Bus 16 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bus 16 Sint Oedenrode’ Gemeente Meierijstad
1
Colofon Ruimtelijke onderbouwing: Bus 16 Sint Oedenrode Rapportnummer: 2020.0791 Status: Concept Datum: 2 augustus 2022 Projectlocatie Bus 16 5492 SL Sint-Oedenrode Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Peter van Iperen 06 – 24627242 peter@reland.nl
© augustus 2022 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving ............................................................................................................ 9 2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................... 9
2.2
Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................. 10
HOOFDSTUK 3 Beleidstoets ................................................................................................................ 13 3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 13
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 13
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 13
3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 14
3.1.4
Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 ....................................................................... 14
3.1.5
Nationale omgevingsvisie NOVI ................................................................................... 15
3.2
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 15
3.2.1
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................ 15
3.2.2
Brabantse omgevingsvisie ‘De Kwaliteit van Brabant’ ..................................................... 19
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 20
3.3.1
Afwegingsschema Meierijstad .......................................................................................... 20
3.3.2
Woonvisie van Meierijstad ................................................................................................ 22
3.3.3
Kansen voor kwaliteit .................................................................................................... 23
3.3.4
Omgevingsdialoog ........................................................................................................ 23
HOOFDSTUK 4 Milieuhygiënische en planologische
verantwoording ................. 25
4.1
Mer-beroordeling .................................................................................................................. 25
4.2
Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 25
4.3
Flora en Fauna ..................................................................................................................... 27
4.3.1
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 27
4.3.2
Soortenbescherming..................................................................................................... 27
4.4
Waterparagraaf ..................................................................................................................... 29
4.5
Bodem .................................................................................................................................. 31
4.6
(Ondergrondse) infrastructuur .............................................................................................. 32
4.7
Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 32
4.8
Geurhinder ............................................................................................................................ 33
4.9
Akoestiek .............................................................................................................................. 36
4.10
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 37 3
4.11
Externe veiligheid ................................................................................................................. 38
4.12
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ....................................................................... 41
4.13
Hoogspanningslijnen ............................................................................................................ 41
4.14
Spuitzones gewasbescherming ............................................................................................ 41
4.15
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 42
HOOFDSTUK 5 Juridische planopzet ................................................................................................... 43 HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 45 HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 46 HOOFDSTUK 8 Conclusie .................................................................................................................... 47
Bijlage I
Landschappelijke inpassing
Bijlage II
Berekening kwaliteitsverbetering
Bijlage III
Omgevingsdialoog
Bijlage IV
Stappenplan Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0
Bijlage V
Certificaat bouwtitel
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding Aan de Bus 16 te St. Oedenrode ligt een voormalig agrarisch bedrijf. Na het beëindigen van het agrarisch bedrijf zijn de bedrijfsgebouwen in stand gebleven en in gebruik als stallingsruimte en werkplaats. De bedrijfsgebouwen hebben een omvang van circa 1.700 m2, daarnaast is er een bedrijfswoning. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode is onderhavige locatie bestemd tot Wonen met de functieaanduiding specifieke vorm van wonen –vab. Daarnaast ligt op het perceel een bouwaanduiding : bijgebouwen. Deze bijgebouwen, de voormalige bedrijfsgebouwen, kunnen thans niet gebruikt worden als bedrijfsgebouwen. Ook de woning mag niet worden gebruikt als bedrijfswoning. Initiatiefnemer wil de bedrijfsgebouwen wederom zakelijk gebruiken, als zijnde bedrijf. Dit wordt hierna genoemd initiatief 1. Daarnaast wil initiatiefnemer een ruimte-voor-ruimte woning realiseren, doch de bestemming Wonen ontbreekt op de onderhavige locatie. Dit initiatief wordt hierna genoemd initiatief 2. Genoemde ontwikkeling is op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Derhalve is in overleg getreden met de gemeente Meierijstad voor alternatieven voor deze locatie. Om tot de gewenste ontwikkeling te komen is herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied Binnen dit bestemmingsplan worden twee deelgebieden behandeld, namelijk de locatie waar de burgerwoning wordt omgezet tot bedrijfswoning en de locatie waar de oude stal wordt gesaneerd en de ruimte-voor-ruimtewoning gerealiseerd wordt. De burgerwoning die omgezet wordt naar een bedrijfswoning is gelegen aan Bus 16 in Sint-Oedenrode, in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie M, perceelnummers 823, 824 en 825 en heeft een totale grootte van circa 8964 m2. De locatie waar de stal gesloopt zal worden en een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd gaat worden is gelegen aan Bus ongenummerd en ligt direct naast het perceel waarop de woning en de bijgebouwen van Bus 16 staan. Deze locatie staat kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie M, perceelnummer 826. Het hele perceel heeft een grootte van circa 5.572 m2. Op de luchtfoto in figuur 1 is de kadastrale situatie weergegeven.
5
Figuur 1. Kadastrale situatie.
