CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting_Bijlage 14 Quickscan natuurtoets.pdf

Raadsvergadering 29 april 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bijlage 2: Vast te stellen BP 'Kloosterkwartier Veghel' met bijlagen waaronder het Masterplan 'Klooster Franciscanessen Veghel'11.157 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Deken van Mierstraat 2 t/m 16 in Veghel

In opdracht van Buro Ontwerp & Omgeving

Colofon Quickscan natuurtoets Deken van Mierstraat 2 t/m 16 in Veghel

Opdrachtgever Contactpersoon

Buro Ontwerp & Omgeving Dhr. S. Schut

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

1919 S.W. Klein Brinke Ing. R. Boerboom 15 oktober 2018 Plangebied (foto: S.W. Klein Brinke)

Copyright Niets uit dit rapport mag w orden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt w orden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming w orden gebruikt voor enig ander w erk dan w aarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurw et- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade w elke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van w erkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijw aart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netw erk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netw erk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netw erk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kw aliteit van hun w erk.

w ww.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon .......................................................................................................................................... 1 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 1

2

3

4

Inleiding en doel .................................................................................................................... 4 1.1

Inleiding .......................................................................................................................... 4

1.2

Doel ................................................................................................................................ 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden .......................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ................................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied .................................................................................. 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied...................................................................... 5

2.4

Geplande werkzaam heden .......................................................................................... 5

Beschermde status plangebied ........................................................................................... 8 3.1

Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8

3.2

Natuurnetwerk Nederland............................................................................................. 8

3.3

Natura 2000 ................................................................................................................... 9

Beschermde soorten plangebied....................................................................................... 11 4.1

Methode ....................................................................................................................... 11

4.2

Resultaten .................................................................................................................... 12

5

Wet natuurbescherming ..................................................................................................... 21

6

Conclusie ............................................................................................................................. 25

Bijlage 1

Impressie plangebied .............................................................................................. 27

Bijlage 2

Overzichtskaart bom en m et holten ........................................................................ 28

Bijlage 3

Overzichtskaart m et roofvogelhorsten en roekennesten ..................................... 29

Bijlage 4

Wettelijk kader Wet natuurbescherming ................................................................ 30

Bijlage 5

Beschermde plant- en diersoorten ......................................................................... 38

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de herontwikkeling van gronden aan de zuidkant van het plangebied aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk is. Voor de herontwikkeling van gronden in de kloostertuin is aanvullend onderzoek naar roek, buizerd, sperwer en eekhoorn noodzakelijk. Verder is vervolgonderzoek noodzakelijk naar boombewonende vleermuizen en vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Uit soortgericht onderzoek zal vervolgens blijken of er een ontheffing moet worden aangevraagd. Het eventueel verlenen van de ontheffing door de provincie kan pas nadat aanvullend onderzoek is uitgevoerd en de eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen zijn genomen. Verder moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening gehouden worden met (overige) broedvogels. Werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde natuurgebieden is niet aan de orde. Dit zijn uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om het bestaande kloostercomplex een eigentijds gebruik te geven. Dit gaat deels door behoud, maar deels ook door herontwikkeling van de gronden, waarbij mogelijk sprake is van sloop van huidige bebouwing en het verwijderen van groen.

De beoogde herontwikkeling kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Buro Ontwerp & Omgeving. Het bureau deed literatuuronderzoek en veldonderzoek op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Voor het plangebied ‘Hart van Veghel, aan de adressen Deken van Mierstraat 2 t/m 16 in Veghel is een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Aanleiding hiertoe is de herontwikkeling voor de komende jaren van het Kloostercomplex ten behoeve van nieuw of ander gebruik door en voor verschillende gebruikers. De heer Schut van Buro Ontwerp & Omgeving is betrokken bij deze plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven tot het uitvoeren van deze quickscan natuurtoets.

