CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Hoeves 3 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'16.720 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TITEL INITIATIEFNEMER ADVIESBUREAU

Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een kleinschalige meubelmakerij aan de Hoeves 3 te Schijndel

Hout-Art De heer J. Leenders Hoeves 3 5482 NL Schijndel

Wintraecken Advies B.V. Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel

1

Titel: Datum: Kenmerk:

Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een kleinschalige meubelmakerij aan de Hoeves 3 te Schijndel 28 juli 2021 Hoeves 3 Schijndel

Initiatiefnemer: (Post)adres:

Hout-Art De heer J. Leenders Hoeves 3 5482 NL Schijndel

Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres:

Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 29 11 55 42 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Telefoon: E-mail: Website:

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies B.V.

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ____________________________________________________________________5

1.1 Aanleiding _______________________________________________________________ 5 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie _________________________________ 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ______________________________________________ 6 2.

PLANBESCHRIJVING __________________________________________________________12

2.1 Huidige situatie _________________________________________________________ 12 2.2 Voorgenomen ontwikkeling______________________________________________ 14 2.3 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering _____________________ 14 2.4 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit __________________________________ 15 3.

BELEIDSTOETS _______________________________________________________________16

3.1 Inleiding ________________________________________________________________ 16 3.2 Rijksbeleid ______________________________________________________________ 16 3.3 Provinciaal beleid _______________________________________________________ 18 3.4 Gemeentelijk beleid _____________________________________________________ 29 4.

MILIEU-HYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING _________________37

4.1 M.e.r.-beoordeling ______________________________________________________ 37 4.2 Archeologie en cultuurhistorie ___________________________________________ 38 4.3 Flora en fauna en stikstofdepositie ______________________________________ 40 4.4 Waterparagraaf _________________________________________________________ 41 4.5 Bodem __________________________________________________________________ 42 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen _______________ 43 4.7 Bedrijven en milieuzonering _____________________________________________ 44 4.8 Akoestiek _______________________________________________________________ 46 4.9 Luchtkwaliteit ___________________________________________________________ 47 4.10 Externe veiligheid______________________________________________________ 51 4.11 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ___________________________ 52 4.12 Verkeer en parkeren ___________________________________________________ 54 5.

JURIDISCHE PLANOPZET ______________________________________________________55

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ____________________________________________56

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID _______________________________________57

3

8.

CONCLUSIE __________________________________________________________________58

Bijlagen 1. GV Advies, Landschappelijk inpassingsplan en kwaliteitsverbetering Hoeves 3 Schijndel 9 juli 2021 2. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositie-onderzoek Hoeves 3 te Schijndel, referentie: 20201574.v01, 30-11-2020 3. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek industrielawaai Hoeves 3 Schijndel, referentie: 20201575.v01, 27-11-2020 4. AVIV, Notitie / VGr Hoeves 3 in Schijndel, project: 204358, 01-12-2020

4

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer voert als eenmanszaak een kleinschalige meubelmakerij aan de Hoeves 3 te Schijndel, gemeente Meierijstad. Er worden kleinmeubelen vervaardigd, verdeeld over twee ter plaatse aanwezige schuren, binnen de bebouwingsconcentratie Hoeves. In totaal geschiedt de bedrijfsvoering over een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 400 m2. Alle werkzaamheden vinden inpandig plaats: opslag, timmerwerkzaamheden, showroom, kantine/sanitaire gelegenheid. Op het perceel rust een woonbestemming met een bouwvlak. Initiatiefnemer wenst met onderhavig plan de bedrijfsactiviteiten formeel planologisch-juridisch aangeduid te zien binnen de eerstvolgende actualisatie van de vigerende bestemmingplannen “Landelijk gebied” en “Landelijk gebied, Herijking” van de (voormalige) gemeente Schijndel. te denken valt aan de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – meubelmakerij’. De woonbestemming blijft derhalve van kracht; de meubelmakerij vormt een nevenactiviteit van de hoofdbestemming ‘Wonen’. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de goede ruimtelijke onderbouwing; 2.

