Kaderbrief 2025
Tekst van het document
Kaderbrief 2025 Inleiding Voor u ligt de kaderbrief 2025. In het fractievoorzittersoverleg van 11 januari 2024 is besloten dat de kadernota korter en in de vorm van een brief aan de raad wordt aangeboden. De kaderbrief bestaat uit een financiële doorkijk en enkele richtinggevende stellingen. Dit betekent dat in de kaderbrief beleidsinhoudelijke zaken achterwege blijven. De stellingen bij de kaderbrief worden onderdeel van de behandeling in de gezamenlijke commissievergadering. De financiële situatie van gemeenten is onzeker en zorgelijk. We hebben nog steeds te maken met onzekerheid over rijksinkomsten, zolang de consequenties van het nieuw regeerakkoord nog niet helder zijn en er geen besluitvorming is over de nieuwe financieringssystematiek voor gemeenten. De tot nu toe beschikbaar gestelde informatie vanuit het Rijk is voor zover mogelijk uitgewerkt in deze kaderbrief. Ook in gemeente Meierijstad is er nog steeds sprake van een forse financiële druk en onzekerheid. Dat betekent dat we keuzes moeten maken en prioriteiten moeten stellen voor het opstellen en uitvoeren van beleid.
We gaan in deze kaderbrief in op de volgende onderwerpen: 1. Actuele financiële situatie gemeente Meierijstad 2. Inkomsten • Inkomsten van het Rijk en de impact ervan op Meierijstad • Lokale inkomsten van Meierijstad: belastingcapaciteit en algemene risicoreserve 3. Proces om te komen tot sluitende begroting 2025 4. Stellingen ter behandeling in commissievergadering
1. Actueel financieel beeld (startsituatie t/m 1e berap 2024). Om inzicht te geven in de mogelijke financiële middelen, starten we met het financiële beeld dat we per begin mei 2024 hebben voor de komende jaren. Onderstaande tabel geeft dit aan. In de cijfers zijn de raadsbesluiten tot en met de raad van april 2024 verwerkt en is ook het concept-resultaat van de 1e bestuursrapportage 2024 opgenomen. Vanaf 2025 zijn geen aanvullende middelen opgenomen voor bestaand en nieuw beleid, nieuwe (vervangings)investeringen voor 2025 of een meerjaren investeringsplan (MIP). Er is niet voorzien in het risico van een eventuele uitbreiding van volume, zoals bijvoorbeeld bij het sociaal of fysiek domein. Met extra capaciteitsvraag van de ambtelijke organisatie is ook geen rekening gehouden. Deze raming beschouwen we als de startsituatie voor de paragrafen hierna.
1
(Bedragen x € 1.000)
Geraamd resultaat bij begrotingsbehandeling incl. MIP 2025 t/m 2027 MIP 2025 t/m 2027 Geraamd resultaat bij begrotingsbehandeling excl. MIP 2025 t/m 2027 Raadsbesluiten november 2023 t/m april 2024 1e berap 2024 Geraamd resultaat (startsituatie)
2025 5.783 5.783 175 -375 5.583
2026 -5.653 519 -5.134 -243 -365 -5.742
2027 -7.194 2.245 -4.949 -237 1.921 -3.265
2028 -7.425 3.024 -4.401 -230 3.427 -1.204
Het geraamd resultaat (startsituatie) is dus hetgeen besloten is per 1 mei met de toevoeging van de 1e berap, die tegelijkertijd met deze kaderbrief behandeld wordt in de gemeenteraad. Op dit moment zijn twee nadelige financiële ontwikkelingen bekend, waarvoor nauwelijks bestuurlijke keuze mogelijk is. De eerste is een aanpassing van de financiële wetgeving voor het onderdeel rente. De rente die we mogen toerekenen aan bouwgrondexploitaties is beperkter. Dit veroorzaakt een nadelig effect op de gemeentebegroting. Daarnaast verwachten we meer rentelasten bij het opstellen van de financiële