Plantoelichting BP RvR Borne ong. VAST 250322
Tekst van het document
Bestemmingsplan
“Ruimte-voor-Ruimte, Borne ong.” PLANTOELICHTING
NL.IMRO.1948.BGS000BP0022019P-VG01
1
Titel:
Bestemmingsplan “Ruimte-voor-Ruimte, Borne ong.”
Datum: Projectnummer: Status / Versie:
25-03-2022 2017.109 Definitief / 25-03-2022
Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres:
Wintraecken Advies B.V. de heer Teun van de Camp Msc. en de heer mr. David Wintraecken de heer mr. David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Telefoon: E-mail: Website:
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 6 1.4 Doelstelling bestemmingsplan ........................................................................ 8 1.5 Leeswijzer .................................................................................................... 8 2. Beschrijving bestaande situatie ........................................................................... 9 2.1 Huidige situatie omgeving .............................................................................. 9 2.2 Huidige situatie plangebied ............................................................................ 9 3. Visie op het plan(gebied) .................................................................................. 10 3.1 Doel en hoofdlijnen ..................................................................................... 10 3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................
11 3.3 Planbeschrijving .......................................................................................... 13 3.4 Slotconclusie .............................................................................................. 14 4. Beleidskader ................................................................................................... 16 4.1 Inleiding .................................................................................................... 16 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 16 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 17 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 24 5. Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 34 6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving ........................................................... 37 7. Water ............................................................................................................ 40 8. Fysieke belemmeringen .................................................................................... 42 8.1 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 42 9.
Milieu-hygiënische verantwoording .................................................................... 44 9.1 Inleiding .................................................................................................... 44 9.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 44 9.3 Bodem ....................................................................................................... 45 9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 46 9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 47 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 49 9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 52 9.8 Externe veiligheid ....................................................................................... 52 10. Mobiliteit; verkeer en parkeren ........................................................................ 54 11. Juridische opzet ............................................................................................. 55 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 55
3
11.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 55 11.3 Toelichting bestemmingen .......................................................................... 55 12. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 57 12.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 57 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 57 13. Eindconclusie ................................................................................................ 58
Bijlagen 1. Diverse bewijsstukken Ruime-voor-Ruimte; 2. Landschappelijk inpassingsplan, Kruit Kok Landschapsarchitecten, projectnummer: L1704, 13-03-2017; 3. Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Borne ong. te Schijndel, Blom Ecologie, kenmerk: BE/2017/076/r, 13-03-2017; 4. Bureau voor Archeologie Rapport 478, Borne tussen 44 en 46, Schijndel, gemeente Meierijstad: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, en een cultuurhistorische quickscan, Bureau voor Archeologie, d.d. 16-11-2017; 5. Watertoets ter plaatse van Borne tussen 44 en 46 te Schijndel, MILON, projectnummer: 20171166, 24-11-2017; 6. Verkennend bodemonderzoek Borne tussen 44 en 46 te Schijndel, MILON, projectnummer: 20171166-1, 24-03-2017; 6.1 Asbestinventarisatierapport, Asbestinventarisatie Odiliapeel BV, Projectnummer 18-298 AOH, 14-11-2018; 7. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Borne tussen 44 en 46 te Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: Wintraecken748/C01/TZ, d.d. 10-032017; 8. Onderzoek geur veehouderijen, geurcontouren en geuronderbouwing, Bestemmingsplanwijziging Borne ong. te Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: Wintraecken748/C01/LB, d.d. 09-03-2017; 9. Nota beantwoording zienswijzen 10. Omgevingsdialoog.
