Bijlagenboek BP Fioretti locatie Kasteellaan Sint-Oedenrode
Tekst van het document
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 3 van 20
2
Milieuhygiënisch vooronderzoek
2.1
Algemeen
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 nl Bodem - Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Uiteindelijk dienen in het vooronderzoek de onderzoeksvragen uit de NEN 5725 “Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek” beantwoord te worden. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Informatie opdrachtgever en eigenaar; • Informatie overheid inzake bodemonderzoeken, ophooglagen, vergunningen, (voormalige) brandstoftanks en andere mogelijke relevante informatie; • Website Bodemloket; • Historisch topografisch kaartmateriaal, website topotijdreis; • Actuele luchtfoto’s (Google Earth en Bing Kaarten); • Grondwaterkaart van Nederland/DINOloket; • Kadaster.
Voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk is een terreininspectie uitgevoerd. De resultaten van deze inspectie zijn opgenomen in onderhavig hoofdstuk.
2.2
Afbakening en locatiegegevens
Het onderzoeksgebied voor het vooronderzoek is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen tot 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. In verticale richting is de locatie afgebakend tot 10 meter beneden maaiveld. Gezien de ligging en het gebruik van de locatie in relatie tot het doel van het onderzoek wordt deze afbakening voldoende geacht. De onderzoekslocatie betreft een braakliggend perceel gelegen aan de Kasteellaan 6 te SintOedenrode. In tabel 1 zijn de locatiegegevens weergegeven.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 4 van 20
Tabel 1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie
Kasteellaan 6
Kadastrale gegevens locatie
gemeente Sint-Oedenrode, sectie H, perceelnummer(s) 2985
Coördinaten Rijksdriehoekstelsel
x: 159.671
Oppervlakte locatie (in m2)
circa 4.960
www.planviewer.nl/kaart
Oppervlakte bebouwd (in m2)
-
www.planviewer.nl/kaart
Huidig gebruik
braakliggend
Verhardingen
-
y: 396.715
www.planviewer.nl/kaart https://pdokviewer.pdok.nl
De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de topografische overzichtskaart in bijlage 1 en de luchtfoto in figuur 1.
Figuur 1: luchtfoto met globale ligging onderzoekslocatie (rood omrand) bron: Google Maps
De onderzoeklocatie ligt binnen de bebouwde kom. De directe omgeving bestaat uit bos- en woongebied. Voor een indruk van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar figuur 2.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 5 van 20
Figuur 2: huidige situatie (6 foto's)
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
bron: locatie-inspectie MILON bv
Pagina 6 van 20
2.3
Gebruik, potentiële bronnen en uitgevoerde onderzoeken
Gebruik en potentiële bronnen Volgens historisch topografisch kaartmateriaal is de onderzoekslocatie tot omstreeks 1962 onverhard en onbebouwd gebleven. In de periode daarna is bebouwing gerealiseerd (Fioretti College). De laatste jaren was het gebouw in gebruik als bedrijfs-verzamelpand. Recentelijke is de aanwezige bebouwing gesloopt. Nabij de onderzoekslocatie (Kasteellaan 4) is vanaf 1977 een schietbaan aanwezig. Het is onbekend of dit tevens de huidige situatie is. Wegens de afstand is de verwachting dat de activiteiten geen negatieve invloed hebben op de bodemkwaliteit ter plaatse. Sinds 8 juli 2019 is het ‘tijdelijk handelingskader PFAS’ in werking getreden. Hiermee is vastgesteld dat grond in Nederland tot 1,0 meter minus maaiveld (m-mv) verdacht is op het voorkomen van PFAS. De afkorting PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Het handelingskader spreekt vooralsnog alleen over aan- en afvoer van grond en slib. In het kader van de aanleiding van dit onderzoek zijn analyses op PFAS daarom niet direct noodzakelijk. Er vindt voor zover bekend geen grondafvoer plaats en er zijn ook geen bronnen voor PFAS verontreiniging op locatie aanwezig of aanwezig geweest. Hierom is geen onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PFAS in de bodem.
Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd, naast de sloop van de bebouwing. Uitgevoerde bodemonderzoeken Binnen de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn tot op heden geen bodemonderzoeken uitgevoerd.
2.4
Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie
De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van circa 10,9 m+NAP. De gegevens van de bodemopbouw tot 30 m-mv zijn verkregen van DINOloket (uitgifte portaal van TNO, Geologische Dienst Nederland). Vanaf maaiveld tot circa 29 m-mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand). Hieronder is de formatie van Sterksel (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei) aanwezig. Volgens opgave van de Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringvrije zone. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten. Voor zover bekend wordt binnen het onderzoeksgebied geen grondwater onttrokken. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Meijerijstad blijkt dat de onderzoeklocatie is gelegen in een gebied waarin de bodemkwaliteit op onbelaste percelen naar verwachting voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse AW2000. De onderzoekslocatie is gelegen in de bodemfunctieklasse wonen.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 7 van 20
2.5
Hypothese
De onderzoekslocatie betreft het gedeelte van het terrein aan de Kasteellaan 6 te Sint-Oedenrode waar sloopwerkzaamheden recentelijk hebben plaatsgevonden. De oppervlakte van de onderzoekslocatie betreft circa 4.960 m2 en is kadastraal bekend als Sint Oedenrode, sectie H, nummer 2985. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van bodembedreigende activiteiten anders dan de sloop van de bebouwing op de locatie en in de directe omgeving is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en verdacht op een mogelijke verontreiniging met asbest. Hierom wordt voor het verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Binnen de onderzoekslocatie worden geen andere stoffen verwacht dan de parameters uit het standaardpakket grond en het standaardpakket grondwater. Voor het verkennend asbestonderzoek wordt, conform de NEN 5707, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 8 van 20
3
Uitvoering verkennend bodemonderzoek
3.1
Onderzoeksstrategie
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740:2009+A1:2016 nl bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek en gestelde hypothese wordt het bodemonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL) . De veldwerkzaamheden en de te analyseren grond- en grondwatermonsters zijn vastgesteld op basis van de totale oppervlakte van de onderzoekslocatie en zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Veldwerkzaamheden en analyses Locatie
Gehele terrein
opp. (m2)
4.960 m2
Boringen en peilbuizen
Laboratorium (analyses)*
tot 0,5 m-mv
tot 2,0 m-mv
peilbuis
grond
11
3
1
3x standaardpakket
grondwater 1x standaardpakket
*het standaardpakket voor grond bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK, PCB, minerale olie, lutum en organisch stof. Het standaardpakket voor grondwater bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, minerale olie, vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen.
3.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON bv, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en protocollen 2001 en 2002. MILON bv is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20269) en is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op 31 januari 2020 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.P.W.M. (Ruud) van Galen en de heer A. (Antoon) Kokkes, beide erkend en ervaren veldwerker en medewerker van MILON bv. Veldwerkers van MILON bv zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het verrichten van handboringen en plaatsen van peilbuizen conform tabel 2; ▪ het zintuiglijk beoordelen, beschrijven en het bemonsteren van de grond per 0,5 meter of gelijkwaardige laag; ▪ het afpompen van het grondwater in de peilbuis na plaatsing. Er zijn twee extra boringen geplaats ten opzichte van de onderzoeksopzet als gevolg van het combineren van het bodemonderzoek met het asbestonderzoek. Hiermee wordt een beter beeld verkregen van de bodemopbouw en de bodemkwaliteit. Op 7 februari 2020 heeft de bemonstering van het grondwater plaatsgevonden, uitgevoerd door de heer N.A.P. (Niels) van Rooij, erkend en ervaren veldwerker en medewerker van MILON bv.
