CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied Veghel, herziening Bolst 19-21 te Erp

Raadsvergadering 10 april 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Bolst 19-21 in Erp'12.096 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Bolst 19-21 Klik of tik om tekst in te voeren.

Kadastrale gegevens

: : :

Erp R 901, 1084, 1267 en 1268

Opgesteld door

:

Arvalis

Referentie

:

2023000492

: : :

6 juni 2024 13 december 2023 Klik of tik om tekst in te voeren.

Datum

Gemeente Sectie Nummer

Laatste wijziging Ontwerp: Vastgesteld:

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 6 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 6

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 7

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................ 8

Planbeschrijving .............................................................................................. 9 2.1.

Huidige situatie ......................................................................................... 9

2.2.

Beoogde situatie ......................................................................................10

2.3.

Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling .........................11

Beleidskader ..................................................................................................14 3.1.

Inleiding..................................................................................................14

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................14

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ....................................................................14

3.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................14

3.2.1.

Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................15

3.2.2.

Besluit m.e.r. .....................................................................................16

3.3.

3.3.1.

Brabantse Omgevingsvisie ...................................................................16

3.3.2.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant .......................................17

3.3.2.1.

Inleiding ........................................................................................17

3.3.2.2.

Beleidskader ...................................................................................17

3.3.2.3.

Toets Interim Omgevingsverordening ................................................18

3.4.

4.

Provinciaal beleid .....................................................................................16

Gemeentelijk beleid ..................................................................................20

3.4.1.

Omgevingsvisie ..................................................................................20

3.4.2.

Structuurvisie ....................................................................................20

3.4.3.

Kansen voor kwaliteit .........................................................................21

Omgevingsaspecten ........................................................................................23 4.1.

Bodem ....................................................................................................23

4.2.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................23

4.3.

Geur .......................................................................................................25

4.4.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................25

4.5.

Gezondheid .............................................................................................28

4.6.

Geluid .....................................................................................................29

4.7.

Externe veiligheid .....................................................................................29

4.8.

Cultuurhistorie en archeologie ....................................................................31

4.8.1.

Cultuurhistorie ...................................................................................31

4.8.2. 4.9.

Flora en Fauna .........................................................................................33

4.9.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................33

4.9.2.

Soortenbescherming ...........................................................................33

4.10.

5.

Waterparagraaf .....................................................................................34

4.10.1.

Europees beleid ..............................................................................34

4.10.2.

Provinciaal beleid ............................................................................34

4.10.3.

Waterbeheerplan Aa en Maas ...........................................................35

4.10.4.

Keur 2015 en Legger .......................................................................35

4.10.5.

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie .......................................36

4.11.

Spuitzone .............................................................................................36

4.12.

Mobiliteit en parkeren ............................................................................37

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................39 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................39

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................39

5.2.1.

6.

Archeologie .......................................................................................31

Omgevingsdialoog ..............................................................................39

5.3.

Procedure ................................................................................................39

5.4.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................40

Juridische planopzet .......................................................................................41 6.1.

Inleiding..................................................................................................41

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................41

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................41

Bijlagen ...............................................................................................................42

Bijlage(n) 1. 2. 3. 4. 5.

Landschappelijke inpassing Omgevingsdialoog Rapportage goed woon- en leefklimaat Verkennend bodemonderzoek Akoestisch onderzoek

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.

Aanleiding en doel

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld omdat de initiatiefnemer voornemens is om de locatie Bolst 19 en 21 te Erp (hierna genoemd: plangebied) te herbestemmen. Het plangebied betreft een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie bestaande uit twee bedrijfswoningen en enkele bedrijfsgebouwen. In verband met de beëindiging van het bedrijf een aantal jaar geleden wil initiatiefnemer de locatie herbestemmen naar een burgerwoning om de feitelijke situatie juridisch te verankeren in het bestemmingsplan.

1.2.

Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt aan Bolst 19-21 te Erp in het buitengebied van de gemeente Meierijstad op een afstand van circa 0,65 kilometer van de komgrens van Erp. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Erp, sectie R, nummers 901, 1084, 1267 en 1268.

Afbeelding 1. Topografische kaart

6

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel, deels onherroepelijk in werking vastgesteld op 22-10-2015. De locatie heeft de volgende bestemmingen en aanduidingen: Enkelbestemming : Agrarisch Dubbelbestemming : Waarde – Archeologie 3 Gebiedsaanduiding : boringsvrije zone Gebiedsaanduiding : dagrecreatie Gebiedsaanduiding : reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1 Gebiedsaanduiding : vrijwaringszone – radar Bouwvlak : ca. 10.000 m2 Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van ruimtelijkeplannen.nl weergegeven.

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’

Naast het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is ook het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ (27-01-2021) van de gemeente Meierijstad van toepassing op het plangebied.

7

1.4.

Leeswijzer

Onderhavige herziening van het bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •

• • •

8

Plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; Het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.

2.1.

Huidige situatie

Op de locatie is sprake van een agrarische bedrijfslocatie met twee bedrijfswoningen. Er is sprake van een voormalige varkenshouderij. Het varkensbedrijf is jaren geleden al beëindigd en ook de varkensstallen (circa 550 m2) zijn omstreeks 2004 al gesloopt. Naast de twee bedrijfswoningen zijn er nog drie bedrijfsgebouwen aanwezig op de locatie met een oppervlakte van respectievelijk 190, 164 en 160 m2. Ook is er nog een garage van circa 63 m2 aanwezig. Op onderstaande afbeelding is de huidige indeling van de locatie weergegeven.

Afbeelding 3. Luchtfoto huidige situatie plangebied.

9

2.2.

Beoogde situatie

In de beoogde situatie krijgt het plangebied een woonbestemming. De bedrijfsbebouwing zal behouden worden voor privégebruik. De bebouwing zal daarbij verdeeld worden over de twee woningen. Bij de Bolst 19 zullen de schuur met oppervlaktes van 164 en 160 m 2 behouden blijven. In de beoogde situatie worden hobbymatig een 4-tal schapen gehouden in de schapenweide aan de zuidzijde van de locatie. Voor huisvesting van de schapen en voor een droge hooi- en stro-opslag is het noodzakelijk om een bijgebouw te behouden, hierbij is er ook wat ruimte voor houtopslag. Daarnaast heeft initiatiefnemer nog een oldtimer auto, een tractor voor het bijhouden van de omliggende gronden en een camper in bezit. Vanwege de waarde is het noodzakelijk om deze overdekt te kunnen stallen, daarnaast kunnen ze zo afgesloten worden voor eventuele (ongewenste) erfbetreders. Bij de Bolst 21 zal de garage worden behouden. Daarnaast zal ook de andere schuur van 190 m2 worden behouden ten behoeve van het hobbymatig houden van een 4-tal paarden. Om te voorzien in de stallen en opslag van hooi en stro is het ook hier noodzakelijk om gebouwen te behouden. Verder zal in het gebouw ook een tractor, aangespannen voertuigen voor paarden en een zitmaaier gestald worden. Bij Bolst 19 wordt 324 m2 aan gebouwen behouden. Bij Bolst 21 wordt 253 m2 aan gebouwen behouden.

Afbeelding 4: Indeling beoogde situatie plangebied

10

2.3. Mogelijkheden bestemmingsplan voor beoogde ontwikkeling In artikel 3.7.8 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar ‘Wonen’. Op de volgende pagina is het desbetreffende artikel weergegeven waarbij met cursieve tekst een toetsing is gedaan. 3.7.8 Wijziging naar de bestemming 'Wonen' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' te wijzigen naar de bestemming 'Wonen', teneinde de omzetting van bestaande agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is; Het agrarische bedrijf op de locatie is beëindigd. Er zijn niet voldoende gronden en bedrijfsgebouwen aanwezig om een rendabel agrarisch bedrijf te exploiteren. b. het aantal woningen bedraagt na wijziging niet meer dan het (bestaande) aantal agrarische bedrijfswoningen dat in het betreffende bouwvlak voor de wijziging aanwezig was; In de huidige situatie zijn er twee bedrijfswoningen aanwezig op het bouwvlak. In de nieuwe situatie blijft er sprake van twee woningen. c.