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan De initiatiefnemer is voornemens een (Ruimte-voor-Ruimte) woning te realiseren op de gronden gelegen aan de Borne ong., tussen de nummer 44 en 46, te Schijndel. Vanwege de vigerende agrarische bestemming (zonder bouwvlak) is de gewenste oprichting van een woning op het moment niet mogelijk. Onder andere om reden dat het plangebied deel uitmaakt van de bebouwingsconcentratie ‘Borne’ heeft de (voormalige) gemeente Schijndel verklaard (in principe) bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het opstarten van een bestemmingsplanprocedure ten behoeve van de realisatie van het bouwplan. Eén van de voorwaarden om medewerking te verlenen, was dat de veehouderij aan de Borne 46 gesaneerd zou worden. Aan deze voorwaarde is inmiddels voldaan. Zo heeft de eigenaar van de locatie Borne 46 in ruil voor het inleveren van dierrechten ter grootte van 3.500 kg fosfaat, het slopen van minimaal 1.000 m2 aan stalruimte en het intrekken van de milieuvergunning een Ruimte-voor-Ruimte bouwtitel verkregen van de provincie Noord-Brabant (en aanvullend vanwege een tekort van 230,10 m2 van de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voorRuimte). Deze bouwtitel is inmiddels door initiatiefnemer aangekocht om te worden ingezet op onderliggend plangebied, direct gelegen naast de Borne 46.
Verder worden de agrarische bedrijfsgronden aan de Borne 46 herbestemd naar een woonbestemming. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Een en ander blijkt uit de ondertekening door de provincie van bijgevoegd ‘Toetsingsformulier Ruimte voor Ruimte’ en de bijbehorende bewijsstukken (zie bijlage 1). Op het perceel aan de Borne 46 is dus het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan. De met dit bestemmingsplan aangetoonde ruimtelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid heeft betrekking op het bouwplan voor de ontwikkeling van een woning ter plaatse van het plangebied aan de Borne ong, tussen de nummer 44 en 46, te Schijndel.
5
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Borne ong. te Schijndel, tussen Borne 44 en Borne 46. Onderstaande afbeelding betreft een luchtfoto van de huidige situatie. De rode omlijning geeft de ligging en globale begrenzing aan van het onderliggende plangebied. Afbeelding 1: Luchtfoto met plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het bestemmingplan “Landelijk gebied” rusten op het perceel aan de Borne ong. c.q. onderliggend plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Tevens geldt voor de plangronden de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’. Een ander is te herleiden aan de hierna volgende afbeelding welke een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan betreft. De rode omlijning geeft de ligging en globale begrenzing aan van het voorliggende plangebied. Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding “Landelijk Gebied”
6
De gronden bestemd voor ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijf en agrarisch gebruik; b. een aan huis verbonden beroep; c. nevenactiviteiten; d. plattelandswoningen; e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; f. behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de bijbehorende ecologische en landschappelijke waarden; g. water en waterhuishoudkundige doeleinden; h. extensief recreatief medegebruik; i. bed en breakfast; j. doeleinden van openbaar nut; k. erfbeplanting; l. tuinen; m. onverharde paden een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten. Het oprichten van gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan. Buiten het bouwvlak zijn perceelsafscheidingen van maximaal 1 meter hoog en bouwwerken ten behoeve van extensief recreatief medegebruik toegestaan, zoals banken, picknicktafels e.d. van maximaal 2 meter hoog toegestaan. De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de toegekende bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’.
De aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ is voor dit plan met name van belang vanwege het feit dat Ruimte-voor-Ruimte woningen in beginsel bij uitstek binnen als zodanig aangewezen gebieden gebouwd mogen worden. De aanduiding levert evenwel geen specifieke aanvullende eisen of beperkingen op. Tevens vigeert het bestemmingsplan “Landelijk gebied, Herijking”, waardoor op het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’, Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ en Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’ rusten. De met deze dubbelbestemmingen aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen, ensembles en gebieden. Dit zijn waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. De strijdigheid van het bouwplan met het vigerende bestemmingsplan is gelegen in het feit dat ter plaatse van het plangebied een agrarische bestemming geldt en derhalve geen woonbestemming met een bouwvlak.
7
1.4 Doelstelling bestemmingsplan Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Landelijk gebied” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen c.q. de oprichting van een woning planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan legt derhalve een planologische en juridische basis om de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren.
Tot slot geldt dat het bestemmingsplan voldoet aan eisen, zoals gesteld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012).
1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12. Hoofdstuk 13 tenslotte bevat de eindconclusie.
