Plantoelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bedrijventerrein Veghel-West, herziening Dorshout 1 Veghel PLANTOELICHTING NL.IMRO.1948.VHL010BP0012022P-VG01
1
Titel: Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
Bestemmingsplan Bedrijventerrein Veghel-West, herziening Dorshout 1 Veghel 19-10-2023 2021.175 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
INHOUDSOPGAVE 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1
Planvoornemen en doel ........................................................................................................... 5
1.2
Ligging en begrenzing van de plangebied ............................................................................... 7
1.3
Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................... 11
1.4
Leeswijzer .............................................................................................................................. 16
2.
Beschrijving bestaande situatie ..................................................................................................... 18
3.
Visie op het plan ............................................................................................................................ 20 3.1
Inleiding ................................................................................................................................. 20
3.2
Stedenbouwkundige analyse................................................................................................. 20
3.3
Landschappelijke inpassing ................................................................................................... 26
4.
Beleidstoets ................................................................................................................................... 29 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 29 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 29 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 34 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 42
5.
Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................... 55
6.
Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) ................................................... 57
7.
Water ............................................................................................................................................. 61
8.
Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .................... 64
9.
Milieu-hygiënische verantwoording ............................................................................................... 66 9.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 66 9.2 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 66 9.3 Bodem .......................................................................................................................................... 68 9.4 Geluid ........................................................................................................................................... 72 9.5 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................................... 74 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 79 9.7 Externe veiligheid......................................................................................................................... 83 9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .............................................................................. 86
10.
Verkeer en parkeren .................................................................................................................. 88
3
11.
Juridische planopzet .................................................................................................................. 89
11.1
Het bestemmingsplan als juridisch instrument ...................................................................... 89
11.2
Systematiek van de regels .................................................................................................... 89
11.3
Bebouwing algemeen ............................................................................................................ 90
11.4
Toelichting bestemmingen ..................................................................................................... 90
12.
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................... 91
13.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 92
14.
Slotconclusie.............................................................................................................................. 93
