BP harmonisatie diverse regelingen laaghangend fruit 1e tranche.docx
Tekst van het document
Technische vragen raadsvergadering 27 januari 2021 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘harmonisatie diverse regelingen-laaghangend fruit’(1e tranche) Fractie
Vragen
Antwoorden
HIER
1. Wat zijn de feitelijke wijzigingen ten opzichte van de eerdere genomen besluiten in de raad? Besluiten wij hier iets anders dan wat eerder is vastgesteld in de raad? Wat zijn dan precies de wijzigingen waar wij dan als raadsleden iets van moeten vinden
Het betreft een harmonisatie van tientallen regelingen in honderden bestemmingsplannen op basis van bestaand gemeentelijk beleid van Meierijstad. Soms houdt de doorvertaling van beleid in regels een verruiming in van de mogelijkheden van het bestemmingsplan, maar in sommige gevallen betreft het een beperking van bestaande mogelijkheden. Doorgaans betreft het een verruiming van bouw- en gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de bestaande (vaak verouderde) bestemmingsplanregels. De nieuwe regelingen wijken inhoudelijk niet af van het door de raad vastgestelde beleid, maar zorgen er juist voor dat dit beleid vertaald wordt naar bindende voorschriften in het bestemmingsplan.
HIER
2. In hoeverre biedt dit besluit de mogelijkheid om andere nieuwe woonvormen aan te nemen in het buitengebied
HIER
3. Bij argumenten 2.1 wordt het hiaat gedicht ten aanzien van kamerverhuur. Geldt dit voor zowel binnen als buiten bebouwde kom?
CDA
1. Wat betekent het in de praktijk voor de besluitvorming als eerdere beleidsregels geformaliseerd worden tot algemeen verbindende voorschriften en nieuw ontwikkeld beleid zijn doorwerking krijgt in de regelingen? Wat wordt dan de werkwijze ten aanzien van de besluitvorming?
Zaaknummer 1948360274
Pagina 2 van 8
datum 13 januari 2021
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe woonvormen mogelijk. Omdat in dit plan alleen de regels over het gebruik van woningen geharmoniseerd is, gaan de in het plan opgenomen regels alleen over huisvesting in de vorm van een huishouden en, in afwijking daarvan, voor maximaal 4 kamerhuurders. Een regeling over vormen van grootschalige huisvesting of nieuwe woonvormen maakt geen onderdeel uit van deze harmonisatie. De instructieregels aan de Brabantse gemeenten voor het toestaan van afwijkende woonvormen buiten het stedelijk gebied worden momenteel nog opgesteld door de provincie in het kader van de Agenda Wonen en de nieuwe Omgevingsverordening die zij op aan het stellen is. Het bestemmingsplan voorziet in nieuwe geharmoniseerde regelingen voor kamerverhuur in zowel buitengebied als bebouwde kom. De hiaten dat er geen ‘wonen in woningen’ voorgeschreven was, speelde met name binnen delen van de kernen Veghel en Schijndel met verouderde regelingen. Voor die gebieden heeft de raad een voorbereidingsbesluit genomen op 8 april 2020. De regels in een bestemmingsplan zijn algemeen verbindend: deze gelden voor iedereen. Dit plan betreft met name het harmoniseren van deze regels, zodat deze in lijn zijn met het beleid dat de raad eerder vastgesteld heeft. De raad stelt regelingen vast in het bestemmingsplan en bepaald daarmee wat er verstaan
Op welke momenten heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om hier eigen afwegingen in te maken? Ligt de bevoegdheid dan alleen bij College en ambtelijke organisatie?