het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van het actualisatie-/veegplan voor het landelijk gebied waartoe de planlocatie behoort. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseren. Zoals in het verdere vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing zal blijken, heeft het bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie De planlocatie ligt aan de Hoeves 3 te Schijndel. Hoeves vormt een van de bebouwingsconcentraties in het buitengebied van de voormalige gemeente Schijndel, wat tegenwoordig de gemeente Meierijstad betreft. De directe omgeving van de planlocatie wordt hoofdzakelijk gevormd door agrarische bedrijven, burgerwoningen en hier en daar kleinschalige bedrijfsvoering. De provinciale weg N622 (Eerdsebaan) ligt op een kleine 100 meter ten zuidoosten van de planlocatie.

Op navolgende luchtfoto is de ligging van de planlocatie Hoeves 3 aangegeven.

5

schuren t.b.v. meubelmakerij

1.3 Vigerend bestemmingsplan De planlocatie valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Landelijk gebied” en heeft daarin de bestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Daarnaast zijn de volgende gebiedsaanduidingen van kracht op onderhavige planlocatie: ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’. Daarnaast heeft er een herijking van het vigerende bestemmingsplan plaatsgevonden op enkele onderdelen. Met deze herijking wordt het bestemmingsplan “Landelijk gebied” gedeeltelijk herzien: “Landelijk gebied, Herijking”. Voor onderhavige planlocatie betekent dit concreet dat er een dubbelbestemming aan de planlocatie is toegevoegd. Te weten ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. Daarnaast heeft de planlocatie als geheel de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalig agrarische bedrijfsgebouwen’. Op hierna opgenomen uitsnede van de verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) van het vigerende bestemmingsplan “Landelijk gebied” zijn de ligging en begrenzing van de planlocatie rood omlijnd aangegeven. Gemakshalve is er geen separate uitsnede van de verbeelding van de “Landelijk gebied, Herijking” toegevoegd.

6

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn conform artikel 26 bestemd voor: a. woningen; b. nevenactiviteiten zoals opgenomen in 26.1.2 onder c; c. een aan huis verbonden beroep; d. een aan huis verbonden bedrijf, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 26.6.1; e. bed en breakfast; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. ontsluitingswegen; h. parkeervoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 26.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige agrarische bedrijfsgebouwen' wijzigen in de bestemming Bedrijf, teneinde een niet-agrarisch bedrijf toe te staan, mits wordt voldaan aan de voorwaarden opgenomen in artikel 26.8.1. één van de voorwaarden is dat de wijziging uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie'. De voor ‘Waarde - Archeologie 3’. aangewezen gronden zijn conform artikel 32, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

7

a. Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: 1. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 250 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld; 2. de bouw van een bijgebouw bij of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 250 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld; 3. bouwwerken, geen bouwwerken zijnde ten dienste van de in 32.1 genoemde bestemming en ten dienste van een overige aan deze gronden gegeven bestemming voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 250 m2 dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. b. In geval van verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het bevoegd gezag altijd toegestaan archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw. De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen.

Strijdigheid planvoornemen met vigerend bestemmingsplan Onderhavig planvoornemen ziet op het mogelijk maken van een kleinschalige meubelmakerij binnen een bebouwingsconcentratie in de gemeente Meierijstad, in het buitengebied van Schijndel. Dit planvoornemen voldoet niet aan de regels van het vigerende bestemmingsplan, omdat er sprake is van bedrijfsactiviteiten op een plek waar dit niet is toegestaan – er rust een woonbestemming zonder verder functieaanduiding ten aanzien van bedrijfsactiviteiten op de planlocatie. Het vigerende bestemmingsplan geeft met een wijzigingsbevoegdheid echter wel mogelijkheden voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Deze wijziging mag enkel plaatvinden binnen de door de gemeente aangewezen bebouwingsconcentraties. Hoeves behoort toe één van deze bebouwingsconcentraties. De genoemde wijziging betreft een bestemmingswijziging van ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’. Een wijziging als deze is niet de wens van de initiatiefnemer. Derhalve zal bij de eerstvolgende actualisatie van het vigerende bestemmingsplan, de locatie Hoeves 3 een planologisch-juridische aanduiding krijgen welke aangeeft dat ter plaatse een meubelmakerij als nevenactiviteit gevestigd mag zijn op een vloeroppervlakte van maximaal 400 m2 (de oppervlakte verdeeld over de twee bestaande schuren). De bestemming ‘Wonen’ blijft daarmee intact.