Bijlagen 1. Redengevende monumentbeschrijving 2. Bouwhistorisch onderzoek met waardestelling Dorshout 1 te Veghel, Monumentenhuis Brabant, 14-04-2021 3. Stedenbouwkundige en landschappelijke verantwoording erf Dorshout 1 Veghel, Van Doorn Landschap, 24-08-2022 4. Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek, Bureau voor Archeologie, projectnummer: 2021110301, 29-08-2022 5. Ecologische quickscan Wet nb Dorshout te Veghel, Blom Ecologie, projevct: 20211279, 22-12-2021 6. Stikstofdepositieonderzoek Dorshout 1 Veghel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20211690.v01, 10-12-2021 7. Watertoets ter plaatse van Dorshout 1 te Veghel, MILON, projectnummer: 20212524, 10-12-2021 8. Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707, Terra Milieu, projectnummer: 20-332, 05-11-2020 9. Bodemonderzoek naar asbest in bodem Conform NEN 5707 (inclusief samenvatting verkennend bodemonderzoek), Terra Milieu, projectnummer: 20-332N-AIB, 17-122020 10. Nader bodemonderzoek inkadering B12, Terra Milieu, projectnummer: 20-332, 22-122020 11. Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707, Terra Milieu, projectnummer: 22-243 AIB+VBO-W1+2, 04-08-2022 12. Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740, Terra Milieu, projectnummer: 22243 VBO-W3, 04-08-2022 13. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Dorshout 1 Veghel, referentie: 20211689.v01, 10-12-2021 14. Omgevingsdialoog
4
1. Inleiding 1.1 Planvoornemen en doel Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om de aanwezige woonboerderij aan Dorshout 1 te Veghel te splitsen in twee woningen en tevens op het perceel een zestal grondgebonden seniorenwoningen op te richten, verdeeld over een tweetal (schuur)gebouwen. Een en ander wordt voorzien van bijbehorende (groen)inrichting, infrastructuur en voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Het achterliggende landschap wordt ingericht met diverse landschaps- en natuurelementen om de landschappelijke beleving en natuurwaarde te verhogen. Het resterende gedeelte van het perceel (kadastraal nummer 877) wordt, onder meer in samenspraak met Waterschap Aa en Maas, kwalitatief ingevuld middels natuur- en landschapsontwikkeling. Binnen het plangebied staat thans een voormalige woonboerderij met enkele oude schuren. De bijbehorende gronden zijn ingericht als tuin rondom de boerderij en het achterland als weiland. Het plan betreft concreet de herontwikkeling van een bestaande locatie binnen stedelijk gebied, waarbij inbreiding en verdichting plaatsvindt. Het verzoek is in strijd met het geldende bestemmingsplan en daarom is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
Het College van Burgemeester en Wethouders heeft op 12 oktober 2021 besloten in principe, onder voorwaarden, planologische medewerking te verlenen aan de splitsing van de woonboerderij en het realiseren van seniorenwoningen op het achterterrein. Het betreft de volgende voorwaarden: a. Behoud van monumentale boerderij door splitsing en toevoeging van een woning. b. De aanwezige bijgebouwen worden gemoveerd, behalve het bijgebouw aangeduid met A op onderstaande afbeelding, omdat dit gebouw is aangeduid is als gemeentelijk monument. c. Het beoogde nieuwe bouwvolume op het achterterrein moet ondergeschikt zijn aan de bestaande hoofdmassa, met een voorkeur goothoogte van 3,00 meter en een voorkeur nokhoogte van 6,00 meter, voorzien van een ‘forse’ kap. d. De beoogde nieuwe gebouwen mogen niet ten noordoosten van de rode lijn op onderstaande afbeelding worden gesitueerd. e. Het zal conform ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ zijn, de parkeerplaatsen zijn zoveel mogelijk inpandig, in de schuur. f. De ontsluiting van het erf verloopt via de Dorshout, niet via de Hendrikstraat.
5
g. De beoogde woningen op het achterterrein zullen in het sociale en middeldure segment vallen. h. Minimaal 25% van de toegevoegde woningen zal sociale huur zijn. i. De beoogde woningen op het achterterrein zullen ‘grondgebonden seniorenwoningen’ zijn. j. Per vierkante meter uitbreiding van verharding (en bebouwing) moet 60 mm berging voor hemelwater getroffen worden op eigen terrein. k. De agrarische bestemming wordt herbestemd naar natuur / groen / water en wordt ingericht volgens een nader op te stellen landschapsinrichtingsplan. Tevens dient te worden onderzocht of de natuur openbaar toegankelijk wordt.
6
Doelstelling van onderhavig bestemmingsplan is om de realisatie van het onderliggende bouwplan planologisch en juridisch mogelijk te maken. Uit deze plantoelichting blijkt dat het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor het plangebied en de directe omgeving ervan en dat aan de door gemeente gestelde voorwaarden wordt voldaan. In dit kader zijn de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de ontwikkeling nader beschouwd. Ook blijkt hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Kortom, het bestemmingsplan onderbouwt dat het (bouw)plan past binnen het betrokken gebied. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van de afwijking(en) van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. 1.2 Ligging en begrenzing van de plangebied Initiatiefnemer is eigenaar van de gronden met opstallen gelegen aan Dorshout 1 te Veghel, kadastraal bekend als gemeente Veghel, sectie K en nummers 876, 877 en 3238; zie navolgende kadastrale ondergrond met ingekleurd het betreffende eigendom c.q. het plangebied.
7
Het plangebied ligt aan de westzijde van de woonkern van Veghel, ingeklemd tussen de agrarische gronden aan de noordwestzijde, rivier de Aa aan de noordoostzijde, de Hendrikstraat aan de zuidoostzijde en de Dorshout aan de zuidwestzijde. Op navolgende luchtfoto (maps.google.nl) zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.
8
9
Op navolgende afbeelding is weergegeven welke bebouwing aanwezig is en welke daarvan zal worden geamoveerd in het kader van onderhavig planvoornemen.
