CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderliggend document 1 Rapport totstandkoming actualisatie BAAC (Geanonimiseerd)

Raadsvergadering 10 april 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling archeologische beleidskaart en gewijzigde vaststelling bestemmingsplan archeologie39.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

co

RVECOEUR.

Paid

7

{

N vodden

Plniseol

roa

BAAC:

/

ADVIESBUREAU

Fin

oelen

ee

Je

Fl

NW

Gemeente

Meierijstad Archeologische inventarisatiebeleidskaart,

een

Auteur:

(geanonimiseerd) |

en

actualisatie

Status:

definitief BAAC

Rapport

V-19.007

}

november 2022 ke:

Ù

ger

Crool

Letter

ct t

#

hd

L

IMFTI

ProjectV-19. 0072

2

Colofon ISSN:

1873-9350

Auteur(s):

(geanonimise rd)

Cartografie: Redactie:

Copyright:

Gemeente

Meierijstad Hertogenbosch

Autorisatie (senior

® BAAC,

archeoloog):

(geanonimiseerd) |

(geanonimiseerd)

‘s-Hertogenbosch (2022)

BAAC

aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC

/ BAAC te 's-

uit de

toepassing

van

de adviezen of het

bv

Onderzoeks-

en

adviesbureau voor

Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur-

en

Cultuurhistorie Graaf van

Solmsweg

Postbus 2015

103

5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel: (073) 61 36 219

7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55

Fax: (073) 61 49 877

Fax:

E-mail: denbosch@baac.nl

E-mail: deventer@baac.nl

(0570) 61

Archeologische inventarisatie- en

84 30

beleidskaart gemeente

Meierijstad

IiFEll

ProjectV-19. 0072

4

Administratieve gegevens Provincie:

Noord-Brabant

Gemeente:

Meierijstad

Datum

opdracht:

27

Datum

definitief rapport:

4 november

Uitvoerder:

januari

2019 2022

BAAC

bv, vestiging ‘s-Hertogenbosch

Graaf

van

5222 BS

Solmsweg 103 ‘s-Hertogenbosch

tel. 073-6136219

Projectleider:

(geanonimiseerd)

Auteurs:

(geanonimiseerd)

BAAC-projectnummer:

V-19.0072

Beheer documentatie:

BAAC

bv te

Opdrachtgever:

Gemeente

Archeologische inventarisatie-

‘s-Hertogenbosch Meierijstad

en

beleidskaart gemeente

Meierijstad

Inhoud Administratieve gegevens

5

Inhoud

7

1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidskaart 1.1.2 Aanleiding actualisatie 1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen 1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz 1.2.3 De Erfgoedwet 1.2.4 De Omgevingswet 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente 1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening 1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid 1.5 Gemeentelijk archeologische inventarisatie- en beleidskaart 1.6 Ligging van het gebied 1.7 Leeswijzer

11 11 11 12 14 14 14 15 17 17 19 19 21 21 22

2

Onderzoeksopzet 2.1 Inleiding 2.2 Archeologische inventarisatie 2.3 Landschappelijke en bodemkundige inventarisatie 2.4 Inventarisatie conflictarcheologie 2.5 De archeologische inventarisatiekaarten 2.6 Verstoringen en gebieden met geringe informatie 2.7 De archeologische beleidskaart 2.8 Beperkingen van een inventarisatiekaart

23 23 24 25 26 29 33 34 35

3

Oorlogserfgoed 3.1 Inleiding 3.2. De Eerste Coalitieoorlog tegen Frankrijk 3.3. De Tweede Wereldoorlog 3.3.1 Mobilisatie 1939-1940 en de eerste oorlogsdagen in 1940 3.3.2 Bezetting 3.3.3 Frontperiode (1944-1945) 3.3.4 Na de bevrijding 3.3. De Koude Oorlog 3.3.1 Inleiding 3.3.2 Koude Oorlog in de gemeente Meierijstad

37 37 38 38 38 40 42 45 46 46 47

4

Vindplaatsenkaart 4.1 Inleiding

49 49

7

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

5

6

4.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen 4.2.1 Waarnemingen in Archis 4.2.2 Archeologische monumentenkaart 4.3 Inventarisatie van overige bronnen 4.3.1 Archeologische onderzoeken 4.3.2 Historische bronnen

49 49 52 52 52 53

De totstandkoming van de Archeologische inventarisatiekaarten 5.1 Inleiding 5.2 De Archeolandschappelijke eenhedenkaart 5.2.1 Bestaande landschappelijke eenhedenkaarten 5.2.2 Geomorfologische kaart 5.2.3 Actueel Hoogtebestand Nederland 5.2.4 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten 5.2.5 Bodemverstoringen 5.2.6 De Archeolandschappelijke eenheden 5.3 De Bodemkaart 5.3.1 Bodemkaarten 5.3.2 Historische kaarten 5.3.3 De bodemeenheden 5.4 De verwachtingsmodellen 5.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden 5.4.2 Jagers en Verzamelaars; het locatiekeuze model 5.4.3 Jagers en Verzamelaars; de afstand tot water 5.4.4 De inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars 5.4.5 De vroege landbouwsamenleving; het locatiekeuze model 5.4.6 De inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenleving 5.4.7 De late landbouwsamenleving; het locatiekeuze model 5.4.8 De inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving 5.4.9 De Staatssamenleving; het locatiekeuze model 5.4.10 De inventarisatiekaart voor de Staatssamenleving 5.5 De gaafheid van vindplaatsen 5.6 Beperkingen

55 55 55 56 56 57 58 58 60 61 61 62 62 65 65 66 69 71 74

Archeologie en beleid 6.1 Inleiding 6.2 Archeologiebeleid in de gemeente Meierijstad 6.2.1 Voormalig instrumentarium 6.2.2 Bevoegd gezag, nieuw instrumentarium 6.2.3 Verplichtingen en keuzemogelijkheden 6.3 Het archeologische traject 6.3.1 Algemeen 6.3.2 Bureauonderzoek (stap 1) 6.3.3 Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) 6.3.4 Behoud (stap 3) 6.3.5 Behoud ex situ 6.3.6 Vrijgeven 6.4 De beleidskaart 6.4.1 Algemeen

97 97 98 98 99 100 104 104 104 105 107 108 109 109 109

Project V-19.0072

79 82 85 88 91 94 95

8

7

6.4.2 Categorie 1 6.4.3 Categorie 2 6.4.4 Categorie 3 6.4.5 Categorie 4 6.4.6 Categorie 5 6.4.7 Categorie 6 6.4.8 Categorie 7 6.4.9 Categorie 8 6.4.11 Categorie 9a 6.4.11 Categorie 9b 6.5 Toevalsvondsten 6.6 Vergunningen en vrijstellingen 6.7 Conclusie

111 111 112 112 113 113 114 114 115 115 115 116 119

Geraadpleegde bronnen

121

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11

Bijlage 12

9

Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken Vindplaatsenkaart Militaire relictenkaart Archeolandschappelijke eenhedenkaart Vereenvoudigde Bodemkaart Archeologische inventarisatiekaart Gemeente Meierijstad Kaart 1; Jagers en verzamelaars Archeologische inventarisatiekaart Gemeente Meierijstad Kaart 2; Vroege Landbouwsamenleving Archeologische inventarisatiekaart Gemeente Meierijstad Kaart 3; Late Landbouwsamenleving Archeologische inventarisatiekaart Gemeente Meierijstad Kaart 4; Staatssamenleving Archeologische Beleidskaart Gemeente Meierijstad Catalogus a. catalogus AMK-terreinen b. catalogus vindplaatsen c. catalogus conflict archeologie d. catalogus onderzoeken e. catalogus historische relicten f. bronnen en kwaliteitstabel Stappenplan en het archeologisch traject