Het plangebied is gelegen aan de Bus 16 en maakt onderdeel uit van het buurgenootschap ‘De Bus’. Op 600 meter ten zuiden van het plangebied begint de bebouwing van het meest nabijgelegen dorp ‘Boskant’. Daarnaast ligt op 2,0 kilometer ten oosten de plaats Sint-Oedenrode en op 2,75 kilometer ten westen de plaats Liempde. Het plangebied maakt onderdeel uit van een bebouwingslint van voornamelijk woningen en een aantal (agrarische) bedrijven. Daarnaast zijn er enkele intensieve veehouderijen en een glastuinbouwbedrijf in de omgeving gelegen. De omgeving kenmerkt zich door een open agrarisch landschap en enkele bospartijen.
1.3
Vigerend bestemmingsplan Het onderhavige perceel is gelegen in de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (vastgesteld 15-03-2012) en ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 2’ (vastgesteld 29-09-2016). Daarnaast zijn de planregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ (vastgesteld 29-32018) van toepassing. In het bestemmingsplan is het perceel voor de bestaande activiteiten bestemd tot ‘Wonen’ met de functie-aanduiding specifieke vorm van wonenvab met de bouwaanduidingen: ‘bijgebouwen’ en ‘bijgebouwen uitgesloten’. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen en ligt er op een gedeelte van het perceel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2. Daarbij heeft de locatie de gebiedsaanduidingen: • • • •
Gebiedsaanduiding - bebouwingsconcentratie 3 Gebiedsaanduiding - cultuurhistorisch waardevol gebied Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – verwevingsgebied Gebiedsaanduiding – groenblauwe mantel
Het perceel voor de ruimte voor ruimtewoning is bestemd tot “Agrarisch met waarden – landschapswaarden met eenzelfde dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen zoals de woning. Deze gronden zijn bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Dit bestemmingsplan is op 15 maart 2012 vastgesteld. In afbeelding 2 is de locatie voor
6
dit initiatief weergegeven. Het gele bouwvlak is de huidige woonbestemming, de blauwe button is de locatie van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning.
Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode'.
Uit afbeelding 1 & 2 kan opgemaakt worden dat het aantal bijgebouwen bij een woonbestemming groot is. Deze bijgebouwen, de voormalige bedrijfsgebouwen, kunnen enkel voor de woonbestemming worden gebruikt en niet meer als bedrijfsgebouwen wat echter wel de bedoeling is van de initiatiefnemer. Bestemmingsplan-technisch behoort een wijziging naar de bestemming Bedrijf tot de mogelijkheden. De locatie van de ruimte voor ruimte woning, hetwelk in afbeelding 2 met een blauwe omgekeerde druppel is aangegeven ligt in een gebied wat is aangeduid als bebouwingsconcentratie waardoor de bestemming Wonen tot de mogelijkheden behoort. Op afbeelding 3 is aangegeven dat onderhavige locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratiegebied.
Figuur 3. Bebouwingsconcentratie (rood) ter plaatse van het plangebied.
7
Het gebruik van de (voormalige) bedrijfsgebouwen en de voormalige bedrijfswoning als bedrijf met een bedrijfswoning alsmede het realiseren van ruimte voor ruimte woning is zoals hierboven is aangegeven in strijd met de huidige bestemming, dit wordt niet rechtstreeks toegestaan. Per locatie zal in deze toelichting worden aangegeven dat de beoogde situatie voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In het vigerend bestemmingsplan is in artikel 20.6.7 aangegeven dat de bestemming ‘Bedrijf’ middels een wijziging van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ tot de mogelijkheden behoort. Voor de bedrijfsvoering van het beoogde bedrijf is een totale oppervlakte van 900 m2 aan bedrijfsgebouwen noodzakelijk. Er kan dus geen gebruik worden gemaakt van deze binnenplanse wijzigingsbevoegdheid waarin maximaal 600 m2 aan gebouwen behouden kan blijven. Het middels een binnenplanse wijziging mogelijk maken van een ruimte voor ruimte woning behoort ook niet tot de mogelijkheden. Vandaar dat voor beide initiatieven deze bestemmingsplanherziening wordt gestart.
8
HOOFDSTUK 2.1
2 Planbeschrijving
Huidige situatie Het onderhavige plan is gelegen in een omgeving waar met name woningen en bedrijven gelegen zijn. De gele vlakken op onderstaande afbeelding hebben de bestemming Wonen, de paarse hebben de bestemming Bedrijf. Aan de achterzijde is een agrarisch bedrijf aanwezig, met een omgevingsvergunning, activiteit milieu. Hierin zijn echter geen dieren opgenomen. Uit het provinciaal bestand van veehouderijen blijkt dat voor alle bedrijven aan de Bus het aantal dieren op 0 staat. Initiatiefnemer wil de woonbestemming wijzigen in Bedrijf en een Woonbestemming toevoegen. Beide bestemmingen zijn op de locaties in de omgeving ook aanwezig.
Figuur 4. Omgeving planlocatie.
