperkt is tot de genoemde

oppervlakte en waarbij niet meer dan 20 zoogkoeien (A2.100), en 10 stuks vrouwelijk jongvee (A3.100) gehouden mogen worden. 1.78 kwetsbaar object de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.79 landschapselementen ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha en zonder een agrarische productiefunctie; 1.80 landschappelijke inpassing het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij afstemming plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en/of de aanplant van gebiedseigen beplanting; 11

1.81 landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur; 1.82 legaal gebouwd in overeenstemming met de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.83 loosbaar water water dat -binnen de daarvoor geldende normen en met de daarvoor benodigde vergunningen- kan worden geloosd op het oppervlaktewater; 1.84 maatschappelijke voorzieningen het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, gezondheidszorg, zorg en welzijn, jeugd / kinder / ouderen / gehandicaptenopvang, onderwijs, religie, uitvaart / begraafplaats, bibliotheken, openbare dienstverlening, verenigingsleven, sport-, spel- en speelvoorzieningen; 1.85 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.86 mestbewerking de toepassing van

basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest; 1.87 natuurwaarde de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang; 1.88 nevenfunctie/nevenactiviteit activiteit uitgeoefend in aanvulling op en ondergeschikt aan de hoofdfunctie zoals recreatieve functies, agrarisch verwante functies, agrarisch technische functies, statische binnenopslag en verbrede landbouw, niet zijnde een aan huis gebonden beroep of bedrijf; 1.89 omgevingsvergunning vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 12

1.90 ondergeschikte bouwdelen ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen; 1.91 ondergeschikte detailhandel detailhandel als activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de volgens het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. De detailhandelsactiviteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft; 1.92 ondersteunende horeca het ter plaatse nuttigen van etenswaren en dranken, die worden aangeboden als ondersteuning van een nevenfunctie bij een andere dan als horeca bestemde hoofdfunctie, waarbij er een directe relatie is tussen de nevenfunctie en de hoofdfunctie. Dit geldt voor recreatiebedrijven (t.b.v. eigen dag- of verblijfsgasten) en voor agrarische bedrijven (bijv.

consumpties bij een rondleiding op een bedrijf, bij boerengolf, bij een workshop, of bij proeven van producten van het bedrijf); 1.93 onzelfstandige woonruimte woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen; 1.94 overkapping/ carport een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw; 1.95 overtollige bebouwing bebouwing die niet in gebruik is ten behoeve van de hoofdfunctie en/of de nevenactiviteit of, in het geval van functiewijziging, bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe hoofdfunctie; 1.96 peil 

 

voor hoofdgebouwen: het bouwkundige peil dat gelijk is aan de wegkruin van de voorliggende weg of, indien niet direct aan een weg gebouwd wordt, de bestaande gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein; voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van het hoofdgebouw; in overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.

13

1.97 pergola a.

een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk geen gebouw zijnde, bestaande uit een constructie van verticaal geplaatste palen of kolommen op een onderlinge afstand van minimaal 1,50 meter h.o.h., gekoppeld op een bovenlegger met eventueel hierop onder een hoek van 90º geplaatste dwarsligger(s); b. de pergola mag tot maximaal 1 meter boven het maaiveld als een gesloten constructie worden uitgevoerd; c. tussen de kolommen mag gaas ter begeleiding van planten worden aangebracht; 1.98 plattelandsonderneming een bedrijf dat al dan niet gedeeltelijk met een agrarische tak, producten of diensten aanbiedt die bijdragen aan de instandhouding en beleving van gronden of gebouwen en daarmee in ieder geval aan de gebiedskwaliteit, waarmee deze producten en diensten verduurzamend ruimtelijk of functioneel verbonden zijn; 1.99 plattelandswoning een woning gelegen op het bouwvlak van/bij een (agrarisch) bedrijf zonder dat er sprake is van een functionele binding tussen woning en bedrijf, die door een derde mag worden bewoond en volgens de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van het bedrijf; 1.100 productiegebonden detailhandel beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een (agrarisch) bedrijf dat die goederen teelt/vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.101 risicovolle inrichting een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.102 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam) prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.103 showroom uitstallingsruimte ten behoeve van het te koop aanbieden, verkopen, en/of leveren van goederen; 1.104 slopen geheel of gedeeltelijk afbreken; 1.105 statische (binnen)opslag (binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke, niet zijnde opslag in 14

brandgevaarlijke goederen; 1.106 toename stikstofdepositie Er is sprake van een toename van stikstofdepositie wanneer de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) meer bedraagt dan de stikstofemissie van een (agrarisch) bedrijf op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, als gevolg van het door het gebruik in de referentiesituatie veroorzaakte stikstofdepositie (mol/ha/jaar), ten gevolge van het voorafgaand aan de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige planologisch legale gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot dat (agrarisch) bedrijf. Het gebruik in de referentiesituatie is vastgelegd met de AERIUS berekening met kenmerk RSyLGaJxFy8W van 27 december 2022 zoals op genomen in bijlage 5.