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

Project V-19.0072

10

1

Inleiding

1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidskaart De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 van kracht geworden. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 zal worden geïmplementeerd, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Met de Erfgoedwet en de Omgevingswet is archeologie een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces geworden. Er is sprake van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het behoud van het archeologische erfgoed binnen de gemeentegrenzen. Archeologie moet worden meegewogen bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen. Om dit te kunnen bewerkstelligen dienen gemeenten een gemeentelijk archeologiebeleid te ontwikkelen. Hiervoor moeten de gemeenten het bekende en verwachte archeologisch bodemarchief onderbouwd in kaart brengen. Vervolgens dient dit archeologisch bodemarchief middels een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’ te worden gekoppeld aan het aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel. Dit aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel dient vervolgens te worden opgenomen in de gemeentelijke omgevingsplannen.

Dit was bij de vorige wetgeving omtrent archeologie (de wet op de archeologische monumentenzorg (WAMz)) ook al zo. Destijds bestond de huidige gemeente Meierijstad uit de gemeenten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel. Deze voormalige gemeenten hebben destijds hun eigen archeologische verwachtingskaarten laten opstellen met als doel om inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn, om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid. De kaart van de voormalige gemeente St. Oedenrode is in 2007 opgesteld door BAAC,1 de kaart van de gemeente Veghel is in 2004 opgesteld2 en in 20093 en 20144 geactualiseerd (in alle gevallen door BAAC). De kaart van de gemeente Schijndel is in 2004 opgesteld door de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (AWN-afdeling 23),5 waarna deze in 2012 is geactualiseerd door de SRE Milieudienst.6

1

Peters 2007. Waagen 2004. 3 Boshoven en Buesink 2009. 4 Buesink 2014. 5 Berkvens 2004. 6 Berkvens en Leenders 2012. 11 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad 2

1.1.2 Aanleiding actualisatie De gemeente Meierijstad is per 1 januari 2017 ontstaan uit een fusie van drie gemeenten, te weten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel. Deze gemeenten beschikten zoals reeds vermeld alle drie over een eigen archeologische verwachtingskaart. Deze kaarten konden echter niet één op één aan elkaar ‘geplakt’ worden, gezien de verschillende wijze waarop de kaarten tot stand zijn gekomen. Om tot een eenduidige inventarisatie- en beleidskaart te komen voor de nieuw ontstane gemeente Meierijstad, is ervoor gekozen om een nieuwe kaart te maken, waarbij deels geput kon worden uit de bestaande data. Sinds de vervaardiging van de oude kaarten zijn echter verscheidene nieuwe archeologische onderzoeken uitgevoerd, wat heeft geresulteerd in een aantal nieuwe waarnemingen. Bij de actualisatie is deze nieuwe data meegenomen. Om te kunnen voldoen aan de eisen van de Erfgoedwet is ervoor gekozen om de nieuwe kaart deel te laten uitmaken van een ‘pilot’ met betrekking tot het voornemen om een recent tot stand gekomen handleiding7 voor het opstellen van archeologische inventarisatiekaarten op punten te toetsen. Behalve voor de gemeente Meierijstad zijn vergelijkbare pilots uitgevoerd voor onder meer de gemeenten Aa en Hunze, Vijfheerenlanden, Goedereede en voor drie gemeenten in de IJmond regio (gemeenten Beverwijk, Heemskerk en Velsen).

De genoemde pilot wordt gezien als een manier om een eerste stap te zetten in het harmonisatieproces van het huidige archeologiebeleid en om te komen tot een verbetering van de eerste stap in de AMZ-cyclus (het opstellen van een specifieke verwachting). Zoals in het bovenstaande al kort aangestipt, vormt de nieuwe archeologische inventarisatiekaart voor de gemeente Meierijstad één van de zes pilotprojecten als onderdeel van de nieuw op te zetten ‘Handleiding voor het opstellen van gemeentelijke inventarisatiekaarten’ (in het vervolg: de Handleiding).8 De gevoelde noodzaak voor het opstellen van de Handleiding komt voort uit de constatering dat het hele AMZ-proces start met een archeologische inventarisatiekaart, maar dat tot op heden aan dit belangrijke startmoment geen inhoudelijke eisen werden gesteld en misschien nog belangrijker, geen standaard, waardoor de variatie in verwachtings- en beleidskaarten heel groot is. Hoe beter en nauwkeuriger de start van de AMZ-cyclus, des te beter onderbouwd de daarop volgende beslissingen kunnen worden genomen over het vrijgeven dan wel het onderzoeken van een locatie (te beginnen met het bepalen van vrijstellingsgrenzen bij het gemeentelijk archeologiebeleid). Daarnaast wordt met de Handleiding invulling gegeven aan het begrip ‘aantoonbare archeologische verwachtingen’.

Dit laatste komt voort uit het in 2015 aangenomen amendement Ronnes dat plaats krijgt in de Omgevingswet. Met ‘aantoonbaar’ wordt bedoeld dat de in het omgevingsplan opgenomen verwachting (trefkans) op het aantreffen van archeologische vondsten goed dient te zijn onderbouwd (aangetoond) met behulp van expliciete en locatie-specifieke archeologische en bodemkundige informatie. Tevens staat in het concept Besluit Kwaliteit Leefomgeving het volgende te lezen: “… de gemeente wordt, kortom, geacht de

verantwoordelijkheid te nemen voor goed onderbouwde archeologische verwachtingen in het omgevingsplan. Deze bieden meer zekerheid voor de initiatiefnemers (verstorende partijen). Volledige zekerheid is echter niet mogelijk. Dit ligt in de aard van de archeologie, die nu eenmaal niet zichtbaar in de bodem zit. Alleen alles opgraven zou volledige zekerheid geven, maar dat is in 7 8

Breimer 2020. Breimer 2020. Project V-19.0072

12

strijd met het beginsel van behoud in situ. Het blijven dus goed onderbouwde verwachtingen, waaraan een mate van onzekerheid nu eenmaal inherent is.” De term ‘archeologische inventarisatiekaart’ is één van de wijzigingen die voortvloeit uit de nieuwe handleiding. Voorheen, ook voor de (oude gemeenten die deel uitmaakten van de) gemeente Meierijstad, zijn archeologische verwachtingskaarten vervaardigd waarop zones met een bepaalde archeologische verwachting waren aangegeven. Het verschil met de tot nu toe gehanteerde werkwijze is dat nu geen uitspraak (waardering) meer gedaan wordt over een hoge, middelhoge, of lage verwachting. Een dergelijke uitspraak bevat immers een impliciete veronderstelling over de dichtheid aan archeologische resten in een gebied en derhalve ook een kans deze te kunnen aantreffen. Dit suggereert een kwantificering die niet altijd goed te onderbouwen is en, minstens zo belangrijk, strijdig is met het reeds aangehaalde amendement. Er dient immers geen waardering in termen van hoge, middelhoge of lage verwachting meer te worden uitgesproken. Daarmee staat ook de aantoonbaarheid van de verwachtingen niet langer ter discussie, omdat alleen een feitelijke onderbouwing wordt gegeven waarom in een bepaalde zone specifieke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, op basis van gevalideerd bronnenmateriaal.