begroting 2025. Dit komt doordat de rente de laatste tijd hoger is dan bij het opstellen van de begroting 2024.We gaan er van uit dat deze twee nadelige ontwikkelingen een effect heeft op het geraamd resultaat van € 0,5 miljoen negatief. Een andere ontwikkeling waar nauwelijks bestuurlijke keuze mogelijk is de volume-ontwikkeling voor de Wmo en de Jeugdwet. Het volume is in 2023 toegenomen. We gaan er nu van uit dat we de budgetten met € 1,5 miljoen moeten verhogen. De geraamde startsituatie vóór bestuurlijke keuze ziet er dan als volgt uit. (Bedragen x € 1.000)
Geraamd resultaat (startsituatie) Financieel technische aanpassingen (rente-ontwikkeling) Volume-ontwikkeling Jeugd en WMO Geraamd resultaat (startsituatie voor bestuurlijke keuze)
2025 5.583 -500 -1.500 3.583
2026 -5.742 -500 -1.500 -7.742
2027 -3.265 -500 -1.500 -5.265
2028 -1.204 -500 -1.500 -3.204
2. Inkomsten In deze paragraaf gaan we zowel in op de landelijke ontwikkelingen als op de lokale inkomsten van de gemeente. Inkomsten vanuit het Rijk Onlangs is de voorjaarsnota van het Rijk verschenen met informatie over de bijstelling van de omvang van het gemeentefonds voor loon- en prijsindexeringen. In de voorjaarsnota geeft het demissionaire kabinet ook meer duidelijkheid over het jaar 2025. Voor de jaren 2026 en volgende jaren geeft de voorjaarsnota nog geen duidelijkheid. Deze duidelijkheid komt op z’n vroegst als de consequenties van het nieuw regeerakkoord helder zijn en er definitieve besluitvorming is over de nieuwe financieringssystematiek. In de voorjaarsnota zijn de volgende onderwerpen opgenomen: • De oploop van de opschalingskorting van € 675 miljoen wordt structureel geschrapt. • Een eenmalige korting in 2025 van € 675 miljoen voor het gemeentefonds • Rechtvaardige risicoverdeling Wmo door heldere afspraken over objectieve indexering en aparte fondsvorming • Indexering zorgkosten: € 75 miljoen in 2026 oplopend tot 300 miljoen in 2029. • Een opschoonactie voor specifieke uitkeringen.
2
In de volgende tabel staat de verwachte financiële vertaling van de onderwerpen uit de voorjaarsnota. Hier hebben we ook de bijstelling van de onderuitputting van het BTW compensatiefonds (BCF) op basis van de jaarcijfers 2023 aan toegevoegd. Onder de tabel met de financiële consequenties is een uitleg per regel opgenomen. Rijksinkomsten (Bedragen x € 1.000)
Geraamd resultaat (startsituatie voor bestuurlijke keuze) Meicirculaire 2024 gemeentefonds - loon- prijsontwikkeling Meicirculaire 2024 gemeentefonds - afschaffing opschalingskorting Meicirculaire 2024 extra korting van 675 miljoen voor 2025 Meicirculaire 2024 maatstaf huishoudens met laag inkomen Extra besparing van het Rijk voor jeugdzorg Vooraankondiging Compensatie WMO Onderuitputting BCF aanpassen naar jaarcijfers 2023 Geraamd resultaat (na verwachte rijksinkomsten)
2025 3.583 -1.200 -2.700 1.600 0 0 1.000 2.283
2026 -7.742 -1.800 2.700 0 1.600 0 300 1.000 -3.942
2027 -5.265 -2.200 2.700 0 1.600 0 600 1.000 -1.565
2028 -3.204 -2.100 2.700 0 1.600 0 900 1.000 896