Het bestemmingsplan “Landelijk gebied” geef dus de mogelijkheid tot het wijzigen van de bestemming ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’, voor voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in bebouwingsconcentraties. Hoeves 3 betreft een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw in een bebouwingsconcentratie, maar initiatiefnemer heeft niet de wens om de bestemming ‘Wonen’ los te laten en de bestemming ‘Bedrijf’ hiervoor in de plaats te laten vigeren. Echter biedt deze wijzigingsbevoegdheid wel mogelijkheden en de voorwaarden om het planvoornemen van de initiatiefnemer te vervolmaken en in onderhavig geval aan deze

8

voorwaarden te toetsen. Derhalve is hieronder opgesomd aan welke voorwaarden zou moeten worden voldaan voor de bedrijfsbestemming. Cursief gedrukt is aangegeven op welke manier initiatiefnemer invulling geeft aan de voorwaarden die feitelijk ook van toepassing zijn op onderhavig initiatief. a. de wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zonewijzigingsgebied bebouwingsconcentratie'; Het betreft een locatie gelegen in één van de bebouwingsconcentraties van Schijndel. b. op de locatie heeft geen sloop van bedrijfsgebouwen plaatsgevonden met gebruikmaking van de ‘Regeling Beëindiging Veehouderijtakken’ of de regeling ‘Ruimte-voor-ruimte’; Er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats en er wordt geen gebruik gemaakt van de ‘Regeling Beëindiging Veehouderijtakken’ of de regeling ‘Ruimte-voor-ruimte’. c. het hergebruik dient naar aard en omvang te passen in de omgeving; Bebouwing wordt niet gewijzigd en de bedrijfsactiviteiten zijn minimaal, en daarmee passend bij de omgeving. d. voor de functie gelden de volgende specifieke bepalingen: 1. detailhandel is uitsluitend in ondergeschikte en in ondersteunende vorm toegestaan, de totale vloeroppervlakte aan detailhandel mag niet meer bedragen dan 10% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 150 m²; Het betreft geen detailhandel. 2.

de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt maximaal 5000 m2 waarbij de totale oppervlakte aan gebouwen maximaal 400 m2 mag bedragen; De oppervlakte waarop onderhavig initiatief betrekking heeft is kleiner en de bebouwing waarbinnen de activiteiten plaatvinden is maximaal 400 m2. 3. het bedrijf voorkomt in de milieucategorie 1 of 2 van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijfsactiviteiten of kan, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën; De bedrijfsactiviteiten van initiatiefnemer zijn het beste te scharen onder ‘timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2’ (SBI-2008: 162). Dit betreft milieucategorie 3.1 met een grootste afstand (voor geluid) van 50 meter ten opzichte van gevoelige objecten / bestemmingen. Initiatiefnemer zet in op een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 400 m2. De daadwerkelijke timmerwerkzaamheden vinden echter plaats op circa 150 m2 vloeroppervlak. Het overige bedrijfsvloeroppervlak staat ten dienste van opslag, showroom en kantine/sanitaire gelegenheid. Alle werkzaamheden vinden inpandig plaats. De op kortste afstand gelegen gevoelige bestemming betreft woning Hoeves 1. Deze woning ligt op ruim 85 meter afstand van de bedrijfsruimte waar de opslag plaatsvindt.

Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 50 meter.