10
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied gelden de aanvullende regels vanuit het bestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit” van de gemeente Meierijstad en vigeert de regelgeving met verbeelding van het bestemmingsplan van de voormalige gemeente Veghel “Bedrijventerrein Veghel-West”. Zoals te zien is op navolgende uitsnede van het vigerende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Veghel-West” uit 2013 gelden binnen het plangebied de bestemming ‘Wonen’ met de aanduidingen ‘bouwvlak’, ‘vrijstaand’, ‘erf’, ‘tuin’ en de vastgestelde maatvoering, de bestemming ‘Agrarisch’ en dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op een strook naast de rivier de Aa gelden tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’ en de aanduiding ‘wro-zone – zoekgebied voor behoud en herstel watersysteem’.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in woningen; b. de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot een oppervlakte van maximaal 40% op het begane grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van: 1. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 750 m², maar niet groter dan 1.250 m², 60 m²;
11
2. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 1.250 m², 75 m²; 3. in alle andere gevallen, 45 m²; c. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor', een kantoor; met de daarbij behorende: d. ter plaatse van de aanduiding 'tuin', tuinen; e. ter plaatse van de aanduiding 'erf', erven; f. groen- en speelvoorzieningen; g. voorzieningen van algemeen nut; h. parkeervoorzieningen; i. waterlopen en waterpartijen; j. waterhuishoudkundige voorzieningen; k. werken, geen bouwwerken zijnde zoals de aanleg van verhardingen ten behoeve van paden (waaronder brandgangen), in- en uitritten, terrassen en de aanleg van siertuin en/of gazon, alsmede parkeerplaatsen. Voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. als hoofdgebouw mogen uitsluitend worden gebouwd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': vrijstaande woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen': twee-aaneen gebouwde woningen; 3. 'aaneengebouwd': 3 of meer aaneengebouwde woningen; c. de voorgevels van hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd in de voorste bouwvlakgrens.
Indien bij een hoekperceel twee bouwgrenzen naar de gronden met de aanduiding 'tuin' dan wel naar de weg zijn gekeerd, dan dient de voorgevel te worden gebouwd in de bouwvlakgrens, welke zoveel mogelijk een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging ten opzichte van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen op de naastgelegen percelen heeft; d. de afstand van achtergevels van hoofdgebouwen tot de achterste perceelsgrens dienen minimaal 5 meter te bedragen met inachtneming van het bepaalde in sub i; e. als hoogte van het hoofdgebouw gelden de als maximale goot- en bouwhoogte opgenomen maten, met dien verstande dat de maximale goothoogte van de achtergevel van het hoofdgebouw 2 m¹ meer mag bedragen dan de op de verbeelding opgenomen maat; f. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' dient de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan beide zijden minimaal 3 m¹ te bedragen, met inachtneming van het bepaalde in sub i;
12
g. ter plaatse van de aanduidingen 'twee-aaneen' dient de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 m¹ aan één zijde te bedragen, met inachtneming van het bepaalde in sub i; h. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient bij hoekwoningen van aaneengebouwde woningen minimaal 3 m¹ aan één zijde te bedragen, met inachtneming van het bepaalde in sub i; i. indien sprake is van een geringere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan, is deze geringere afstand van toepassing. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering; b. recreatief medegebruik; c. infrastructurele voorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; e. voorzieningen van algemeen nut; f. tuinen en erven; g. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,5 m¹ bedragen; b. de hoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 2,5 m¹ bedragen, mits niet gelegen voor de voorste bouwvlakgrens van belendende bestemmingen; c. de hoogte van verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten mag niet meer dan 8 m¹ bedragen; d. de hoogte van de andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak mag niet meer dan 2,5 m¹ bedragen.