Meicirculaire 2024 gemeentefonds – loon-prijsontwikkeling Jaarlijks vindt in de meicirculaire indexering van lonen en prijzen plaats op basis van het centraal economisch plan. Deze bijstelling is in 2024 nadelig voor het gemeentefonds. Het Rijk gaat ervan uit dat deze neerwaartse bijstelling budgettair neutraal is voor gemeenten. De basis voor loon- en prijsindexatie van gemeentelijke budgetten ligt echter veelal vast in de vorm van contracten en verordeningen. Dit betekent dat het effect op de gemeentebegroting nadelig is en niet budgettair neutraal. Voor Meierijstad gaat het om een nadeel van € 1,2 miljoen in 2025 oplopend naar € 2,1 miljoen in 2028. Meicirculaire 2024 gemeentefonds - afschaffen Opschalingskorting vanaf 2026 Sinds 2015 hebben gemeenten te maken met een korting op het gemeentefonds. Het Rijk legde destijds een opschalingskorting op omdat gemeenten door gedwongen opschaling kosten zouden besparen. Deze is nu van tafel en kan definitief uit de cijfers gehaald worden, verwerking vindt plaats in de meicirculaire. Het definitief schrappen van de opschalingskorting betekent voor Meierijstad een extra uitkering van € 2,7 miljoen vanaf 2026. In alle scenario’s wordt dit nu ingerekend.
Meicirculaire 2024 gemeentefonds - extra korting van € 675 miljoen voor 2025 Gemeenten krijgen bij de invoering van de nieuwe financieringssystematiek vanaf 2024 het financiële effect gecompenseerd, met uitzondering van 2025. De financiële consequentie van het besluit van het kabinet is dat in dat jaar het gemeentefonds eenmalig € 675 miljoen lager wordt vastgesteld. Voor onze gemeente gaat het dan om € 2,7 miljoen. Dat is een flinke tegenvaller. Deze late ingreep kan veel gemeenten in problemen brengen en daarom is toegezegd dat de fondsbeheerders in gesprek gaan met de toezichthouders om te bezien hoe het effect van dit late besluit ingekaderd kan worden. Wij wachten het advies vanuit de provincie hierop af. Maatstaf huishoudens met een laag inkomen Bij het proces om te komen tot een nieuw verdeelmodel in 2023 is naar diverse definities van de maatstaf “huishoudens met een laag inkomen gekeken”. De aantallen zijn voor 2023 en 2024 bijgesteld op basis van de meest relevante cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek beschikbaar heeft. Dit gaf voor de jaren 2023 en 2024 een extra uitkering voor de gemeente Meierijstad. Momenteel loopt landelijk nog nader onderzoek naar de aantallen. Als dit structureel doorgaat, betekent het voor Meierijstad een voordeel van € 1,6 miljoen. Hierover komt in de meicirculaire duidelijkheid.
3
Extra besparing van het Rijk voor jeugdzorg In de meerjarenraming 2024-2026 staat een ‘stelpost jeugdzorg’ als baat, gebaseerd op de uitspraak van de Commissie van Wijzen. Deze stelpost heeft een onzeker karakter. Er is namelijk geen budgettaire garantie dat dit geld ook daadwerkelijk beschikbaar komt. Met de gelden uit de Commissie van Wijzen hangt een hervormingsagenda samen. In het coalitieakkoord van het kabinet is aanvullend op bovenstaande een extra besparing in het jeugddomein opgenomen met een omvang van € 100 miljoen in 2024, oplopend naar € 500 miljoen in 2025 en 2026, en structureel € 511 miljoen vanaf 2027. Het kabinet heeft besloten dat deze besparing een Rijksverantwoordelijkheid is. In de Voorjaarsnota 2024 is opgenomen dat de geraamde extra besparing van het Rijk van € 500 miljoen voor 2025 komt te vervallen. Uitgangspunt is, dat het vervallen van de extra korting geen budgettair effect heeft. Het verloopt budgettair neutraal, omdat gemeenten in de begroting voor Jeugdzorg rekening mochten houden met de voorgenomen besparing en een lagere raming van de uitgaven. Dit wordt voor 2025 nu teruggedraaid. Na 2025 blijft deze nog gehandhaafd.