Hierbij zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het bepalen van de grondwaterstand; Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 9 van 20
▪ het afpompen van het grondwater in de peilbuis, waarbij gelijktijdig de zuurgraad, geleiding en troebelheid van het grondwater zijn gemeten; ▪ het bemonsteren van het grondwater. Ten behoeve van de analyse van zware metalen is het grondwater tijdens de grondwaterbemonstering gefiltreerd middels een 0,45 μm filter.
3.3
Zintuiglijke waarnemingen
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een braakliggend terrein aanwezig. De boven- en ondergrond bestaat overwegend uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Vanaf 1.5 m-mv word tot de maximaal geboorde diepte van 3,3 m-mv een leemlaag aangetroffen. Zintuiglijk zijn bij diverse boringen in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met puin, beton, bakstenen, sporen plastic en sporen kooldeeltjes. In de ondergrond zijn zintuigelijk sporen roest waargenomen. Voor het overige zijn geen bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Specifiek wordt vermeld dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3. Voor de ligging van de boorpunten wordt verwezen naar de situatietekening in bijlage 2. In tabel 3 zijn de resultaten van de uitgevoerde veldmetingen tijdens de grondwaterbemonstering weergegeven. Tabel 3: Veldmetingen en zintuiglijke waarnemingen Peilbuis 01
Filterstelling (m -mv) 2,20 - 3,20
Grondwaterstand (m -mv) 0,91
pH (-) 7,1
EGV (µS/cm) 570
Troebelheid (NTU) 67,3
De gemeten zuurgraad (pH) en geleidingsvermogen (E.G.V.) zijn als normaal te beschouwen voor de waargenomen bodemopbouw en de ligging van de locatie. Opgemerkt wordt dat de troebelheid in het grondwater hoger is dan de waarde die voor grondwater als normaal wordt geacht (< 10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de concentratie van matig/slecht oplosbare organische parameters. Tijdens de monsterneming van het grondwater zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die zouden kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging.
3.4
Laboratoriumwerkzaamheden
De grond- en grondwatermonsters zijn ter analyse aangeboden aan SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. SYNLAB Analytics & Services B.V. is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 (onder nummer L028) en erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de 'Analyse milieuhygienisch bodemonderzoek' (AS3000). Van de in het veld genomen en separaat verpakte grondmonsters zijn, in opdracht van de projectleider van MILON bv, in het laboratorium mengmonsters samengesteld. In tabel 4 zijn per mengmonster de individuele grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen weergegeven.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 10 van 20
Tabel 4: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen Analysemonster MMbg1
Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,50
MMbg2
0,00 - 0,50
MMog
0,50 - 2,00
Deelmonsters
Zintuiglijke waarnemingen
Aangevraagde analyses
02 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,20) 14 (0,00 - 0,25) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,10) 17 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,20) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,15) 11 (0,00 - 0,50) 01 (1,00 - 1,50) 02 (1,00 - 1,50) 02 (1,50 - 2,00) 03 (0,50 - 0,80) 03 (1,10 - 1,40) 04 (1,00 - 1,50) 06 (0,70 - 1,20)
brokken leem, resten puin, sporen leem, resten wortels
Standaardpakket
resten baksteen, resten beton, sporen glas, sporen plastic, brokken leem
Standaardpakket
sporen roest
Standaardpakket
- : geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging; zwak: 1%-5% antropogene bijmenging; matig: 5%-15% antropogene bijmenging; sterk: 15%-50% antropogene bijmenging.
Alle analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. In de bijlage van het certificaat (watermonster) is een opmerking geplaatst omdat verschillen zijn geconstateerd met de te hanteren richtlijnen. Beïnvloeding van de betrouwbaarheid van de analyses wordt echter minimaal geacht.