1.2

Doel

Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1

Gegevens plangebied

Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

2.2

Deken van Mierstraat 2 t/m 16 Veghel Meijerijstad Noord-Brabant

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bestaat min of meer uit twee delen. Het ene deel betreft de zuidzijde die bebouwd is met elf opstallen (zie figuur 1). Het andere deel betreft de tuin aan de noordzijde, die lijkt op een landschapspark. De opstallen zijn gelegen aan de Deken van Mierstraat 2 t/m 12 in Veghel. Tot de elf opstallen behoren het moederhuis met de bijbehorende gasthuisvleugels, de kapel, de wasserij, een school (voor lager onderwijs), een internaatgebouw, een fietsenstalling, het zogeheten zigzaggebouw, twee nieuw gebouwde appartementencomplexen en een recent bijgebouwd stukje. Het moederhuis met de bijbehorende gasthuisvleugels is aangewezen tot rijksmonument, net als de kapel. In de relatief grote kloostertuin is onder andere een oude platanenlaan (bomen van 75 tot 100 jaar oud), een gazon, een vijver, een begraafplaats en een dierenparkje aanwezig. Daarnaast zijn er in de tuin enkele bosplantsoenen aanwezig. Het plangebied ligt nagenoeg in het centrum van de plaats Veghel (zie figuur 2).

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied

Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het kloostercomplex zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het kloostercomplex, wordt bepaald door de SintLambertuskerk, het kerkhof vlakbij de kerk, enkele winkels en woonhuizen en de straten: Meester van Coothstraat, De Hermey, Deken van Mierstraat, Franciscanessenlaan (zie figuur 3 en bijlage 1).

2.4

Geplande werkzaamheden

Er zijn plannen om het bestaande kloostercomplex een eigentijds gebruik te geven. Dit gaat deels door behoud, maar deels ook door herontwikkeling van de gronden, waarbij mogelijk sprake is van sloop van huidige bebouwing en het verwijderen van groen.

Pagina 5

Figuur 1. Overzichtskaart met het moederhuis (1), de gasthuisvleugels (2), de kapel (3), de w asserij (4), het ULO-gebouw (5), het internaat (6), het zigzaggebouw (7), de veranda/ fietsenstalling (8), recente nieuw bouw (9) en de nieuw e appartementencomplexen (10 en 11). Bron: Bouw historische verkenning Deken van Mierstraat 8, Veghel (2018):

Pagina 6

Figuur 2. Globale ligging van het plangebied (rood). Bron: Provincie Noord-Brabant (2018).

Figuur 3. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw ) met daarbinnen het plangebied (rood). Bron: Provincie NoordBrabant (2018).

Pagina 7

3 Beschermde status plangebied Gebiedsbescherming

3.1

In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

3.2

3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Natuurnetwerk Het NNN is in de Provincie Brabant begrensd en gemarkeerd als: 

Bestaande NNN: Het bestaande NNN (natuur/water) betreft bestaande en recent gerealiseerde nieuwe natuur.

Te realiseren NNN: Het te realiseren NNN.

De NNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In de NNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het NNN in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.

3.2.3 Plangebied De Brabantse beek Aa stroomt door Veghel heen en is aangewezen als ecologische verbindingszone (evz). Aangrenzend aan deze beek liggen enkele percelen die zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het Brabants natuurnetwerk (zie figuur 4). De afstand tussen de desbetreffende percelen en het plangebied bedraagt meer dan 700 meter. Zodoende worden er geen effecten verwacht ten aanzien van de kavels die behoren tot het Brabants natuurnetwerk.

Pagina 8

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het NNN (groen en blauw ). Bron: Provincie Noord-Brabant (2018).

3.3

Natura 2000

3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten. Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag is niet noodzakelijk.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

Pagina 9

3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ ligt op ruim 17,6 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 5). Overige Natura 2000-gebieden, liggen op een nog grotere afstand, vanaf 27 km. Door de aard en de omvang van de activiteiten en door de ruime afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Door de aard en omvang van de activiteiten, de grote afstand en het ontbreken van een ecologische binding zijn ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring op voorhand uit te sluiten. De extra (tijdelijke) stikstofdepositie die ontstaat als gevolg van de sloopwerkzaamheden is, gezien de relatief grote afstand tot de gevoelige habitattypen, verwaarloosbaar. Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag is niet noodzakelijk.

Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden, bron: Provincie Noord-Brabant 2018.