wordt onder ‘goede ruimtelijke ordening’. Het college voert het beleid uit door aanvragen voor omgevingsvergunningen te toetsen aan deze regels in het bestemmingsplan. De daadwerkelijke vergunningverlening voor activiteiten die met het bestemmingsplan via omgevingsvergunning toegestaan worden (reguliere omgevingsvergunningen) gebeurt gemandateerd door de ambtelijke organisatie. Bij zaken die niet passen in het bestemmingsplan vindt een gemandateerde afhandeling alleen plaats voor kruimelgevallen en voor uitgebreide procedures indien er bij uitgebreide procedures indien er géén zienswijzen ingediend zijn. De raad heeft alleen een mogelijkheid om een afweging te maken indien voor een buitenplanse afwijking een uitgebreide procedure omgevingsvergunning nodig is én voor de betreffende vergunning een ‘verklaring van geen bedenkingen’ nodig is van de raad. Onder de Omgevingswet is het college bevoegd gezag voor álle afwijkingen van het omgevingsplan en zal de raad zelf moeten aangeven over welke omgevingsvergunningen met ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ hij een adviesrecht wil hebben. Dat advies van de raad is in die gevallen bindend. Als van tevoren géén adviesrecht is vastgelegd, is het volledig aan het college om een afweging te maken of een omgevingsvergunning verleend wordt, waarbij
Zaaknummer 1948360274
Pagina 3 van 8
datum 13 januari 2021
CDA
CDA
2. Bij de argumenten wordt aangegeven dat dit een tussenstap is naar één toekomstig omgevingsplan. Geharmoniseerde regelingen liggen aan de basis om de overstap naar een omgevingsplan te vereenvoudigen. Daarbij worden geldende regelingen beleidsmatig geactualiseerd, zodat ze een afspiegeling zijn van het relevante beleid, aldus het raadsvoorstel. Hoe verloopt de besluitvorming rond beleidsmatige aanpassingen? Hoe wordt de integraliteit van beleidskeuzen geborgd? Hoe wordt voorkomen dat de nog niet uitgewerkte onderdelen de sluitpost gaan vormen, waarvan alle andere deelonderwerpen ruimte opgesoupeerd hebben? Wanneer kan de Raad hier een afweging in maken, zonder op het eind van het traject de totale visie op de schop te moeten gooien? Op welke manier wordt de gemeenteraad bij deze aanpassingen betrokken en kan de raad haar eigen keuzen hierin maken? 3. De bouwregels en de kruimelregeling worden bekrachtigd door middel van dit parapluplan. Wat is de omvang van besluiten die onder de kruimelregeling gaan vallen, na vaststelling van dit raadsvoorstel? Wordt dit aan de voorkant aangegeven, zodat de raad het kan agenderen als zij het de reikwijdte het mandaat van het college vindt overstijgen? Of is deze bevoegdheid met het aannemen van dit voorstel volledig gemandateerd aan het College?
uiteraard wel de door de raad vastgestelde omgevingsvisie in acht genomen dient te worden. Het maken van (integrale) beleidskeuzes wordt onder de Omgevingswet beoogd door de verplichting om één omgevingsvisie vast te stellen, waarin de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid staan. De bevoegdheid voor het vaststellen van deze omgevingsvisie ligt bij de gemeenteraad. Het college kan voor de uitvoering van de omgevingsvisie programma’s opstellen om doelen uit de omgevingsvisie te behalen. Ook kan doorwerking van de visie gedaan worden door regels te verbinden aan activiteiten in het omgevingsplan. De bevoegdheid om gebruik te maken van de ‘kruimellijst’ uit het Besluit omgevingsrecht om omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan te kunnen verlenen, ligt wettelijk gezien exclusief bij het college. Uiteraard kan het toepassingsbereik van het kruimelgevallenbeleid wel onderwerp zijn van politieke discussie tussen college en raad over wat wenselijk is in de gemeente in het kader van de ‘goede ruimtelijke ordening’. De regelingen uit de ‘beleidsregel kruimelgevallen’ worden vaak gebruikt om zaken mogelijk te maken die beleidsmatig akkoord zijn, maar die nog botsen met (verouderde) regels in bestemmingsplannen.