De locatie ligt in het bestemmingsplan Buitengebied in een verwevingsgebied. In een verwevingsgebied is de verweving van landbouw, wonen en natuur mogelijk. Een gebied met diverse functies. Diverse functies zijn mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Beide gewenste functies zijn in de omgeving reeds aanwezig, in deze toelichting wordt aangegeven dat andere functies in de omgeving de gewenste ontwikkeling niet blokkeren. Daarnaast blijkt uit deze toelichting dat de beoogde RvR-woning en de bedrijfsfunctie ook geen negatieve invloed hebben op omliggende milieugevoelige objecten. Het perceel is een stedenbouwkundig bebouwd perceel met een woning en bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlakte van 1.700 m2. Dit bebouwd perceel ligt tegenover een bedrijfsbestemming. Meerdere bedrijfsbestemmingen zijn in de omgeving aanwezig. Door het saneren van bedrijfsgebouwen, voormalige stallen, kan verrommeling van de omgeving van de Bus worden voorkomen. De ontwikkeling ter plaatse wordt goed aangesloten en ingepast met het bestaande direct aansluitende landschap. De lange verkaveling van het bestaande perceel blijft intact, de verkaveling wordt echter wat 9
smaller, de nieuwe locatie voor de ruimte-voor-ruimte krijgt een vorm overeenkomstig de naastgelegen woonbestemming. Het karakter van de omgeving blijft door het gehele initiatief in tact. In de volgende paragraaf wordt voorgenomen ontwikkeling uitgebreider toegelicht.
2.2
Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer wil deze (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen, gebruiken voor een bedrijfsbestemming. De zoon van initiatiefnemer heeft een bedrijf wat past binnen de eisen van artikel 20.6.7 van het vigerend bestemmingsplan, een reparatiebedrijf van auto’s met bijbehorende opslagcapaciteit (max. milieucategorie 2). De oppervlakte van het beoogde reparatiebedrijf met opslagcapaciteit bedraagt 900 m2. Dit is groter dan de in de wijzigingsbevoegdheid voorgeschreven 600 m2. De voorgenomen oppervlakte van 900 m2 is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering omdat ter plaatse ook de digitale verkoop/opslag van materialen plaatsvindt. Voor de bedrijfsbestemming zal in de nieuwe planologische situatie een bouwvlak op maat worden gemaakt. De beoogde bedrijfsactiviteiten ter plaatse bestaan niet uit detailhandel in de vorm van verkoop aan derden (enkel digitale verkoop). In de nieuwe planologische situatie zal detailhandel derhalve niet toegestaan worden. De zoon wordt /is inmiddels eigenaar van de locatie en zal de bedrijfswoning gaan bewonen. De ouders van de initiatiefnemer gaan in de mantelzorgwoning wonen. Deze wordt gerealiseerd in het bestaande bedrijfsgebouw welke het meest links op de locatie gelegen is.
Voor deze afhankelijke woonruimte, mantelzorgwoning, met een omvang van maximaal voor 80 m2, is een omgevingsvergunning reeds aangevraagd bij de gemeente Meierijstad, omdat een verklaring omtrent de noodzaak van deze zorg op grond van het bestemmingsplan is vereist en welke bij deze aanvraag is bijgevoegd. Verder is deze mantelzorgwoning vergunningvrij op grond van het Besluit omgevingsrecht. Eén voormalige varkensstal zal worden gesloopt, wat een ruimtelijke kwaliteitswinst geeft voor de omgeving. Deze stal heeft een omvang van 650 m2. Daarnaast wordt 640 m2 aan erfverharding gesloopt. Tevens wil initiatiefnemer naast het herbestemmen van de woning met de stallen naar de bestemming Bedrijf en een bedrijfswoning een ruimte-voor-ruimte woning realiseren. Deze woning zal worden gerealiseerd door een andere zoon van de initiatiefnemer. Bij de ruimte voor ruimte woning wordt een bijgebouw van 200 m2 gerealiseerd. Dit bijgebouw is van een grotere omvang dan normaliter gebruikelijk is. Om de extra 50 m2 te verantwoorden is initiatiefnemer bereid om een kwaliteitsverbetering te leveren. Voor de berekening kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar bijlage II. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Onderstaand is de landschappelijke inpassing beschreven en weergegeven in figuur 6. Voor de uitgebreide rapportage wordt verwezen naar bijlage I.
Voorliggend plan bestaat uit twee delen, namelijk het inpassen van de bestaande schuren en de nieuwe Ruimte voor Ruimte woning met bijgebouw. Deze worden separaat beschreven, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen ‘inrichting’ (INR), ‘landschappelijke inpassing’ (LIP) en ‘landschappelijke versterking’ (LIR).
10
Bestaande schuren Aan de voorzijde van de twee gekoppelde schuren is een woning gevestigd. Voor de woning ligt een sobere voortuin met aan de zijkant van de schuur (oostzijde) een overdekt terras. De ruimte wordt aan de voorzijde afgezet met een nieuwe haag, om overgang van tuin naar landschap te accentueren (INR). De bestaande boom blijft als een markante solitaire landschapsboom gehandhaafd (LIP). Aan de westzijde van de schuur loopt de tuin verder door naar achteren. Hier is een mantelzorgwoning gecreëerd. Deze bewoners hebben tevens een overdekt terras met daaromheen een tuin. Deze tuin is aangekleed met diverse (boerderij) planten, siergrassen en heesters (INR). Een extra omzoming van dit deel van de tuin met een haag zou afbreuk doen aan de bestaande inrichting en sfeer. Aan deze zijde is dat ook niet nodig. Aan beide zijden van de schuur ligt een inrit. De oostelijke inrit biedt toegang tot de woning en opslag. Verharding is nodig om te rijden en manoeuvreren. Buitenopslag is niet wenselijk. De westelijke inrit biedt toegang tot de mantelzorgwoning. Daar waar de schuur heeft gestaan wordt het maaiveld hersteld en een weide gemaakt. In deze weide zullen diverse kleine hobbydieren gebruik maken (INR). Aan de straatzijde wordt een omhaagde hoogstamfruitgaard aangelegd, zodat vanaf de straat Bus het zicht op de schuren groen wordt afgeschermd (LIP).