de omvang van het bestemmingsvlak wordt afgestemd op de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf, waarbij de overige gronden worden gewijzigd in de (aangrenzende) bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden; Het nieuwe bestemmingsvlak heeft een logische grens gekregen rondom de tuinen en het erf. De overige gronden behouden de bestemming agrarisch (zonder bouwvlak). Zie hiervoor afbeelding 4 en ook de verbeelding. d. de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging niet meer dan 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid e; Zie onder e. e. voor zover de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen c.q. voormalige agrarische bedrijfsbebouwing de onder c voorgeschreven oppervlakte te boven gaat, wordt maximaal 25% van de te slopen overmaat eenmalig vervangen door een vergroting (uitgedrukt in m² per woonlaag) van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en/of een vergroting (uitgedrukt in m²) van de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met dien verstande dat: 1. de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen na vergroting niet meer bedraagt dan 900 m³; 2.

de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen na vergroting niet meer bedraagt dan 200 m², waarbij de oppervlakte per vrijstaand bijgebouw of overkapping niet meer mag bedragen dan 100 m²; De oppervlakte van de te behouden bijgebouwen is groter dan de maximum 200 m2. Zie regels Harmonisatie van diverse regelingen ‘laaghangend fruit’. Verderop in deze paragraaf wordt de toepassing van deze regeling nader toegelicht. 11

f.

in afwijking van het bepaalde onder d en e dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te allen tijde gehandhaafd te blijven; Niet van toepassing, er is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. g. de wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar; In hoofdstuk 4 zijn alle relevante ruimtelijke en milieuaspecten getoetst en verder uitgewerkt. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit het milieuoogpunt of het ruimtelijk oogpunt. h. de wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; Omliggende bedrijven worden niet in hun ontwikkelmogelijkheden beperkt als gevolg van het initiatief. In hoofdstuk 4.2 bedrijven en milieuzonering is dit nader uitgewerkt. i.

er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; Bij deze ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 1. j.

de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft. De ontwikkeling leidt tot een verbetering van de potentiële kwaliteiten van het gebied. In hoofdstuk 4 is dit bij de verschillende onderdelen nader toegelicht. Daarnaast is de verbetering van de landschappelijke kwaliteiten opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1. Met de oppervlakte voor de te behouden bebouwing kan met het initiatief niet aan de wijzigingsbevoegdheid worden voldaan, er is daarom sprake van een herziening van het bestemmingsplan. In artikel 7.13 van het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend fruit’)’, is echter een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor statische binnenopslag bij woningen, niet zijnde bedrijfswoningen. Hieronder is het artikel weergegeven waarbij cursief een toetsing is gedaan.

7.13 Afwijkingsbevoegdheid voor het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor statische binnenopslag bij woningen, niet zijnde bedrijfswoningen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2, voor het gebruik van bestaande bijbehorende bouwwerken voor de binnenopslag van statische goederen, met uitzondering van (brand)gevaarlijke goederen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is geen sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf (in dat geval is de regeling voor statische opslag bij bedrijven (artikel 8.4) van toepassing); Er vinden geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer plaats op de locatie. Het initiatief behelst de omschakeling van een agrarische bedrijfslocatie naar burgerwoningen. Hiermee wordt de feitelijke situatie juridisch vastgelegd.