Zaaknummer 1948360274
Pagina 4 van 8
datum 13 januari 2021
CDA
4. Bij de kanttekeningen wordt aangegeven, dat er discrepanties tussen sectorale belangen naar voren kunnen komen. Het kan hierbij ook gaan over ontwikkelingsmogelijkheden, die tegenstrijdig zijn bij nog niet uitgewerkte onderdelen van ‘vitaal buitengebied’. Er wordt gesteld dat voor het opstellen van de regeling wordt uitgegaan van het meest recente en meest concrete beleid. Kunt u een lijst maken van de prioritering van deze beleidsregels op basis door de genoemde criteria “meest recent” en “meest concreet”?
SP
1. Er wordt gesproken over kamerverhuur voor maximaal vier personen die geen huishouding vormen en een afstand van 75 meter. Hoe wordt dit gecontroleerd en gehandhaafd en is bij de gemeente bekend en duidelijk wie op welk adres verblijft?
SP
2. Inhoud van wat ondergronds gebouwd wordt telt niet mee bij het bepalen van maximale inhoud van een gebouw. Dus een complete ondergrondse bouwlaag telt niet mee. Wat is de reden voor deze regeling en heeft dit consequenties voor de berekening van de OZB?
Zaaknummer 1948360274
Pagina 5 van 8
datum 13 januari 2021
Bijvoorbeeld het toestaan van aan huis verbonden beroepen of bedrijven, waarvoor na vaststelling van het bestemmingsplan ‘harmonisaties van diverse regelingen’ geen (dure) vergunning meer nodig is op grond van de kruimelgevallenregeling, maar waarbij deze activiteiten -onder voorwaarden- rechtstreeks mogelijk gemaakt worden. De harmonisaties die plaatsgevonden hebben in het bestemmingsplan, zijn gebaseerd op vastgesteld beleid. Voor de onderdelen van ‘vitaal buitengebied’ die beleidsmatig nog niet uitgewerkt zijn en vastgesteld zijn door de raad, zijn geen regelingen opgenomen. De discrepanties zitten met name op het scheidsvlak van de visie Toerisme en Recreatie (globaal, uitnodigend) en de Horecavisie en Detailhandelsvisie (concreet, restrictief voor het buitengebied). Een aantal keer per jaar worden themacontroles uitgevoerd, ook m.b.t. dit thema. Het 75 meter criterium wordt ook meegenomen bij het beoordelen van vergunningaanvragen. De adressen met een dergelijke vergunning worden in ons systeem vastgelegd en kunnen door vergunningverleners en toezichthouder worden geraadpleegd. Het toestaan van kelderruimte of een ondergrondse verdieping zat al in de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied. Voor de ruimtelijke impact (met name beeldkwaliteit) is de bovengrondse bouwmassa bepalend.
De inhoudsmaat van een woning wordt daarom gerelateerd aan de bovengrondse bebouwing.
Hart
1. Met betrekking tot zienswijzen reclamant 7, Stichting Schaapskooi Schijndel: op welke wijze wijkt het huidig gebruik ‘op het perceel buiten het bebouwingsvlak’ af van de gebruiksregels?
Hart
2. Eveneens met betrekking tot zienswijzen reclamant 7, Stichting Schaapskooi Schijndel: is er voor de gemeente zelf een belang dat ‘het bebouwingsoppervlak conform de actuele plattegrond wordt gemaakt’ en ‘het maximale bebouwingsoppervlak conform de huidige situatie wordt opgenomen’? 1. N.a.v. zienswijze 1: het voorstel leidt er dus toe dat de betreffende monumentale woning niet kan worden hersteld (omdat woningsplitsing in 2 woningen niet mogelijk is omdat de agrarische bedrijfsactiviteiten worden voortgezet) en waarschijnlijk dus verder zal verloederen? Klopt die conclusie?