8
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving De planlocatie wordt begrensd door het perceel aan de Borne 44 (noordzijde), een brede sloot (oostzijde), het perceel aan de Borne 46 (zuidzijde) en de Borne (westzijde). De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met weide, akkers, landwegen en boerderijen. In oostelijke richting (op circa 200 meter) begint de kom van het dorp Schijndel. Op een afstand van circa 900 meter ten zuiden is de provinciale weg N618 gelegen en op circa 1,5 kilometer ten noordwesten is de provinciale weg N617 gelegen.
2.2 Huidige situatie plangebied Het plangebied is braakliggend en in gebruik als grasland met enkele knotwilgen, zomereiken en fruitbomen. Er is wel een kleine vervallen stal/schuur met opslagkamer aanwezig. Dit gebouwtje is opgetrokken uit steense muren met een golfplaten dak. De sloten om het terrein hebben relatief steile, onbegroeide oevers. Afbeelding 3: Foto plangebied (bron: Google Streetview)
9
3. Visie op het plan(gebied) 3.1 Doel en hoofdlijnen Randvoorwaarden Ruimte-voor-Ruimte Bij het ontwerpen van de woning en bijgebouw dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor Ruimte-voor-Ruimte ontwikkelingen. Zo moeten de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin passend zijn in de omgeving en moet de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting worden ingepast in het omringende landschap. Dit betekent concreet onder andere dat: • het een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning betreft op een vrije kavel; • de nieuwe woning direct ontsluit op bestaande wegen; • de nieuwe woning er niet voor zorgt dat de kernrandzone dichtslibt; • de doorzichten c.q. zichtlijnen behouden blijven; • de nieuwe woning op een vrij gelegen kavel wordt gerealiseerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de frontbreedte minimaal 30 meter is, direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen. Op basis van stedenbouwkundige argumenten kan hier gemotiveerd met circa 10% van worden afgeweken; • de nieuwe woning geen seriematige bouw kent, maar zich kenmerkt door individuele bouw. Uitgangspunten integraal ontwerp Op basis van de hiervoor genoemde randvoorwaarden is een integraal ontwerp gewenst voor zowel de nieuwe woning als voor de kavel en de tuin.
De volgende aspecten zijn daarbij van belang: • Passend in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woning past in het landschap. Er zijn twee aspecten waarin dit tot uitdrukking dient te komen: 1. de situering en de vormgeving van de nieuwe woning, de kavel en de tuin dienen het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken; 2. de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de nieuwe woning, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuin, dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. • Typologie van de woning In het gehele buitengebied van Schijndel treft men burgerwoningen aan die bestaan uit slechts één bouwlaag met kap. De typologie van de nieuwe woning dient hierbij aan te sluiten, uitgezonderd maatwerk. • Typologie en architectuur tuin ‘Vertuining’ van het platteland dient te worden voorkomen. Daarom is het opstellen van een tuinontwerp verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting dienen te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties, bloemenweiden etc. een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort.
Binnen deze landschappelijke structuren is uiteraard ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk. De landschappelijke inpassing dient zo te zijn dat op de ruime kavel doorzichten naar het landschap blijven bestaan.
10
3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijk inpassing De gemeente Schijndel heeft in 2005 het landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het landschapsontwikkelingsplan heeft een sturende rol in het bestemmen, aanleggen, inrichten en beheren van gebieden. Het behouden, versterken en ontwikkelen van bestaande kwaliteiten en met name kleinschalige landschapselementen alsmede de relatie hiervan met ruimtelijke ordening (onder andere beeldkwaliteit en landinrichting) zijn belangrijke doelen van het LOP. De landschappelijke inpassing van gebouwen is een concretisering van het landschapsontwikkelingsplan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is de initiatiefnemer verplicht om zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Ter facilitering van initiatiefnemers heeft de (voormalige) gemeente Schijndel de ‘Handleiding landschappelijke inpassing’ op-gesteld. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied.
Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Gestreefd is naar een inpassing in het omringende landschap van de tuin en de nieuwe woning door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting. Om zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij het karakter van de omgeving is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2). Dit inpassingsplan is vooraf gegaan door een inventarisatie van de historische ontwikkeling, landschapsanalyses lint en kavel en door referenties uit de omgeving. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een landschaps-/inrichtingsschets. Bij de totstandkoming van het inpassingsplan en de landschaps-/inrichtingsschets is nadrukkelijk rekening gehouden met de conclusies en aanbevelingen uit het in het kader van onderhavig bouwplan uitgevoerde oriënterend onderzoek naar de beschermde flora en fauna (zie bijlage 3 en hoofdstuk 6). De rapportages van Blom Ecologie en KruitKok Landschapsarchitecten hebben geleid tot een gezamenlijk gedragen eindbeeld/-model voor landschappelijke inpassing en versterking.
Een en ander heeft geleid tot een voor een ieder wenselijk plan, waarmee behoud van natuurwaarden is gegarandeerd en er voor de nabije toekomst een duidelijke verbetering van de aanwezige waarden en kwaliteiten kan worden verwacht. Er is zodoende een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Navolgende afbeelding betreft de inrichtingsschets voor de nieuwbouwkavel. Het landschappelijk inpassingsplan dat hieraan ten grondslag ligt, is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting.
11
Afbeelding 4: Landschaps-/inrichtingsschets (bron: KruitKok Landschapsarchitecten)
Landschappelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 3.2 Verordening ruimte 2014, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Dit is geregeld in artikel 7.8, vijfde lid, van de Verordening ruimte 2014. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap.
Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden.
12
3.3 Planbeschrijving De in paragraaf 3.1 genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten voor de oprichting van Ruimte-voor-Ruimte woningen zijn voor onderhavige ontwikkeling in acht genomen. Het definitieve bouwontwerp is inmiddels goedgekeurd door de welstandscommissie. Afbeelding 4: Gevelaanzichten voorziene woonboerderij (bron: Woudstra Architecten)
Ten behoeve van onderhavig woningbouwplan is ook een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, gemaakt. Dit plan en deze schets zijn als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Voor een nadere beschrijving van de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt tevens verwezen naar paragraaf 3.2. De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Borne in de vorm van het toevoegen van een nieuwe woning voorziet in een geringe verandering van de ruimtelijke structuur ter hoogte van het plangebied. Er ontstaat, wat betreft beeldkwaliteit, een samenhangende ruimtelijke structuur met de aan weerszijden aanwezige woningen. Met deze woningen vindt in zekere zin een koppeling plaats. Bovendien zijn de voorziene hoofdmassa en hoofdvorm van de bebouwing afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Door de voorgestelde situering blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen percelen voldoende groot. Het plan is verder niet of nauwelijks van invloed op de parkeerinrichting en infrastructuur. Zo wordt op eigen terrein voorzien in (ruim) voldoende parkeergelegenheid en zal het plangebied op twee plaatsen direct ontsloten worden op de Borne. De hierna volgende uitsnede geeft de situering van de nieuwbouw weer, inclusief de oppervlakte en afstanden.
13
Afbeelding 5: Situatietekening woning-kavel-tuin (bron: Woudstra Architecten)
3.4 Slotconclusie Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk
14
hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie. Geconcludeerd kan worden dat het toevoegen van een woning bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstuk 5.
15
4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten voortaan verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen.
4.2 Rijksbeleid Voor de overzichtelijkheid van het beleid is gekozen voor het uitbrengen van één Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd. Daarbij wordt ingezet op nationale regels met betrekking tot onder andere zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. Doel is om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De inhoud van de AMvB Ruimte moet worden verwerkt in plannen van lagere overheden zoals structuurvisies en bestemmingsplannen van provincies en gemeenten. Het locatiebeleid is uit het Barro meer in algemene zin overgeheveld naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarin is per 1 oktober 2012 in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden: de zogeheten ‘ladder duurzame verstedelijking’. De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten.
De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties die vooral goed ontsloten moeten zijn. Conclusies rijksbeleid voor bestemmingsplan / bouwplan Omdat er sprake is van het omzetten van een agrarische bestemming in een burgerwoonbestemming voorziet het onderliggende plan niet in een ‘woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. De Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling past binnen de provinciale beleidskaders doet bovendien geen afbreuk aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen op het gebied van wonen en volkshuisvesting (zie verder de paragrafen 4.3 en 4.4).