1.107 veehouderij agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten en pluimvee; 1.108 verhard een verharding, bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmee vergelijkbare vaste/gesloten materialen; 1.109 verkoopvloeroppervlak de voor het publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel; 1.110 vloeroppervlak(te) de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt; 1.111 voorgevel de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw, indien een gebouw met meerdere gevels naar de weg is toegekeerd wordt de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel van een gebouw aangemerkt als voorgevel; 1.112 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand van de weg die:  

gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op het betreffende bouwperceel; gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand;

1.113 water alle water dat zichtbaar (oppervlaktewater) aanwezig is in bijvoorbeeld waterlopen, poelen, vijvers, meren en zeeën, of onzichtbaar (grondwater) aanwezig is zoals freatisch grondwater direct beneden het maaiveld;

15

1.114 waterhuishoudkundige doeleinden doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d. en waterhuishoudkundige voorzieningen; 1.115 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals infiltratiekratten, wadi's, infiltratiegreppels, doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen, dijken, dammen, grondwallen, duikers, stuwen, gemalen en inlaten; 1.116 watergang een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde waterloop; 1.117 werk een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde; 1.118 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.119 (woon)boerderij een voormalige agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen voormalige agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woon- en bedrijfsgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen, bijvoorbeeld een langgevelboerderij of kortgevelboerderij; 1.120 woonruimte besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; 1.121 woonunit een te verplaatsen/

verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen, niet zijnde een stacaravan of chalet; 1.122 zelfstandige woonruimte woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte; 1.123 zijdelingse (bouw)perceelsgrens de perceelsgrenzen van een bouwperceel, niet zijnde de begrenzing van het perceel aan de achterof voorzijde;

16

1.124 zone erf gronden gelegen aan de achterkant en zijkant van het hoofdgebouw tot op 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan en niet behorende tot het bouwvlak; 1.125 zone tuin gronden gelegen aan de voorkant en zijkant van het hoofdgebouw vanaf 1 meter terugliggend vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan tot aan het openbaar gebied of de openbare weg waaraan de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen en niet behorende tot het bouwvlak; 1.126 zorgvuldige landschappelijke inpassing het aanbrengen van gebiedseigen beplanting, het gebruik van gebiedseigen natuurlijke materialen op grond van een goedgekeurd landschapsinrichtingsplan en waarbij bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen.

17

ARTIKEL 2 WIJZE VAN METEN Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.2 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 2.3 de brutovloeroppervlak van een gebouw gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen 2.5 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.6 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.

de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.7 de inhoud van een bouwwerk tussen de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren); 2.9 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.10 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

18

2 BESTEMMINGSREGELS ARTIKEL 3 BEDRIJF 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - plattelandswoning' een plattelandsonderneming, waarbij geldt dat: 1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zzp-ruimte' een bedrijfsactiviteiten ten behoeve van een zzp'er uitgevoerd mogen worden; 2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - statische opslag' statische opslag plaats mag vinden; 3. uistluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kleinschalig grondgebonden veehouderij' een kleinschalige grondgebonden veehouderij gevoerd mag worden. b. een aan huis verbonden beroep; c. water en waterhuishoudkundige doeleinden; één en ander met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen en parkeeren groenvoorzieningen en overeenkomstig de in lid 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. 3.1.2 Nadere detaillering van de bestemming In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in lid 3.1.1: a Staat van niet-agrarische bedrijven, plattelandsonderneming: Op de gronden met deze bestemming zijn uitsluitend toegestaan de genoemd in de navolgende tabel: Activiteit:

oppervlakte gebouwen in m²

zzp-werkzaamheden (maximaal milieucategorie 2)

200

Kleinschalig grondgebonden veehouderijtak

695

Statische opslag

480

Overig, zoals werkplaats/opslag agrarische machines/voer/kantine

385

b Waterhuishoudkundige doeleinden De gronden binnen een strook van 5 m aan weerszijden vanaf de insteek van de als Water bestemde watergangen zijn tevens bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden. c Ondergeschikte detailhandel

19

Voor ondergeschikte detailhandel gelden de volgende bepalingen:

1. ten dienste van het bedrijf is ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen toegestaan; 2. de totale vloeroppervlakte aan ondergeschikte detailhandel mag niet meer bedragen dan 10% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 150 m²; 3. de activiteit vindt uitsluitend plaats in de aanwezige gebouwen. Nieuwbouw ten behoeve van de functie is niet toegestaan. d Kantoor Voor kantoren geldt dat uitsluitend onzelfstandige kantoren als onderdeel van een ter plaatse gevestigd bedrijf zijn toegestaan. e Bedrijfswoning Voor bedrijfswoningen geldt dat uitsluitend de bestaande bedrijfswoning is toegestaan; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Toegestane bebouwing Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming. 3.2.2 Bebouwde oppervlakte De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan de oppervlakte als opgenomen in de tabel in lid 3.1.2 onder a; deze bebouwde oppervlakte is exclusief de bebouwde oppervlakte ten behoeve van een bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen. 3.2.3 Bedrijfswoning Voor de bedrijfswoning geldt het volgende: a. b. c. d. e. f.

de goothoogte bedraagt maximaal 5,5 m; de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 m; de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 600 m³; de dakhelling bedraagt minimaal 12°; de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt minimaal 5 m; de afstand tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m.

3.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoning Voor bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning bestaande uit aangebouwde- en vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a.

bijbehorende bouwwerken dienen binnen het bestaande bouwvlak óf, indien er geen bouwvlak aanwezig is, binnen het bestaande bouwperceel opgericht te worden; b. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte per (bedrijfs)woning bedraagt maximaal 150 m2, met dien verstande dat: 20

1. indien de aanduiding ´maximum bebouwd oppervlak´ opgenomen is, geldt de ter plaatse aangegeven oppervlakte als maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken; 2. voor een geldend bestemmingsvlak waar volgens de regels van het bestemmingsplan een nevenactiviteit is toegestaan, geldt de in dat bestemmingsplan opgenomen oppervlakte voor bebouwing voor nevenactiviteiten tevens als maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken. c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 m; d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m; e. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; f. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de (bedrijfs)woning bedraagt maximaal 15 m. 3.2.5 Bouwen van bouwewrken, geen gebouwen zijnde bij de bedrijfswoning Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bij (bedrijfs)woningen gelden de volgende bepalingen: a. b. c.

d.

e.

f. g. h. i.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m; de bouwhoogte van transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding bedraagt maximaal 3 m; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. met uitzondering van: 1. lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 6 meter mag bedragen, mits geplaatst achter de achtergevellijn van de woning; 2. nestgelegenheden voor vogels, waarvan de hoogte maximaal 8 m mag bedragen; voor het bouwen van een overkapping gelden de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 5 m; 2. een overkapping mag geen grotere oppervlakte hebben 30 m²; voor het bouwen van onoverdekte zwembaden bij een (bedrijfs)woning gelden de volgende bepalingen: 1. onoverdekte zwembaden dienen binnen het bestemmingsvlak te worden gebouwd. 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m². 3.

de afstand tot (bedrijfs)woningen van derden mag niet minder bedragen dan 15 m; de bouwhoogte van antennes voor zendamateurs mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat: antennes niet mogen worden gesitueerd voor de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan; antennes dienen te worden gesitueerd op of aan de woning dan wel op een afstand van maximaal 15 m van de woning; de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden.

3.2.6 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a.

de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m; 21

b. c. d. e.

de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 11 m; de dakhelling bedraagt minimaal 12°; de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt minimaal 1 m; de afstand tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m.

3.2.7 Bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f.

g. h. i. j.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m; de bouwhoogte van transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding bedraagt maximaal 3 m; de bouwhoogte van sleufsilo's en keerwanden mag niet meer mag bedragen dan 3 m. sleufsilo's niet zijn toegestaan vóór de voorgevelrooilijn; de bouwhoogte van stapmolens en longeercirkels mag niet meer bedragen dan 5 m; de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 meter; de bouwhoogte van torensilo's, voedersilo's, melksilo's, mestsilo's en warmtebuffers mag niet meer bedragen dan 15 m, met dien verstande dat de afstand tot de grens van het 'bouwvlak' minimaal 5 m bedraagt; de bouwhoogte van een mestbassin bedraagt maximaal 8,5 m; de bouwhoogte van boomteelthekken mag niet meer bedragen dan 3 m. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m; reclame-uitingen zijn toegestaan in de vorm van een reclamebord (naam en aard van het bedrijf), daarbij gelden de criteria uit de Welstandsnota 2018 Meierijstad of een nieuwere welstandsnota die deze vervangt.