9

e. er dient een, door de gemeente goed te keuren, bedrijfsplan te worden overlegd, waarin de economische en milieukundige duurzaamheid van de voorgenomen wijziging wordt onderbouwd, waarbij in elk geval wordt aangetoond, welke bestaande gebouwen noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; N.v.t f. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1. landschappelijke inpassing: met het initiatief dient een gedegen landschappelijke inpassing plaats te vinden middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd beplantingsplan; het beplantingsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag om wijziging; Ten behoeve van de landschappelijke inpassing en landschappelijke kwaliteitsverbetering heeft GV Advies een plan opgesteld; zie bijlage 1. 2. verkaveling: met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen; Ten behoeve van de landschappelijke inpassing en landschappelijke kwaliteitsverbetering heeft GV Advies een plan opgesteld; zie bijlage 1. 3.

zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het 'bouwvlak' bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag; Onderhavig initiatief heeft geen bouw of sloop van bouwwerken tot gevolg. 4. ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt. Onderhavig initiatief heeft geen bouw of sloop van bouwwerken tot gevolg. Feitelijk heeft het initiatief ook een verbetering, intensivering van het gebruik van bestaande bouwwerken in het buitengebied van Schijndel tot gevolg. 5. bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, bouwmassa en architectonische kwaliteit); Onderhavig initiatief heeft geen bouw of sloop van bouwwerken tot gevolg. Het op te stellen plan voor de landschappelijke inpassing en landschappelijke kwaliteitsverbetering besteedt tevens aandacht aan de bestaande bebouwing in relatie tot de omgeving. 6. er mag geen opslag van niet-agrarische producten en materialen buiten de gebouwen plaatsvinden; Alle activiteiten die samengaan met de meubelmakerij vinden binnen de bedrijfsgebouwen plaats. 7. parkeren dient op eigen erf plaats te vinden; Op het terrein aan de Hoeves 3 is meer dan voldoende ruimte aanwezig om in parkeerbehoefte te voorzien, te weten een zestal parkeerplaatsen. 8.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; De bedrijfsactiviteiten hebben geen significante verkeersaantrekkende werking tot gevolg, omdat ter plaatse geen meubels worden verkocht. Er vindt geen detailhandel plaats. Er is wel een showroom aanwezig waar potentiële klanten kunnen zien wat initiatiefnemer kan maken. Er hoeven geen infrastructurele

10

wijzigingen plaats te vinden om de ontsluiting te laten plaatsvinden. De huidige situatie aan de Hoeves is voldoende om ook voor de toekomst een goede ontsluiting te garanderen. g. bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: Vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; Onderhavig initiatief heeft geen bouw of sloop van bouwwerken tot gevolg. h. de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied; Ten behoeve van de landschappelijke inpassing en landschappelijke kwaliteitsverbetering heeft GV Advies een plan opgesteld; zie bijlage 1. i. ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone – omgevingsvergunning groenblauwe mantel' moet er sprake zijn van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden van de groenblauwe mantel; De planlocatie Hoeves 3 is niet aangeduid als zijnde 'wro-zone – omgevingsvergunning groenblauwe mantel' j.

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Onderhavig initiatief heeft geen bouw of sloop van bouwwerken tot gevolg. Alle bedrijfsactiviteiten vinden inpandig plaats. Daarnaast besteedt hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing nadere aandacht aan de milieu-hygiënische en planologische gevolgen van onderhavig planvoornemen. Uit bovenomschreven voorwaarden ten aanzien van het ontplooien van bedrijfsactiviteiten in een bebouwingsconcentratie blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn voor een meubelmakerij ter plaatse van de Hoeves 3. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing moet dus blijken hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd.

11

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Op de planlocatie aan de Hoeves is een woning met twee ruime schuren aanwezig, welke in het verleden behoorden tot het agrarische bedrijf. De woning stamt eveneens nog uit de tijd dat Hoeves 3 een agrarisch bedrijf was. Navolgende kadastrale ondergrond met bijbehorende foto’s geeft inzicht in de huidige situatie van het perceel. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Schijndel, sectie P, perceelnummer 349. Uit onderstaande uitsnede is tevens op te maken dat onderhavig initiatoef betrekking heeft op slecht een deel van het kadastrale perceel. Het totale perceel heeft een oppervlakte van 9.630 m2.