16
Het voorliggende bestemmingsplan sluit aan bij de doelstellingen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) / AMvB Ruimte om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. Het voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het bestemmingsplan niet in strijd met het Rijksbeleid. Het onderhavige plan bevindt zich verder niet in de nationale hoofdstructuur en betreft geen ontwikkeling van landsbelang.
4.3 Provinciaal beleid Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 In de provinciale ‘Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014’ zijn de hoofdlijnen van het Brabantse ruimtelijke beleid uitgewerkt. Het hoofddoel is en blijft dat zorgvuldig omgegaan moet worden met de ruimte. De provincie streeft naar een duurzame ruimtelijke kwaliteit, waarbij de economische, ecologische en sociaal-culturele kwaliteiten met elkaar in balans zijn. Waardoor het voor eenieder prettig wonen, werken en recreëren is in Noord-Brabant. De provincie heeft hiertoe zes leidende principes geformuleerd: 1. concentratie van verstedelijking; 2. inspelen op demografische ontwikkelingen; 3. zorgvuldig ruimtegebruik; 4. meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; 5. betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; 6. versterking van de economische kennisclusters. Het beleid uit de structuurvisie is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de ‘Verordening ruimte Noord-Brabant 2014’ van de provincie. Verordening ruimte Noord-Brabant Het beleid uit de Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de ‘Verordening ruimte Noord-Brabant’ (hierna: VR) van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen.
De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening ruimte is een aantal regels opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig bestemmingsplan. Deze worden hierna besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. Niet alle thematische kaarten zijn relevant voor onderhavig plan. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaart(en) in principe van toepassing is/zijn op het plangebied en welke niet.
17
Tabel: plangebied in thematische kaarten
Kaartnaam Stedelijke ontwikkeling Cultuurhistorie Agrarische ontwikkeling en windturbines Water Natuur en landschap
Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee
Agrarische ontwikkeling en windturbines Binnen het kaartbeeld ‘agrarische ontwikkeling en windturbines’ is het plangebied aangeduid als ‘gemengd landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld. De rode omlijning geeft de ligging en globale begrenzing van het plangebied aan. Afbeelding 6: Uitsnede kaartbeeld ‘agrarische ontwikkeling en windturbines’
De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, die door de gemeente zijn vastgelegd. Binnen die gebieden, waartoe in ieder geval de vestigingsgebieden glastuinbouw behoren, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Het gemengd landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte.
Ontwikkelingen, zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende locaties. Er wordt
18
rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Artikel 7.8 van de VR geeft de voorwaarden waaronder binnen het plangebied het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte worden mogelijk is. Met artikel 7.8 is aansluiting kan gezocht bij de regels uit de ‘Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006’ van de provincie Noord-Brabant. Uit de verantwoording dient te blijken dat: • het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren waarbij artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) niet van toepassing is; • is verzekerd dat is voldaan aan de nader gestelde regels; • er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt – steeds vetgedrukt – gemotiveerd dat voldaan is/wordt aan de gestelde voorwaarden in artikel 7.8 van de VR: 1.
In afwijking van artikel 7.7 eerste lid (wonen) en artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a.
er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Dit is geregeld in artikel 7.8, vijfde lid, van de Verordening ruimte 2014. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstuk 5.
b.
de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; De Structuurvisie Buitengebied van de voormalige gemeente Schijndel maakt er melding van dat op enkele plaatsen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Borne’ de Ruimte-voor-Ruimte regeling kan bijdragen aan het oplossen van ruimtelijke knelpunten. Eén van die knelpunten was de locatie Borne 46. Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. Direct grenzend aan Borne 46 ligt het plangebied voor de nieuwe woning. Zowel Borne 46 als het plangebied vallen binnen de grenzen van de bebouwingsconcentratie ‘Borne’. Verder is hiervoor in paragraaf 3.1 reeds vermeldt dat de onderhavige Ruimte-voorRuimte ontwikkeling voldoet aan de hiervoor gestelde randvoorwaarden:
19
• het handelt om een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning op een vrije kavel; • de nieuwe woning ontsluit direct op bestaande wegen; • de nieuwe woning zorgt er niet voor dat de kernrandzone dichtslibt; • de doorzichten c.q. zichtlijnen blijven behouden; • de nieuwe woning wordt op een vrij gelegen kavel gerealiseerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de frontbreedte minimaal 30 meter is, direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen. Op basis van stedenbouwkundige argumenten kan hier gemotiveerd met circa 10% van worden afgeweken; • de nieuwe woning kan niet bestempeld worden als seriematige bouw, maar kenmerkt zich door individuele bouw.