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ten aanzien van de gebiedsaanduiding ‘Wro-zone - Zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen’ geldt het volgende: a. Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding 'wro-zone zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde,
13
of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk; 2. het ophogen van gronden. b. Alvorens de vergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag advies in bij het betrokken waterschapsbestuur. Strijdigheid (bouw)plan met vigerend bestemmingsplan Het plan ziet op de splitsing van een bestaande woonboerderij en de oprichting van nieuwe seniorenwoningen op gronden die daar tot op heden niet voor zijn bestemd. De nieuwe woningen worden opgericht buiten het bouwvlak en overschrijden het maximum aantal toegestane woningen ter plaatse. Voor de woningsplitsing kan niet worden aangesloten op de regelgeving uit het bestemmingsplan “Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit”, omdat deze (binnenplanse) afwijkingsprocedure op grond van artikel 7.18 van het bestemmingsplan enkel kan worden toegepast op woningen in het buitengebied. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de grenzen van de kern van Veghel c.q. de bebouwde kom. Ook al is artikel 7.18 niet rechtstreeks van toepassing, toch kan worden getoetst aan de voorwaarden / criteria als genoemd in dat artikel. Hierna is in cursieve bewoordingen gemotiveerd dat wordt voldaan aan alle genoemde voorwaarden / criteria.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 7.2 en een omgevingsvergunning te verlenen voor een toename van het bestaande aantal woningen, ten behoeve van de splitsing van de voormalige boerderij in maximaal twee woningen, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. splitsing is uitsluitend toegestaan bij panden die aangetoond cultuurhistorische of monumentale waarden hebben, al dan niet aangeduid in een bestemmingsplan; De ‘redengevende monumentbeschrijving’ en het ‘bouwhistorisch onderzoek met waardestelling’ zijn bijgevoegd als respectievelijk bijlagen 1 en 2. De cultuurhistorische en monumentale waarde is aangetoond. Aan de gestelde voorwaarde is derhalve voldaan. b. er dient met behulp van een bouwhistorisch onderzoek aangetoond te worden dat de splitsing bijdraagt aan de instandhouding of het versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden; hiervoor wordt advies gevraagd een deskundigen, zoals de Monumentencommissie;
14
De ‘redengevende monumentbeschrijving’ en het ‘bouwhistorisch onderzoek met waardestelling’ zijn bijgevoegd als respectievelijk bijlagen 1 en 2. De cultuurhistorische en monumentale waarde is aangetoond. Aan de gestelde voorwaarde is derhalve voldaan. c. het bestaande architectonische karakter en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet worden aangetast; De interne verbouwing wordt uitgevoerd onder architectonische begeleiding. Van aantasting van het bestaande architectonische karakter en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden is geen sprake. Aan de gestelde voorwaarde is derhalve voldaan. d. de bouwmassa van de voormalige agrarische bedrijfswoning dient een inhoud te hebben van ten minste 900 m³; De inhoud van de woning bedraagt circa 2.400 m3. Aan de gestelde voorwaarde is derhalve voldaan. e. de woningen dienen (na de splitsing) een inhoud te hebben van minimaal 450 m3 per woning; Beide woningen hebben na splitsing een inhoud van circa 1.200 m3. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. f. de bestaande bebouwde oppervlakte van de woonboerderij (inclusief de inpandige stal/het inpandig deel) mag niet worden vergroot De bestaande oppervlakte van de woonboerderij wordt niet vergroot. Er is in hoofdzaak sprake van een interne verbouwing. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. g.
er wordt een bouwperceel op maat gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing; Bouwtechnisch gezien is sprake van een logische splitsing, ook wat betreft kavelverdeling. Het aanwezige bijgebouw zal in gesplitste vorm als bijgebouwen gaan fungeren van de nieuwe woningen. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. h. artikel 7.4 is hier van toepassing voor het toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken per woning; Per woning is maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. i. voor de overmaat aan bebouwing geldt dat deze moet worden gesloopt. De generieke sloop-bonus regeling voor vergroten oppervlakte bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus), artikel 7.15 is hier van toepassing; Er is geen sprake van overtollige bebouwing of een overmaat aan bebouwing. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. j. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante
15
(milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie; Aangezien in hoofdzaak sprake is van een interne verbouwing, er geen sprake is van bodemgraafwerkzaamheden en ook niet van een toename van bebouwing / verharding kan op voorhand worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten heeft. Wel wordt hierbij opgemerkt dat een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai wordt uitgevoerd. Alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten worden nader onderbouwd in de hoofdstukken 5 tot en met 10 van deze plantoelichting. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Door de voorgenomen boerderijsplitsing vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van omwonenden. In de directe nabijheid zijn geen agrarische of niet-agrarische bedrijven gevestigd die in hun belangen geschaad kunnen worden. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. l. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan.