3.5
Analyseresultaten
Toetsingskader Wet bodembescherming (Wbb) Voor de bepaling of (en in welke mate) bodemverontreiniging aanwezig is, zijn toetsingswaarden opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering. In deze beleidstukken wordt onderscheid gemaakt in twee verschillende toetsingsniveaus: ▪ het toetsingsniveau waarbij sprake is van een duurzame en goede bodemkwaliteit waarbij geen noemenswaardige risico’s bestaan voor het ecosysteem en er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Getalsmatig wordt dit voor grond ingevuld door de achtergrondwaarde (AW), voor grondwater door de streefwaarde (S); ▪ het toetsingsniveau dat aangeeft waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant. Getalsmatig wordt dit voor zowel grond als grondwater ingevuld door de interventiewaarde (I). Voor de toetsing van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van BOTOVA-gevalideerde software. De analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn respectievelijk getoetst aan testcode T12 (Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb) en T13 (Beoordeling kwaliteit van grondwater volgens Wbb).
Voordat de meetwaarden van grond kunnen worden getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden dienen deze op basis van het lutum- en/of organisch stofgehalte van de bodem gecorrigeerd te worden naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Voor grondwater vindt geen correctie plaats.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 11 van 20
Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt een indexwaarde berekend (Index grond = (GSSD - AW) / (I - AW) en Index grondwater = (GSSD - S) / (I - S)). In tabel 5 is weergegeven wat deze indexwaarde betekend, welke termen worden gehanteerd en hoe overschrijdingen worden weergeven in de toetsingstabellen. In de tabel wordt de indexwaarde tussenhaakjes achter de verhoogde parameter weergegeven. Tabel 5: Mate van bodemverontreiniging en weergave in tabellen indexwaarde
betekenis
weergave in tabellen
<0
niet verontreinigd / niet verhoogd Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde waarde lager is dan achtergrond- of streefwaarde. Er is sprake van een goede bodemkwaliteit en geen sprake van een verontreiniging.
-
>0 <0,5
licht verontreinigd / licht verhoogd Een indexwaarde tussen de 0 en 0,5 betekend dat de gestandaardiseerde meetwaarde hoger is dan de achtergrond- of streefwaarde, maar (ver) onder de interventiewaarde ligt. Ondanks de lichte verhoging kan voor de parameter uitgegaan worden van verwaarloosbare risico's.
>AW of >S
>0,5 <1,0
matig verontreinigd / matig verhoogd. Een indexwaarde tussen de 0,5 en 1,0 betekend dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Mogelijk is sprake van een ernstige verontreiniging. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft deze waarde aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek.
> index
>1,0
ernstig verontreinigd / sterk verhoogd. Bij een indexwaarde boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Voor de parameter is sprake van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier.
>I
Toetsing van de analyseresultaten De toetsing van de analyseresultaten voor de (boven- en onder)grond en het grondwater is weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabel 6 en tabel 7. In deze tabellen zijn uitsluitend de verhoogde parameters en de bijbehorende indexwaarde weergegeven.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 12 van 20
Tabel 6: Toetsing van de analyseresultaten (grond) Analysemonster MMbg1
Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,50
MMbg2
0,00 - 0,50
MMog
0,50 - 2,00
Deelmonsters
Zintuiglijke waarnemingen
> AW en <= I
Index >0,5
>I
02 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,20) 14 (0,00 - 0,25) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,10) 17 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,20) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,15) 11 (0,00 - 0,50) 01 (1,00 - 1,50) 02 (1,00 - 1,50) 02 (1,50 - 2,00) 03 (0,50 - 0,80) 03 (1,10 - 1,40) 04 (1,00 - 1,50) 06 (0,70 - 1,20)