Tevens versterkt het agrarische karakter en de groenbeleving van het erf. Parallel aan de schuur komen 4 nieuwe landschapsbomen om de schuur met groen te verzachten (INR). De bestaande bomen aan de achterzijde weide (berk en es) blijven gehandhaafd, waardoor vanaf de straat Bus zicht ontstaat over de agrarische velden (LIP). De laurierhaag achter de schuur blijft gehandhaafd. Het ontneemt het zicht op de achterzijde van de schuren voor de buurman Bus 10 (INR). Aan de westzijde van de schuren ligt reeds een landschappelijke inrichting in de vorm van een elzensingel (LIP). Daarnaast is dit landschap ecologisch versterkt door de houtsingel met landschapsbomen en poel. De ecologische kwaliteit van deze elementen kan worden versterkt door de aanvulling van de houtsingel met nieuw bosplantsoen en het verflauwen van het talud van de poel (LIR). De overige omgeving is ingericht als weide/gras. De elementen worden conform richtlijnen uit Stimuleringsregeling Landschap (STILA) onderhouden (INR). Tot slot wordt opgemerkt dat de reeds bestaande landschapselementen (onder andere de beplanting naast de schuur) en de nieuwe landschappelijke inpassing van de schuren niet is ingezet als kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor het leveren van de kwaliteitsverbetering van het landschap is het gedeelte aan de westzijde van het perceel betrokken.
Om de ecologische kwaliteit van de bestaande landschapselementen te versterken wordt de bestaande houtwal en poel aangepast en aangevuld. Tevens worden deze gronden bestemd naar ‘Natuur’. In onderstaande figuur 5 is de kwaliteitsverbetering van het landschap inzichtelijk gemaakt. Voor de
11
berekening kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar bijlage II van deze ruimtelijke onderbouwing.
Figuur 5. Kwaliteitsverbetering van het landschap.
Ruimte voor Ruimte woning De nieuwe woning heeft een traditionele omhaagde voortuin (INR). In de tuin staat een markante solitaire landschapsboom nabij de inrit (LIP). De achtertuin wordt ingepast door behoud van de bestaande houtsingel aan de oosten noordzijde (LIP). Aan de westzijde wordt een haag met een bomenrij gerealiseerd (LIP). De haag kan naar gelang hoog of laag worden uitgevoerd.
Figuur 6. Landschappelijke inpassing.
12
HOOFDSTUK
3 Beleidstoets
In dit hoofdstuk wordt het voor onderhavige ontwikkeling relevante ruimtelijke rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid uiteengezet. Daarnaast wordt de beoogde ontwikkeling in dit hoofdstuk tevens aan dit beleid getoetst.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en vervangt enkele ruimtelijke doelen en uitspraken uit andere documenten. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is op 30 november 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het plangebied is gelegen in de door het Rijk aangewezen vrijwaringszones voor radarstations. Windturbines en hoogbouw kunnen verstoring op de radar veroorzaken. Gezien de beperkte bouwhoogte in onderhavig plan vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in overige gebieden waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen waardoor de AMvB Ruimte geen consequenties heeft voor voorliggend plan.
Bovendien is onderhavig project zodanig kleinschalig van aard dat dit project geen invloed heeft op het rijksbeleid.
13
3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. Planologische gebruikswijzigingen zonder een toename van bouwmogelijkheden kwalificeren in deze niet als Ladderplichtige stedelijke ontwikkelingen.
De gebruikswijziging van burgerwoning naar bedrijfswoning kwalificeert in dit geval dus niet als een ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Ook de realisatie van één enkele ruimte-voor-ruimtewoning is niet Ladderplichtig. ruimte-voor-ruimteregelingen hebben namelijk geen extra verstedelijking tot gevolg, maar reduceren of verplaatsen bebouwing, waardoor dit niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Daarnaast rekent de Ladder voor stedelijke ontwikkeling een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de ontwikkeling van één woning dus niet het geval. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor dit plan.
3.1.4
Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft op 12 oktober 2012 de Structuurvisie Buisleidingen vastgesteld. Door de gemeente Meierijstad is één nieuwe buisleiding gepland. Onderstaande kaart verbeeld het tracé van de leiding nabij de planlocatie.
Figuur 7. Uitsnede structuurkaart buisleidingen
14
De zone waar de buisleiding gepland is, ligt op zeer ruime afstand van de planlocatie. Derhalve bestaan er geen belemmeringen voor het initiatief vanuit de Structuurvisie Buisleidingen.
3.1.5
Nationale omgevingsvisie NOVI Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVi geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Derhalve bestaan er geen belemmeringen voor het initiatief vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI.
3.2
Provinciaal beleid In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant.