Discussie over de waardering van verschillende complextypen uit verschillende perioden – wat vinden we bijvoorbeeld als gemeente belangrijker: een nederzetting uit de bronstijd of een grafveld uit Romeinse tijd? – wordt in dit stadium van het proces daarmee uit de weg gegaan. Dergelijke keuzes dient de gemeente desgewenst, al dan niet met behulp van een externe partij, inzichtelijk te moeten (laten) maken middels separaat beleid dat gekoppeld kan worden aan de betreffende verwachtingszones op de inventarisatiekaarten. Met de nieuwe term wordt tevens aangesloten bij het proces van verandering in het kader van de Omgevingswet en ter verduidelijking van de inhoud van de kaart; op een archeologische inventarisatiekaart wordt immers de archeologische voorraad van een gemeente weergegeven: zowel de bekende archeologische resten als de te verwachten resten. Hierbij wordt primair gekeken naar de mogelijkheden die het landschap in het verleden bood voor menselijke activiteit, waarbij de tijdsperioden en complextypen die zijn gedefinieerd leidend zijn. Er wordt dus vastgesteld of een bepaalde landschapszone, zoals bijvoorbeeld een dekzandrug of een oeverwal van een rivier, in een bepaalde periode wel of geen mogelijkheden bood voor bijvoorbeeld bewoning en niet in hoeverre dit wel of niet het geval was.

Deze beoordeling kan plaatsvinden door middel van analogie, extrapolatie uit bekend onderzoek (inductief model) of algemeen theoretische uitgangspunten (deductief model). Om tot een archeologische inventarisatiekaart te komen, heeft een inventarisatie plaatsgevonden van reeds bekende archeologische vindplaatsen binnen de gemeente Meierijstad. Deze vindplaatsen zijn vervolgens vanuit landschappelijk, bodemkundig en geomorfologisch oogpunt geanalyseerd om te kunnen komen tot een archeologische verwachting voor de gehele gemeente (gebieden waar wel archeologische resten worden verwacht en gebieden waar deze niet worden verwacht). Vervolgens is aan de verschillende gebieden beleid gekoppeld. Dit is op de op de beleidskaart weergegeven. Waar van toepassing is het onderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1.9

9 CCvD 2016.

13

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

De opdracht van de gemeente Meierijstad om tot een archeologische inventarisatiekaart ‘nieuwe stijl’ te komen is door de combinatie BAAC Archeologie en Bouwhistorie/Buro de Brug uitgevoerd. De gemeente Meierijstad heeft hierbij tevens de opdracht verleend om de inventarisatiekaart ‘nieuwe stijl’ om te zetten in een beleidskaart. Dit is overigens geen onderdeel van de ‘pilot’ in het kader van de nieuw op te zetten ‘Handleiding voor het opstellen van gemeentelijke inventarisatiekaarten’, waartoe het maken van de inventarisatiekaart ‘nieuwe stijl’ wel behoord. In hoofdstuk zes zal de beleidskaart nader worden besproken.

1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen Het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (beter bekend als het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De daaropvolgende implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september van dat jaar van kracht is geworden. Deze wet gaf aan welke wetten gewijzigd dienden te worden, met als belangrijkste de Monumentenwet 1988. De implementatie heeft daarnaast geleid tot aanpassing van enkele andere wetten op aanpalende werkvelden die voor de archeologie relevant zijn, zoals bijvoorbeeld de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Deze wetgeving beoogde dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De Wamz had twee belangrijke uitgangspunten: •

•

Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘in situ’), of, als dit niet mogelijk is, door opgraving en documentatie (‘ex situ’). Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’).

1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz Voor het inwerking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) was de bescherming van monumenten, waartoe ook archeologische monumenten behoren, en stads- en dorpsgezichten geregeld via de Monumentenwet 1988. Dat was ook na het inwerking treden van de Wamz nog het geval. Met het inwerking treden van de Wamz was echter ook sprake van de bescherming van te verwachten archeologische waarden. De uitgangspunten bij de (herziene) Monumentenwet 1988 (na inwerkingtreding Wamz) waren: •

•

Het aansluiten op de Wet ruimtelijke ordening door te stellen dat bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden met archeologie. Hierbij wordt vanuit de wet 100 m2 als vrijstellings-/ondergrens ten aanzien van de onderzoeksverplichting voor ‘projecten' gehanteerd. In ditzelfde artikel staat echter vermeld dat de gemeenteraad een hiervan afwijkende beargumenteerde andere oppervlakte kan vaststellen; Beleidsuitgangspunt dient behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed in situ te zijn door het treffen van technische en/of Project V-19.0072

14

•

•

•

planologische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. Indien dit niet mogelijk is, dan dienen behoudenswaardige vindplaatsen te worden opgegraven; in uitzonderlijke gevallen kunnen in plaats van een opgraving de werkzaamheden archeologisch worden begeleid; Provincies hebben de bevoegdheid om zogenoemde archeologische attentiegebieden aan te wijzen. Dit betreft gebieden binnen het grondgebied van de provincie die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn en die binnen geldende bestemmingsplannen onvoldoende bescherming genieten. Voor die gebieden dient de desbetreffende gemeente binnen een nader vast te stellen termijn een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige en/of verwachte archeologische waarden. Het verhalen van de kosten verbonden aan het veiligstellen van archeologische waarden op de initiatiefnemer van de geplande ruimtelijke ingreep. Met andere woorden, de verstoorder betaalt; Introductie van marktwerking voor de uitvoering van archeologisch werk en controle van de kwaliteit hiervan middels de introductie van een kwaliteitssysteem;10

Het eerste uitgangspunt (aansluiting op de Wet ruimtelijke ordening/Wabo) had (en heeft nog steeds) de meeste gevolgen voor de gemeenten, aangezien hiervoor een gemeentelijke inventarisatie- en beleidskaart noodzakelijk is. Ook voor de initiatiefnemer heeft dit punt gevolgen. De bescherming van aanwezige en/of verwachte archeologische waarden wordt namelijk geregeld door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen. In dergelijke regels worden bepaalde voorwaarden gesteld aan het verlenen van vergunningen (bijvoorbeeld een onderzoeksplicht op het gebied van archeologie). De aanvrager van een vergunning zal aan de voorwaarden moeten voldoen voordat de vergunning wordt verleend. Het idee was om de uitvoering van de Wamz zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de al bestaande regelgeving met betrekking tot de afgifte van de omgevingsvergunningen op het gebied van bijvoorbeeld milieu en flora en fauna. Op deze wijze diende voorkomen te worden dat de burger geconfronteerd werd met onnodige kosten en tijdverspilling. Zoals in paragraaf 1.2.4 uiteen is gezet, is men echter tot de conclusie gekomen dat de wet- en regelgeving te versnipperd is. Met de implementatie van een nieuwe wet, de Omgevingswet, wordt dit beter geregeld.