Vooraankondiging indexatie Wet maatschappelijke ontwikkeling (Wmo) voor stijgende zorgkosten In de Voorjaarsnota 2024 is toegelicht dat het Rijk en gemeenten werken aan de beheersbaarheid van de uitgaven van gemeenten en de wettelijke zorgtaken Wmo. De verwachting is dat in de toekomst (een nader te bepalen deel van de) Wmo niet langer via de algemene uitkering van het gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Vooruitlopend op de gekozen bekostigingsvorm wordt onderzoek gedaan naar een passende geobjectiveerde indexering, die ook rekening houdt met kostenontwikkeling en demografie/vergrijzing. Het Rijk heeft in de Voorjaarsnota alvast een reservering opgenomen voor een aanvullende indexering voor demografie boven op de bbp-systematiek. Vanaf 2026 is een reservering opgenomen van € 75 miljoen oplopend tot € 300 miljoen in 2029. Het streven is dat er met ingang van 2026 nadere afspraken zijn. In de meicirculaire 2024 wordt deze reservering nog niet verwerkt. Dit betekent dat we dit nog niet kunnen verwerken in de cijfers bij de begroting 2025. Onderuitputting BTW-compensatiefonds (BCF) - aanpassen naar jaarstukken 2023 De Voorjaarsnota 2024 biedt informatie over de afrekening voor het jaar 2023. De afrekening BCF bedraagt € 214 miljoen en dit bedrag wordt in 2024 incidenteel toegevoegd.
Op basis van de ruimte onder het plafond van het jaar 2023 van € 573 miljoen is het mogelijk om in de begroting 2025 een structurele stelpost op te nemen, die voor Meijerijstad is berekend op € 2,2 miljoen. Huidige raming is € 1,2 miljoen. De provinciaal toezichthouders hebben dit de afgelopen jaren als richtlijn genomen bij het beoordelen van de (meerjaren)begroting. Wel adviseren de provinciaal toezichthouders om voorzichtig te zijn met het opnemen van een raming voor dit dekkingsmiddel.
Lokale inkomsten van Meierijstad: Belastingcapaciteit en Algemene risicoreserve Belastingcapaciteit De belastingcapaciteit geeft (procentueel) aan hoeveel ruimte een gemeente beschikbaar heeft om belasting(en) (OZB, rioolheffing en reinigingsheffing) te verhogen. Om te beoordelen of er sprake is van onbenutte belastingcapaciteit wordt enerzijds de ruimte bepaald tussen de eigen OZB-tarieven en het redelijk peil van de OZB dat wordt vastgesteld in het kader van artikel 12 Financiële verhoudingswet (de artikel 12-norm). Anderzijds wordt de riool- en afvalstoffenheffing in beschouwing genomen. Dit omdat deze heffing niet kostendekkend hoeft te zijn, maar ook lager mag worden vastgesteld. Er is dan sprake van belastingcapaciteit die niet wordt benut.
4
De gemeenteraad bepaalt welke gemeentelijke belastingen inwoners betalen en hoe hoog de belasting is. Binnen Meierijstad zijn de afvalstoffenheffing en het rioolrecht momenteel 100% kostendekkend. Daar is geen sprake van onbenutte belastingcapaciteit. Voor de OZB is hiervan wél sprake en deze bedraagt € 11 miljoen (jaarrekening 2023). Hierin zit voor de raad de mogelijkheid besloten om op structurele wijze extra financiële ruimte te creëren. De raad is immers vrij om de belastingtarieven te verhogen. Gekozen kan worden voor één van de volgende maatregelen, of een combinatie ervan: •
Een eenmalige inhaalcorrectie van OZB-tarieven in verband met hogere dan begrote inflatie. Bij de begrotingen 2022 t/m 2024 is een inflatie index gehanteerd welke op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP) 2024 over die jaren 6,5% lager is. Het OZB-tarief is 6,5% achtergebleven bij de indexering CEP, die we normaliter als uitgangspunt voor de lokale lastenstijging hanteren. Gekozen kan worden om dit verschil alsnog in te lopen. Het eenmalig extra indexeren met 6,5% heeft dan een effect van € 1.450.000 per jaar. Deze 6,5% is berekend over de inkomsten onroerendezaakbelasting van € 22,3 miljoen uit de begroting 2024.