3.2.1
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: -
Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; 15
-
Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.
Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Onderhavig plangebied is volgens de structurenkaart binnen de hoofdzone ‘landelijk gebied’ gelegen (figuur 8).
Figuur 8. Uitsnede structurenkaart. Plangebied aangegeven met roze kruis.
Voor de plangebieden is de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang. De overige kaarten zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.
Figuur 9. Uitsnede structurenkaar landelijk gebied. Plangebied aangegeven met roze kruis.
Uit figuur 9 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de groenblauwe mantel. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel:
16
a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. In hoofdstuk 2 en in bijlage I zijn de huidige landschappelijke waarden beschreven en wordt toegelicht waarop onderhavig planvoornemen deze waarden versterkt door middel van een inpassingsplan. Daarnaast zal in hoofdstuk 4 de invloed van de beoogde ontwikkeling op de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden beschreven en afgewogen worden. Binnen het landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied betreft het omzetten van een burgerwoning naar een bedrijfswoning en de omzetting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ naar het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Daarnaast zal één stal gesloopt worden met daarbij de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimte woning met bijgebouw.
Volgens artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant kan een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: Lid 1 a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. De gemeente Meierijstad heeft voor haar grondgebied beleid uitgewerkt waarin een globale ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Uit de kaart met gebiedstypologieën blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie. Het in gebruik nemen van bestaande bebouwing t.b.v.
een reparatiebedrijf van auto’s met bijbehorende opslagcapaciteit is naar aard en omvang passend binnen deze gebiedstypologie. De bebouwingsconcentratie en de omgeving bestaan uit een verscheidenheid aan functies. In de directe omgeving zijn onder andere woningen, isolatiebedrijf, boomrooierij, wegenbouwbedrijf en agrarische bedrijven gelegen. De herbestemming van het perceel en het uitoefenen van de bedrijfsactiviteiten t.b.v een autoreparatiebedrijf past binnen de gemengde plattelandseconomie en er is geen sprake van negatieve effecten op de nabijgelegen functies en omgeving. De sloop van één verouderde stal draagt bij aan de omgevingskwaliteit. Daarnaast zullen de beoogde bedrijfsactiviteiten worden gekoppeld aan de bestemming ‘Bedrijf’. Alleen bedrijven die zijn opgenomen in de Lijst van 17
Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2 zijn toegestaan ter plaatse van het plangebied. Hierdoor blijven de blijven de effecten minimaal. De oppervlakte van het beoogde reparatiebedrijf met opslagcapaciteit bedraagt 900 m 2. De voorgenomen oppervlakte van 900 m2 is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering omdat ter plaatse ook de digitale verkoop/opslag van materialen plaatsvindt. De beoogde bedrijfsactiviteiten ter plaatse bestaan niet uit detailhandel in de vorm van verkoop aan derden (enkel digitale verkoop). In de nieuwe planologische situatie zal detailhandel derhalve niet toegestaan worden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b.er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; Één verouderde stal zal in de beoogde situatie gesloopt worden. Resterende bebouwing zal gebruikt worden voor de bedrijfsactiviteiten. d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. De bedrijfsactiviteiten hebben geen betrekking op één van bovenstaande activiteiten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a.
over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De bedrijfsmatige functie blijft relatief kleinschalig en zal gemaximaliseerd worden in de regels van het bestemmingsplan. Een verdere groei is niet noodzakelijk en gewenst. In feite worden de maximale mogelijkheden hierdoor voldoende geborgd. Aangezien de eigenaar op de locatie woont en geen werknemers in dienst heeft is de verkeersaantrekkende werking minimaal. De bedrijfsactiviteiten beperken zich voornamelijk tot opslag en reparatie van auto’s. De initiatiefnemer heeft niet de intentie om het bedrijf verder te laten groeien op deze plek. Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
De ontwikkeling betreft geen vrije-tijdvoorziening of zorg en is niet gericht op detailhandel. Zoals eerder vermeld is het bedrijf passend binnen de omgeving en dient deze kleinschalig te blijven. Aan deze voorwaarden wordt voldaan.
18
Naast het omzetten van de bestaande burgerwoning naar een bedrijfswoning en de vestiging van een niet-agrarische functie in landelijk gebied wordt ook nieuwvestiging van woningen in het landelijk gebied mogelijk gemaakt, onder bepaalde voorwaarden, door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In artikel 3.80 ‘ruimte-voorruimte’ is namelijk beschreven dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel ten behoeve van de bouw van één woning, indien: er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen ‘Verstedelijking afweegbaar’. De ruimte-voor-ruimtewoning wordt ontwikkeld op de locatie aan Bus ongenummerd. Hiervoor wordt een ruimte-voor-ruimtetitel gebruikt die vrijkomt bij de sanering van een intensieve veehouderij elders in de Provincie Brabant, welke staat voor de bedoelde winst van de omgevingskwaliteit. De beoogde locatie is zowel in het geldende bestemmingsplan als in het beleidsstuk ‘Kansen voor Kwaliteit’ van de gemeente Meierijstad aangemerkt als bebouwingsconcentratie.