Verwezen wordt naar hoofdstuk 3 van deze plantoelichting en het bijgevoegde landschappelijk inrichtingsvoorstel. Aan de gestelde voorwaarde is voldaan. En, indien er sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf: m. splitsing van een woning is alleen toegestaan, indien het agrarische of niet-agrarische bedrijf wordt beëindigd. Dit geldt niet voor bedrijven aan huis. Deze voorwaarde is niet van toepassing aangezien sprake is van een woonbestemming. In onderhavige plantoelichting wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. 1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hierin is tevens aandacht voor beeldkwaliet, stedenbouwkundig plan en de landschappelijke inpassing van het
16
planvoornemen. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Het hoofdstuk 5 tot en met 10 gaat in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11, de onderdelen economische uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 13. Hoofdstuk 14 tot slot bevat de conclusie.
17
2. Beschrijving bestaande situatie Het plangebied ligt centraal binnen Veghel. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de woonkern van Veghel en ten westen van het plangebied bevindt zich bedrijventerrein De Amert. Vanuit het plangebied begint richting het noorden / noordwesten het buitengebied. Navolgend kaartbeeld betreft een weergave van de plangebied in relatie tot de wijde omgeving.
De straat Dorshout is een agrarisch gehucht met grote boerenhoeven aan de rand van Veghel. Rondom Dorshout ligt een kleinschalig beekdallandschap van de Aa. Dit landschap vormt een groene oase tussen de stedelijke randen van Veghel. Ten zuiden ligt de Oranjewijk, ten oosten de Vijverwijk en ten westen Bedrijventerrein De Amert. De agrarische activiteiten in dit gebied zijn afgenomen, maar veel van de oude boerderijen zijn bewaard gebleven en omgevormd tot woonboerderijen. In het landschap zijn diverse kleinschalige agrarische activiteiten, zoals het (hobbymatig) houden van kleindieren en het hooien van gras. De uitstraling van dit landschap is groen en landelijk. Het perceel vormt het eerste landelijke kavel aan de rand van de Oranjewijk. De woningen aan de Hendrikstraat kijken direct uit op het kavel. Het parkeren van de auto’s is georganiseerd aan de buitenrand van de straat met enkele bomen (ver uit elkaar). Alhoewel er een landschapshaag staat tussen
18
het perceel en Oranjewijk voelt de overgang van deze twee verschillende gebieden als vrij hard. Aan de achterzijde ligt de Aa. Deze gekanaliseerde beek stroomt door Veghel en ligt vrij diep in het profiel. De gronden direct naast de beek worden beemden genoemd. Deze waren over het algemeen nat en alleen geschikt om in de zomer te hooien en koeien te laten grazen. Het perceel aan de Dorshout is zo’n beemdgrond. Het plangebied omvat weinig landschapselementen. Aan de rand staan enkele hagen. Overige inrichting is voornamelijk gras en zanderf.
19
3. Visie op het plan 3.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningsplitsing en het oprichten van een zestal gelijkvloerse seniorenwoningen, verdeeld over een tweetal (schuur)gebouwen. Voorliggend initiatief gaat uit van inbreiding, herstructurering, verdichting en herontwikkeling van een bestaande stedelijke locatie. Het (bouw)plan streeft daarmee zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Hiermee wordt expliciet aangesloten bij de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen. 3.2 Stedenbouwkundige analyse Om de mogelijkheid te onderzoeken of het toevoegen van massa (bebouwing) wenselijk/mogelijk is, is een stedenbouwkundige analyse uitgevoerd door Van Dooren Landschap (zie bijlage 3). Allereerst is gekeken naar de ontwikkeling van het lint Dorshout, daarna is gekeken naar de directe omgeving in relatie tot het plangebied. Bebouwingsconcentratie Het gebied rondom Dorshout is ontstaan door agrarische activiteiten aan de rand van het beekdal van de Aa. Rond 1850 zien we reeds agrarische activiteiten in het landschap. De ontginningen kenmerkte de landschappelijke structuur. Langs de beek op de dekzandrug lag een concentratie aan agrarische bebouwing in combinatie met de gemeenschappelijke akkers. Rondom de boerenerven lagen de akkers. Achter deze akkers in het beekdal lagen de weides voor het vee.