•
In de meerjarenraming 2026-2028 is nu rekening gehouden met een indexering van 2%. Er kan voor gekozen worden om deze met 1% of meer te verhogen. Een jaarlijks een verhoging van 1% (of meer) bovenop ingerekende indexering van 2% heeft een effect van € 223.000 per extra procent (1% van € 22,3 miljoen).
Onderstaande tabel geeft weer wat het financiële effect op de inkomsten en het geraamd resultaat is bij een combinatie van de twee maatregelen dat wil zeggen een inhaalcorrectie van 6,5% en jaarlijks 1% meer op de ingerekende indexering van 2%. Aanpassing ozb tarieven (Bedragen x € 1.000)
Inhaal o.b.v. hogere inflatie 6,5% Jaarlijks 1% extra verhoging bovenop ingerekende indexering van 2% 2025 2026 2027 2028 Geraamd effect op resultaat
2025 1.450
2026 1.450
2027 1.450
2028 1.450
223
223 223
223 223 223
1.673
1.896
2.119
223 223 223 223 2.342
Om een referentiekader te geven waar de gemeente Meierijstad staat voor wat betreft de gemeentelijke woonlasten (meerpersoonshuishouden) in de omliggende en vergelijkbare gemeenten, is onderstaande grafiek opgenomen (basis: cijfers jaarrekening 2023, bron: COELO 2024 atlas van de lokale heffingen). De gemeenten St. Michielsgestel en Boxtel zijn niet opgenomen in de volgende tabel, omdat zij geen gegevens hebben aangeleverd voor de atlas van de lokale heffingen 2024.
5
Algemene risicoreserve De algemene risicoreserve wordt ingezet voor het afdekken van financiële risico’s (benodigde weerstandscapaciteit). Een eventueel saldo boven de benodigde weerstandscapaciteit kan en mag alleen worden ingezet als sprake is van uitgaven met een onvoorwaardelijke einddatum en deze niet hoeven te worden geactiveerd. Uit de jaarrekening 2023 blijkt een weerstandsratio van 1,54. In de beleidsnota ‘weerstandsvermogen en risicobeheersing’ is bepaald dat de ratio minimaal 1,0 moet zijn, en dat een ratio boven de 1,4 ruimte biedt. Dit betekent dus dat de raad enige mogelijkheid heeft om uit de algemene risicoreserve kosten met een tijdelijk karakter te dekken. De mogelijkheid voor het inzetten van de algemene risicoreserve zijn met ingang van de begroting 2024 ruimer gemaakt. Middelen uit de algemene risicoreserve mogen onder voorwaarden ook gebruikt worden voor structurele lasten. De reserve inzetten voor lasten met een tijdelijk karakter blijft ook mogelijk. Bij de bestemming van het jaarrekeningsaldo 2023 wordt voorgesteld om € 8,5 miljoen toe te voegen aan de algemene risicoreserve. Dit bedrag zou dekking kunnen zijn voor financiële ontwikkelingen bij begroting 2025.
3. Proces om te komen tot een sluitende begroting 2025 In deze paragraaf gaan we dieper in op het proces om te komen tot een sluitende begroting. Als we zuiver naar de cijfers kijken, dan lijkt de actuele financiële situatie na verwachte rijksinkomsten uit de eerste paragraaf niet zo zorgwekkend. Niets is echter minder waar. De cijfers geven de startsituatie voor de begroting 2025 en meerjarenraming 2026 tot en met 2028. In deze paragraaf geven we meer inzicht in mogelijke bestuurlijke keuzes. Deze keuzes komen ook terug in de paragraaf van de financiële stellingen. Hierover gaan we graag met u in gesprek tijdens de commissievergaderingen.