Navolgende foto betreft de voorzijde van beide schuren.

12

Navolgende foto betreft de linkerzijde van de schuur aan de linkerkant.

Navolgende foto betreft de rechterzijde van de schuur aan de rechterkant. Ook zichtbaar zijn de aanwezig parkeerplekken.

13

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Ter plaatse van Hoeves 3 worden kleinmeubelen vervaardigd, verdeeld over twee ter plaatse aanwezige schuren. In totaal geschiedt de bedrijfsvoering over een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 400 m2. Alle werkzaamheden vinden inpandig plaats: opslag, timmerwerkzaamheden, showroom, kantine/sanitaire gelegenheid. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen bouw of sloop van bouwwerken tot gevolg. Inpandige verbouwingen van de twee bedrijfsgebouwen zouden tot de mogelijkheden kunnen behoren – nu of later, maar hebben zeker geen invloed op de uitpandige vorm of uitstraling van de bouwwerken. Wat dat betreft blijven de bouwwerken dus intact en is de kwaliteit van de bebouwing en de aansluiting van de bebouwing op de omgeving, voor zo ver mogelijk, gewaarborgd. Het op te stellen plan ten aanzien van landschappelijke inpassing en landschappelijke kwaliteitsverbetering zal nog een verdere invulling geven aan de aansluiting van de planlocatie op de omgeving en besteedt ook aandacht aan de ter plaatse aanwezige bebouwing. 2.3 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijk inpassing De landschappelijke inpassing van gebouwen is een concretisering van het landschapsontwikkelingsplan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is de initiatiefnemer verplicht om zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing.

Ter facilitering van initiatiefnemers heeft de (voormalige) gemeente Schijndel de ‘Handleiding landschappelijke inpassing’ opgesteld. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Om zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij het karakter van de omgeving is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 1. Dit inpassingsplan is vooraf gegaan door een inventarisatie van de historische ontwikkeling, landschapsanalyses lint en kavel en door referenties uit de omgeving. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een landschaps-/inrichtingsschets. Er vindt inpassing in het omringende landschap plaats door een combinatie van erf- en landschapsbeplanting.

De rapportage van GV Advies heeft geleid tot een voor een ieder wenselijk plan, waarmee behoud van natuur- en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten is gegarandeerd en er bovendien sprake is van een verbetering wat betreft deze aspecten.

14

Er is zodoende een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Het landschappelijk inpassingsplan dat hieraan ten grondslag ligt, is opgenomen als bijlage 1 van deze toelichting. Landschappelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 22.5 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en nietagrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt.

Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden. 2.4 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve(re) locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Het planvoornemen draagt bij aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en vormt daarmee een positieve functionele invulling. De land(schapp)elijke en stedenbouwkundige uitgangspunten, en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse, zijn derhalve gewaarborgd. Het plan heeft verder geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.

15

3. BELEIDSTOETS 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 3.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden.

Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet.

Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

16

Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Deze ‘ladder’ heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de ladder is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie om te vormen.

Doorwerking plan(locatie) De voorliggende planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat de onderhavige planlocatie niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau.

Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.

17

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Doorwerking plan(locatie) De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan. 3.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening NoordBrabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg.

Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken:  zorgvuldig ruimtegebruik;  meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;  betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur;  versterking van de economische kennisclusters.

18

Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht.

Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet.

19

Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is de planlocatie aangeduid als ‘Landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het Landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, die door de gemeente zijn vastgelegd. Binnen die gebieden, waartoe in ieder geval de vestigingsgebieden glastuinbouw behoren, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen,

20

voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Het Landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte. Ontwikkelingen, zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende locaties. Er wordt rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Doorwerking plan(locatie) De planlocatie ligt in het bestaand landelijk gebied van de provincie Noord-Brabant. Hierbinnen is een menging van functies aanwezig, en zijn er ook mogelijkheden tot ontwikkeling op kleine schaal.