12

b. de opslag dient zich te beperken tot statische binnenopslag in bestaande gebouwen, waarbij buitenopslag niet is toegestaan; Alle opslag vindt plaats binnen de aanwezige bebouwing. Van buitenopslag is geen sprake. c. de oppervlakte aan bestaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor de binnenopslag van statische goederen mag niet groter zijn dan 400 m 2, waarbij bijbehorende bouwwerken boven de 400 m 2 worden aangemerkt als overtollige bebouwing, die als vorm van kwaliteitsverbetering moet worden verwijderd; De oppervlakte van de bestaande gebouwen voor binnenopslag is niet groter dan 400 m2. Bij Bolst 19 wordt 324 m2 aan gebouwen behouden. Bij Bolst 21 wordt 253 m2 aan gebouwen behouden. d. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; Niet van toepassing, er is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het plangebied. e. opslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is niet toegestaan. Er is geen sprake van opslag ten behoeve van een elders gevestigd bedrijf. De statische opslag is bijna volledig voor de hobby’s van initiatiefnemers. f. detailhandel is niet toegestaan. Er is geen sprake van detailhandel in het initiatief. g. er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. In hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn. h.

de nevenactiviteit 'statische opslag' leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. De statische opslag is bedoeld voor hobbymatig gebruik op de naastgelegen gronden van initiatiefnemer. De ‘statische opslag’ leidt niet tot aantasting van ontwikkelingen van naastgelegen percelen. i.

de nevenactiviteit 'statische opslag' mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. De statische opslag leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. In hoofdstuk 4.13 mobiliteit en parkeren wordt dit nader toegelicht. j.

de nevenactiviteit 'statische opslag' gaat gepaard met een gedegen landschappelijke inpassing middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten); de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. Het erfinrichtingsplan maakt onderdeel uit van de aanvraag om afwijking van het bestemmingsplan; Onderdeel van de ontwikkeling is een goede landschappelijke inpassing. Het landschappelijke inpassingsplan voor het plangebied is opgenomen in bijlage 1. k. parkeren moet op het eigen terrein plaatsvinden. Er is voldoende erfverharding aanwezig op de locatie om in de parkeerbehoefte te voorzien. In hoofdstuk Mobiliteit en parkeren (4.12) is dit nader toegelicht.

13

3. Beleidskader 3.1.

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2.

Rijksbeleid

3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het 14

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Noord-Brabant is de EHS vastgelegd in het Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 3.2.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt de begrenzing van de Natuur Netwerk Brabant bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro. 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.

Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

15

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Met het initiatief worden geen nieuwe woningen opgericht. Ook vinden er geen wijzigingen plaats in het ruimtebeslag. Een laddertoets is daarom niet noodzakelijk. 3.2.2. Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld.

Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. In de C en D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is de omzetting van een agrarisch bedrijf naar burgerwoning niet aangemerkt. Het besluit m.e.r. is hierdoor niet van toepassing op de locatie, daarom is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-boordeling) niet noodzakelijk. In hoofdstuk 4 zijn alle relevante milieuaspecten getoetst waaruit geconstateerd kan worden dat er geen belemmeringen voor de ontwikkeling zijn.

3.3.

Provinciaal beleid

3.3.1. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt.

16

3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vindt een vertaalslag van de hoofdopgaven in concreet bindende regels plaats. De ontwikkeling wordt in navolgende paragraaf getoetst aan deze verordening. 3.3.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.2.1. Inleiding Op 1 augustus 2023 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) geconsolideerd. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening.

Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. 3.3.2.2. Beleidskader De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.

17

Afbeelding 5. Uitsnede plangebied IOV

Het plangebied ligt binnen het ‘Landelijk gebied’, zie afbeelding 4. De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. De ontwikkeling van een agrarisch bedrijf naar burgerwoning is op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) aan te merken als een ontwikkeling van niet agrarische functies. Voor de wijziging naar burgerwoning is artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied van de IOV van toepassing. 3.3.2.3. Toets Interim Omgevingsverordening Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; Er is sprake van bestaande woningen. Met de ontwikkeling worden geen nieuwe woningen opgericht. b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Er is geen sprake van zelfstandige bewoning van de andere aanwezige gebouwen. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Niet van toepassing. 18

De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften, doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een ‘ja, mits – benadering’. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 3.8: Meerwaardecreatie; - Artikel 3.9: Kwaliteitsverbetering landschap. Hieronder wordt nader ingegaan op enkele verschillende aspecten. In paragraaf 3.3.2 wordt het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Nota Kostenverhaal 2018 nader toegelicht. Een toelichting op het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie blijkt uit voorliggend bestemmingsplan . Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de IOV de ‘zorgplicht’ opgenomen.

Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen. Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. Toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Daarnaast speelt de factor tijd een belangrijke rol. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie omvat daarnaast een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

19

Kwaliteitsverbetering van het landschap Naast de zorgplicht is in de IOV tevens het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. In het bestemmingsplan kan ontwikkelingsruimte worden geboden aan functies, mits dit gepaard gaat met maatregelen die het landschap versterken. Dit kan onder andere door landschapselementen aan te leggen maar ook door behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en/of sloop van overtollige bebouwing. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de wijziging van de agrarische bestemming naar burgerwoningen. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Daarnaast worden in hoofdstuk 4 de verschillende ruimtelijke en milieuaspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Omgevingsvisie In december 2020 heeft de gemeente Meierijstad het voorontwerp van de Omgevingsvisie gepubliceerd. De Omgevingsvisie beschrijft hoe de gemeente en belanghebbenden willen dat Meierijstad er in 2030 uitziet en waar samen aan gewerkt moet worden om dit uit te laten komen. Volgens de ontwerp Omgevingsvisie zijn er drie maatschappelijke ontwikkelingen die ruimteclaims leggen op het landelijk gebied. - Natuurbescherming en -ontwikkeling - Opwekking van duurzame energie - Verstedelijking Ook is er een toename in het aantal agrarische bedrijfsbeëindigingen. Bij het beëindigen van het bedrijf blijft de bebouwing staan. Hierdoor ontstaat vrijkomende agrarische bebouwing (VABs). De voormalige boer woont dan meestal nog in een huis dat als bedrijfswoning bestemd is. Dat betekent een grote opgave van saneren en herbestemmen. Onderhavige ontwikkeling is een voormalig agrarisch bedrijf. De herbestemming van de locatie naar een woonbestemming past binnen de omgevingsvisie. 3.4.2. Structuurvisie Op 19-12-2013 heeft de voormalige gemeente Veghel de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ vastgesteld. In de structuurvisie schetst de gemeente haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Het beleid is vooral gericht op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. De structuurvisie bestaat uit twee delen.

Deel 1 richt zich op de (ruimtelijke) visie op de toekomst tot circa 2030. In deel 2 wordt die visie op een aantal punten wat verder uitgewerkt.

20

Volgens de structuurvisie is het plangebied gelegen in de oude ontginningen. De oude ontginningen hebben een kleinschalige structuur met een spinnenweb van wegen en zandpaden. Daarnaast ligt het plangebied dat op de kaart is aangeduid voor het ontwikkelen van een afwisselend ‘buitenlandschap’ met landbouw, wonen, werken, recreatie en landschap. Onderhavige ontwikkeling vindt daarmee aansluiting bij de structuurvisie.

Afbeelding 6: uitsnede structuurvisie Veghel 2030

3.4.3. Kansen voor kwaliteit Het rapport ‘Kansen voor Kwaliteit’ van de gemeente Meierijstad, vastgesteld op 10-072020, voorziet in een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Het rapport is onderdeel van het gemeentelijke project ‘Vitaal Buitengebied’. Er is een toenemende hoeveelheid leegstand in het buitengebied bij voormalige agrarische bedrijven. Deze leegstand zorgt een aantal problemen. Denk aan individuele problemen zoals schulden bij moeilijk te verkopen vastgoed. Maar ook maatschappelijke opgaves zoals verloedering van het landschap of risico’s voor volksgezondheid door verweerde asbestdaken. Daarbij is ook ondermijning en criminalisering in het buitengebied een toenemend probleem.