6
De start van het begrotingsproces is een inventarisatie in de ambtelijke organisatie. In deze uitvraag buigt de organisatie zich over het vraagstuk, welke middelen nodig zijn om als organisatie, zowel de wettelijke taken als de activiteiten die voortvloeien uit het coalitieakkoord “Thuis in Meierijstad”, en het collegewerkprogramma ‘Thuis in Meierijstad’, Mijlpalen 2023-2026 (TiMM) voortvarend op te kunnen pakken. In het collegewerkprogramma ‘Thuis in Meierijstad’, Mijlpalen 2023-2026 (TiMM) is vastgelegd welke activiteiten in gang worden gezet. Daarbij is ook vastgelegd dat we deze bestuursperiode inzetten op uitvoering. Uitvoering in de brede zin van het woord, met expliciete aandacht voor de uitvoering van de prioriteiten uit het coalitieakkoord. De uitvoeringsplannen voor 2023 waren concreet gemaakt en financieel vertaald in het collegewerkprogramma. De uitvoeringsplannen voor 2024 zijn geconcretiseerd in de programmabegroting 2024. Voor 2025 is nu de uitvraag in de organisatie gedaan en hierover maakt u de definitieve (inhoudelijke en financiële) keuzes bij de begrotingsbehandeling 2025 op 31 oktober 2024. In de uitvraag zijn financiële ontwikkelingen opgenomen voor bestaand beleid en nieuwe ontwikkelingen. Voor beide geldt dat het zowel structurele als incidentele ontwikkelingen zijn.
De financiële ontwikkelingen met een incidenteel karakter hebben geen effect op het geraamde resultaat als de dekking plaatsvindt vanuit een reserve. De financiële ontwikkelingen voor nieuwe activiteiten en investeringen lopen op tot bijna € 2 miljoen in 2028. De financiële ontwikkelingen van bestaand beleid lopen op van € 3,2 miljoen in 2025 naar € 5,7 miljoen in 2028 (zie tabel hierna). Betrekken we de geïnventariseerde financiële ontwikkelingen bij het geraamde resultaat (na verwachte rijksinkomsten) dan komen de geraamde resultaten in alle jaren negatief uit. Dit betekent dat er bestuurlijke keuzes gemaakt moeten gaan worden bij de programmabegroting 2025. In de volgende tabel staat op hoofdlijnen de financiële vertaling van het zogenaamde bestaand beleid. Deze financiële ontwikkelingen bestaan enerzijds uit hogere lasten voor het uitvoeren van bestaande activiteiten. Anderzijds gaan deze over investeringen die al eerder opgenomen waren in het meerjarig investeringsplan. Onder de tabel geven we een toelichting per regel van de tabel. Ontwikkelingen bestaand beleid (Bedragen x € 1.000)
Indexering van bestaande budgetten Structurele ontwikkelingen bestaand beleid Afschrijvingen van investeringen 2025 Afschrijvingen van investeringen 2026-2028 Ontwikkelingen bestaand beleid
2025 -2.500 -600 -35 -100 -3.235
2026 -2.500 -600 -425 -100 -3.625
2027 -2.500 -600 -525 -700 -4.325
2028 -2.500 -600 -550 -2.100 -5.750
Indexering van bestaande budgetten Bij de paragraaf over de rijksinkomsten staat de negatieve bijstelling van de accressen beschreven die we naar verwachting gaan terugzien in de meicirculaire. Voor Meierijstad gaat het om € 0,6 miljoen voor 2025 oplopend naar € 2,1 miljoen in 2028. Alhoewel het Rijk ervan uitgaat dat gemeenten hun lasten voor onder andere subsidies en contracten met zorgaanbieders kunnen verlagen is dit in de praktijk niet mogelijk op basis van de contracten en (subsidie)verordeningen. Naast deze negatieve bijstellingen bij de rijkinkomsten is voor indexering gemeentelijke budgetten de gemeentelijke stelpost prijzen niet meer voldoende. Om budgetten en subsidies te kunnen indexeren zullen we de stelpost prijzen moeten aanvullen vanuit de algemene middelen. Het gaat dan om structureel € 2,5 voor het indexeren van de budgetten voor de begroting 2025.