Pagina 10

4 Beschermde soorten plangebied 4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

S.W. Klein Brinke

1

24-08-2018

11:30 uur

Half bewolkt, droog, 18°C, wind 2 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 11

Resultaten

4.2

Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen huismus, gierzwaluw, roek, slechtvalk buizerd en sperwer zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de wijde omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten:  

Nationaal beschermde soorten: bosmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis en vos 1 . Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en watervleermuis.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van vijf beschermde amfibiesoorten. Daarnaast is voor het uurhok ( 5x5 km) waarbinnen het plangebied valt, vanuit de Vissenatlas Brabant, de grote modderkruiper bekend. 

Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onbepaald), grote modderkruiper en kleine watersalamander¹.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt de wijde omgeving van het onderzoeksgebied melding van één beschermde vlindersoort:. 

Nationaal beschermde soorten: keizersmantel.

1

Deze soorten zijn, met uitzondering van de eek hoorn en grote modderkruiper, in de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwik k elingen.

Pagina 12

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora De kloostertuin bestaat onder andere uit een vijver, een oude platanenlaan, een kerkhof, een gazon en enkele bosschages. Enkele soorten die hier waargenomen zijn tijdens het veldbezoek zijn sneeuwbes, wilde lijsterbes, rode kornoelje, ridderzuring, grote brandnetel, brede wespenorchis, riet, pontische rododendron, ruwe berk, hazelaar en gewone esdoorn. Het betreft algemene plantensoorten van voedselrijke omstandigheden en tuinplanten. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied. Ze worden hier ook niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving vink, roodborst, koolmees, staartmees, houtduif, wilde eend, waterhoen, kauw, boomklever, boomkruiper, groene specht, buizerd en slechtvalk waargenomen. De opgaande bosschages in het plangebied zijn geschikt als nestlocatie voor enkele algemeen voorkomende vogelsoorten, zoals vink, staartmees en roodborst. De gebouwen zijn geschikt als nestlocaties voor vogelsoorten als spreeuw en zwarte roodstaart.

Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de huismus, gierzwaluw, roek, buizerd, sperwer en slechtvalk waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek is de buizerd waargenomen in de kloostertuin. Daarnaast is de slechtvalk overvliegend en rustend waargenomen op en rondom de Sint-Lambertuskerk. Mogelijk heeft de soort hier zijn broedlocatie. De gebouwen in het plangebied zijn in ieder geval niet geschikt als nestlocatie voor de slechtvalk, zo blijkt uit het veldonderzoek. Huismus en gierzwaluw Rondom het plangebied zijn waarnemingen bekend van huismus en gierzwaluw zo blijkt uit de NDFF. Tijdens het veldbezoek is geen van beide soorten waargenomen. Voor de gierzwaluw viel dit ook te verwachten, aangezien gierzwaluwen in de maanden juli en augustus naar hun overwinteringsgebieden trekken. Tijdens het veldbezoek zijn alle opstallen gecontroleerd op potentiële nestlocaties voor gierzwaluw en huismus. Uit het veldbezoek blijkt dat de volgende gebouwen geschikte nestlocaties voor huismus en gierzwaluw bevatten: het moederhuis (met de later bijgebouwde gasthuisvleugels), het wasserijgebouw, het ULO-schoolgebouw en het internaatgebouw.

Toegankelijke verblijfsruimten zijn bij het wasserijgebouw aanwezig onder scheefliggende pannen, de onderste rij dakpannen en onder loodslabben rondom de schoorsteen. Ruimten die toegang bieden tot verblijfsruimten zijn bij het moederhuis (met de later bijgebouwde

Pagina 13

gasthuisvleugels), het ULO-schoolgebouw en het internaatgebouw aanwezig onder gevelpannen en dakpannen (zie figuur 6). Voor de volgende opstallen zijn tijdens het veldbezoek geen openingen die toegang bieden tot geschikte nestlocaties aangetroffen: de kapel, het zigzaggebouw, de veranda/fietsenstalling, de twee appartementencomplexen en het meest recent bijgebouwde deel.

Figuur 6. Diverse invliegopeningen die toegang verschaffen tot de ruimte(n) tussen de dakpannen en het dakbeschot, met de klok mee: (A) Invliegopeningen onder de gevelpannen van het ULO-schoolgebouw , (B) invliegopeningen onder dakpannen van het ULO-schoolgebouw , (C) invliegopeningen onder dakpannen van de gasthuisvleugels van het moederhuis, (D) invliegopeningen onder de gevelpannen van het internaatgebouw .