Een volgend uitgangspunt van de Wamz dat consequenties had (en nog steeds heeft) voor de initiatiefnemer is het uitgangspunt dat de verstoorder betaalt. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan de gemeente de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten middels een omgevingsvergunning, een afwijking op grond van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit ter voorbereiding waarvan een milieueffectrapportage is uitgevoerd, verplichten tot archeologisch onderzoek. De kosten voor dit onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. 1.2.3 De Erfgoedwet De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland is per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Daarnaast is een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. Samen met de 10 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, meest actuele versie).

15

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

nog te implementeren nieuwe Omgevingswet11 maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) komt hiermee te vervallen. Voor het onroerend cultureel erfgoed is de implementatie van de Erfgoedwet en de toekomstige implementatie van de Omgevingswet van belang. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, zal opgaan in de Omgevingswet. De essentie van de Erfgoedwet is nog steeds dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (of Malta) blijven ook in de Erfgoedwet de basis voor de omgang met de archeologische monumentenzorg. Er zijn echter wel enkele veranderingen danwel aanvullingen doorgevoerd. De belangrijkste verandering ten opzichte van de Wamz betreft de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering voor bedrijven die archeologisch onderzoek uitvoeren. Het is sinds de invoering van de Erfgoedwet verboden om zonder certificaat opgravingen te verrichten.12 Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden.

Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, hebben hiermee te maken. Bedrijven en organisaties die professioneel archeologische opgravingen uitvoeren, kunnen kiezen uit verschillende certificerende instellingen om een certificaat aan te vragen (paragraaf 5.1, art. 5.1 t/m 5.6 van de Erfgoedwet). Het verbod op het verrichten van een opgraving zonder certificaat zou een grote impact hebben op de activiteiten van amateur-archeologen. In de Erfgoedwet staan daarom voorwaarden vermeld waaronder het is toegestaan om op te graven zonder certificaat. Zo mogen verenigingen van vrijwillige archeologen zelfstandig opgraven op locaties waar de gemeente heeft vastgesteld dat de archeologie niet behoudenswaardig is. Verenigingen van vrijwillige archeologen moeten de start van een opgraving melden bij de RCE, de vondsten overdragen aan het archeologisch depot van de provincie of de betreffende gemeente en rapporteren over hun bevindingen aan de RCE. Ook voor metaaldetectie is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt, wordt dat namelijk beschouwd als een opgraving. Hiervoor zou de detectoramateur dan een certificaat in bezit moeten hebben.

Omdat de detectoramateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van archeologische kennis, is echter besloten dat een dergelijke eis buitenproportioneel is. Bodemverstoring van de bovenste dertig centimeter van de bodem (bouwvoor) is derhalve toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld dat metaaldetectie niet is toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument. Deze uitzondering geldt overigens ook voor verenigingen van vrijwillige archeologen. Een tweede verandering ten opzichte van de Wamz is dat het maritieme archeologische erfgoed beter in de Erfgoedwet is ingekaderd. Zo is bijvoorbeeld metaaldetectie onder water, het zogenaamde magneetvissen, verboden in de Erfgoedwet. Een derde wijziging in de regelgeving ten opzichte van de Wamz is dat de excessieve kostenregeling is geschrapt. Ter compensatie hiervan ontvangen 11

Naar verwachting in 2022. Aangezien ook archeologisch booronderzoek onder opgraven wordt gerekend, valt booronderzoek ook onder de certificering. 12

Project V-19.0072

16

gemeenten bestuurslastenvergoeding en een structurele extra tegemoetkoming excessieve kosten in het Gemeentefonds. Daarnaast is er een nationaal fonds opgezet voor archeologische opgravingen van bijzondere (inter)nationale betekenis.13 1.2.4 De Omgevingswet Het omgevingsrecht bestaat nu nog uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hebben hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid is van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld geworden is. Dat kan gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat het langer duurt dan nodig is om een project op te starten. De rijksoverheid heeft daarom besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in één wet, de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet moet gaan zorgen voor een samenhangende aanpak van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarnaast zal participatie worden bevorderd. Bijvoorbeeld door burgers en ondernemers zo goed mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van de leefomgeving.14 De implementatie van de Omgevingswet heeft echter de nodige vertraging opgelopen. De verwachting is dat de nieuwe wet in 2022 zal ingaan. Een aantal bestaande wetten zullen in hun geheel opgaan in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet Ruimtelijke Ordening.

Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zullen alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld worden naar de Omgevingswet. Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving.15 Zo zullen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet komen te vallen. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie komen onder de nieuwe wet te vallen. Dat zelfde geldt voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Eén van de uitgangspunten van de wet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Gebiedsgericht beleid is dus het uitgangspunt voor de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan zal voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling moeten gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels die van toepassing zijn op een locatie. Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daar bij. In het geval van archeologie zal het hierbij gaan om een actuele beleidskaart met bijbehorende beleidsregels. De beleidskaart (aangevuld met de bestemmingsplanregels) kan bij het inwerking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan.

Hierbij is het wel van belang dat de beleidskaart goed is onderbouwd. 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente

Verantwoordelijkheden Rijk Sinds de wetgeving uit 2007 is er een decentralisatie van taken van de landelijke en provinciale overheden naar de lokale overheden opgetreden. Daarmee is de rol van bevoegde overheid voor gemeenten versterkt, aangezien de gemeenten 13

RCE 2016. www.rijksoverheid.nl 2021. 15 www.rijksoverheid.nl 2021. 17 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad 14

vanaf toen mede verantwoordelijk zijn voor de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden op hun grondgebied. De rijksoverheid heeft echter nog de nodigde verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld wanneer monumentale, archeologische of cultuur landschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang in het geding zijn. Ook wanneer het Rijk initiatiefnemer is bij projecten blijft zij verantwoordelijk voor het archeologische belang. In het geval van projecten waarvoor een milieu effect rapportage (m.e.r.) dient te worden opgesteld, heeft het Rijk een wettelijke adviesrol. Het Rijk kan gebieden aanwijzen tot beschermd (archeologisch) rijksmonument en kan vergunningen verlenen tot wijziging, afbraak of verwijdering van een dergelijk archeologisch rijksmonument. Het Rijk is tevens verantwoordelijk voor de instandhouding van een centraal archeologisch informatiesysteem (Archis). Tot slot kan het Rijk werk stilleggen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie zijn de instanties die (namens de minister van OCW) verantwoordelijk zijn voor bovenstaande taken.

Verantwoordelijkheden Provincie Sinds de invoering van de Wamz heeft ook de provincie een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed toegekend gekregen. Zo is de provincie het bevoegd gezag in het geval van gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r. -procedures of in het geval van gebieden die een bovenlokaal karakter hebben (bijvoorbeeld de aanleg van provinciale wegen, landinrichtingsprojecten, waterberging, etc.). De provincie is volgens de wet ook eigenaar van alle vondsten en de opgravingsdocumentatie van archeologisch onderzoek binnen de provincie Noord-Brabant. Derhalve is de provincie ook verantwoordelijk voor het beheer, instandhouding en ontsluiting van deze archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie. In dit kader is het ‘Provinciaal Depot Bodemvondsten’ (PDB) te ‘s-Hertogenbosch opgericht. In dit archeologische depot wordt het archeologische erfgoed van de provincie beheerd. De provincie hecht eraan haar verantwoordelijkheid als depothouder op dusdanige wijze in te vullen dat de archeologiecollectie in het PDB ook voor toekomstige generaties een middel en bron van (wetenschappelijke) studie zal kunnen zijn. De provincie is bevoegd om op verzoek van een gemeente een gemeentelijk depot aan te wijzen binnen de gemeentegrenzen. Daarbij zullen eisen worden gesteld aan bewaarcondities en beheer.

