Regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening Keur 28, Schijndel Gemeente Meierijstad
Regels Identificatienummer NL.IMRO.1948.BGS000BP0022022P-VG01
Jonkers Advies Adviseurs in Omgevingsrecht Weldsehei 4 5508 WR Veldhoven 040 255 48 77
Ontwerp Vastgesteld Onherroepelijk
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS.............................................................................................................................4 Artikel 1 Begrippen ..................................................................................................................................................4 Artikel 2 Wijze van meten .....................................................................................................................................10 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS ......................................................................................................................11 Artikel 3 Agrarisch met waarden - Kleinschalig landschap....................................................................................11 3.1 Bestemmingsomschrijving ..........................................................................................................................11 3.2 Bouwregels .................................................................................................................................................12 3.3 Nadere eisen ...............................................................................................................................................12 3.4 Afwijken van de bouwregels
.......................................................................................................................12 3.5 Specifieke gebruiksregels ............................................................................................................................15 3.6 Afwijken van de gebruiksregels ..................................................................................................................15 3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden ..........................................................................................................................................................................15 Artikel 4 Groen ......................................................................................................................................................16 4.1 Bestemmingsomschrijving ..........................................................................................................................16 4.2 Bouwregels .................................................................................................................................................16 4.3 Specifieke gebruiksregels ............................................................................................................................17 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een
werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ..........................................................................................................................................................................17 Artikel 5 Wonen ....................................................................................................................................................17 5.1 Bestemmingsomschrijving ..........................................................................................................................17 5.2 Bouwregels .................................................................................................................................................18 5.3 Nadere eisen ...............................................................................................................................................19 5.4.
Afwijken van de bouwregels ......................................................................................................................19 5.5 Specifieke gebruiksregels ............................................................................................................................21 5.6 Afwijken van de gebruiksregels ..................................................................................................................22 Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 ..........................................................................................................................23 6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk.......................................................................25 6.6 Wijzigingsbevoegdheid ...............................................................................................................................25 Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen ..............................................................................26 7.1 Bestemmingsomschrijving ..........................................................................................................................26 7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden
..........................................................................................................................................................................26 Hoofdstuk 3 Algemene regels ....................................................................................................................................28 Artikel 8 Anti-dubbeltelbepaling ...........................................................................................................................28 Artikel 9 Algemene bouwregels ............................................................................................................................28
9.1 Afwijkende maatvoering .............................................................................................................................28 Artikel 10 Algemene aanduidingsregels ................................................................................................................28 10.1 Gebiedsaanduidingen ...............................................................................................................................28 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS...........................................................................................................29 Artikel 11
Overgangsrecht ...............................................................................................................................29
11.1
Overgangsrecht bouwwerken..............................................................................................................29
11.2
Overgangsrecht gebruik .......................................................................................................................29
Artikel 12
Slotregel ..........................................................................................................................................29
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen 1.1 plan Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Keur 28, Schijndel’ met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGS000BP0022022P-VG01 van de gemeente Meierijstad; 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aansluitend terrein aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied; 1.4 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorgevel en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.5 achtergevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel; 1.6 afhaalpunt een locatie waar de consument uitsluitend - voorafgaande aan het bezoek - via internet bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten; 1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren;
1.8 agrarisch-technisch hulpbedrijf bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking; 1.9 agrarisch-verwant bedrijf bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of nietagrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn pensionstalling, dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs en proefbedrijven; 1.10 bebouwingscluster vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten de bebouwde kom; 1.11 bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; 1.12 bebouwingslint
min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten de bebouwde kom; 1.13 bed & breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.14 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke; 1.15 bedrijfswoning/dienstwoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor de huisvesting van een huishouden dat daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; 1.16 beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend; 1.17 bestaande aantal woningen woningen die legaal aanwezig zijn op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt, woningen die gebouwd mogen worden op grond van een geldend bestemmingsplan en
woningen waarvoor een omgevingsvergunning verleend is; 1.18 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.19 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht
(ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt. 1.20 bouwperceel aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. 1.21 bruto-vloeroppervlakte
de totale binnen een gebouw beschikbare vloeroppervlakte inclusief die van eventuele verdiepingen. 1.22 dierenwelzijn het fysieke en gevoelsmatige welzijn van dieren of lichamelijke en geestelijke gezondheid en welbevinden van een dier; 1.23 gebruiksoppervlakte gebruiksoppervlakte als bedoeld in artikel 1 van het Bouwbesluit 2012 juncto NEN 2580 1.24 goothoogte de afstand gemeten vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij ondergeschikte bouwdelen niet worden meegerekend. 1.25 grondgebonden woning woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld. 1.26 hobbymatig houden van dieren Het houden van enkele dieren voor educatieve of recreatieve doeleinden of als liefhebberij, zonder winstoogmerk. 1.27 hoofdgebouw een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.28 horeca bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, nader te onderscheiden in: 1a Lichte daghoreca: horecabedrijven die qua exploitatievorm primair gericht zijn op de ochtend en middag en waarbij openingstijden veelal zijn afgestemd op openingstijden van andere dagvoorzieningen (zoals winkels en musea) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. 1b Lichte avondhoreca: Horecabedrijven die in beginsel overdag en ‘s avonds geopend zijn (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. 2 Middelzware horeca: horecabedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken; 3 Zware horeca: horecabedrijven die voor een goed functioneren ook ‘s nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen. 4 Logiesverstrekker: Horecabedrijven die geheel of in overwegende mate zijn gericht op het verstrekken van nachtverblijf. 1.29 huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert.
Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: • voor onbepaalde tijd samenleven; • een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; • eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; • personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats.
Bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'. 1.30 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning. 1.31 kamerverhuur het opdelen van een woning in twee of meer onzelfstandige wooneenheden óf het opdelen van een woning in één zelfstandige en één of meer onzelfstandige wooneenheden; 1.32 kampeermiddel tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf; 1.33 kampeerterrein terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, en blijkens die inrichting en exploitatie bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen; 1.34 kernrandzone overgangszone van de stedenbouwkundige bebouwde kom naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies; 1.35 loosbaar water water dat -binnen de daarvoor geldende normen en met de daarvoor benodigde vergunningen- kan worden geloosd op het oppervlaktewater; 1.36 maatschappelijke voorzieningen het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, gezondheidszorg,
zorg en welzijn, jeugd / kinder / ouderen / gehandicaptenopvang, onderwijs, religie, uitvaart / begraafplaats, bibliotheken, openbare dienstverlening, verenigingsleven, sport-, spel- en speelvoorzieningen. 1.37 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.38 mestbewerking de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest; 1.39 nevenfunctie/nevenactiviteit activiteit uitgeoefend in aanvulling op en ondergeschikt aan de hoofdfunctie zoals recreatieve functies, agrarisch verwante functies, agrarisch technische functies, statische binnenopslag en verbrede landbouw, niet zijnde een aan huis gebonden beroep of bedrijf; 1.40 ondergeschikte bouwdelen ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten,
luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen; 1.41 ondersteunende horeca het ter plaatse nuttigen van etenswaren en dranken, die worden aangeboden als ondersteuning van een nevenfunctie bij een andere dan als horeca bestemde hoofdfunctie, waarbij er een directe relatie is tussen de nevenfunctie en de hoofdfunctie. Dit geldt voor recreatiebedrijven (t.b.v. eigen dag- of verblijfsgasten) en voor agrarische bedrijven (bijv. consumpties bij een rondleiding op een bedrijf, bij boerengolf, bij een workshop, of bij proeven van producten van het bedrijf);
1.42 onzelfstandige woonruimte woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen; 1.43 overkapping/carport een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw; 1.44 peil • voor hoofdgebouwen: het bouwkundige peil dat gelijk is aan de wegkruin van de voorliggende weg of, indien niet direct aan een weg gebouwd wordt, de bestaande gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein; • voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van het hoofdgebouw; • in overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; • indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.