Onderhavig planvoornemen betreft het mogelijk maken van een kleinschalige meubelmakerij, zonder dat hier bouw- of verbouwwerkzaamheden aan te pas komen. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt daarmee aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen, welke onder meer zijn gericht op zuinig ruimtegebruik. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is de planlocatie aangeduid als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

21

De gebieden aangeduid als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid ervan. De provincie wil de onvervangbare waarden beschermen in de Verordening. Het gaat om de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant(CHW 2010, herziening 2016). Vanwege de aanduiding als ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ dient een bestemmingsplan:  mede gericht te zijn op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;  regels te stellen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken is een dubbelbestemming gelegd op de planlocatie: ‘Waarde – Archeologie 3’. Hiermee is recht gedaan aan de waarden en kenmerken van de planlocatie of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Voor een inhoudelijke behandeling over de aspecten cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze plantoelichting.

Daar staat beschreven dat met het planvoornemen geen inbreuk wordt gepleegd op de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en dat de voorgenomen landschappelijke inpassing en bebouwing de onderkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten zelfs positief zullen beïnvloeden. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen gaat niet gepaard met sloop of verbouw van bestaande bebouwing. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie. De dubbelbestemming blijft onverminderd van kracht na actualisatie van het vigerende bestemmingsplan. Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied’ is de planlocatie aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

22

De aanduiding ‘Landelijk gebied’ heeft ook zijn plek binnen het eerder behandelde thema ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Ten aanzien van gronden aangeduid als zijn ‘Gemengd landelijk gebied’ geldt dat een gemengde plattelandseconomie of een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Een planvoornemen dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. De zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

In afwijking hiervan kan planvoornemen dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere Ruimte-voor-Ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst, de ruimtevoor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt, er een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd en er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. In de Interim omgevingsverordening is een aantal specifieke regelingen opgenomen voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Belangrijkste regelingen zijn: 1. De vestiging van een niet-agrarische functie; 2. Ruimte-voor-ruimte; 3. Staldering. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1

23

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1.

2. 3. 4.

de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; overtollige bebouwing wordt gesloopt; de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking.

Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: 1. 2. 3. 4.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: 1. 2. 3.

bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

De vestiging van een niet-agrarische functie De opgenomen regeling maakt een gedifferentieerd beleid met maatwerk mogelijk waarbij afhankelijk van de functie, het gebied, ligging ten opzichte van het stedelijk gebied of juist natuurgebied een invulling wordt gegeven. Twee basisprincipes staan centraal: 1. De ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied; 2. De ontwikkeling heeft een bij de omgeving passende omvang. Ontwikkelingsrichting Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Dat voorkomt gelegenheidsplanologie en biedt duidelijkheid naar zowel initiatiefnemers als omwonenden. Voor zover zo’n ontwikkelingsrichting al niet is opgenomen in bestaande plannen of daaruit afgeleid kan worden, kan zo’n ontwikkelingsrichting redelijk snel en eenvoudig samen met betrokkenen gemaakt worden. Het gaat om een globale denkrichting welke functies passen in de te onderscheiden gebieden met een globale bepaling van een omvang. Vervolgens biedt dit

24

houvast bij de ontwikkeling van concrete initiatieven en kan dit als basis dienen voor de toepassing van het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan of een wijzigingsbesluit. De ontwikkelingsrichting is geen omgevingsvisie. De gemeente heeft een keuzevrijheid op welke manier zij invulling geeft aan dit vereiste. Dat kan bijvoorbeeld door de ontwikkelingsrichting op te nemen in de toelichting op het bestemmingsplan maar dat kan ook door dit in een apart beleidsdocument op te nemen, in een (beleids)programma voor het landelijk gebied, als motivering van het vaststellingsbesluit of als paragraaf binnen de omgevingsvisie. Bij het maken van de ontwikkelingsrichting voor het landelijk gebied van de gemeente gaat het niet alleen over welke functies en activiteiten vanuit een gebiedsgerichte benadering en rekening houdend met andere functies in het gebied passen. Het is daarbij juist ook van belang om de effecten van die ontwikkeling elders bij de totstandkoming te betrekken. Het toelaten van bedrijven in het landelijk gebied heeft niet alleen effect vanuit milieu en mobiliteit op de omgeving maar kan ook leegstand op bedrijventerreinen tot gevolg hebben.