De randen van de weides en gemeenschappelijke akkers waren beplant met landschapselementen zoals hagen, singels en bomenrijen voor gerief. De erven waren beplant met struweel en boomgaarden. Door de jaren heen zijn boerderijen verdwenen, verplaatst of herbouwd. Ook zijn diverse bovenplanse elementen in de omgeving toegevoegd, zoals het ‘Duits Lijntje’, de woonwijken en industrieterreinen van Veghel. Tot strak langs de perceelsgrens van het plangebied ligt de wijk Oranjewijk. Het voordeel van de woonwijk dichtbij is dat de schaalvergroting van de agrarische sector in dit gebied weinig tot niet heeft plaatsgevonden. De oude structuren zijn nog intact of herkenbaar. Zo ook de oude boerderijen. Dit maakt het gebied waardevol en kenmerkend.
20
Ruimtelijke analyse
Omgevingsstudie Dorshout 1 Veghel Het plangebied wordt omgeven door 4 verschillende gebieden, namelijk een woonwijk, een straat met vrijstaande woningen, agrarisch cultuurland en de beek de Aa. Ieder heeft zijn eigen karakter en weerslag op het plangebied. De woonwijk is recent opnieuw gebouwd, waarbij de woningen in de rand (Hendrikstraat) over de volle lengte uitkijken op het agrarisch cultuurlandschap. De straat met parkeren wordt gescheiden door een haag van voornamelijk liguster en een enkele boom. Aan de overzijde van de boerderij staan een aantal vrijstaande woningen op een ruim kavel met een groene tuin. De woningen zijn eigentijds en hebben verder geen affiniteit met het agrarische bouwlint in architectuur of vorm. De straat is ruim, landelijk en heeft een groene uitstaling. Vanuit de woonwijk krijgt men het gevoel richting het buitengebied te rijden.
21
Ten noorden van het plangebied ligt het agrarisch cultuurlandschap met diverse woonboerderijen en bijbehorende schuren. De erven zijn groen met typerende elementen, zoals boomgaarden, landschapsbomen, groentetuin en pluktuinen en vaak omgeven door hagen en stingels. Tussen de boerderijen en erven is doorzicht op het achterliggende landschap. Deze bestaan uit voornamelijk weides voor kleindieren (schapen en paarden) of om te hooien. De beek de Aa ligt aan de noordoostzijde. Vanaf Dorshout is de beek nauwelijks te ervaren. De beek snijdt diep door het landschap en heeft nauwelijks begeleidende of kenmerkende beplanting. Uitgangspunten planvorming Initiatiefnemer heeft nieuwe wensen voor de invulling van het plangebied. Onderstaand een opsomming: Woonboerderij • Splitsen van de monumentale boerderij met behoud van het achterliggend bijgebouw; • Tuin van minimaal 1.000 m² voor iedere woning; • Mogelijkheid tot behoud van eigen inrit of een nieuwe inrit gekoppeld aan de nieuwe weg naar het nieuwe erf.
Schuurwoningen • 2 schuurwoningen met ieder 3 grondgebonden van circa 75 m² vloeroppervlakte; • Ieder appartement heeft een eigen achtertuin van circa 75 m²; • Grondgebonden, middelduur en 25% sociale huur • Parkeren van minimaal 1 auto dichtbij de woning, bij voorkeur overdekt; • Schuurwoningen en samenhang met monumentale boerderij, zowel architectonisch als stedenbouwkundig; Parkeerschuur • Ten behoeve van het parkeren van de auto’s van de bewoners van de schuurwoningen; • Mogelijkheid voor opslag van divers (landbouw)materieel voor onderhoud perceel; • Mogelijkheid voor realiseren bergingen; • Dient als schuilgelegenheid voor kleindieren Landschap • Respect voor het cultuurhistorisch landschap;
22
• • • •
Ecologische meerwaarde verhogen nabij de beek de Aa; Onderhoudspad via eigen terrein; Zicht en beleving vanaf de Hendrikstraat op het landschap en erf wenselijk, maar geen betreding van het landschap. Woonerf met gemeenschappelijke ruimte voor schuurwoningen.
Navolgende afbeeldingen betreffen twee 3d-impressies en een dwarsdoorsnede van de invulling van het plangebied met de gewenste schuurwoningen (bron: Woudstra architecten).
23
Beoogde ontwikkeling Initiatiefnemer beoogt een ontwikkeling met wonen op een ruim groen boerenerf met een meerwaarde voor landschap, cultuurhistorie en ecologie. Een duidelijke overgang van boerderij naar de Aa met vier thema’s, namelijk: 1. De boerderij 2. Het achtererf 3. Het cultuurlandschap 4. De natte ecologische stapstee
24
Navolgende afbeelding geeft de vier thema’s in kaart weer. Het kaartbeeld is ontleend aan ‘Stedenbouwkundige en landschappelijke verantwoording erf Dorshout 1 Veghel’ van Van Dooren Landschap.