1.45 pergola een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk geen gebouw zijnde, bestaande uit een constructie van verticaal geplaatste palen of kolommen op een onderlinge afstand van minimaal 1,50 meter h.o.h., gekoppeld op een bovenlegger met eventueel hierop onder een hoek van 90º geplaatste dwarsligger(s); de pergola mag tot maximaal 1 meter boven het maaiveld als een gesloten constructie worden uitgevoerd; tussen de kolommen mag gaas ter begeleiding van planten worden aangebracht; 1.46 plattelandswoning een woning gelegen op het bouwvlak van/bij een (agrarisch) bedrijf zonder dat er sprake is van een functionele binding tussen woning en bedrijf, die door een derde mag worden bewoond en volgens de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van het bedrijf; 1.47 productiegebonden detailhandel beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een (agrarisch) bedrijf dat die goederen teelt/vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.48 reëel agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen; 1.49 rijbak een onoverdekt al dan niet omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of een ander doorlatend materiaal ten
behoeve van het africhten, trainen en berijden van paarden, pony’s of andere daarmee gelijk te stellen dieren en het anderszins beoefenen van de paardensport. 1.50 schuilgelegenheid een overdekte ruimte die direct, hetzij indirect, met de grond is verbonden waarvan het/de betreffende dier(en) in geval van weidegang uit oogpunt van dierwelzijn gebruik moet(en) kunnen maken door vrij in en uit te lopen, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter; 1.51 showroom uitstallingsruimte ten behoeve van het te koop aanbieden, verkopen, en/of leveren van goederen; 1.52 statische (binnen)opslag (binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke, niet zijnde opslag in brandgevaarlijke goederen; 1.53 tiphoogte
de masthoogte plus de helft van de rotordiameter; 1.54 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.55 (woon)boerderij een voormalige agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen voormalige agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woon- en bedrijfsgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen, bijvoorbeeld een langgevelboerderij of kortgevelboerderij; 1.56 woonruimte besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; 1.57 zelfstandige woonruimte woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte; 1.58 zijdelingse (bouw)perceelsgrens de perceelsgrenzen van een bouwperceel, niet zijnde de begrenzing van het perceel aan de achter- of voorzijde; 1.59 zone erf gronden gelegen aan de achterkant en zijkant van het hoofdgebouw tot op 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan en niet behorende tot het bouwvlak; 1.60 zone tuin gronden gelegen aan de voorkant en zijkant van het hoofdgebouw vanaf 1 meter terugliggend vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan tot aan het openbaar gebied of de openbare
weg waaraan de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen en niet behorende tot het bouwvlak; 1.61 zorgvuldige landschappelijke inpassing het aanbrengen van gebiedseigen beplanting, het gebruik van gebiedseigen natuurlijke materialen op grond van een goedgekeurd landschapsinrichtingsplan en waarbij bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen.
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.2 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 2.3 de brutovloeroppervlak van een gebouw gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.6 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.
de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.7 de inhoud van een bouwwerk tussen de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren); 2.9 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.10 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Agrarisch met waarden - Kleinschalig landschap 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor Agrarisch met waarden - Kleinschalig landschap aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.
agrarisch bedrijf en agrarisch gebruik; extensief agrarisch grondgebruik; een aan huis verbonden beroep; nevenactiviteiten; plattelandswoningen; behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de bijbehorende ecologische en landschappelijke waarden; h. water en waterhuishoudkundige doeleinden; i. extensief recreatief medegebruik; j. bed en breakfast; k. doeleinden van openbaar nut; l. erfbeplanting; m. tuinen; n. onverharde paden een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. 3.1.2 Nadere detaillering van de bestemming In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1: A Beperkingen veehouderij Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij ' zijn de gronden bestemd voor de bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de (grondgebonden) veehouderij en de intensieve veehouderij; B Teeltondersteunende voorzieningen Voor teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende bepalingen: 1. 2. 3.
4.
permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan'; lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (geen bouwwerken zijnde) zijn zowel ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' als daar buiten toegestaan; lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (bouwwerken zijnde) en overige tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend togestaan na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 3.4.2; de hoogte bedraagt maximaal 3 m.
C Waterhuishoudkundige doeleinden De gronden binnen een strook van 5 m aan weerszijden vanaf de insteek van de als Water bestemde watergangen zijn tevens bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden. D Extensief recreatief medegebruik
Het gehele gebied gelegen binnen deze bestemming mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d. E Tuinen Het inrichten van gronden, grenzend aan een woning, als tuin, is uitsluitend toegestaan nadat de omgevingsvergunning als bedoeld in 3.6.1 is verleend.
3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming. 3.2.2 Bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde Voor het oprichten van bouwwerken geldt het volgende: a. b. c.
d. e. f.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m; de bouwhoogte van transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding bedraagt maximaal 3 m; ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van andere bouwwerken, toegestaan zoals banken, picknicktafels, informatieborden e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m; paardenbakken zijn niet toegestaan; schuilstallen zijn niet toegestaan; buiten een bouwvlak van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf of buiten de bestemming Wonen is het niet toegestaan bouwwerken voor energieopwekking op te richten.