De gemeente ’s-Hertogenbosch is een voorbeeld van een gemeente met een eigen depot voor bodemvondsten. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen depot.

Verantwoordelijkheden Gemeenten Gemeenten hebben onder de huidige wetgeving, en behouden ook na de implementatie van de Omgevingswet, een belangrijke rol bij het behoud en het beheer van het ondergrondse cultureel erfgoed. Gemeenten zijn namelijk verplicht bij bodemingrepen van enige omvang rekening te houden met zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. In de praktijk zal dit meestal gebeuren bij de toetsing van vergunningsaanvragen in het kader van de Omgevingswet, nieuwe planologische ontwikkelingen en bestemmingsplanprocedures. Het bestemmingsplan (vanaf de implementatie van de omgevingswet ‘het omgevingsplan’) moet voorzien zijn van een archeologische paragraaf, waaruit de waarde die aan archeologie wordt gehecht in het bestemmingsplan blijkt. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart aangegeven evenals alle terreinen die als archeologisch monument of gebied van archeologische verwachtingswaarde zijn aangemerkt. In de bestemmingsplanregels zijn archeologie-regels opgenomen waaraan voldaan moet worden. Project V-19.0072

18

De gemeente heeft een loketfunctie voor initiatiefnemers en dient aan te geven wanneer er een plicht tot archeologisch vooronderzoek bestaat of onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning verleend kan worden. In de regels van het bestemmingsplan dienen zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven te worden beschreven.

1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening Een vroegtijdige inventarisatie van archeologische waarden is in het belang van zowel de initiatiefnemers van een project met bodemverstorende activiteiten als de planontwikkeling. Bij vroegtijdige opsporing kunnen de archeologische waarden immers nog ingepast worden, zodat de kosten voor bijvoorbeeld een opgraving (behoud ex situ) vermeden kunnen worden. Tevens zullen archeologische waarden dan behouden blijven voor toekomstige generaties. Een tijdige opsporing voorkomt dat de daadwerkelijke ontwikkeling van te bebouwen of ontgraven gebieden vertraagd wordt. Het behoud van archeologische waarden brengt bewoners en gebruikers meer historisch besef over hun omgeving bij. Inpassing van bestaande archeologische waarden in een plan kan een gebied cultuurhistorische identiteit verlenen en daarmee kwaliteit toevoegen aan de openbare ruimte. Bij inpassing kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescherming en behoud van archeologische waarden op een vindplaats (behoud in situ) door er een plantsoen of speelweide overheen aan te leggen. Een eerder gepland gebouw op diezelfde locatie zou bijvoorbeeld in een ander deel van het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Behoud kan ook worden gerealiseerd door technische maatregelen te nemen die bodemverstorende ingrepen voorkomen (bv. ophoging, funderen op staal).

Naast archeologische waarden moet hierbij ook worden gedacht aan bestaande cultuurhistorische waarden. De bodem wordt vaak verstoord in gebieden die planologisch (her)ontwikkeld gaan worden en/of die een nieuwe bestemming krijgen, bijvoorbeeld van natuurgebied of landbouwgrond naar woonwijk of bedrijventerrein. Dat betekent dat archeologische waarden een grote rol spelen in de procedures bij ruimtelijke ordening. Het betreft vergunningaanvragen voor infrastructurele werken, ontgrondingen en allerhande klein- en grootschalige bouw- of natuurontwikkelingsprojecten die de bodem dieper dan de tot dan toe gebruikelijke verstoringsdiepte van de bovengrond zullen roeren. Ook grootschalige verlagingen van het grondwaterpeil kunnen mogelijk bedreigend zijn voor het archeologisch erfgoed, omdat door oxidatie van organisch materiaal in de bodem grondsporen kunnen vervagen en kwetsbare materialen als hout, textiel, botresten en leer sneller zullen vergaan. Daarmee verdwijnt informatie die van belang kan zijn voor de interpretatie en reconstructie van archeologische vindplaatsen bij latere opgravingen.

1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid Indien uit het gemeentelijk beleid blijkt dat een archeologisch onderzoek is gewenst, dan dient dergelijk onderzoek te worden uitgevoerd conform een Plan van Aanpak (PvA) of een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) dat aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (laatste versie) voldoet.16 Uitzondering hierop vormt de uitvoering van een bureauonderzoek 16 Dit is een wettelijke verplichting. Het recht tot goedkeuring van het PvE door de

19

gemeente is in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) verankerd. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

zonder gravend onderzoek. In dat geval is geen PvA of PvE noodzakelijk. Naast de richtlijnen van de KNA kan een gemeente ook (aanvullende) richtlijnen opstellen waar het onderzoek aan moet voldoen. Ook deze richtlijnen dienen in het PvA of PvE te worden opgenomen. Op deze wijze wordt voorkomen dat een gecertificeerd uitvoerend bureau het PvE niet kan uitvoeren omdat het niet KNA conform is geschreven. De gemeente kan het PvE zelf opstellen, of, indien de benodigde kennis niet in huis is, dit laten doen. Dit kan door het inhuren van bevoegde bedrijven. Dit zelfde geldt voor het goedkeuren van PvE’s die door particulieren worden ingediend. Hoewel niet wettelijk verplicht, is het aan te raden om tevens PvA’s voorafgaand aan het onderzoek goed te (laten) keuren. Op deze wijze kan voorkomen worden dat een initiatiefnemer het onderzoek opnieuw moet laten uitvoeren nadat de bevindingen van het booronderzoek zijn gerapporteerd omdat het gebruikte PvA niet correct was. De initiatiefnemer laat vervolgens het onderzoek op basis van het goedgekeurde PvA of PvE uitvoeren door een (gecertificeerd) archeologisch bedrijf. Dit resulteert in een rapport waarin een advies is opgenomen (bijvoorbeeld; geen vervolgonderzoek noodzakelijk). De gemeente dient dit rapport te toetsen op de inhoud, maar dient ook na te gaan of het onderzoek conform de richtlijnen van de KNA en het PvA/PvE is uitgevoerd.

Indien het rapport voldoet aan alle eisen dient men het in het rapport beschreven advies om te zetten in een besluit. Het besluit mag afwijken van het advies, mits daar gegronde redenen voor zijn. Ook voor het toetsen van archeologische rapporten geldt dat wanneer binnen de gemeente de benodigde kennis ontbreekt, het toetsen kan worden uitbesteed. In hoofdstuk 7 zal nader worden ingegaan op het gemeentelijke beleid. De gemeente Meierijstad streeft naar bescherming van het bodemarchief door middel van de bestemmingsplannen en door het op te nemen in de integrale stedelijke planvorming. Hierbij dienen archeologische waarden gebruikt te worden als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting (Belvedere gedachte). Het behoud in situ (ter plaatse) staat voorop. Als vernietiging van archeologische waarden niet voorkomen kan worden, dienen deze veiliggesteld te worden door middel van archeologisch veldonderzoek en uitwerking (behoud ex situ). Op deze wijze streeft de gemeente Meierijstad naar kennisvergroting van het gemeentelijke bodemarchief en kunnen archeologische gegevens ontsloten worden. Ondanks het vele onderzoek dat reeds is uitgevoerd, zijn er nog steeds kennislacunes. Doormiddel van bijvoorbeeld het (laten) uitvoeren van synthetiserend onderzoek of het opstellen van een eigen onderzoeksagenda kan de gemeente Meierijstad proberen de kennislacunes op te vullen.