De beoogde situering tussen de woningen aan de Bus 14 en 16 zorgt voor een verdere verdichting van de bebouwingscluster zonder dat dit afbreuk doet aan het landschap. Het bebouwingscluster bestaat voornamelijk uit boerderij-achtige woningen op grote percelen. De nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning zal hierbij aansluiten, waarbij eenzelfde ruime perceelopzet wordt gehanteerd. Om aan te sluiten bij de situering van ruime groene voortuinen en weides in het bebouwingscluster, zal de woning op dezelfde afstand van de voorste perceelgrens als de woning aan de Bus 14 liggen. Daarnaast toont hoofdstuk 4 aan dat het een planologisch aanvaardbare plek betreft. De woning zal landschappelijk worden ingepast conform het inrichtingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 2 en bijlage I. Het toevoegen van één woning geeft door de gekozen situering geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling van de ruimte-voorruimtewoning op deze plek voldoet hiermee aan de voorwaarden behorende bij artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening ruimte.
3.2.2
Brabantse omgevingsvisie ‘De Kwaliteit van Brabant’ De kwaliteit van Brabant is een visie op de Brabantse leefomgeving van nu en van de toekomst. De naderende komst van de Omgevingswet gaat een grote invloed hebben op de omgevingsvisie van de Provincie Noord Brabant. De achterliggende doelen van de Omgevingswet staan centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Het uiteindelijke doel van deze visie is de kwaliteit van de leefomgeving van alle Brabanders te verbeteren. Om tot dit doel te komen is er een ambitie geformuleerd en zijn er programma’s opgesteld. Een van de speerpunten in de opgestelde ambitie is het creëren van meerwaarde en omgevingskwaliteit. De Provincie wil bijdragen aan het bieden van mogelijkheden zodat inwoners hun omgevingskwaliteit kunnen verbeteren. Duurzame initiatieven die meerwaarde creëren worden daarom toegejuicht. De sanering van bebouwing en erfverharding ter plaatse van de Bus 16 zorgt voor meerwaarde van de omgevingskwaliteit. Daarnaast wordt het perceel ten westen herbestemd naar ‘Natuur’
19
en wordt er bij de realisatie van de woonfunctie rekening gehouden met de omgevingskwaliteit en landschappelijke inpassing. Voorgenomen ontwikkeling is daarmee passend binnen de visie ‘Kwaliteit van Brabant’. In onderhavig plan is namelijk sprake van een duurzame ontwikkeling waar ter plaatse van de Bus 16 een meerwaarde wordt gecreëerd. Het provinciaal beleid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Afwegingsschema Meierijstad De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingsschema waarbij wordt bekeken of een nieuwe ontwikkeling realiseerbaar is in haar omgeving. Dit doet de gemeente niet door specifieke regels te stellen, maar door te werken via een stappenplan, zie onderstaand. 1. Bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten/maatschappelijke meerwaarde zoals: extra werkgelegenheid, verbetering van het woon- of leefklimaat door afname van milieucontouren of minder vrachtwagenbewegingen, wateropgave, het creëren van bijzondere architectonische kwaliteiten etc. Ter plaatse wordt een verouderde stal gesloopt en zal overtollige erfverharding worden verwijderd. Daarnaast zal het perceel waarop de Ruimte-voor-Ruimte woning wordt gerealiseerd landschappelijk / stedenbouwkundig ingepast worden. Tot slot zal er kwaliteitsverbetering plaatsvinden op het perceel ten westen van Bus 16. Voor dit perceel zal een nader op te stellen inrichtings-/beheerplan opgesteld worden. Beoogde ontwikkeling draagt dus bij aan de versterking van de omgevingskwaliteit. 2. Het ruimtebeslag: • Wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing? Een groot deel van de bestaande bebouwing wordt behouden bedrijfsactiviteiten. De meest oostelijke stal zal worden gesaneerd.
t.b.v. de
• Vindt er ontstening plaats? De stal die gesloopt zal worden heeft een omvang van 650 m2. Daarnaast wordt 640 m2 aan erfverharding gesloopt. Ter compensatie van de realisatie van de nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning heeft er elders in de Provincie Noord-Brabant ontstening plaatsgevonden. • De aard van de locatie en de omgeving; De gedeeltelijke hervorming van het bestemmingsplan naar ‘Bedrijf’ past binnen de omgeving waar een afwisseling van bedrijven en woningen aanwezig is. De nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning wordt in een bebouwingsconcentratie geplaatst waarbij de woning en het bijgebouw landschappelijk op het perceel worden ingepast. Voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de bestaande omgeving. 3. Zijn er negatieve effecten op omgevingskwaliteiten te verwachten? Bijvoorbeeld door geluidhinder, toename stikstof door verkeer, visuele hinder en versnippering voor bijvoorbeeld aangrenzend natuurgebied; De werkzaamheden t.b.v. het autoreparatiebedrijf vinden voornamelijk inpandig plaats waardoor er weinig geluidhinder te verwachten valt. Het parkeren en opslaan van auto’s vindt in de bestaande bebouwing plaats waar ook dit aspect geen negatief effect heeft
20
op de omgeving. Er is geen sprake van een mogelijk effect op natuurgebieden vanwege het ontbreken van natuurgebieden in de directe omgeving. 4. De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving; • Is er milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies te verwachten als gevolg van activiteit op het terrein (buiten werken met dieren, machines, laden/lossen van voertuigen). De milieucategorie van de activiteit uit de VNG-brochure vormt hierbij het vertrekpunt; De bestemming is ‘Wonen’ zal gewijzigd worden naar de bestemming ‘Bedrijf’. Hierbij zal het de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen gemaximeerd worden. De activiteiten ter plaatse van het plangebied betreffen voornamelijk het repareren van auto’s en zal inpandig plaatsvinden. Het is een autoreparatiebedrijf wat acceptabel wordt geacht in het buitengebied. In de VNG lijst valt dit onder ‘Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ (sbi code 451/452/454) waardoor sprake is van milieucategorie 2. • Zijn er problemen te verwachten rondom de verkeersafwikkeling (ook in relatie tot milieueffecten)? Dit is onder andere afhankelijk van de frequentie van verkeersbewegingen, het gebruik van grote voertuigen (laden en lossen goederen of onderdeel van bedrijfsvoering) en de geschiktheid van de aanwezige infrastructuur en de verkeersafwikkeling richting doorgaande wegen.