3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. b. c.
de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; voorzieningen voor de landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing en ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan.
3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Afwijkingsbevoegdheid perceelsafscheiding Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a teneinde perceelsafscheidingen toe te staan met een bouwhoogte die niet meer bedraagt dan 1,5 m, mits aan de volgende bepalingen wordt voldaan: a. b. c.
er is sprake van een vrije onderdoorgang voor in het wild voorkomende kleine zoogdieren; er is sprake van een passende landschappelijke inpassing met een passende haagbeplanting; het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven waarden.
3.4.2 Afwijkingsbevoegdheid teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1.2 onder B teneinde bouwwerken in de vorm van lage en hoge tijdelijke alsmede overige tijdelijke
teeltondersteunende voorzieningen (TOV) op te kunnen richten, een en ander mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d. e. f.
de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m; de oppervlakte aan teeltondersteunende voorzieningen mag maximaal 2 ha bedragen; qua grootte en ruimtebeslag is het passend op de locatie en in de omgeving; het is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in 3.1.
3.4.3 Afwijkingsbevoegdheid paardenbak Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder d teneinde paardenbakken uitsluitend ten behoeve van, en aansluitend aan de bestemming Wonen toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d. e. f. g.
h. i.
door de aanvrager is aangetoond dat de paardenbak redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen het bestemmingsvlak Wonen; er is maximaal één paardenbak per bestemmingsvlak Wonen toegestaan en uitsluitend bij de eigen woning; de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m2; de bouwhoogte van de omheining van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 1,5 m; schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan; er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; de aanvraag om omgevingsvergunning moet zijn voorzien van een plan voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de (bouwkundige) voorzieningen. Voor de landschappelijke inpassing mag alleen gebruik worden gemaakt van gebiedseigen beplanting; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven waarden.
3.4.4 Afwijkingsbevoegdheid bouwen schuilstallen Het bevoegd gezag kan afwijken van artikel 3.2.2, onder e en een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van een schuilgelegenheid voor het hobbymatig houden van dieren buiten het bouwvlak van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf of buiten de bestemming Wonen, onder de volgende voorwaarden: a. b. c.
de schuilgelegenheid is bedoeld voor het hobbymatig houden van dieren; er is aangetoond dat de schuilgelegenheid vanuit oogpunt van dierenwelzijn noodzakelijk is; er is aangetoond dat de realisatie van de schuilgelegenheid binnen een bestaand bouwperceel niet mogelijk is; d. de realisatie van een schuilgelegenheid op gronden aangemerkt als Natuur Netwerk Brabant (NNB) is niet toegestaan; e. er is aangetoond dat, door de realisatie van de schuilgelegenheid, (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast; f. de realisatie van een schuilgelegenheid is uitsluitend toegestaan binnen een kernrandzone dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone; g. er is maximaal 1 schuilgelegenheid per perceel toegestaan; h. het perceel heeft een minimale oppervlakte van 2.000 m² of het gaat om aaneensluitende percelen van één eigenaar die gezamenlijk een minimale oppervlakte van 2.000 m² hebben; i. er mag geen opslag plaatsvinden met uitzondering van voer/stro (binnen) en mest (buiten); j. de oppervlakte mag niet meer dan 30 m² bedragen; k. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; l. de goothoogte mag niet meer dan 2 meter bedragen; m. de schuilgelegenheid dient aan minimaal één zijde (deels) open te blijven;
n. o. p.
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; de afstand van de schuilgelegenheid (incl. mestopslag) tot een perceel van een andere eigenaar bedraagt niet minder dan 3 meter; de afstand van de schuilgelegenheid (incl. mestopslag) tot een geurgevoelig object bedraagt niet minder dan 30 meter.
3.4.5 Afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van grondopstellingen van zonnepanelen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2, onder f voor het bouwen van een grondopstelling voor zonnepanelen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.
e. f. g. h. i. j.
de bouwhoogte maximaal 1,5 m bedraagt; aangetoond is dat het ondoelmatig is om de zonnepanelen op het deel van het erf te realiseren waar zonnepanelen (hetzij op het dakvlak, hetzij via een grondopstelling) rechtstreeks zijn toegestaan; de omvang van de grondopstelling c.q. installatie niet groter is dan noodzakelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte; de grondopstelling en de situering van de bebouwing compact en geconcentreerd is vormgegeven op het achtererfgebied. Indien is aangetoond dat plaatsing op dit achtererfgebied ook ondoelmatig is, kan de grondopstelling aansluitend aan de achterste grens van het achtererfgebied geplaatst worden; er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het (beter) functioneren van de zonnepanelen; de archeologische, aardkundige, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; aangetoond moet worden dat er geen onaanvaardbare hinder door schittering ontstaat, zodat afgewogen kan worden of de grondopstelling aanvaardbaar is voor de omgeving; de grondopstelling niet gebruikt wordt voor opslagdoeleinden; geen zonnepanelen zijn toegestaan binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding.