21

De gemeente moet iets met de vrijkomende agrarische bebouwing. Dit vraagt om maatwerk omdat elke locatie anders is. Hierbij hanteert de gemeente de volgende drie hoofdprincipes: -

Omgeving is leidend;

-

Kwaliteitsimpuls is vereist;

-

Afstemming is nodig.

De bestemming wonen zoals bedoeld in het initiatief is een gebiedspassende functie. Er dient aandacht besteed te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de locatie, hierin is voorzien in hoofdstuk 4 van deze toelichting. De locatie ligt in het gebied de gebiedstypologie ‘verweving van functies’ heeft gekregen. Een woonbestemming is hier passend. Daarbij mag een initiatief geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Daarnaast vindt de gemeente het van belang dat er een kwaliteitsimpuls is. Hierbij kan gedacht worden aan: -

Het slopen van overtollige bebouwing;

-

Het wegnemen van verharding;

-

Het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stadland;

-

Het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;

-

De realisering van Natuur Netwerk Brabant of ecologische verbindingszones;

-

Een bijdrage aan recreatief medegebruik;

-

De toepassing van hoogwaardige stedenbouw/vernieuwende architectuur;

-

Extra inspanning ten aanzien van klimaatadaptatie en/of duurzaamheid.

In de volgende hoofdstukken en in het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan wordt hier nader op in gegaan. Verder vindt de gemeente het van gelang dat omwonenden en andere belanghebbenden vroegtijdig worden geïnformeerd en betrokken bij de planvorming. Hiervoor is een omgevingsdialoog uitgevoerd op de locatie. Het initiatief voldoet hiermee aan de uitgangspunten in het rapport Kansen voor Kwaliteit.

22

4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.

4.1.

Bodem

De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Met de ontwikkeling worden de bestaande bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen. Met het initiatief worden geen nieuwe gebouwen opgericht waar langer dan 2 uur per dag mensen verblijven. Verder worden er ook geen gebouwen gesloopt. In verband met het voormalig gebruik zijn er nog asbestverdachte locaties in het plangebied. Daarnaast is er een opslag van diesel aanwezig geweest die invloed kan hebben gehad op de bodemsituatie ter plaatse.

Op de verdachte locaties in het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). In het onderzoek zijn enkele lichte verontreinigingen aangetroffen. Deze verontreinigingen zijn echte dermate licht dat ze geen aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt volgens de conclusie van het bodemonderzoek geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 4.

4.2.

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. Onderhavige ontwikkeling omvat de 23

omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een burgerwoning. Voor woonbestemmingen geldt geen milieucategorie. In het plangebied worden hobbymatig ook nog wat kleinschalige agrarische activiteiten uitgevoerd. Het gaat hier om het houden van een 4-tal schapen, een 5-tal paarden, wat extensief graslandbeheer door de schapen (ca. 5000 m2) en een klein voedselbos (ca. 650 m2). Op basis van de kleinschaligheid van deze activiteiten is een koppeling aan de richtafstanden in de VNG-brochure niet passend. Aangenomen kan worden dat het woonen leefklimaat bij nabijgelegen functies niet wijzigt. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. De omgeving van het plangebied kan ook gezien worden als gemengd gebied.

Er is namelijk sprake van een menging van onder andere woon-, agrarische en bedrijfsfuncties. Er kunnen daarom gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden voor het initiatief. In nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, in onderstaande tabel zijn de bijbehorende richtafstanden weergegeven.