De verkeersgeneratie zal als gevolg van het gewijzigde gebruik van de bebouwing in de toekomst toenemen. Conform de verkeersgeneratiecijfers van het CROW (publicatie 381) bedraagt de verkeersgeneratie van een reparatiebedrijf van auto’s met bijbehorende opslagcapaciteit (arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf) in het buitengebied 3,9 tot 5,7 per 100 m2 b.v.o. Voor onderhavig plan betekent dit dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal met 35,1 tot 51,3 verkeersbewegingen zal toenemen. Gezien de ontsluiting en het feit dat de weg Bus met name door bestemmingsverkeer wordt gebruikt zijn er in de toekomst geen problemen te verwachten. 5. Visuele hinder: • Hoe is de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en uitstraling van het erf? • Past de uitstraling van de nieuwe functie in het (groene) buitengebied? • Past de omvang van de gebouwen binnen de schaal van het landschap (afhankelijk van landschapstype)? • Past de schaal van de activiteiten op het erf in het betreffende landschap? De landschapstypen vormen hierbij het vertrekpunt? In de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage I) is de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing uitgewerkt. Met het opstellen daarvan is rekening gehouden met bovenstaande aandachtspunten. Daardoor kan gesteld worden dat geen sprake is van visuele hinder en zorgvuldig met de ruimte wordt om gegaan. 6.
Impact: Sturen op de mate van impact van een initiatief. Dit kan onder andere door: • Ontwerpprincipes te koppelen aan het initiatief • Het stellen van randvoorwaarden zoals opgenomen in onderstaande voorwaarden; • De omvang van de nieuwe functie of het ruimtebeslag in te beperken en daarmee ook de impact. Voorwaarden vanuit de omgeving. 21
a) Milieu: Er dient voldaan worden aan de op dat moment geldende wetgeving omtrent geluid, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc; b) De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven; c) De ontwikkeling mag geen negatieve verkeerskundige effecten hebben; d) De ontwikkeling mag niet leiden tot parkeeroverlast voor de omgeving; e) Er dient een watertoets te worden gedaan. Deze wordt voor advies aan het waterschap voorgelegd; f) Er moet een zorgvuldige omgevingsdialoog worden gevoerd. Genoemde aspecten zullen in hoofdstuk 4 worden behandeld. Hierbij zijn een aantal aspecten nader onderzocht waarbij is geconcludeerd dat er geen negatieve impact op de omgeving ontstaat door deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling is met de buren besproken en is door de buurt aangegeven dat ze geen problemen hebben met de ontwikkeling. In bijlage III van dit principeverzoek is de omgevingsdialoog toegevoegd. Conclusie beleid Uit deze ruimtelijke onderbouwing en aanvullende onderzoeken (zie hoofdstuk 4) kan gesteld worden dat aan alle voorwaarden uit het beleid wordt voldaan.
Op basis van deze onderbouwing kan worden gesteld dat het initiatief bijdraagt aan de transitie van het landelijke gebied door uitvoering te geven aan ontstening, opzetten van een kwalitatieve verbetering van het erf, bij te dragen aan de plattelandseconomie door de realisatie van het autoreparatiebedrijf en rekening te houden met de buurt.
3.3.2
Woonvisie van Meierijstad Meijerstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Er wordt gestreefd naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Om dit te realiseren is de ‘Woonvisie van Meierijstad’ opgesteld waarin richting wordt gegeven wat er op het gebied van wonen in de toekomst gaat gebeuren waarbij er voldoende flexibiliteit wordt gehouden om in te kunnen spelen op de veranderingen die komen. In de woonvisie zijn vier thema’s opgesteld: • • • •
De dynamiek van de woningmarkt Wonen, welzijn en zorg Duurzaamheid Leefbaarheid
Onderhavig plan valt binnen de opgestelde ‘Woonvisie van Meierijstad’. Met name binnen de thema’s dynamiek en leefbaarheid is het voorgenomen plan een ontwikkeling die bijdraagt aan de visie van de gemeente. De gemeente stelt in haar visie dat het belangrijk is dat er een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden. Een kleinschalige ontwikkeling als de realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning sluit perfect aan op de vraag en behoeftes die de initiatiefnemer heeft. Deze ontwikkeling sluit dus aan op de passende afstemming op de woningbehoefte zoals is beoogd in de Woonvisie van de gemeente Meierijstad. Daarnaast wordt er in de visie gedoeld op een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De realisatie van een Ruimte voor Ruimte titel in het buitengebied draagt bij aan de leefbaarheid in het buitengebied.