7
Structurele ontwikkelingen bestaand beleid Het gaat dan om verhoging van budgetten voor beheer openbare ruimte, gebouwen en sportterreinen en enkele subsidies. Investeringen 2025 uit het MIP 2025-2027 Bij de programmabegroting 2024 is het meerjaren investeringsplan (MIP) 2025-2027 opgenomen. Na actualisatie van dit investeringsplan nemen we normaliter de jaarschijf 2025 op in de programmabegroting 2025. Het gaat dan voornamelijk om investeringen van het integraal huisvestingsplan onderwijshuisvesting, investeringen in de openbare ruimte en vervangingsinvesteringen. Op deze regel staan de afschrijvingslasten voor deze investeringen. De rentecomponent van kapitaallasten is hier nog niet meegerekend. Investeringen 2026 en 2027 uit het MIP 2025-2027 De actualisatie van de jaarschijven 2026 en 2027 uit het MIP 2025-2027 en toevoeging van de jaarschijf 2028 aan het meerjaren investeringsplan vormen normaliter het MIP 2026-2028 bij de programmabegroting 2025. Ook hier gaat het dan voornamelijk om investeringen van het integraal huisvestingsplan onderwijshuisvesting, investeringen in de openbare ruimte en vervangingsinvesteringen. Op deze regel staan de afschrijvingslasten voor deze investeringen. De rentecomponent van kapitaallasten is hier nog niet meegerekend. 4.
Stellingen ter behandeling in commissievergadering Zoals hierboven aangegeven heeft de raad enkele knoppen om aan te draaien voor opstellen van een sluitende begroting. Wij geven u hieronder per mogelijke knop enkele stellingen die u aandacht kunt geven in het behandelen van deze kaderbrief in de commissievergadering. A. Een sluitende of niet sluitende meerjarenraming Voor het behouden van repressief toezicht is een sluitende begroting 2025 voor structurele lasten en baten voldoende. Dat betekent dat de raad ervoor kan kiezen om tekorten te accepteren voor de meerjarenraming 2026 t/m 2028, omdat de rijksinkomsten nog steeds niet voldoende zijn vanaf 2026. In het collegewerkprogramma TiMM is hierover het volgende opgenomen: Het financiële uitgangspunt uit het coalitieakkoord om financieel meerjarig sluitend te zijn laten we daarom los. Financieel sluitend voor structurele lasten en baten voor het komende begrotingsjaar blijft vanzelfsprekend het uitgangspunt. Dat betekent voor het wegingsproces dat we werken met plannen van jaar tot jaar en dat we financieel ingrijpende keuzes maken als de tijd daar rijp voor is. Dit was voor het college ook aanleiding om investeringen in de tijd te faseren hetgeen leidt tot een evenwichtiger meerjarenperspectief.