c.
een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; Een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, maakt onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan. Verwezen wordt naar paragraaf 3.2 en bijlage 2.
d.
er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. De voorziene ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. De VR2014 omschrijft het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ als volgt: ‘nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies’. Het voorgenomen bouwplan voldoet niet aan deze omschrijving. In het verlengde van de constatering dat er op grond van het Bro geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is er volgens de VR2014 ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling of een aanzet daartoe.
2.
Een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst als bedoeld in het eerste lid betekent dat per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.
een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
b.
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;
Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
c.
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen de aanduiding Gebied beperkingen veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;
20
De Structuurvisie Buitengebied van de voormalige gemeente Schijndel maakt er melding van dat op enkele plaatsen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Borne’ de Ruimte-voor-Ruimte regeling kan bijdragen aan het oplossen van ruimtelijke knelpunten. Eén van die knelpunten was de locatie Borne 46. De veehouderij aan de Borne 46 is inmiddels beëindigd, de milieurechten zijn ingeleverd en de agrarische bedrijfsbebouwing is/wordt verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
d.
er tenminste 1000 m2 bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m2 op iedere beëindigingslocatie; Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
e.
de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
f.
de rechten als bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
g.
de omgevingsvergunning milieu op iedere beëindigingslocatie is ingetrokken; Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
h.
een passende herbestemming is gelegd op iedere beëindigingslocatie waarbij in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen is uitgesloten;
21
Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1. De agrarische bedrijfsgronden aan de Borne 46 worden herbestemd naar een woonbestemming.
i.
in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de veehouderij. Op het perceel aan de Borne 46 is het agrarische bedrijf beëindigd, zijn de milieurechten ingeleverd en is/wordt de agrarische bedrijfsbebouwing verwijderd. De provincie Noord-Brabant is inmiddels akkoord met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling op de locatie Borne 46 en is tevens akkoord met het inzetten van de verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavig plangebied. Zie ook bijlage 1.
3.
In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel indien deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
NVT
4.
Het bepaalde onder het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld;
NVT
5.
Artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) is niet van toepassing op een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid. Ten behoeve van onderhavige Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling is enkel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2 en paragraaf 3.2).
22
Cultuurhistorie Binnen het kaartbeeld ‘cultuurhistorie’ is het plangebied aangeduid als ‘cultuurhistorisch vlak’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld. De rode omlijning geeft de ligging en globale begrenzing van het plangebied aan. Afbeelding 7: Uitsnede kaartbeeld ‘agrarische ontwikkeling en windturbines’
De cultuurhistorische vlakken binnen de provincie verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid ervan. De provincie wil de onvervangbare waarden beschermen in de Verordening. Het gaat om de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0). Vanwege de aanduiding als ‘cultuurhistorisch vlak’ dient een bestemmingsplan: • mede gericht te zijn op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; • regels te stellen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken is een drietal dubbelbestemmingen gelegd op het plangebied. Op het onderhavige plangebied rusten derhalve tevens de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’, Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’. Hiermee is recht gedaan aan de waarden en kenmerken van het plangebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
Voor een inhoudelijke behandeling over de aspecten cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting. Daar staat beschreven dat met het bouwplan geen inbreuk wordt gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en dat de voorgenomen landschappelijke inpassing en bebouwing de onderkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zelfs positief zullen beïnvloeden. Conclusies provinciaal beleid voor bestemmingsplan / bouwplan De functie die wordt opgericht geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen, aan de rand van een dorpskern. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande landelijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving.