Naast het beschermen van archeologie binnen de gemeentegrenzen, kan de gemeente de bekende archeologische en cultuurhistorische waarden ook gebruiken voor andere doeleinden. Zo kan het historisch besef van de inwoners van de gemeente bijvoorbeeld worden versterkt door basisscholen te stimuleren om excursies te organiseren langs de verscheidene zichtbare archeologische waarden binnen de gemeente. De gemeente hoeft zich bij dergelijke educatieve excursies niet te beperken tot de jeugd. Het kenbaar maken van de verhalen van het archeologische erfgoed kan op tal van manieren. Er kan gedacht worden aan het aanleggen van historische en archeologische fiets- of wandelroutes. Ook het plaatsen van educatieve informatieborden ter plaatse van historische en archeologische monumenten, of ter plaatse van bijvoorbeeld de binnen de gemeente nog aanwezige resten uit de Tweede Wereldoorlog, kunnen het verhaal van het archeologische erfgoed verspreiden. Er zijn binnen de gemeente Meierijstad overigens al verscheidene partijen actief om het cultuurhistorische erfgoed voor een groter publiek te ontsluiten. Zo worden regelmatig lezingen, excursies en exposities georganiseerd door de Project V-19.0072

20

historische verenigingen die binnen de gemeente actief zijn.17 Een dergelijke aanpak is niet alleen bevorderlijk voor het historisch besef van de burger, het kan ook bijdragen aan een extra stimulans voor het toerisme in de gemeente.

1.5 Gemeentelijk archeologische inventarisatie- en beleidskaart Iedere gemeente dient dus over voldoende kennis te beschikken aangaande de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten niet alleen om de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen te inventariseren. Essentieel onderdeel hierin vormen de archeologische inventarisatie- en beleidskaarten. Deze kaarten vormen een cartografische onderbouwing van de (bestaande en verwachte) voorraad archeologie binnen de gemeente en het archeologische beleid dat hierop is gebaseerd. De beleidskaart wordt in het bestemmingsplan/omgevingsplan geïntegreerd. Beide kaarten dienen actueel gehouden te worden. Het rapport behorende bij de archeologische inventarisatieen beleidskaart dient als inhoudelijke onderbouwing van het beleid en kan worden gebruikt bij het toetsen van PvE’s en onderzoeksrapporten. Aangezien in de wet is opgenomen dat informatie over het erfgoed toegankelijk dient te zijn, kunnen het rapport en de kaart bijvoorbeeld via het internet openbaar worden gemaakt. Geïnteresseerde burgers kunnen het op deze wijze gemakkelijk inzien.

Hierbij kan worden besloten om bepaalde delen van het rapport, bijvoorbeeld de catalogus, niet vrij te geven. Dit om schatgraverij te voorkomen. Bij onderhavig onderzoek is getracht om met de beschikbare middelen en tijd een zo uitgebreid mogelijke inventarisatie van de bekende archeologische waarden, maar ook van de te verwachten archeologische waarden, uit te voeren om te komen tot een archeologische inventarisatie- en beleidskaart waarmee de gemeente kan voldoen aan de Erfgoed- en Omgevingswet. Het uitgangspunt hierbij is dat zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aanwezig is en verwacht kan worden, het mogelijk wordt een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. Dit beleid is het uitgangspunt bij het nemen van weloverwogen beslissingen bij de vergunningsprocedures.

1.6 Ligging van het gebied Het onderzoeksgebied betreft het gehele grondgebied van de gemeente Meierijstad en beslaat een oppervlak van circa 18.552 ha. Figuur 1.1 geeft het gemeentelijk grondgebied weer, inclusief de ligging van de verschillende kernen. De gemeente telt drie grote (historische) kernen, te weten de naamgevers van de voormalige gemeenten waaruit de gemeente Meierijstad is opgebouwd; St. Oedenrode, Veghel en Schijndel. Daarnaast is sprake van een aantal kleinere (historische) kernen, waaronder Nijnsel, Boskant, Olland, Wijbosch, Eerde, Mariaheide, Erp, Keldonk, Boerdonk en Zijtaart. In het noorden grenst de gemeente Meierijstad aan de gemeenten SintMichielsgestel, Bernheze en Uden. In het oosten vormen de gemeenten Boekel en Gemert-Bakel de buurgemeenten. In het zuiden grenst de gemeente Meierijstad aan de gemeenten Best, Son en Breugel, Laarbeek en Nuenen en in het westen 17

Heemkundekring Erthepe, Heemkundekring De Oude Vrijheid, Heemkundekring Schijndel en Heemkundekring Vehchele. 21 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

aan de gemeente Boxtel. Alle aangrenzende gemeenten maken gebruik van hun eigen archeologische beleidskaart.

Figuur 1.1 Het grondgebied van de gemeente Meierijstad.

1.7 Leeswijzer In onderliggende rapportage staan de resultaten van het onderzoek beschreven. Dit rapport vormt de onderbouwing van de archeologische verwachting en de landschapsreconstructie zoals deze in de als bijlage toegevoegde kaarten zijn weergegeven. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt bij het tot stand komen van de diverse kaarten. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het oorlogserfgoed zoals dat binnen de gemeente aanwezig is. Hierbij wordt tevens ingegaan op de ontwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog binnen de gemeentegrenzen. Vervolgens komt de inventarisatie van de bestaande archeologische waarden binnen de gemeente aan bod (hoofdstuk 4), op basis waarvan de archeologische vindplaatsenkaart is gemaakt (bijlage 2). In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd hoe de archeolandschappelijke en bodem eenhedenkaart (bijlagen 4 en 5) en de verschillende archeologische inventarisatiekaarten (bijlagen 6 t/m 9) tot stand zijn gekomen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op het beleidskader dat is gekoppeld aan de beleidskaart (bijlage 10). Tenslotte is er een lijst met de geraadpleegde bronnen zoals literatuur, kaartmateriaal en websites. De vindplaatsen en objecten die in de tekst worden genoemd en op de verschillende kaarten staan afgebeeld zijn voorzien van een nummer.

Dit nummer verwijst naar een lijst met objecten die als bijlagen zijn toegevoegd. Hierin worden alle vindplaatsen genoemd die reeds bekend zijn (bijlage 11B) of op basis van historische en cartografische bronnen vermoed worden of aangetoond zijn (bijlagen 11E ). Ook voor alle binnen de gemeente aanwezige AMK-terreinen is een catalogus (bijlage 11A). Er is tevens een catalogus voor de militaire relicten binnen de gemeente (bijlage 11C) als ook voor de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 11D).