Roek Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF diverse waarnemingen van roeken bekend. Tijdens het veldbezoek zijn op meerdere locaties in het plangebied recent gebruikte roekennesten aangetroffen (zie figuur 7). Er zijn 31 roekennesten aangetroffen op vier verschillende locaties (zie bijlage 3).

Pagina 14

Figuur 7. Enkele foto’s van bomen met roekennesten die zijn aangetroffen tijdens het veldbezoek.

Buizerd Vanuit de NDFF zijn geen meldingen bekend van buizerds die (enige) binding hebben met het plangebied. Tijdens het veldbezoek is tot twee maal toe een buizerd waargenomen. De eerste waarneming betrof een alarmerend exemplaar en de tweede waarneming betrof een opvliegend individu. Verder is er ook een horst aangetroffen die vrijwel zeker van een buizerd is. Onder dit nest zijn witte poepspetters aangetroffen (zie figuur 8) wat erop duidt dat het nest afgelopen jaar bewoond was door een paartje buizerds. Vanwege het feit dat buizerds erg trouw zijn aan hun broedlocaties is de kans groot dat de soort hier volgend jaar weer tot broeden komt.

Figuur 8. Indicaties voor een recentelijk bew oond nest door buizerd: (A) roofvogelhorst, (B) w itte poepspetters .

Pagina 15

Sperwer Vanuit de NDFF zijn voor de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de sperwer. Waarnemingen van overvliegende of jagende sperwers zijn niet verricht tijdens het bezoek. Er is wel een plukplaats aangetroffen die hoogstwaarschijnlijk van de sperwer is. Daarnaast is er ook een nest gevonden die mogelijk van een sperwer is, aangezien het nest dicht tegen de stam en relatief hoog in de boom gebouwd is (zie figuur 9). Onder het nest zijn geen witte poepspetters of prooiresten aangetroffen, waardoor de verwachting is dat het nest afgelopen jaar niet bewoond was door een paartje sperwers. Ondanks dat sperwers vaak jaarlijks een nieuw nest bouwen kan niet worden uitgesloten dat het aangetroffen nest in komende jaar opnieuw bewoond zal worden. Verder zijn de verzamelde gegevens een mogelijke aanwezig voor een broedgeval binnen de grenzen van het plangebied.

Figuur 9. Indicaties voor een mogelijk broedgeval van de sperw er: (A) horstboom met het horst vlak tegen de stam aan, (B) een plukplaats van een roofvogel.

Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn keutels van het algemeen voorkomende konijn aangetroffen. Daarnaast gebruiken mogelijk algemene soorten als egel, huisspitsmuis, mol en eekhoorn het plangebied als leefgebied. De NDFF bevestigt de aanwezigheid van een deel van dez e soorten. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de eekhoorn, in Noord-Brabant vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast komt mogelijk de strikt beschermde steenmarter voor in het plangebied.

Pagina 16

Eekhoorn Van de eekhoorn zijn alleen de vaste verblijfplaatsen (boomnesten) beschermd. In de bomen in het plangebied zijn geen boomnesten en/of sporen van eekhoorns aangetroffen. Mogelijk zijn nesten gemist doordat de loofbomen in de kloostertuin momenteel nog veel bladeren bevatten. Uit de NDFF blijkt dat de eekhoorn wel waargenomen is in de omgeving van het plangebied. Het is dan ook niet uit te sluiten dat in de bomen binnen de grenzen van het plangebied toch eekhoornnesten aanwezig zijn. Dit geldt voor alle houtopstanden in het plangebied, waaronder de platanenlaan en de bosschages in het noordelijk deel van het plangebied. Steenmarter De steenmarter komt vooral in het oostelijke deel van ons land (Limburg, Brabant, Overijssel, Gelderland en Groningen) voor. Maar steeds vaker komen er waarnemingen uit het midden en westen van ons land. Vanuit de ruime omgeving van plangebied zijn slechts enkele waarnemingen van de soort bekend. Desondanks kan de soort niet uitgesloten worden in het plangebied. Enkele gebouwen zijn geschikt als vaste rust- en verblijfplaats en de kloostertuin en omliggend stedelijk gebied zijn geschikt als foerageergebied voor de soort. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen. Een verblijfplaats is echter niet uit te sluiten in één van de gebouwen.