PvdA
Voor de OZB is de waardebepaling van de WOZ bepalend, niet de mogelijkheden van het bestemmingsplan. De WOZ waarde is de geschatte marktwaarde. Indirect kan een verruiming van het bestemmingsplan natuurlijk wel (op termijn) van invloed zijn op de marktwaarde van een object. Op dit moment liggen een vijver en bebouwing aan de achterzijde die in 2015 gerealiseerd zijn buiten het bestemmingsvlak ‘Gemengd - Schaapskooi’, in de bestemming ‘Agrarisch gebied met waarden – Natuur en landschap’. Ook de groenten-, fruit- en kruidentuin naast de ingang van het terrein ligt binnen de agrarische bestemming. De gemeente heeft geen direct belang bij deze aanpassing, dit is met name van belang voor de Stichting Schaapskooi Schijndel, volgens de ingediende zienswijze vanwege de rechtszekerheid die men daar aan kan ontlenen. De conclusie, dat het bestemmingsplan niet voorziet in een generieke regeling waarbij de splitsing van een actieve bedrijfswoning in twee bedrijfswoningen toegestaan wordt bij monumenten of beeldbepalende panden, klopt. Woningsplitsing wordt in de nieuwe regeling, conform de regelingen in de geldende plannen van het buitengebied, alleen mogelijk gemaakt als er sprake is van bedrijfsbeëindiging. Daarmee kan echter niet zonder meer geconcludeerd worden dat in het specifieke geval de monumentale
Zaaknummer 1948360274
Pagina 6 van 8
datum 13 januari 2021
woning dus niet kan worden hersteld. Onderhoudsverplichtingen op grond van de Erfgoedwet en eventuele subsidiemogelijkheden voor monumenten maken immers geen onderdeel uit van het bestemmingsplan.
PvdA
2. Naar aanleiding van zienswijzen zal artikel 3.6 vervallen, omdat het niet mogelijk blijkt een en ander rondom reststroken, zones tuin en erf e.d. niet goed te vertalen in deze harmonisatie. Wat betekent dit in de praktijk? Dat er geen regels komen in het definitieve bestemmingsplan en alles via afwijkdossiers afgehandeld moet worden? Of dat de kruimelregeling 2020 voor altijd blijft bestaan?
Ook kan er wellicht kan bij specifieke gevallen afgeweken worden van de generieke regels voor woningsplitsing. Die overweging om voor een specifieke woning een uitzondering te maken, maakt echter geen onderdeel uit van de harmonisatie van de bestaande regels. Op dit moment bestaan er tientallen verschillende regelingen in bestemmingsplannen waarmee erfbebouwing geregeld is. Deze variëren dusdanig, dat er bij het opstellen van een generieke regeling uitgegaan zou moeten worden van een virtuele zone voor voortuin, hoofdgebouw en erfbebouwing, die niet altijd aanwezig zijn op verbeeldingen/plankaarten van deze bestemmingsplannen. Dit maakt het toepassen van een generieke regeling in combinatie met bestaande plansystematiek voor bebouwing voor de toetsing van vergunningen uitermate complex. Het omgevingsplan geeft straks ten opzichte van de huidige bestemmingsplannen bredere mogelijkheden om activiteiten toe te staan. Bijvoorbeeld door het te koppelen aan een open normering, zoals het voldoen aan een vastgesteld beleid voor gebruik van reststroken. Totdat er een regeling in het
Zaaknummer 1948360274
Pagina 7 van 8
datum 13 januari 2021
PvdA
3. Schuilmogelijkheden voor dieren. De mogelijkheden daartoe worden beperkt als gevolg van de provinciale regels uit de Interim Omgevingsverordening (beperken tot kernrandzones). Dat kan in de praktijk tot dieronvriendelijke situaties leiden (er zijn verschillenden incidenten in deze hete zomer geweest) als het betreffende veld waarop de dieren zich bevinden, zich niet in een kernrandzone bevindt. Wat is er wel mogelijk binnen dit bestemmingsplan?
Zaaknummer 1948360274
Pagina 8 van 8
datum 13 januari 2021
omgevingsplan is opgenomen achten we het opportuun om in voorkomende gevallen af te wijken van de regels via een omgevingsvergunning. Er zijn geen mogelijkheden opgenomen voor het oprichten van schuilgelegenheden buiten de kernrandzones, voor zover die niet binnen een bestaand bouwperceel opgericht kunnen worden. De provincie geeft aan dat dergelijke bouwmogelijkheden in strijd zijn met de Interim Omgevingsverordening.