Nu twee jaar later zijn er financieel gezien door keuzes van de rijksoverheid op verschillende dossiers nog onvoldoende rijksinkomsten beschikbaar, daarom de volgende stelling:
8
Stelling 1 Een niet sluitende meerjarenraming 2026-2028 is acceptabel. B. Verlagen van de lasten Voor de knop verlagen van de lasten kunt u denken aan het verlagen van de lasten van bestaand beleid. Maar ook aan het niet opnemen van lasten van nieuw beleid. De mogelijkheden voor het verlagen van de lasten zijn dan grofweg: - Verlagen van alle beïnvloedbare lasten met een bepaald percentage, de zogenaamde kaasschaafmethode. - Verlagen van lasten op een bepaald beleidsveld met daaraan gekoppeld een raadsbesluit zodat de verlaging van lasten realistisch is. Door de bestuurlijke keuze voor het verlagen van het kwaliteitsniveau of het niet (meer) subsidiëren van bepaalde activiteiten kunnen we de lasten op de desbetreffende beleidsvelden verlagen. Stelling 2 Nieuwe ontwikkelingen voor 2025 en verder alleen opnemen als dekking is gevonden bij het verlagen van de lasten van bestaand beleid (zogenaamd nieuw voor oud). Stelling 3 Bij het verlagen van de lasten worden alle beleidsvelden evenredig belast. Stelling 4 Voor het verlagen van lasten op een bepaald beleidsveld is onderzoek nodig om te komen tot een bijbehorende evenwichtige bestuurlijke keuze. Daarom passen we het verlagen van lasten voor een bepaald beleidsveld niet toe bij de begroting 2025. Voor de meerjarenraming 2026-2028 is dit wel een optie. C.
Verhogen van de inkomsten De inkomsten van de gemeente bestaan naast de rijksinkomsten onder andere uit lokale belastingen, waarvan de onroerendezaakbelasting (OZB) de belangrijkste is. In onze gemeentebegroting hebben we het uitgangspunt dat we in het eerste jaar van de begroting (nu dus 2025) de inflatiecijfers van het Centraal Planbureau volgen en 2% voor de meerjarenraming (nu dus 2026 t/m 2028). Een besluit over een extra verhoging van de OZB tarieven wordt genomen aan het einde van het jaar voorafgaand aan een begrotingsjaar dat wil zeggen een extra verhoging voor kalender jaar 2025 neemt u aan het einde van kalenderjaar 2024. Stelling 5 Het is acceptabel om een eenmalige inhaalcorrectie van de OZB-tarieven te doen in verband met hogere werkelijke inflatie in 2022 t/m 2024 dan begrote inflatie die in de tarieven zijn opgenomen. Sinds de start van Meierijstad in 2017 zijn de OZB-tarieven vooral trendmatig verhoogd. Dit is dan ook te zien in de relatief lage tarieven ten opzichte van omliggende gemeenten. Alleen de nieuwe gemeente Maashorst heeft lagere tarieven (atlas COELO 2024).
9
Door de korting op de rijksinkomsten vanaf 2026 is het nauwelijks mogelijk om het meerjarig investeringsplan van TiMM op te nemen in de meerjarenraming 2026-2028. Dit brengt ons bij de volgende stelling. Stelling 6 Het is acceptabel om een voornemen tot een extra verhoging van de OZB ten opzichte van het geformuleerde uitgangspunt voor indexering op te nemen in de meerjarenraming. Dit onder andere ter dekking van de nieuwe investeringen uit TiMM. Geformuleerd uitgangspunt is: voor de indexering hanteren we de verwachtingen van het Centraal Plan Bureau (CPB) Bron: Centraal Economisch Plan, prijs netto materiele overheidsconsumptie (IMOC). D. Minder voorzichtig ramen/eigen inschattingen maken Voor het samenstellen van de begroting geldt de wettelijke eis dat de budgetten gebaseerd zijn op reële ramingen dat wil zeggen volledig, realistisch en haalbaar. Binnen deze wettelijke eis kan de raad kiezen voor het mogelijk minder voorzichtig te ramen of eigen inschattingen te maken, zoals bijvoorbeeld niet meer ramen vanuit een maximum. Stelling 7 Het is acceptabel om daar waar mogelijk minder voorzichtig te ramen/een eigen inschatting te maken, om deze toe te passen in de meerjarenraming. Dit geldt voor de begrotingsprogramma’s waar overschotten waren bij de jaarstukken 2023.
10