22
Enerzijds wordt de woonkwaliteit ter plekke van de Bus ongenummerd verbeterd en anderzijds zal er een diverser woningaanbod gecreëerd worden. Binnen Meierijstad geldt voor initiatieven met betrekking tot woningbouw dat er ter plaatse van de realisatie van het initiatief sprake moet zijn van: a. Ruimtelijke kwaliteitswinst (bijv. aanvullende sloop); b. Milieuwinst (bijv. intrekken van milieurechten); c. Aanvullende winst (bijv. versterking landschappelijke / cultuurhistorische / ecologische kwaliteit) d. Oplossen van een ruimtelijk knelpunt (bijv. sanering van een risicobron / geurbelemmering). In deze casus zal er sprake zijn van ruimtelijke kwaliteitswinst door de sloop van verouderde stal ter plaatse van de Bus 16. Daarnaast zal het perceel behorend tot de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning landschappelijk ingepast worden waardoor aanvullende winst gerealiseerd wordt. Onderhavig initiatief past binnen de woonvisie van Meierijstad.
3.3.3
Kansen voor kwaliteit De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Allereerst mag een initiatief geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Uit paragraaf 2.2 is reeds gebleken dat de ontwikkeling stedenbouwkundig verantwoord is en dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast is in hoofdstuk 4 de invloed van voorgenomen ontwikkeling op de omgeving onderzocht en is geconcludeerd dat er geen belemmeringen worden verwacht. Naast deze omgevingsscan is het voor de gemeente Meierijstad van groot belang dat er ook wordt voorzien in een kwaliteitsimpuls. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en aanvullende kwaliteitsprestaties. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Naast de basisinspanning geldt er voor sommige ontwikkelingen ook een aanvullende kwaliteitsprestatie. De invulling van de aanvullende kwaliteitsprestatie is maatwerk. Ter plaatse van het plangebied zal alle overtollige bebouwing gesloopt worden. De sanering van de verouderde stal zal ter plekke een kwaliteitswinst opleveren.
Daarnaast zal een groot deel van de aanwezige verharding weggenomen worden en zal het perceel ten westen van Bus 16 worden herbestemd naar ‘Natuur’. Naast de verbetering van de kwaliteit hecht de gemeente Meierijstad waarde aan het betrekken van de direct omwonenden in de planvorming. In paragraaf 3.3.4 wordt de omgevingsdialoog nader toegelicht.
3.3.4
Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn 23
dat omwonenden aan de Bus 4, 5, 6, 9, 10, 14 en Achterbos 4. De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als bijlage III.
24
HOOFDSTUK
4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording
4.1
Mer-beroordeling Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Binnen het plangebied één woningbouwmogelijkheid toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Ook het saneren van de oude varkensstal en het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning komt niet voor in bijlage C, waardoor voor beide ontwikkelingen geen m.e.r. procedure doorlopen hoeft te worden. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.
kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In dit geval zou de herziening van de gronden kunnen vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de functiewijziging van de bestaande woning en bijgebouwen, de sloop van een verouderde stal en de nieuwbouw van van één Ruimte-voor-Ruimtewoning. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage.
Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. Cultuurhistorie en aardkunde
25
Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat de gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit houdt in dat de gemeente het bevoegd gezag is in deze. Voor het bestemmingsplan buitengebied zijn een viertal archeologische (verwachtings)gebieden relevant. Betreffende gebiedscategorieën zijn als zodanig op de verbeelding opgenomen. Voor onderhavige locatie is de dubbelbestemming Archeologie 2 opgenomen en hieruit moet geconcludeerd worden dat voor deze locatie een middelhoge verwachtingswaarde geldt voor het vóórkomen van mogelijke archeologische waarden.
De gronden ter plaatse zijn reeds vanuit het verleden in gebruik als landbouwgrond. Deze gronden zijn op deze locatie gedeeltelijk gebruikt voor het bouwen van een agrarisch bedrijf. De gronden zijn hier ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en –woelen en bouwen. Ten tijde van de bouw en sloop van de stallen is de grond hier rondom verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelder. Gezien hetgeen hier beschreven wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden omdat bij de realisering van onderhavig initiatief geen of nauwelijks roeringen in de grond plaatsvinden. Een bestaand bedrijfsgebouw wordt gesloopt en de gronden worden aangevuld met schone grond. Daarnaast wordt een woning gebouwd. In artikel 23.2, onder a van het bestemmingsplan is opgenomen wanneer bij een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek nodig is. a.
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Initiatiefnemer bouwt in initiatief 1 niets, binnen initiatief 2 een tweetal bouwwerken, echter is de gezamenlijke oppervlakte van deze bouwwerken niet groter dan 500 m2. Derhalve is een nader onderzoek niet noodzakelijk.
26
4.3
Flora en Fauna Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.