Het gaat dan met name om het ULO-schoolgebouw en het wasserijgebouw (zie figuur 1). Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van het voorkomen van enkele vleermuissoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied zijn meerdere gebouwen aanwezig met nissen en spleten die toegang bieden tot geschikte verblijfsruimten voor gebouwbewonende vleermuizen. De buitenmuren van de volgende vijf gebouwen zijn voorzien van stootvoegen: het recent bijgebouwde gebouw, twee appartementencomplexen, het zigzaggebouw (zie figuur 10) en de kapel. Middels deze stootvoegen kunnen vleermuizen de spouwmuur bereiken. Verder zijn ook in de volgende vier opstallen potentieel geschikte verblijfsruimten aanwezig voor gebouwbewonende vleermuizen: het moederhuis (met de later bijgebouwde gasthuisvleugels), het internaatgebouw en het ULO-schoolgebouw. Bij alle vier de gebouwen zijn ruimtes aangetroffen onder dakpannen en gevelpannen die toegang bieden tot verblijfsruimten tussen de dakpannen en het dakbeschot.

Daarnaast bevatten het internaatgebouw en het ULO-schoolgebouw stootvoegen, waardoor vleermuizen de spouwmuur kunnen bereiken. Het wasserijgebouw bevat toegankelijke ruimten onder de onderste rij dakpannen en enkele losliggende dakpannen. De openingen bieden toegang tot verblijfsruimten tussen het dakbeschot en de dakpannen. Het volgende gebouw is niet

Pagina 17

geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen: de veranda/de fietsenstalling.

Figuur 10. Invliegopeningen die toegang bieden tot potentiële verblijfruimten voor vleermuizen. (A) stootvoegen bij een appartementencomplex, (B) stootvoegen bij het zigzaggegebouw , (C) ruimtes onder gevelpannen aan de kopse kant van het internaatgebouw .

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn meerdere (oude) bomen aanwezig met holtes erin (zie figuur 11). Deze holtes zijn potentieel geschikte verblijfsruimten voor enkele boombewonende vleermuizen, zoals de gewone grootvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. In totaal zijn zestien bomen aangetroffen met holtes er in. Het merendeel van deze hole bomen is aangetroffen in de oude platanenlaan (zie bijlage 2).

Figuur 11. Plataanbomen met holtes die geschikt zijn als verblijfsruimten voor vleermuizen.

Pagina 18

Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen De tuin in het plangebied is zeer geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, door de aanwezigheid van waterelementen en bosschages. Het is goed mogelijk dat vleermuizen de oude platanenlaan, de randen van de bosschages en watergangen gebruiken als vliegroute. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). De vijver in het plangebied vormt geschikt voortplantingshabitat voor deze algemene soorten. Verder vormen bosschages in de kloostertuin geschikt landhabitat voor dezelfde weinig kritische en algemene soorten. Het is dan ook mogelijk dat er zo nu en dan een individu van één van deze soorten wordt aangetroffen in het plangebied. Voor deze soorten geldt in provincie Noord-Brabant vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Strikt beschermde soorten worden hier niet verwacht doordat geschikte leefgebieden niet aanwezig zijn. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Uit de omgeving van het plangebied zijn ook geen waarnemingen beschermde reptielen bekend (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde reptielensoorten worden ook niet verwacht in het plangebied doordat geschikte leefgebieden ontbreken.