Bedrijven en milieuzonering Locatie

Functie

Milieucategorie

Afstanden (m)

Feitelijke afstand tot plangebied(m)

Bolst 13

Paardenhouderij

3.1

98

Bolst 14

Loon- en grondverzetbedrijf

3.1

Bolst 15*

Fokken en houden van varkens

4.1

Melvert 5

Fokken en houden van varkens

4.1

Melvert 13

Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m2

3.2

Geur: 50 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 30 Stof: 10 Geluid: 50 Gevaar: 10 Geur: 200 Stof: 30 Geluid: 50 Gevaar: 0 Geur: 200 Stof: 30 Geluid: 50 Gevaar: 0 Geur: 10 Stof: 30 Geluid: 100 Gevaar: 10

40

33

400

145

Tabel 1. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering in omgeving plangebied

*De vergunning voor het houden van dieren aan de Bolst 15 is 2018 ingetrokken, deze locatie vormt daarom geen belemmering voor het initiatief.

24

Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof, geur en gevaar. Aan het aspect geluid wordt niet voldaan volgens de standaard richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Omdat er in de omgeving sprake is van gemengd gebied kan echter met één stap worden afgeweken van de richtafstand. Hierdoor gaat de richtafstand voor de Bolst 14 voor het aspect geluid terug naar 30 meter, aan deze afstand wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.3.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Meierijstad van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: Locatie

Gebied

Bolst 19-21

Concentratiegebied

Wettelijke normen en afstanden Maximale Maximale voorgrond achtergrondbelasting belasting in oue/m3 3 in oue/m

Minimum afstand emissiepunt in meters

14,0

-

-

Minimum afstand Geveltot-gevel in meters -

Tabel 3. Uitwerking wettelijke normen en afstanden voor de plangebied

Op een afstand van 400 meter van het plangebied is de varkenshouderij aan Melvert 5 gelegen. Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Het bedrijf aan de Melvert 5 wordt daarom niet in de ontwikkelmogelijkheden beperkt. Omdat het plangebied met de ontwikkeling de bestemming ‘Wonen’ krijgt is het wel noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de locatie. Voor de locatie is dan ook een onderzoek gedaan naar het woon- en leefklimaat ter plaatse. In de rapportage is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting in het plangebied berekend. Uit de berekeningen blijkt dat er op basis van de achtergrondbelasting sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast blijkt uit de voorgrondbelasting van het nabijgelegen bedrijf niet lijdt tot overschrijdingen van de geurnorm ter plaatse. Op het gebied van geur zijn er dan ook geen belemmeringen voor het initiatief. Het rapport Goed Woon en leefklimaat is opgenomen in bijlage 3.

4.4.

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend 25

als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm).

Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen niet toenemen. Voor de worst-case berekeningen zijn de verkeersbewegingen ten behoeve van twee vrijstaande koopwoningen volgens CROW-publicatie 381 opgenomen in de NIBM-tool

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

16

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

3

NO2 in μg/m

0,03

3

0,00

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 7. NIBM-tool

26

1,2

Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig

Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2021) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 17,2 μg/m³ en de PM2,5 op 10,17 μg/m³, zie afbeelding 8 en 9. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12,8 μg/m³, zie afbeelding 10. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.

Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)

Afbeelding 9. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)

27

Afbeelding 10. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NOx)

4.5.

Gezondheid

Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Meierijstad worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit.

Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan de Bolst 19 en 21 bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 2,2 kilometer. Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief.

28

In de omgeving is een varkenshouderij (Melvert 5) gelegen welke endotoxine uitstoot. In de rapportage goed woon- en leefklimaat (bijlage 3) is getoetst aan het endotoxine toetsingskader, hiervoor is gebruik gemaakt van het Erbink Stacks model. Hieruit blijkt dat er voldoende afstand is tussen het varkensbedrijf en het plangebied, zie onderstaande tabel. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Met het initiatief worden nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd, de burgerwoningen hebben een lagere grenswaarde voor geluid van het wegverkeer dan de bedrijfswoningen. Om de geluidsbelasting op de woningen in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek voor de locatie uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de akoestische situatie ter plaatse aanvaardbaar is. Het is niet nodig om maatregelen uit te voeren om de geluidsbelasting op de woningen verder te beperken. Het volledige akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=90365e1e-5799-4e61-8819-6112d0736133