Vanuit het karakter van voorzieningen zijn sommige voorzieningen meer passend in de directe omgeving van steden en dorpen omdat deze zich richten op dagelijkse dienstverlening, zoals sportvoorzieningen, kinderdagverblijven of kleinschalige detailhandel. Dit voorkomt een onnodige belasting van dagelijks bestemmingsverkeer in het landelijk gebied. Voorzieningen die zich meer richten op recreatie lenen zich naar hun aard beter om juist in de nabijheid van fiets- en wandelroutes te vestigen of bij waterrecreatie. Passende omvang De mogelijkheden voor vestiging in het buitengebied zijn voorts nadrukkelijk niet bedoeld voor bedrijven die zich vanwege optredende milieubelasting horen te vestigen op een bedrijventerrein. De vestiging is uitsluitend bedoeld voor kleinschalige, bedrijfsmatige activiteiten die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken. Er is geen omvang opgenomen van het bouwperceel. Van gemeenten wordt verwacht dat zij daarvoor beleid ontwikkelen in de ontwikkelingsrichting die zij opstellen. Voorheen gold een omvang van 5000 m 2. In veel situaties werd die omvang als te ruim ervaren, terwijl in sommige gevallen juist een iets ruimere omvang aanvaardbaar was. In de bepalingen is opgenomen wat voor enkele voorzieningen verstaan wordt als passend in de omgeving.

Uitgangspunt is dat de omvang wordt bepaald op grond van wat in redelijkheid nodig is voor de functie waarbij er substantiële sloop plaatsvindt. De gemeente weegt de passende omvang, rekening houdend met de omgeving en aspecten als verkeersaantrekkende werking, af en legt dit vast in het bestemmingsplan. Voor detailhandel is daarbij een omvang van 200 m² verkoopvloeroppervlakte opgenomen. Enerzijds is het niet gewenst kleinschalige ontwikkelingen zoals boerderijwinkels onnodig te belemmeren. Anderzijds staat dit op gespannen voet met de gezamenlijke insteek van provincie en gemeenten om de ontwikkeling van verspreide detailhandel tegen te gaan. Nadrukkelijk wordt gevraagd aandacht te schenken bij de totstandkoming van de ontwikkelingsrichting of de ontwikkeling van detailhandel op een locatie in het landelijk gebied dat dit geen nadelige effecten heeft op het streven de voorzieningenstructuur in kernen te behouden en te versterken. Voor vrijetijdsvoorzieningen geldt dat deze naar aard en karakter vaak juist in het buitengebied ontwikkeld worden. Bij zorgvoorzieningen geldt dat afhankelijk van het karakter, dat deze meestal enige ruimte nodig hebben. Daarom is het redelijk dat

25

gemeenten voor die functies een ruimere omvang opnemen. Als algemeen uitgangspunt is een omvang vastgelegd van 1 hectare aan bebouwing. Onder aanvullende voorwaarden kan een gemeente een ruimere omvang van bebouwing toelaten. Er is bewust gekozen om de omvang van de bebouwing vast te leggen en niet de omvang van het bouwperceel. Hierdoor bestaat er meer flexibiliteit. Bijvoorbeeld een golfbaan of een park met recreatiewoningen is qua oppervlakte vaak veel groter dan 1 hectare. Door uit te gaan van de oppervlakte van de bebouwing wordt enerzijds het toevoegen van veel nieuwe bebouwing in het landelijk gebied voorkomen, terwijl anderzijds wordt bevorderd dat de ontwikkeling op extensieve wijze, passend in het landschap ontwikkeld kan worden. Dat bevordert de omgevingskwaliteit van de ontwikkeling. De grens van 1 hectare bebouwing is bepaald op de gemiddeld aanwezig omvang van bebouwing op een bouwperceel van 1,5 hectare. Overige voorwaarden Sluitstuk van een bij de omgeving passende omvang is dat overtollige bebouwing wordt gesloopt en dat de ruimtelijke ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de gemaximeerde toegestane omvang. Het steeds opnieuw toestaan van uitbreiding leidt in het algemeen tot ongewenste situaties.