brokken leem, resten puin, sporen leem, resten wortels
-
-
-
resten baksteen, resten PAK (0,2) beton, sporen glas, spo- minerale olie ren plastic, brokken (-) leem
-
-
sporen roest
-
-
-
-: het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >AW: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd);
Tabel 7: Toetsing van de analyseresultaten (grondwater) Analysemonster 01-1-1
Filterstelling (m -mv) 2,20 - 3,20
> S (+index) barium (0,07)
Index >0,5 -
>I -
-: de concentratie is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >S: de concentratie is hoger dan de streefwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de streefwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
3.6
Bespreking van de resultaten
Grond Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond lokaal diverse bodemvreemde bijmengingen aangetroffen, analytisch wordt in dit monster ook de achtergrondwaarde voor PAK en minerale olie overschreden. Deze overschrijding hangt waarschijnlijk samen met deze bijmengingen. In het zintuigelijk schonere bovengrond monster en in het zintuigelijke schone ondergrondmonsters worden analytisch geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde gemeten, voor de onderzochte parameters. De licht verhoogde gehalten in de bovengrond zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Gelet op de bodemvreemde bijmengingen is de bovengrond wel verdacht op het voorkomen van asbest. Derhalve is in overleg met de opdrachtgever een aanvullend asbest in bodem onderzoek uitgevoerd. Zie hoofdstuk 4.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 13 van 20
Grondwater Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties aangetoond. Barium is een zwaar metaal dat als spoorelement van nature in het grondwater voorkomt. Voor de lichte verhoging ten opzichte van de streefwaarde is geen eenduidige verklaring voorhanden. Omdat barium in de grond niet verhoogd is gemeten en geen locatie specifieke bron kan worden aangewezen, wordt het waarschijnlijk geacht dat het hier een verhoogde achtergrondconcentratie betreft. Bij vele bodemonderzoeken op onverdachte locaties zijn (regionaal) eveneens van nature verhoogde zware metalen concentraties aangetoond. Toetsing hypothese Door de aangetoonde licht verhoogde gehaltes of concentraties in de grond en het grondwater dient de opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden en te worden vervangen door de hypothese ‘verdachte locatie’.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 14 van 20
4
Uitvoering verkennend asbestonderzoek
4.1
Onderzoeksstrategie
Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016 Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek en gestelde hypothese wordt het asbest in bodemonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. De veldwerkzaamheden en de te analyseren monsters zijn vastgesteld op basis van de totale oppervlakte van de onderzoekslocatie en zijn weergegeven in tabel 8. Tabel 8: Veldwerkzaamheden en analyses oppervlakte (m2) 4.960 m2
4.2
Aantal asbestgaten
Laboratorium (analyses)
tot 0,5 m-mv
gaten doorzetten tot 2,0 m-mv
grond(meng)monsters
17
3
3x asbest in grond
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON bv, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en protocol 2018. MILON bv is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20269) en is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op 31 januari 2020 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.P.W.M. (Ruud) van Galen en de heer A. (Antoon) Kokkes, beide erkend en ervaren veldwerker en medewerker van MILON bv. Veldwerkers van MILON bv zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ Het uitvoeren van een visuele maaiveldinspectie; ▪ het laagsgewijs graven van proefgaten conform tabel 8; ▪ het zeven en inspecteren van het uitgegraven grondmateriaal; ▪ het verzamelen van asbesthoudende materialen (> 20 mm); ▪ het samenstellen van verzamelmonsters (< 20 mm); ▪ het herstellen van de gegraven gaten.