23
Het Ruimte-voor-Ruimte bouwplan voldoet aan de voorwaarden, zoals genoemd in artikel 7.8 van de VR, en is passend binnen de omgeving en de aanduidingen zoals opgenomen binnen de thema’s ‘agrarische ontwikkelingen en windturbines’ en ‘cultuurhistorie’. Met oprichting van de woning wordt geen afbreuk gedaan aan de ambities die de provincie heeft binnen deze structuren. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die tezamen dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap. Ecologisch adviesbureau Blom Ecologie en KruitKok Landschapsarchitecten hebben de ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kwaliteiten van de plangronden in ogenschouw genomen. De rapportages van Blom Ecologie (zie bijlage 3) en KruitKok Landschapsarchitecten (zie bijlage 2) hebben geleid tot een gezamenlijk gedragen beeld voor landschappelijke inpassing en versterking.
Een en ander heeft geleid tot een plan, waarmee behoud van natuurwaarden is gegarandeerd en er voor de nabije toekomst een duidelijke verbetering van de kwaliteiten op het gebied van flora en fauna kan worden verwacht.
4.4 Gemeentelijk beleid Aangezien met het Landschappelijk inpassingsplan, opgesteld door Blom Ecologie direct aansluiting wordt gezocht met het Landschapsontwikkelingsplan van de (voormalige) gemeente Schijndel, wordt daar aan in dit hoofdstuk geen aandacht besteed. Verwezen wordt naar paragraaf 12 van hoofdstuk 4 van deze toelichting. Tot slot beschikt de gemeente over een aantal integrale en sectorale beleidsdocumenten, waaruit uitgangspunten en criteria zijn af te leiden voor het planvoornemen. Ook deze worden in dit hoofdstuk besproken. De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Het vigerende bestemmingsplan is reeds behandeld in paragraaf 1.3. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de nieuwe Woonvisie Meierijstad, de Structuurvisie Ruimte, de Structuurvisie Buitengebied, de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’, het Groenbeleidsplan, het Gemeentelijk Verkeer- en VervoerPlan, het welstandsbeleid, de Welstandsnota en het Waterplan Schijndel. Visie op de nieuwe gemeente Meierijstad Toetsingskader Het visiedocument geeft aan hoe we de belangen van onze inwoners, bedrijven en instellingen behartigen. Op korte termijn geeft dit toekomstbeeld richting aan de weg die we inslaan naar de totstandkoming van de nieuwe gemeente Meierijstad.
Meer precies als het gaat om het verder uitwerken van de bestuurlijke rol, de inrichting van de organisatie en de dienstverlening per 1 januari 2017.
24
Het is een beeld van de toekomst in 2025. Hoe moet de nieuwe gemeente er dan op sociaalmaatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied uit zien. Het is aan de gemeenteraad van de nieuwe gemeente om definitief ‘ja’ te zeggen tegen dit toekomstbeeld en het verder uit te werken. De visie gaat dus over het beeld van de toekomst. Later komt aan de orde hoe de visie te realiseren. We voeren dan een strategiediscussie: welke keuzes moeten er gemaakt worden om van A naar B te komen. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling doet geen afbreuk aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de ‘Visie op de nieuwe gemeente Meierijstad’. De ontwikkeling is in lijn met het streven van de gemeente Meierijstad naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, gevarieerde en passende woningen. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Visie op de nieuwe gemeente Meierijstad. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Visie op de nieuwe gemeente Meierijstad. Woonvisie Meierijstad (2018) Toetsingskader Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen.
De gemeente streeft, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. De woonvisie van Meierijstad wil richting geven aan wat de gemeente op het gebied van wonen gaat doen, waarbij ze voldoende flexibiliteit wil houden om goed in te kunnen spelen op de veranderingen die komen. De focus ligt op de volgende vier thema’s en de realisatiekracht van de visie: 1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2. wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet.