3.4.6 Afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van windturbines voor eigen gebruik Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2, onder f voor het bouwen van een windturbine voor eigen gebruik, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h. i. a.
er is sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf; is aangetoond dat het ondoelmatig is om te voorzien in de eigen behoefte door plaatsing van zonnepanelen op het dak van de (agrarische) bedrijfsgebouwen; er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik door situering van de windturbine op het achtererfgebied (nabij de aanwezige bebouwing); de tiphoogte van de windturbine bedraagt niet meer dan 25 meter; er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het beter functioneren van de windturbine; de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; de windturbine vanuit milieu- en veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is; de belangen van derden (omwonenden) niet worden geschaad; een kleinschalige windturbine dient minimaal 2x nominaal toerental afstand te houden van een hoogspanningsverbinding.
3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor: a. b. c. d.
het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; detailhandel; de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de perceelgrenzen overschrijdt; mestbe- en -verwerking en -vergisting.
3.5.2 Spuitzone Ter plaatse van de functieaanduiding Milieu-spuitzone is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Omgevingsvergunning tuinen Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning als bedoeld in 3.1.2 onder E verlenen teneinde gronden grenzend aan een binnen het plangebied gelegen woning, in te kunnen richten als tuin, mits aan het volgende wordt voldaan: a. b. c.
de aanleg en inrichting geschieden op een, binnen het landschap passende wijze, afgestemd op het gemeentelijk Landschapsontwikkelingsplan; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; de omgevingsvergunning leidt niet tot een onevenredige aantasting van de binnen de bestemming aanwezige cultuurhistorische waarden als bedoeld in 3.1.
3.6.2 Omgevingsvergunning opslag gevaarlijke stoffen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.5.1 onder c ten behoeve van de opslag van gevaarlijke stoffen teneinde toe te staan dat de daarbij behorende 10-6 risicocontour de perceelsgrens overschrijdt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven waarden.
3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden 3.7.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 3.7.4 opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.
3.7.2 Uitzonderingen vergunningenplicht Het onder 3.7.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. b. c.
waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend; welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.
3.7.3 Toetsing aan aanwezige waarden De in 3.7.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 3.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 3.7.4 de toetsingscriteria weergegeven. 3.7.4 Schema omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden -het aanbrengen van verhardingen -het aanleggen van landschapselementen -afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; - aanbrengen van niet onomkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk; -diepploegen en diepwoelen van de bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld.
Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de in 3.1 bij de aanduiding omschreven waarden; de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de in 3.1 bij de aanduiding omschreven waarden; de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de in 3.1 bij de aanduiding omschreven waarden; de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de in 3.1 bij de aanduiding omschreven waarden; de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de in 3.1 bij de aanduiding omschreven waarden;
Artikel 4 Groen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
groenvoorzieningen, als onderdeel van het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; verhardingen ten behoeve van de toerit naar elke woning met een breedte van maximaal 5 meter.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op of in de in 4.1 genoemde gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a.
Terrein- en erfafscheidingen tot een hoogte van maximaal 1 meter vóór de voorste bouwgrens en voor het overige 2 meter, met dien verstande dat de afscheiding een open karakter dient te hebben.
4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. b.
het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor opslag van materialen, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; het gebruiken of laten gebruiken van gronden als parkeergelegenheid.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Verbod Het is verboden op of in de in 4.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. b. c. d. e.
het aanleggen en/of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; het ophogen, verlagen, afgraven, egaliseren of anderszins wijzigen van het maaiveldniveau; het aanleggen, vergraven of dempen van waterlopen en andere waterpartijen; het mengen, woelen, diepploegen of uitvoeren van andere grondbewerkingen; het aanbrengen van onderbemaling of anderszins wijzigen van de grondwaterstand.