3.2.8 Ondergronds bouwen Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan in de vorm van de bouw van een kelderruimte onder de (bedrijfs)woning, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de kelderruimte is alleen bedoeld voor huishoudelijke doeleinden; b. de kelderruimte mag slechts één bouwlaag bestaan en alleen worden aangebracht onder de woning; c. de kelderruimte moet worden aangebracht binnen de contouren van de buitengevels van de woning; d. de inhoud van de kelder behoort niet tot de inhoud van de woning en wordt ook niet meegerekend bij lid 3.2.3 sub c. 3.2.9 Herbouw Aanvullend gelden voor herbouw van bestaande woningen de volgende voorwaarden: a.

de herbouw vindt voor 3/4 deel plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning; b. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning; 22

c.

de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).

3.2.10 Afwijkingenregeling In afwijking van het voorgaande geldt voor bestaande gebouwen en andere bouwwerken, gebouwd krachtens een vergunning, het volgende: indien en voorzover de bestaande maatvoering en/of oppervlaktes en/of situering van gebouwen en andere bouwwerken, de genoemde maxima, danwel minima overschrijden, geldt de bestaande maatvoering als maximum respectievelijk minimum. 3.2.11 Bouwwerken voor energieopwekking Het is niet toegestaan om buiten een bouwvlak van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf of buiten de bestemming Wonen bouwwerken voor energieopwekking op te richten. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; c. voorzieningen voor de landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing en ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan. 3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Omgevingsvergunning m.b.t. herbouw Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.9 onder a en b , mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a.

de bedrijfswoning wordt gesitueerd tussen de bedrijfsgebouwen en de openbare weg waarop het perceel wordt ontsloten; b. de nieuwe situering van de bedrijfswoning is stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk en milieukundig aanvaardbaar, waaronder dat moet worden voldaan aan de Wet geluidhinder; c. de aanvraag om omgevingsvergunning moet zijn voorzien van een plan voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de (bouwkundige) voorzieningen. Voor de landschappelijke inpassing mag alleen gebruik worden gemaakt van gebiedseigen beplanting; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. 3.4.2 Omgevingsvergunning verkleinen afstand tot bestemmingsgrens Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 teneinde een kleinere afstand tot een grens van het bestemmingsvlak toe te staan voor het bouwen van gebouwen, mits voldaan wordt aan de volgende bepalingen: a. het is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; b. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; 23

c.

de aanvraag om omgevingsvergunning moet zijn voorzien van een plan voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de (bouwkundige) voorzieningen. Voor de landschappelijke inpassing mag alleen gebruik worden gemaakt van gebiedseigen beplanting; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. 3.4.3 Omgevingsvergunning minimum afstand van bebouwing tot de weg Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.

het is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; de wegbeheerder dient te worden gehoord; de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder; f. de aanvraag om omgevingsvergunning moet zijn voorzien van een plan voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de (bouwkundige) voorzieningen. Voor de landschappelijke inpassing mag alleen gebruik worden gemaakt van gebiedseigen beplanting; g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. 3.4.4 Afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van het oppervlakte bedrijfsbebouwing Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 voor het vergroten van de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b.

c. d. e. f. g. h.

de vergroting vindt plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak of wanneer er een bouwvlak is aangegeven binnen het bestaande bouwvlak; de vergroting is noodzakelijk uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering of ontwikkeling van het bedrijf of de vergroting vormt een aanmerkelijke verbetering in landschappelijk en/of milieuhygiënisch opzicht, doordat bestaande buitenopslag of bedrijvigheid die plaatsvindt in de openlucht, ondergebracht kan worden in bedrijfsbebouwing; er is aangetoond dat de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de vergroting binnen bestaande bebouwing te doen plaatsvinden; de vergroting is zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar; de vergroting niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte; agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarische-verwante bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 25% van de aangegeven bebouwde oppervlakte. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven. er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. 24

i. j.

k. l.

de vergroting leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en); deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking is niet toegestaan; een toename van de gerbruiksoppervlakte voor kleinschalige grondgebonden veehouderij is niet toegestaan.