Overtollige bebouwing is de bebouwing die niet past binnen de maximaal toelaatbare omvang of bebouwing waarvoor geen feitelijk gebruik is. Om te voorkomen dat de vestiging impliciet leidt tot nieuwvestiging is splitsing van het bouwperceel niet mogelijk. Wij benadrukken dat het binnen 1 bouwperceel wel mogelijk is dat er meerdere bedrijven gevestigd zijn, bijvoorbeeld in een bedrijfsverzamelgebouw, of meerdere (kleinschalige) functies, zoals een recreatiebedrijf en een zorgfunctie. De verordening staat daaraan niet in de weg. Het is echter niet mogelijk en gewenst dat voor ieder van de bedrijven of voor ieder van de functies een zelfstandig bouwperceel wordt opgenomen. Desgewenst kan binnen het bouwperceel wel gewerkt worden met aanduidingen voor diverse functies. Niet gewenste functies De eventuele vestiging of uitbreiding mag niet leiden tot een kantoor met een baliefunctie, Dergelijke functies passen gelet op hun publieksaantrekkende werking en de daarmee gepaard gaande mobiliteit niet in het buitengebied maar horen een plek te krijgen in stedelijk gebied. Daarnaast zijn de vestiging van mestbewerking of lawaaisport op basis van de Interim omgevingsverordening uitgesloten.

Doorwerking plan(locatie) In paragraaf 1.3, onder de kop ‘Strijdigheid planvoornemen met vigerend bestemmingsplan’, is reeds gemotiveerd dat onderhavig planvoornemen voldoet aan de voorwaarden en criteria als genoemd in artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Zo is de planlocatie gelegen in een bebouwingsconcentratie (zie navolgende uitsnede met rood omlijnd de globale ligging van de planlocatie), is sprake van een gebied met een verweving van functies en een mx van bedrijf, agrarisch en wonen. Het plan heeft verder geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.

26

De functie die is passend binnen het karakter van landelijke omgeving. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande land(schapp)elijke karakter ter plaatse. Bestaande bebouwing blijft in stand. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is de planlocatie aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels.

27

Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is de planlocatie aangeduid als ‘norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied van Schijndel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van:  1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;  1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;  1/25 per jaar voor akkerbouw;  1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen heeft geen toename van verharding tot gevolg. Gezien dit gegeven, is een watertoets vooralsnog achterwege gebleven. De genoemde inspanningsverplichting wordt bij verdere planvorming wel in acht genomen. Conclusie In deze paragraaf zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet

28

gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die tezamen dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 4. 3.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het Paraplubestemmingsplan parkeren, de Structuurvisie Ruimte, de Structuurvisie Buitengebied (2011), het Groenbeleidsplan, de Welstandsnota Meierijstad en het Waterplan Schijndel. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting.

Per 1 januari 2017 zijn de gemeenten Veghel, Sint Oedenrode en Schijndel gefuseerd tot één gemeente: Meierijstad. Paraplubestemmingsplan parkeren Toetsingskader Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. De gemeente Meierijstad is voornemens om alle huidige bestemmingsplannen aan te laten sluiten bij de doelstellingen van deze wetswijziging. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Geldende bestemmingsplannen die in de regels reeds verwijzen naar het parkeerbeleid en/of waarvoor geldt dat in de regels reeds parkeernormen zijn opgenomen, hoeven strikt genomen niet te worden herzien, maar het kan wel. Voor de uniformiteit is ervoor gekozen om de normen op alle ruimtelijke plannen van toepassing te verklaren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=75bdcf73-e4aa-457a-85c5-c88a56c770f2