Aan de straat Dorshout blijft de monumentale boerderij behouden en bergt twee woonfuncties met ieder een eigen tuin en bijgebouw. Aan de oostzijde is ruimte om een nieuwe entree richting het achtererf te maken. Het achtererf wordt gevormd door een gemeenschappelijke groene ruimte waar twee schuurwoningen zijn gesitueerd. De schuurwoningen staan met de voorzijde richting de gemeenschappelijke ruimte en daarmee ook naar de Hendrikstraat. Achter op het erf staat de schuur voor de kleindieren als afronding van het achtererf. Het cultuurlandschap wordt gevormd door weides met randbeplanting. Dit landschap heeft geen economisch doel, maar meer een cultuurhistorisch en ecologisch doel. De aanleg van diverse soorten beplanting vormt een meerwaarde voor de lokale biodiversiteit. Dit
25
landschap gaat over in de natte ecologische stapsteen, als onderdeel van de ecologische verbindingszone van de Aa. 3.3 Landschappelijke inpassing Het voorstel kenmerkt zich door typische boerenerfelementen en -beplanting rondom de boerderij en het erf en beekdallandschapselementen streekeigen beplanting op het achterland. Rondom de boerderij blijft de structuur en waarde zoveel mogelijk gehandhaafd. De haag rondom de boerderij blijft behouden in combinatie met de kenmerkende leilinden. In de tuin staat een markante okkernoot, een typische erfboom. Ook deze blijft gehandhaafd. Rondom de achtertuin van de twee nieuwe woningen wordt een groene hoge haag geplant om de privacy voor de bewoners te waarborgen. Ten zuiden van de boerderij komt een nieuwe toegang tot het achtererf. Deze ligt op gepaste afstand van de bestaande kruising en van de woning (boerderij). De toegang bestaat uit een stabiele halfverharding, zoals Achterhoeks Padvast (stabiel, duurzaam en water infiltrerend) en wordt begeleid door een bomenrij. Via de toegang komt men op het achtererf. Deze bestaat uit een omhaagde fruitgaard met hoogstamfruitbomen en botanisch grasland. Rondom de fruitgaard staan de twee schuurwoningen met ieder drie appartementen. Via een pad achterom kunnen bewoners hun woning bereiken. De tuinen en paden worden afgeschermd door een gemengde haag.
Immers het zicht op het achterland vanuit de tuin is een woonkwaliteit. Achter het achtererf ligt een botanische weide. De weide wordt afgeschermd door een gemengde haag (deels bestaand). Over het perceel loopt een nieuwe greppel met bomenrij. Deze greppel kan dienst doen als waterinfiltratie voor het regenwater wat op de daken valt. De bomenrij biedt visueel beschutting voor de bewoners op het achtererf (gezien vanaf passanten Hendrikstraat, Beatrixsingel en Dr. Van der Voortsingel). De weide wordt afgeschermd met een afrastering, waardoor het grasland extensief begraasd kan worden door kleindieren. Achter op het achtererf, nog vóór de plaats waar nu reeds een grote, oude schuur staat, is een ‘parkeerschuur’ voorzien. De schuur dient voor het parkeren van een deel van de auto’s van de bewoners die op deze manier aan het zicht worden onttrokken. Ook kunnen de bergingen in de schuur worden aangebracht en vindt er opslag van materieel plaats dat
26
nodig is voor het onderhoud van het achterland. Op deze wijze worden de geparkeerde auto’s aan het zicht onttrokken en verder is het zo dat nu ook reeds een schuur aanwezig is.
Impressies van de parkeerschuur Het deel naast de beek de Aa vormt een natte ecologische stapsteen. Een natte laagte met een amfibieënpoel met flauw talud en een nat-dras zone. De kavelgrens wordt benadrukt met knotwilgen en op het terrein staan enkele solitaire landschapsbomen. Deze bomen zijn zo gepositioneerd dat deze geen belemmering vormen voor onderhoud en schaduw op de poel. Dit deel zal in samenwerking met diverse natuurorganisaties nader uitgewerkt worden.