Vissen Open water is aanwezig binnen de grenzen van het plangebied. Het is mogelijk dat in de vijver algemene vissoorten voorkomen als driedoornige stekelbaars of tiendoornige stekelbaars. Voor het uurhok ( 5x5 km) waarbinnen het plangebied valt, zijn vanuit de Vissenatlas Brabant, waarnemingen van de beschermde grote modderkruiper bekend. Grote modderkruiper De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. De habitats van de grote modderkruiper zijn gebieden met in het algemeen een rijke oever- en onderwatervegetatie. Vaak is er sprake van een kwelsituatie. Doorgaans is er sprake van een “goede” modderbodem, dat wil zeggen een hardere bodem met een laag stevige modder. De wateren hebben vaak een modderlaag van 10 tot 30 centimeter dik (bron: Kennisdocument Grote Modderkruiper, BIJ12). Van de grote modderkruiper zijn enkele waarnemingen bekend uit de Aa, ten westen van het plangebied (bron: NDFF). Deze watergang ligt op ruim 400 meter afstand van de vijver in het plangebied en staat niet in open verbinding hiermee. De vijver in het plangebied en de gracht rondom het plangebied zijn ongeschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Het betreffen beide nagenoeg volledig met kroos bedekte en deels beschaduwde cultuurwateren, zonder onderwatervegetatie.

Deze beide waterpartijen staan

Pagina 19

bovendien niet in verbinding met de Aa, waardoor kolonisatie door de soort uitgesloten is. De grote modderkruiper wordt niet verwacht in het plangebied. Ook overige beschermde vissoorten worden niet in de vijver of gracht verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Ongewervelde dieren Uit de omgeving van het plangebied is een waarneming van de nationaal beschermde vlindersoort keizersmantel bekend (zie paragraaf 4.2.1). Dit betreft echter een rondzwervend individu, in plaats van een individu afkomstig uit een populatie in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn verder geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht doordat geschikte leefgebieden niet aanwezig zijn in het plangebied.

Pagina 20

5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:   

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10).

Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 4). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Algemene broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.

Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.

Pagina 21

Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Bij het veldbezoek, alsmede in de rapportage is onderscheid gemaakt tussen gebouw- en boombewonende vogelsoorten waarvan de nesten het gehele jaar beschermd zijn. Gebouwbewonende vogelsoorten met nesten jaarrond beschermde nesten De volgende opstallen in het plangebied bevatten potentieel geschikte nestlocaties voor huismus en gierzwaluw: - het moederhuis met de later bijgebouwde gasthuisvleugels - het wasserijgebouw - het ULO-schoolgebouw - het internaatgebouw Aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw en huismus is noodzakelijk indien werkzaamheden aan deze gebouwen plaatsvinden. Volgens de richtlijnen van het Kennisdocument Huismus (versie 1.0, juli 2017) van BIJ12 en Soortinventarisatieprotocollen Wet natuurbescherming (versie juli 2017) van de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus dienen voor gericht huismusonderzoek minstens 2 ochtendbezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 april – 20 juni. Volgens de richtlijnen van het Kennisdocument Gierzwaluw (versie 1.0, juli 2017) van BIJ12 en Soortinventarisatieprotocollen Wet natuurbescherming (versie juli 2017) van de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus dienen voor de gierzwaluw minstens 3 avondbezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 juni – 15 juli.

Boombewonende vogelsoorten met nesten jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn in diverse bomen op verschillende locaties roekennesten aangetroffen. Voordat de bomen in het plangebied gekapt mogen worden dient er eerst een gerichte inventarisatie van het aantal bezette roekennesten uitgevoerd te worden. Hiervoor dienen conform de richtlijnen van het Kennisdocument Roek (versie 1.0 juli 201) van BIJ12 twee veldbezoeken uitgevoerd te worden tussen 15 maart en 10 mei. Eén van beide bezoeken moet uitgevoerd worden in de tweede of derde week van april (dit veldbezoek kan eventueel gecombineerd worden met de eerste ronde voor het roofvogelonderzoek, zie tekst hieronder). In het plangebied is een nest aangetroffen waar waarschijnlijk dit jaar een buizerd heeft gebroed. Verder is er een mogelijk nest aangetroffen van de sperwer. Het lijkt er op dat dit nest afgelopen jaar niet bewoond was door de soort. Voor het in beeld brengen van broedgevallen en het gebruik van het plangebied door deze soorten is nader onderzoek noodzakelijk. Hiertoe dienen volgens de richtlijnen van het Kennisdocument Buizerd (versie 1.0, juli 2017) van BIJ12 minimaal 3 veldbezoeken uitgevoerd te worden. In maart-april worden territorium indicerende waarnemingen van deze soorten in kaart gebracht. Vervolgens wordt in de periode eind mei-begin juni gekeken of de nestlocaties bezet zijn.