4.4.2 Uitzonderingen Het in 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden welke: a. b. c.
gericht zijn op de aanleg en instandhouding van het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels; het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.4.3 Toelaatbaarheid De in 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien er is aangetoond dat de werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden geen belemmering vormen voor het behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels.
Artikel 5 Wonen 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wonen in een woning; het uitoefenen van beroepen en bedrijven aan huis; water en waterhuishoudkundige doeleinden; ontsluitingswegen; parkeervoorzieningen;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
5.1.2 Nadere detaillering van de bestemming a. b.
Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bed en breakfast mag als ondergeschikte activiteit in de woning worden uitgeoefend, mits het gebruik beperkt blijft tot 25% van het vloeroppervlak van de begane grond van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m².
5.2 Bouwregels 5.2.1 Toegestane bebouwing Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming. 5.2.2 Bouwen van woningen Voor woningen geldt het volgende: a. b. c. d. e. f.
De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m; De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m; De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 1000 m³; De dakhelling mag niet minder bedragen dan 12º; De dakhelling mag niet meer bedragen dan 60º; Ondergronds bouwen in de vorm van maximaal één bouwlaag (3,5 m onder peil) is toegestaan binnen de gevelgrenzen van de woning en binnen het bestemmingsvlak waar gebouwen zijn toegestaan. De inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud van een gebouw.
5.2.3 Bouwen van bijbehorende bouwwerken Voor bijbehorende bouwwerken bij een woning bestaande uit aangebouwde- en vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f.
bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht binnen de aanduiding “bijbehorende bouwwerken toegestaan”; de gezamenlijke bebouwde oppervlakte per woning bedraagt maximaal 150 m2; de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 m; de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m; de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning bedraagt maximaal 15 m.
5.2.4 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b. c.
d.
e.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m; de bouwhoogte van transparante toegangspoorten of penanten in de erfafscheiding bedraagt maximaal 3 m; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. met uitzondering van: 1. lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 6 meter mag bedragen, mits geplaatst achter de achtergevellijn van de woning; 2. nestgelegenheden voor vogels, waarvan de hoogte maximaal 8 m mag bedragen; voor het bouwen van een overkapping gelden de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 5 m; 2. een overkapping mag geen grotere oppervlakte hebben 30 m²; voor het bouwen van onoverdekte zwembaden bij een woning gelden de volgende bepalingen:
1.
f.
g.
onoverdekte zwembaden dienen binnen het bouwvlak of, indien aanwezig, binnen de aanduiding 'bijgebouwen' te worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m²; 3. de afstand tot (bedrijfs)woningen van derden mag niet minder bedragen dan 15 m; de bouwhoogte van antennes voor zendamateurs mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat: 1. antennes niet mogen worden gesitueerd voor de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan; 2. antennes dienen te worden gesitueerd op of aan de woning dan wel op een afstand van maximaal 15 m van de woning; de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden.
5.2.5 Parkeren a.
b.
c.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel, dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor de in lid a genoemde voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, in acht genomen te worden. Indien deze beleidsregels en/of de bijlagen gedurende de planperiode worden gewijzigd door het bevoegd gezag, dient rekening gehouden te worden met deze wijziging. De parkeernormen uit de beleidsregels en/of bijlagen zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag worden toegepast.
5.2.6 Manoeuvreerruimte en ruimte voor laden en lossen bij parkeren a. b.
Er dient voldoende manoeuvreerruimte beschikbaar te zijn voor het kunnen functioneren van de parkeerplaatsen. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel waarbij een behoefte bestaat voor ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat op het betreffende bouwperceel in voldoende mate ruimte voor het laden of lossen van goederen is of zal worden aangebracht.
5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. b. c.
de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; voorzieningen voor de landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing en ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan.
5.4. Afwijken van de bouwregels 5.4.1 Afwijkingsmogelijkheid Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.5 of 5.2.6 indien: a.
er in voldoende parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien op een andere wijze; of;
b. c. d. e.
het ruimtelijk gezien niet wenselijk is de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte op eigen terrein te voorzien; en; er voldoende openbare parkeerplaatsen binnen een acceptabele afstand aanwezig zijn; en; er een parkeertelling aanwezig is die aantoont dat er voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn die benut kunnen worden, of; aangetoond kan worden dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm.