25
De gemeente Meierijstad wil dat alle inwoners van Meierijstad zo passend mogelijk wonen. Dat er beweging zit in de woningmarkt, zodat de bestaande woningvoorraad zo goed mogelijk wordt benut om in alle woonwensen te voorzien. Nieuwbouw voorziet vooral in die typen woningen die onvoldoende in de bestaande woningvoorraad aanwezig zijn. Bij nieuwbouw wil de gemeente de juiste woningen op de juiste plaatsen toevoegen. Met woningbouwplannen wil de gemeente in de behoefte voorzien en dat de plannen ook daadwerkelijk tot uitvoering komen. De kwantitatieve woningbouwbehoefte voor de kern Schijndel is vastgesteld op 876 woningen. De gemeente biedt ruimte voor die woningbouwaantallen, het is aan bewoners en ontwikkelaars om de plannen te realiseren. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling doet geen afbreuk aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de nieuwe Woonvisie Meierijstad. Vanwege de Ruime-voor-Ruimte grondslag neemt onderliggend bouwplan in zekere zin een uitzonderingspositie in. Zo zijn de reguliere gemeentelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen op het gebied van wonen en volkshuisvesting niet direct van toepassing op het bouwplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de nieuwe Woonvisie Meierijstad.
Structuurvisie Ruimte (2011) Toetsingskader De Structuurvisie Ruimte heeft een duidelijke relatie met de Wet ruimtelijke ordening. Deze wet schrijft namelijk voor dat gemeenten een structuurvisie moeten opstellen voor hun grondgebied. De structuurvisie speelt een cruciale rol bij de integrale onderbouwing van ruimtelijke plannen. Daarnaast legt de structuurvisie een relatie tussen lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Via de structuurvisie heeft de (voormalige) gemeente Schijndel, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, haar lange termijndoelen vast. Bij de totstandkoming van de Structuurvisie Ruimte vormden de volgende vier kernwaarden het uitgangspunt: 1. verdieping van de Strategische Visie ‘Op weg naar ’t skonste plekske in 2020’; 2. behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; 3. regierol voor de gemeente Schijndel; 4. transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes. De Structuurvisie Ruimte is een vertaling van een in 2010 uitgevoerde uitgebreide analyse van zeven thema’s aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die per thema beleidsmatig vertaald zijn. De zeven thema’s zijn: 1. natuur, water en cultuurhistorie; 2. recreatie en toerisme; 3. landbouw en buitengebied; 4. voorzieningen; 5. verkeer en vervoer; 6. werken; 7. Wonen.
26
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Doorwerking plan(gebied) Voor onderhavig plan is slechts relevant dat op beperkte schaal en volgens strenge voorwaarden woningbouw mogelijk is in het buitengebied en dat speciale provinciale regelingen, zoals Ruimte-voor-Ruimte, hierbij van toepassing zijn. In de gemeentelijke visie op de bebouwingsconcentraties (Structuurvisie Buitengebied) zijn de omstandigheden verder uitgewerkt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de verbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Het is de initiatiefnemer van onderhavig plan er alles aan gelegen om aan te sluiten op de gemeentelijke ambitie.
De initiatienemer streeft er dan ook naar om tijdens de planvorming in contact te blijven met de gemeente om tot een definitief plan te komen, waarin wensen, belangen en ambities van alle partijen een plek krijgen. Conclusie In onderhavig plan wordt aan bovenstaande zoveel als mogelijk invulling gegeven aan de doelstellingen en uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Ruimte. In het verlengde hiervan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2). Bij de totstandkoming van het inpassingsplan en de landschaps-/inrichtingsschets is nadrukkelijk rekening gehouden met de conclusies en aanbevelingen uit het in het kader van onderhavig bouwplan uitgevoerde oriënterend onderzoek naar de beschermde flora en fauna (zie bijlage 3 en hoofdstuk 6). Structuurvisie Buitengebied (2011) Toetsingskader Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Borne’. Onderstaande afbeelding bevestigt dit en is ontleend aan de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied, waarin deze bebouwingsconcentraties een plek hebben gekregen. De ligging en globale begrenzing van het plangebied zijn blauw omlijnd. Afbeelding 8: Weergave plangebied in bebouwingsconcentratie ‘Borne’