Dit wordt in de periode eind juni-begin juli herhaald.

Pagina 22

Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van beschermde zoogdieren aangetroffen in het plangebied. Mogelijk gebruiken algemene soorten als egel, huisspitsmuis, konijn, mol en eekhoorn het plangebied als leefgebied. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de eekhoorn, in de provincie Noord-Brabant vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze overige soorten. Verder wordt de strikt beschermde steenmarter verwacht in het plangebied. Eekhoorn Het voorkomen van de beschermde eekhoorn is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek waren de bomen in het plangebied nog van bladeren voorzien. Hierdoor is niet met zekerheid vast kunnen stelen of boomnesten aanwezig zijn. Nader onderzoek naar boomnesten van de eekhoorn is dan ook noodzakelijk. Dit geldt voor alle houtopstanden in het plangebied. Hiervoor dient een dagbezoek uitgevoerd te worden tussen november en maart/april. Dit veldbezoek kan gecombineerd worden met de eerste ronde voor het roofvogelonderzoek. Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Mogelijk bevindt zich in de bebouwing van het schoolgebouw en het wasserijgebouw een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats. Hiervoor is uitgebreid sporenonderzoek tijdens de voortplantingsperiode (april – juli), eventueel in combinatie met de inzet van cameravallen, noodzakelijk. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja  2. Zijn de te slopen gebouwen potentieel geschikt als verblijfplaats? Ja  Nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. 3. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden?

Pagina 23

Ja  Nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is noodzakelijk. 4. Maken de te verwijderen groenstructuren deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Ja  Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk aangezien er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen mogelijke verblijfplaatsen van gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen, vliegroutes en essentiële foerageergebieden worden aangetast. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op zomer- en paarverblijfplaatsen van de te verwachten gebouwbewonende soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 5 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op zomer- en paarverblijfplaatsen van de te verwachten boombewonende soorten (gewone grootoorvleerm uis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 4 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 1 avondbezoek en 1 ochtendbezoek in de periode 15 juni – 15 juli.

Daarnaast dienen 2 avondbezoeken uitgevoerd te worden in de periode 15 augustus – 15 september. Het vleermuisprotocol adviseert om gericht onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden uit te voeren middels 2 veldbezoeken tussen 15 april en 15 september. Hiervan dient één veldbezoek uitgevoerd te worden in de kraamperiode van de te verwachte soorten: 1 juni – 15 juli (deze onderzoeksronden kunnen gecombineerd worden met het onderzoek naar verblijfplaatsen). Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten zoals gewone pad, bruine kikker of kleine watersalamander niet te verwachten in het plangebied. Voor de mogelijk aanwezige algemeen voorkomende amfibieën geldt in de provincie Noord-Brabant automatisch een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.

Pagina 24

6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets in het onderzoeksgebied ‘Deken van Mierstraat 2 t/m 16 in Veghel’ kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt in niet het NNN. Kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de door de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen verwacht. Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag is niet noodzakelijk. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor een aantal gebouwbewonende soorten. Het gaat om de volgende soort(groep)en gebouwnummers (zie figuur 1):   

Huismus en gierzwaluw (nummers: 1,2, 4, 5 en 6) Steenmarter (nummers 4 en 5) Gebouwbewonende vleermuizen (nummers: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10 en 11)

Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor een aantal boombewonende soorten. Het gaat om de volgende soorten:    

Boombewonende vleermuizen Buizerd en sperwer Roek Eekhoorn

Verder is aanvullend onderzoek noodzakelijk (voor de kloostertuin) gericht op vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.

Pagina 25

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 26

Bijlage 1 Impressie plangebied

Pagina 27

Bijlage 2 Overzichtskaart bomen met holten

Pagina 28

Bijlage 3 Overzichtskaart met roofvogelhorsten en roekennesten

Pagina 29

Bijlage 4 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:     

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 5 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 30

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).

Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes  

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 5). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 31

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 32

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:      

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 33

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:   

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 34

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 35

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor:   

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 36

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:  

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=242c3d1f-dd81-4eaf-930f-ae3d9bb049bb