4.3
Zintuigelijke waarnemingen
Maaiveldinspectie Gestart wordt met het uitvoeren van een maaiveldinspectie. Een maaiveldinspectie is essentieel om de locatie op te delen in homogene (deel)locaties zodat de effectiviteit van het onderzoek wordt vergroot. Daarnaast kan de maaiveldinspectie worden gebruikt om een schatting te geven van het asbestgehalte in de toplaag. In de uitvoeringsfase van het asbestonderzoek worden conform de NEN 5707 laagsgewijs proefgaten gegraven, waarbij de vrijkomende grond wordt gezeefd of uitgeharkt. Eventuele asbestverdachte materialen (> 20 mm) welke niet door de zeef of hark gaan, worden per proefgat verzameld en in gesloten plastic zakken aan het laboratorium aangeboden voor onderzoek op de aanwezigheid van asbest. Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 15 van 20
Van de fijne grondfractie (< 20 mm) wordt een mengmonster samengesteld van minimaal 10 kilogram droge stof en analytisch onderzocht op het gehalte en soort asbest. Indien in één of meer proefgaten zintuiglijk asbest wordt aangetroffen, zullen de verdachte monsters apart geanalyseerd worden. Het te inspecteren maaiveld is vrij van objecten, vegetatie en waterplassen. Ten tijde van de visuele inspectie was het droog en was er voldoende daglicht. De geschatte inspectie-efficiëntie voor de berm is weergegeven in tabel 9. Tabel 9: Schatting van de inspectie-efficiëntie Type grond
Conditie maaiveld
Inspectie-efficiëntie* klassen
Zand
Droog, los en geen vegetatie
90 % – 100 %
Zand
Vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie
70 % – 90 %
Klei/leem en veen
Droog, los en geen vegetatie
70 % – 90 %
Klei/leem en veen
Vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie
50 % – 70 %
schatting X
De resultaten van de maaiveldinspectie wijken niet af van de gestelde onderzoekshypothese. De onderzoeksopzet hoeft niet te worden aangepast en er hoeft geen overweging plaats te vinden om direct door te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Inspectie en monsterneming bodem Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Vanaf 1.5 m-mv word tot de maximaal geboorde diepte van 3,3 m-mv een leemlaag aangetroffen. Zintuiglijk zijn bij diverse boringen in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met puin, beton, bakstenen, sporen plastic en sporen kooldeeltjes. In de ondergrond zijn zintuigelijk sporen roest waargenomen. Voor het overige zijn geen bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Specifiek wordt vermeld dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Al het ontgraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd en geïnspecteerd, waarbij geen asbestverdacht materiaal is waargenomen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn door de monsternemer in het veld monsters samengesteld, zie tabel 10. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. De ligging van de proefgaten is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2.
4.4
Laboratoriumwerkzaamheden
De verzamelmonsters en eventueel asbestverdacht materiaal zijn ter analyse aangeboden aan SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. SYNLAB Analytics & Services B.V. is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 (onder nummer L028) en erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de 'Analyse milieuhygiënisch bodemonderzoek' (AS3000). De monsters zijn in het laboratorium geanalyseerd op asbest en de asbestverdachte materialen op het soort, gewicht en gehalte asbest. Eventuele mengmonsters zijn samengesteld in opdracht van de projectleider van MILON bv. In tabel 10 zijn de monsters en de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 16 van 20
Tabel 10: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen Analysemonster
Proefgaten (traject, cm-mv)
Opmerkingen / veldwaarnemingen
MM1
A01 (0,00-0,50) A10 (0,00-0,50) A11 (0,00-0,50) A12 (0,00-0,50) A13 (0,00-0,50)
sporen/resten baksteen, resten beton, sporen glas, sporen plastic
MM2
A02 (0,00-0,50) A14 (0,00-0,50) A15 (0,00-0,50) A16 (0,00-0,50) A17 (0,00-0,50)
resten puin
MM3
A04 (0,00-0,50) A05 (0,00-0,50) A06 (0,00-0,50) A08 (0,00-0,50) A09 (0,00-0,50)
resten beton- en baksteen
- : geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging; zwak: 1%-5% antropogene bijmenging; matig: 5%-15% antropogene bijmenging; sterk: 15%-50% antropogene bijmenging.