3.4.5 Afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van grondopstellingen van zonnepanelen in het buitengebied Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.11 voor het bouwen van een grondopstelling voor zonnepanelen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte maximaal 1,5 m bedraagt; b. aangetoond is dat het ondoelmatig is om de zonnepanelen op het deel van het erf te realiseren waar zonnepanelen (hetzij op het dakvlak, hetzij via een grondopstelling) rechtstreeks zijn toegestaan; c. de omvang van de grondopstelling c.q. installatie niet groter is dan noodzakelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte; d. de grondopstelling en de situering van de bebouwing compact en geconcentreerd is vormgegeven op het achtererfgebied. Indien is aangetoond dat plaatsing op dit achtererfgebied ook ondoelmatig is, kan de grondopstelling aansluitend aan de achterste grens van het achtererfgebied geplaatst worden; e. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; f. er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het (beter) functioneren van de zonnepanelen; g. de archeologische, aardkundige, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; h.

aangetoond moet worden dat er geen onaanvaardbare hinder door schittering ontstaat, zodat afgewogen kan worden of de grondopstelling aanvaardbaar is voor de omgeving; i. de grondopstelling niet gebruikt wordt voor opslagdoeleinden; j. geen zonnepanelen zijn toegestaan binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding. 3.4.6 Afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van windturbines voor eigen gebruik Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.11 voor het bouwen van een windturbine voor eigen gebruik, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf; b. is aangetoond dat het ondoelmatig is om te voorzien in de eigen behoefte door plaatsing van zonnepanelen op het dak van de (agrarische) bedrijfsgebouwen; 25

c. d. e. f. g. h. i. j.

er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik door situering van de windturbine op het achtererfgebied (nabij de aanwezige bebouwing); de tiphoogte van de windturbine bedraagt niet meer dan 25 meter; er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het beter functioneren van de windturbine; de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; de windturbine vanuit milieu- en veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is; de belangen van derden (omwonenden) niet worden geschaad; een kleinschalige windturbine dient minimaal 2x nominaal toerental afstand te houden van een hoogspanningsverbinding.

3.5 Specifieke gebruiksregels Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen: a.

het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en achter de voorgevelrooilijn van het dichtst bij de weg gelegen gebouw; b. detailhandel, behoudens het bepaalde in lid 3.1.2 onder c; c. voor (ondersteunende) horeca; d. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning; e. woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; f. een aan huis verbonden bedrijf; g. een seksinrichting. h. geluidzoneringsplichtige inrichtingen; i. risicovolle inrichtingen; j. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die het bestemmingsvlak overschrijdt; k. het houden en / of fokken van pelsdieren en konijnen als bedrijfsmatige activiteit; l. het gebruiken van de bedrijfsgebouwen en gronden gelegen binnen dit bestemming indien niet binnen 1 jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan is aangeplant, onderhouden en duurzaam in stand wordt gehouden overeenkomstig het landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regels; m. de geluidsbelasting voor het langtijdbgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten mag de norm van 45dB(A) niet overschrijden.

3.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 3.6.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor slopen) cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, zoals opgenomen in geheel of gedeeltelijk te slopen. 3.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in lid 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor sloopwerkzaamheden: 26

a. ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. sloopwerkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; c. sloopwerkzaamheden, die op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn. 3.6.3 Toetsing aan aanwezige waarden a.

De in lid 3.6.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien door de sloopwerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden van de bebouwing. b. De aanvraag om omgevingsvergunning moet zijn voorzien van een deskundigenrapport dat ingaat op cultuurhistorische waarden, de bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het gebouw in relatie tot de gewenste/ noodzakelijke werken en werkzaamheden.• c. Het bevoegd kan één of meerdere voorwaarden verbinden aan de in lid 3.6.1 bedoelde omgevingsvergunning teneinde de cultuurhistorische waarden te beschermen. d. Alvorens het bevoegd gezag beslist over de verlening van de omgevingsvergunning en de daaraan gekoppelde voorwaarden wint zij schriftelijk advies in bij een deskundige op het terrein van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de cultuurhistorische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. Hierbij wordt mede betrokken of de kosten van waardedaling en renovatie in verhouding staan met de bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het gebouw.

27

ARTIKEL 4 GROEN 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

groenvoorzieningen ter afscherming van de gronden met de bestemming 'Bedrijf'; groenvoorzieningen; het behoud, herstel en ontwikkeling van houtopstanden; behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; extensief recreatief medegebruik.

4.2 Bouwregels Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen , waarbij de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m.

4.3 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a.

het verlagen van de (grond)waterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Verboden werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het verwijderen of rooien(vellen) van bos en/of andere grote houtopstanden; b. het verwijderen of rooien (vellen) van natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie. 4.4.2 Uitzonderingen Het in lid 4.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vastgesteld projectplan en/of een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

28

4.4.3 Toelaatbaarheid a.

De in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden. b. Voor wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria geldt de 'Tabel ingrepen / effect BP Buitengebied' (Bijlage 4).

29

ARTIKEL 5 WAARDE - ARCHEOLOGIE 2 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 5.2 Bouwregels Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=885a3e88-38b0-4ecb-b7e4-8a65320a58a6