Project V-19.0072

22

2

Onderzoeksopzet

2.1 Inleiding Om tot een gemeentelijke archeologische inventarisatie- en beleidskaart te komen is het onderzoek opgesplitst in een aantal fasen. In de eerste fase is een inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Dit heeft geresulteerd in een vindplaatsenkaart (bijlage 2). Hierbij is tevens gekeken naar de huidige kennis en kennislacunes van de verschillende archeologische perioden en de relatie met de grotere (archeo-) regio. In deze fase is tevens het erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog binnen de gemeentegrenzen geïnventariseerd. Dit is een onderdeel dat op de al bestaande kaarten nog niet is weergegeven. Vervolgens is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied, waarbij de onderverdeling van het landschap in verschillende geomorfologische zones een belangrijke rol speelt (fase 2). Dit heeft geresulteerd in een archeolandschappelijke eenhedenkaart. Deze archeolandschappelijke eenhedenkaart is voor een groot deel gebaseerd op de bestaande landschappelijke eenhedenkaarten van de voormalige gemeenten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel, aangevuld met de geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) en een uitgebreide AHN studie. Dit was met name voor het grondgebied van de voormalige gemeente St. Oedenrode noodzakelijk, aangezien dit bij de totstandkoming van die kaart niet is uitgevoerd.

Daarnaast is in fase 2 een vlakdekkende bodemkaart gemaakt voor de gemeente Meierijstad, waarbij gebruik is gemaakt van zo gedetailleerd mogelijke bodemkaarten.18 De inventariserende fasen 1 en 2 vormen een hulpmiddel om te kunnen komen tot het opstellen van vier archeologische inventarisatiekaarten (fase 3). Het betreft de inventarisatiekaarten voor ‘Jagers en Verzamelaars’, ‘Vroege landbouwsamenlevingen’, ‘Late landbouwsamenlevingen’ en de ‘Staatssamenleving’ . De kaart voor Jagers en Verzamelaars is opgesteld op basis van de relatie tussen landschappelijke ligging en de locatie van archeologische waarden uit de perioden paleolithicum en mesolithicum, gecombineerd met locatiekeuzefactoren. De overige drie zijn opgesteld op basis van de relatie tussen bodemkundige aspecten en de locatie van archeologische waarden (eveneens gecombineerd met locatiekeuzefactoren). Tot slot is aan de verschillende verwachtingseenheden een bepaald beleid gekoppeld, waarmee een archeologische beleidskaart is ontstaan (fase 4). In de navolgende paragrafen wordt per fase een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven. Tijdens de actualisatie van het kaartmateriaal is een hernieuwde inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Sinds de totstandkoming van de bestaande kaarten zijn namelijk veel nieuwe onderzoeken met bijbehorende waarnemingen bekend.

Dit heeft geresulteerd in 18

23

Stiboka 1962, Stiboka 1975, Stiboka 1976, Stiboka 1978 en Stiboka 1981. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

een geactualiseerde vindplaatsenkaart. De grootste aanpassing op deze kaart betreft naast de toevoeging van de sinds 2007 uitgevoerde onderzoeken en waarnemingen, de toevoeging van relicten en verwachtingen met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog.

2.2 Archeologische inventarisatie Op basis van de bekende gegevens is een overzicht gemaakt van bekende archeologische waarnemingen en vondstmeldingen. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en gegevens uit de literatuur. Tevens is contact opgenomen met lokale amateur-archeologen, diverse historische verenigingen en heemkundekringen. Bij aanvang van het project is een bijeenkomst georganiseerd waarbij de leden van de diverse historische verenigingen en heemkundekringen zijn uitgenodigd.19 Hierbij zijn topografische kaarten verstrekt met daarop de bekende waarnemingen. Het verzoek was om deze data aan te vullen met nog niet in ARCHIS geregistreerde waarnemingen en om na te gaan of sommige bestaande waarnemingen mogelijk zijn verstoord bij werkzaamheden in het verleden. De aangeleverde gegevens zijn verwerkt in het rapport. Alle bekende waarnemingen zijn geanalyseerd op betrouwbaarheid (mogelijk alleen administratief geplaatst, mogelijk inmiddels verstoord). De gegevens zijn verzameld in een database en op de vindplaatsenkaart (bijlage 2) weergegeven.

Tijdens de actualisatie zijn de sinds 2007 in Archis toegevoegde waarnemingen toegevoegd, waarbij is gekeken of de ‘nieuwe’ waarnemingen aan bestaande vindplaatsen konden worden toegevoegd, of dat het een nieuwe vindplaats vormde. Bovendien zijn alle waarnemingen, inclusief de meldingen van de amateur-archeologen doorgenomen en gesplitst op basis van datering en complextype. Ook de bekende archeologische waarden zijn op de vindplaatsenkaart weergegeven. Het gaat hierbij om AMK-terreinen, archeologische rijksmonumenten en locaties waar archeologisch onderzoek is uitgevoerd. De kaart is aangevuld met historische elementen binnen de gemeente Meierijstad. Hierbij moet gedacht worden aan laat- en postmiddeleeuwse elementen als verdedigingswerken, dorpskernen, waterstaatkundige werken, molens, etc. Ook de bebouwing zoals deze aanwezig was op kaartmateriaal uit het begin van de 19de eeuw (eerste kadastrale kaarten) 20 is weergegeven. De grenzen van de historische kernen zijn gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten. Nieuw in vergelijking met de bestaande kaarten is dat voor onderhavig rapport ook rekening is gehouden met de aanwezigheid van relicten uit de Tweede Wereldoorlog. Deze kaart is door een specialist conflictarcheologie opgesteld.21 Voor de inventarisatie van deze gegevens is gebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen.

Alle bekende vindplaatsen en terreinen zijn geprojecteerd op de topografische ondergrond, waarbij elke archeologische vindplaats dan wel cultuurhistorische relict genummerd is. Deze nummers verwijzen naar een database waarin de 19

Namens de Heemkundekring Schijndel waren de heren Van Kaathoven & Hemelaar aanwezig. Namens de Heemkundekring De Oude Vrijheid waren de heren Van Laarhoven & Henriks aanwezig. Namens de Heemkundekring Vehchele was de heer Van Erp aanwezig. Namens de Heemkundekring Erthepe was de heer Strijbosch aanwezig en namens Erfgoed Brabant was de heer Vonk aanwezig. 20 RCE 2020. 21 ma. D. Beckers, werkzaam bij BAAC. Project V-19.0072

24

verschillende terreinen kort worden beschreven. Op deze wijze is gekomen tot een betrouwbaar overzicht van de tot nu toe bekende archeologische waarden en tal van historische elementen binnen de gemeente Meierijstad.

2.3 Landschappelijke en bodemkundige inventarisatie In fase 2 is de landschappelijke, geomorfologische en bodemkundige opbouw van het gebied geanalyseerd. De archeologische verwachting in een gebied kan namelijk worden opgesteld aan de hand van de landschappelijke of bodemkundige kenmerken van een gebied. Immers, mensen hadden in het verleden een sterke voorkeur voor bepaalde delen in het landschap. Gedurende het paleolithicum en het mesolithicum, toen jagers en verzamelaars in kleine groepen rondtrokken, vormden met name overgangsgebieden tussen hooggelegen, droge locaties en laaggelegen natte locaties ideale plekken voor bewoning. Hier had men op korte afstand beschikking over (drink)water en ook voedsel was hier volop aanwezig. Een ander voorbeeld zijn de (hooggelegen) dekzandruggen, aangezien dergelijke ruggen veelal afgedekt zijn met een plaggendek. Een dergelijk plaggendek heeft hierbij een conserverend effect op onderliggende archeologische resten, die buiten bereik liggen van oppervlakkige bodemverstoringen als ploegen. Voor zowel de vroege als de late landbouwers was de (natuurlijke) bodemvruchtbaarheid van groot belang. Vanwege de sterke relatie tussen landschappelijke ligging en bodemtype wordt bij de vervaardiging van archeologische verwachtingskaarten over het algemeen gebruik gemaakt van (gedetailleerde) bodemkaarten en geomorfologische kaarten.