4.5
Interpretatie en toetsing
De analyseresultaten worden geïnterpreteerd conform hoofdstuk 6.6 van de NEN 5707. Bij een verkennend asbestonderzoek worden namelijk uitsluitend indicatieve asbestgehalten (gewogen) berekend. Indien het indicatieve gehalte asbest in grond groter is dan 0,5 x interventiewaarde (oftewel 50 mg/kg gewogen asbest) dient een nader onderzoek asbest uitgevoerd te worden conform NEN 5707. Bij lagere indicatieve gehalten (< 50 mg/kg gewogen asbest) mag niet van een verontreiniging met asbest worden gesproken en is een nader onderzoek asbest niet noodzakelijk. Het analysecertificaat is weergegeven in bijlage 4. De toetsing van de analyseresultaten is weergegeven in tabel 11. Tabel 11: Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek Toetsing van de analyseresultaten Analyse monster
Proefgaten (m-mv)
Gemeten asbestgehalte mg/kg ds
Totaal gewogen asbestconcentratie
<20 mm
>20 mm
mg/kg ds
Toetsing
Totaal
MM1
A01, A10, A11, A12, A13
<2
na
<2
<2
-
MM2
A02, A14, A15, A16, A17
<2
na
<2
<2
-
MM3
A04, A05, A06, A08, A09
<2
na
<2
<2
-
-: geen gehalte boven de detectielimiet aangetoond; Na: niet aangetroffen; >½ I: gehalte > 0,5x interventiewaarden. Een nader asbestonderzoek is noodzakelijk.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 17 van 20
4.6
Bespreking van de resultaten
Tijdens de monsterneming zijn in de proefgaten van MM1 en MM3 bijmengingen aangetroffen met baksteen en beton. In de proefgaten van MM2 zijn bijmengingen met puin waargenomen. Al het ontgraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd en geïnspecteerd, waarbij geen asbestverdacht plaatmateriaal is aangetroffen. Analytisch is in de fijne fractie van de samengestelde mengmonsters geen asbest aangetoond boven de detectiegrens. Toetsing hypothese Doordat het indicatieve gehalte asbest in bodem lager is dan de norm van naderonderzoek dient de opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’ verworpen te worden. Er wordt niet gesproken van een verontreiniging met asbest ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 18 van 20
5
Samenvatting en conclusies
Door MILON bv te Veghel is, in opdracht van de heer S.G.M. (Sjors) van Gorp, namens A. v Liempd Sloopbedrijven te Sint-Oedenrode, een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht volgens de onderzoeksprotocollen NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. De onderzoekslocatie betreft het perceel Kasteellaan 6 te Sint-Oedenrode. Vooronderzoek De onderzoekslocatie betreft het terrein aan de Kasteellaan 6 te Sint-Oedenrode waar de sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op dit stuk grond is recentelijk een gebouw gesloopt en verharding verwijderd. De oppervlakte van de onderzoekslocatie betreft circa 4.960 m2 en is kadastraal bekend als Sint Oedenrode, sectie H, nummer 2985. Binnen de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn tot op heden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van bodembedreigende activiteiten anders dan de sloop van de bebouwing op de locatie en in de directe omgeving is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en verdacht op een mogelijke verontreiniging met asbest. Hierom wordt voor het verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Binnen de onderzoekslocatie worden geen andere stoffen verwacht dan de parameters uit het standaardpakket grond en het standaardpakket grondwater.
Voor het verkennend asbestonderzoek wordt, conform de NEN 5707, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. Onderzoeksresultaten Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de grond zintuiglijk bijmengingen aangetroffen met bodemvreemde materialen. In tabel 12 zijn de analyseresultaten samengevat. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Er zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetroffen. Tabel 12: Onderzoeksresultaten grond en grondwater Bodemlaag
Parameter*
bovengrond
PAK en minerale olie
ondergrond
-
grondwater
barium
Toetsing licht verhoogd licht verhoogd
*: uitsluitend de verhoogde parameters zijn weergeven
Verkennend asbestonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is zowel op het maaiveld als in het opgegraven en geinspecteerde grond geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is in de fijne fractie geen asbest aangetoond boven de detectiegrens. Derhalve wordt hier niet gesproken van een verontreiniging met asbest.
Projectnummer: 20192566 Datum: 12 februari 2020
Pagina 19 van 20