27
Voor een verdere toelichting op het landschappelijke inpassingsplan en referentiebeelden wordt verwezen naar ‘Stedenbouwkundige en landschappelijke verantwoording erf Dorshout 1 Veghel’ van Van Dooren Landschap, welke als bijlage 3 aan deze plantoelichting is toegevoegd.
28
4. Beleidstoets 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 4.2 Rijksbeleid Toetsingskader Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven.
Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken.
29
Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit.
Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
30
Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(locatie) Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de NOVI, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een
31
motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd.
Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt:
32
bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(locatie) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.
De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Marktsituatie De gemeente Meierijstad streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw (zie paragraaf 4.4). Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid in kleine kernen. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. In het plan is een groot aandeel levensloopbestendige woningen opgenomen. Deze woningen zijn bedoeld voor senioren die op deze manier de kans krijgen om in een passende woning aan de rand van het centrum te wonen. De verhuisbewegingen van senioren zorgen ervoor dat eengezinswoningen in het dorp vrij komen voor andere doelgroepen, zoals starters en gezinnen.
33
Samengevat kunnen we stellen dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied? Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het woningbouwplan in eerste instantie bedoeld voor de groeibehoefte van de kern Veghel, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen. Aangezien de nieuwe woningen gesitueerd worden in de bestaande kern van Veghel is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een inbreidingslocatie. Het bestaand stedelijk gebied wordt niet in oppervlakte uitgebreid. Het betekent ook dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik en niet leiden tot overprogrammering. Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In dit kader doet het plan geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Meierijstad.
Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 (gemeentelijk beleid). 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’.
34
Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik.
Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.
35
Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp) Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een zestal mogelijk van toepassing zijnde thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht.
Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Instructieregels voor gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Instructieregels voor gemeenten: natuur en stiltegebieden Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, veiligheid en -berging
Van toepassing Ja Nee Ja Ja Ja Nee
36
Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: basiskaart’ is het plangebied aangeduid als ‘Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. In de Omgevingsverordening is bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling in principe alleen in (bestaand) stedelijk gebied mogen vallen. Bestaand stedelijk gebied is het bestaande ruimtebeslag van een kern voor een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. De verordening vereist dat in de gemeentelijke planvorming – zowel in de stedelijke concentratiegebieden als in de kernen in landelijk gebied – wordt verantwoord dat de ruimtelijke mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk worden benut. Deze verantwoording dient gebaseerd te zijn op onderzoek dan wel op concreet beleid vastgelegd in een gemeentelijke structuurvisie. Het accent ligt op inbreiden en herstructureren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. De artikelen ten aanzien van het Stedelijk
37
gebied bevatten regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(gebied) De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en verdichting en op herstructurering en herontwikkeling, gecombineerd met een landschappelijke inpassing. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na.
Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt in het bestaand stedelijk concentratiegebied van de provincie NoordBrabant en vormt een inbreidingslocatie. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt daarmee aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren).
38
Instructieregels voor gemeenten: natuur en stiltegebieden Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: natuur en stiltegebieden’ is het plangebied aangeduid als ‘Behoud en herstel van watersystemen’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Ten aanzien van de plekken met de aanduiding 'Behoud en herstel watersystemen' geldt dat deze zijn gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op: • waterlopen met de functie waternatuur, • (natte) ecologische verbindingszones en • gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. In deze gebieden is het beleid vanuit een regionaal belang gericht op behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem. Binnen de gebieden zijn of worden maatregelen uitgevoerd op het gebied van de morfologie, zoals het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel. Daarom is ook ruimte naast de waterloop nodig om de maatregelen goed uit te kunnen voeren. Veel van de maatregelen zijn ook een verplichting die voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Binnen de gebieden gelden beperkingen voor functies en activiteiten die het realiseren van watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. De gemeente stelt hiervoor regels en betrekt daarbij ook de belangen van het waterschap. Dit overleg heeft ook betrekking op de exacte reikwijdte van het beschermingsregiem. In sommige gevallen zijn inrichtingsmaatregelen bijvoorbeeld al voorzien aan één zijde van de waterloop en is bescherming aan de andere zijde niet meer over de volle breedte noodzakelijk.