5.4.2 Omgevingsvergunning grotere goot- en/of bouwhoogte Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 5.2.2 onder a en b, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.
de goothoogte mag maximaal 7,5 m bedragen; de grotere hoogte van de woning is stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar; er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
5.4.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van de afstand tussen bijgebouw en hoofdgebouw Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.3, onder f en bijbehorende bouwwerken op een afstand van maximaal 30 meter van de woning toestaan als er redenen zijn van stedenbouwkundige, architectonische, cultuurhistorische of bouwtechnische aard. 5.4.4 Omgevingsvergunning vergroting inhoud woning Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 5.2.2 onder c, teneinde een grotere inhoud van de woning toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.
de inhoud bedraagt niet meer dan 1100 m³; de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
5.4.5 Omgevingsvergunning hoogte bijgebouwen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.3 onder c en d, teneinde de toegestane goot- en/of bouwhoogte te verhogen met 2 m, mits voldaan wordt aan de volgende bepalingen: a. b. c.
de grotere goot- en/of bouwhoogte is stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar; er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
5.4.6 Afwijkingsbevoegdheid voor ondergronds bouwen buiten de gevelgrenzen van gebouwen Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.2, onder f voor het toestaan van ondergrondse gebouwen van maximaal één bouwlaag (3,5 m onder peil) buiten de gevelgrenzen van de gebouwen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c.
de oppervlakte mag maximaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak of van een bestaand bouwperceel bedragen met een absoluut maximum van 150 m²; de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 m te bedragen behalve als de bestaande gebouwen dichter op de as van de weg staat; dan is deze afstand bepalend; het bouwwerk dient geheel onder het maaiveld te worden gebouwd;
d. e.
afhankelijk van de situatie kan een landschappelijke inpassing worden geëist; de inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud.
5.4.7 Afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, geen gebouw zijnde tot 10 m bouwdiepte Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.4, onder g een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. b.
de waterhuishouding niet wordt verstoord; geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
5.5 Specifieke gebruiksregels 5.5.1 Strijdig gebruik Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen gebruik van: a. b. c. d. e.
vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; de woning en/of bijbehorende bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast; grond in de open lucht als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten (buitenopslag); gebruik van gronden en/of opstallen als seksinrichting; het niet-instandhouden van de verplichte parkeervoorzieningen, behoudens als daarvoor een omgevingsvergunning verleend is op grond van 5.4.1.
5.5.2 voorwaardelijke verplichting Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.2.2 en 5.2.3 is uitsluitend toegestaan als: a.
b. c. d.
uiterlijk voor de start van de werkzaamheden een archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd. Het onderzoeksrapport dient bij de aanvraag omgevingsvergunning, onderdeel bouwen te worden gevoegd. Is dit niet het geval, dan kan de vergunning niet worden verleend; de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels is aangelegd binnen 1 jaar na het gereed melden van de bouw van de laatste woning; de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels, duurzaam wordt beheerd en in stand wordt gehouden; voor de berging van hemelwater op eigen terrein een vijver, zaksloot of andere infiltratievoorziening wordt aangelegd met een bergingsruimte van minimaal die gelijk is aan 60 mm per m² verhard oppervlak.
5.5.3 Gebruik van bebouwing voor een beroep of bedrijf aan huis Binnen een woning of in bijbehorende bouwwerken bij een woning is een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b.
c.
het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats in de woning en/of bijbehorende bouwwerken; het beroep of bedrijf aan huis ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die het beroep of bedrijf aan huis in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de woning is; het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis bedraagt maximaal 2 personen, waaronder inbegrepen de eigenaar van de woning;
d. e. f. g. h. i. j.
k. l.
maximaal 40% van de brutovloeroppervlakte van de woning en/of bijbehorende bouwwerken is in gebruik ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis, met een absoluut maximum van 100 m²; het parkeren ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats op eigen terrein; vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan, hiervoor gelden de regels van de welstandsnota; het beroep of bedrijf aan huis leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en); het beroep of bedrijf aan huis mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; de belangen van derden (omwonenden) worden niet geschaad; het aan huis verbonden beroep of bedrijf komt voor in de milieucategorie 1 of 2 van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' of kan, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën; er vindt geen buitenopslag plaats ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis; beroepen of bedrijven aan huis in vorm van detailhandel, uitgezonderd internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom en productiegebonden detailhandel als nevenfunctie bij agrarische bedrijfswoningen, of in de vorm van horeca
(uitgezonderd ondersteunende horeca als nevenactiviteit bij agrarische bedrijfswoningen) zijn niet toegestaan.