In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. Een bepaald bodemtype kan dus in grote mate voorspellend zijn voor het al dan niet aanwezig zijn van archeologische waarden, zodat aan dat bodemtype een bepaalde archeologische verwachting kan worden toegekend. Zo is ook de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) voor de dekzandlandschappen grotendeels gebaseerd op de bodemkaart met schaal 1:50.000. Een probleem bij het vervaardigen van een archeolandschappelijke eenhedenkaart binnen de bebouwde kom (zoals ook in delen van de gemeente Meierijstad) is dat op bodemkaarten en geomorfologische kaarten de bebouwde kom veelal niet is gekarteerd. Als gevolg hiervan is voor dergelijke gebieden geen informatie beschikbaar over de (oorspronkelijke) landschappelijke situatie. Voor enkele delen van de bebouwde kom geldt dat hiervoor oudere bodemkaarten en geomorfologische kaarten bestaan van vóór de bebouwing. Dergelijke kaarten, veelal vervaardigd in het kader van grootschalige ruilverkavelingsprojecten, zijn dan ook zeer bruikbaar. Desalniettemin blijven ook op deze kaarten hiaten aanwezig, aangezien er niet binnen de bebouwde kom is gekarteerd.

Om toch informatie te krijgen over de oorspronkelijke landschappelijke situatie ter plaatse van de bebouwde kom is ook gebruik gemaakt van historische kaarten, waaronder de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850. Immers, op dergelijke kaarten was een groot deel van de huidige bebouwde kom nog niet bebouwd. Aan de hand van onder andere de beeklopen en grondgebruik (grasland in lage, natte terreinen en akkerland op hoger gelegen, droge terreinen) kan een globale reconstructie worden gemaakt van het landschap en ook het type bodem. Dergelijke informatie is echter minder nauwkeurig dan de gedetailleerde bodemkaarten. Op deze wijze is het aandeel van niet gekarteerde gebieden zo klein mogelijk gehouden.

25

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

Om te kunnen komen tot een zo gedetailleerd mogelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart en bodemkaart voor de gemeente Meierijstad is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: -

-

Bodemkaart, schaal 1:50.000;22 Gedetailleerde bodemkaarten met schaal variërend van 1:10.000 tot 1:25.000. Het gaat hierbij om de Bodemkaart Ruilverkaveling St. Oedenrode II (schaal 1:10.000),23 de Bodemkundige Overzichtskaart Ruilverkaveling Veghel-Erp (schaal 1:25.000)24 en de Bodemkaart Landinrichtingsstudie Midden-Brabant (schaal 1:25.000).25 Bodemkundige en geologische data verkregen via het DINO-loket; Landschappelijke gegevens afkomstig van het reeds bestaande kaartmateriaal van de voormalige gemeenten Veghel en Schijndel;26 Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000;27 Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3; Paleografische kaarten;28 Landschappelijke gegevens die vermeld staan in de diverse archeologische rapporten; Literatuur over de ontwikkeling van het landschap gedurende het Holoceen.

2.4 Inventarisatie conflictarcheologie Op het grondgebied van de huidige gemeente Meierijstad hebben zich met name tijdens de Tweede Wereldoorlog grootschalige oorlogshandelingen voorgedaan. Voorafgaand aan de 20e eeuw hebben er al diverse militaire conflicten en veldslagen plaatsgevonden binnen de huidige gemeentegrenzen. Zo is er tijdens de Eerste Coalitieoorlog in 1794 een slag uitgevochten in en rond Boxtel, die ook z’n weerslag heeft gehad binnen de gemeente Meierijstad. In de 20e eeuw krijgt ons land te maken met drie grote conflicten (de Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog), die in het landschap en de bodem een grote hoeveelheid en verscheidenheid aan sporen hebben nagelaten. Vanwege de vaak specifieke aard en afwijkende wijze van onderzoek naar deze structuren is voor de archeologische inventarisatiekaart een aanvullende kaart opgesteld waarop dit moderne oorlogserfgoed is weergegeven (bijlage 3). Het oorlogserfgoed is tevens op de inventarisatiekaart ‘Staatssamenleving)’ geplot. Voor deze inventarisatiekaart zijn vijf hoofdperioden bestudeerd, die elk kunnen zijn onderverdeeld in specifieke tijdsvakken. Deze tijdvakken zijn gehanteerd op de bijgevoegde inventarisatiekaart: • Pre 1914 • Mobilisatie 1914-191829 • Interbellum • Tweede Wereldoorlog (WO-II) o mobilisatie 1939-1940 22

Stiboka 1976; Stiboka 1981. Stiboka 1975. 24 Stiboka 1962. 25 Stiboka 1978. 26 Buesink 2014, Berkvens en Leenders 2012. 27 Stiboka/RGD 1977, Stiboka 1978. 28 Vos & de Vries 2013. 29 Er zijn tijdens dit onderzoek geen aanwijzingen aangetroffen dat er tijdens de mobilisatie van 1914-1918 noemenswaardige gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die een significante archeologische weerslag kunnen hebben. 23

Project V-19.0072

26

•

o meidagen 1940 o bezetting o frontperiode o bevrijding Koude Oorlog

Om een zo volledig mogelijk beeld van de ooit aanwezige militaire structuren te verkrijgen, zijn, voor zover aanwezig, primaire bronnen geraadpleegd. Ten behoeve van de inventarisatie van conflicten voorafgaand aan de 20e eeuw zijn stukken gebruikt uit het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) en zijn er diverse (secundaire en primaire) stukken geraadpleegd die aangeleverd zijn door de lokale heemkundeverenigingen. In 2020/2021 heeft er een onderzoek plaatsgevonden naar deze vroege slagen, waarbij binnen de gemeentegrenzen sporen en vondsten zijn geïnventariseerd en een historisch onderzoek is uitgevoerd. Enkele (voorlopige) resultaten uit dit onderzoek zijn meegenomen in de opstelling van deze verwachtingskaart. Voor de mobilisatieperiode van 1939 en 1940, voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog, zijn stukken geraadpleegd uit de archieven van het Bureau Inlichtingen. Dit archief omvat ook stukken die betrekking hebben op de afwikkeling van de Genie na de Meidagen van 1940, inundaties in Nederland, topografische kaarten en Duitse dossiers, bevelen en voorschriften. Deze stukken geven inzicht in de inrichting van het militaire landschap tijdens de mobilisatie en de gevechten na de Duitse inval in 1940. Deze informatie is aangevuld met bronnen uit ooggetuigenverslagen, gevechtsverslagen, primair kaartmateriaal en secundaire literatuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=5f6a6bd5-7fd1-43d8-9c34-b360f42d6fd0