Bijlagen bij toelichting_Bijlage 13 Advies archeologie.pdf
Tekst van het document
ADVIES ARCHEOLOGISCHE MONUMENTENZORG (v. 2.0 –definitief) In opdracht van Buro Ontwerp en Omgeving door: Drs. E.E.A. van der Kuijl; senior KNA archeoloog/beleidsadviseur Hamaland Advies, Ambachtsweg 9b, 7021 BT Zelhem Doc.nr: 0181954 d.d. 30 oktober 2018 Onderwerp Project ‘Hart van Veghel’, Deken van Miertstraat 8 te Veghel, gemeente Meijerijstad Projectomschrijving Het project Hart van Veghel voorziet in de herbestemming van het Kloostercomplex van de Zusters Franciscanessen in Veghel. Het rooms katholieke complex met de parochiekerk (1858), het moederhuis (1869) en de congregatiekapel (1890), alle van architect P.J.H. Cuypers, is zelfs voor Brabantse begrippen groot opgezet. Uitgangspunt van de nieuwe ontwikkeling is een mix van woningtypen, nader door Zenzo te bepalen waar welke doelgroep komt te wonen. Daar waar sprake is van appartementen kan ervoor worden gekozen om in de plint versterkende functies op te nemen als een kinderdagverblijf, dagbesteding, horeca, etc. De belangrijkste ingreep die wordt gedaan is het (deels) slopen van het aanwezige zigzag gebouw. Dit om ontsluiting naar het dorpshart mogelijk te maken. Noodzakelijk om deze verbinding te creëren, ondanks de forse kapitaalsvernietiging die wordt gedaan. Daarnaast worden bestaande ontsluitingen in ere gehouden en de mogelijkheid voor een toekomstige ontsluiting via het ziekenhuisterrein gecreëerd.
De noordelijke helft van het plangebied bestaat uit de voormalige kloostertuin. Door aan de westzijde van de kloostertuin het water iets te verleggen ontstaat een goed te ontwikkelen strook grond waar verschillende types programma op geprojecteerd kunnen worden. In de huidige visie ingevuld met grondgebonden woningen. Dit programma zorgt aan de ene kant voor een soepele overgang naar de achtergelegen achtertuinen en aan de andere kant voor een vriendelijke front richting het park. Het wel of niet creëren van bijvoorbeeld een openbare functie als horeca is nog afhankelijk van de strategie met betrekking tot publieke openstelling van de kloostertuin. Aspect Archeologie In het kader van de bestemmingsplanwijziging, de Monumentenvergunning en de Omgevingsvergunning voor de geplande ontwikkelingen is een reeks van onderzoeken verricht. Met betrekking tot het aspect bodem en archeologie betreft het verkennende onderzoeken door buro Bodeminzicht uit Veghel en bureau RAAP uit Weert. Voor de historische ontwikkeling van het kloostercomplex en de kloostertuin zijn bouwhistorische verkenning en de tuinstudie van BAAC uit ’s-Hertogenbosch van belang. Door de gegevens uit deze rapporten te combineren en te vergelijken kan een goed inzicht worden verkregen in de bodemopbouw in het plangebied en de eventuele noodzakelijke stappen voor vervolgonderzoek.
In dit adviesdocument wordt een samenvatting gegeven van de betreffende onderzoeksresultaten. Op grond van het vergelijkend onderzoek wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste conclusies en is een advies opgesteld met betrekking tot eventueel vervolgonderzoek. De precieze invulling van het vervolgonderzoek is afhankelijk van de gesprekken die hierover gevoerd zullen worden met de opdrachtgever, de gemeente Meijerijstad, provincie en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Dit document dient als vertrekpunt voor het overleg met de betrokken instanties en personen.
1
Afbeelding 1: Inrichtingsplan Hart van Veghel. Bron: Zenzo.
2
2017. M.P.F. Verhoeven. Plangebied Deken van Mierstraat 8 in Veghel, gemeente Veghel; een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek. RAAP rapport 6108. Weert N.B: Het gaat om een conceptversie van het rapport. Deze is op 4 oktober 2018 namens/door de gemeente beoordeeld door de adviseur van de gemeente, drs. J. van der Roest (gemeente ’s-Hertogenbosch). In opdracht van Agron advies heeft RAAP in 2017 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd in plangebied Deken van Miertstraat 8 in Veghel. Het doel hiervan was het verkrijgen van inzicht in de archeologische resten die in het plangebied verwacht worden en de (te verwachten) fysieke kwaliteit daarvan. Middels het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over de landschappelijke en archeologische context van het plangebied, op basis waarvan een archeologische verwachting is opgesteld. Deze gegevens zijn middels een booronderzoek in het veld getoetst. Landschap Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd wegens op de ligging in de bebouwde kom. De meest nabije geomorfologische eenheden buiten de bebouwing, in het noord en westen zijn een dekzandrug en een beekdalbodem (van De Aa). Volgens ARCHIS 3 bevinden zich in het plangebied zelf geen (bekende) archeologische vindplaatsen. In het gebied eromheen (straal van ca.
500 m) bevinden zich echter veel vindplaatsen en is er veel archeologisch onderzoek verricht. Het betreft vooral vindplaatsen uit de periode IJzertijd-Nieuwe tijd. Meest bijzonder zijn de resten van het middeleeuwse kasteel Frisselstein. De kloostergebouwen dateren vanaf 1869. Archeologische verwachting Noordelijk deel Voor het natte noordelijke deel geldt er een specifieke verwachting voor vindplaatsen die typisch zijn voor natte contexten, zoals afvaldumps, resten van jacht en visvangst, voorden en overgangen en rituele deposities. Zuidelijk deel Voor dit deel geldt er een hoge verwachting voor vindplaatsen (kampementen, nederzettingsresten,begravingen) van jager -verzamelaars en van landbouwers.
3
Afbeelding 2: Boorpuntenkaart archeologisch verkennende onderzoek. Bron: RAAP, 2017.
4
Resultaten veldonderzoek Het veldonderzoek bestond uit een verkennend booronderzoek. Dit had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid en mate van bodemverstoring in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische verwachting getoetst en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van eventuele archeologische vindplaatsen. Daartoe zijn verspreid over het plangebied 27 boringen gezet, voor zover mogelijk in een driehoeksgrid van 40 x 50 m. Er is geboord tot maximaal 350 cm -Mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. In bijna alle boringen bestaat de bovengrond uit een pakket relatief recent opgebracht puin, dat waarschijnlijk diende om het gebied bouw- en inrichtingsrijp te maken. De dikte van dit pakker varieert van ca. 50 tot 220 cm. De grond bestaat vrijwel overal uit matig fijn zwak tot sterk siltig zand. Onder de puinlaag bevindt zich in het natte noordelijke deel in de meeste gevallen een matig tot sterk siltige, moerige, vochtige tot natte donkergrijze tot zwarte organische laag. De dikte van de laag ligt tussen de ca. 20 en wel 150 cm. Onder deze laag bevindt zich een licht- tot donkergrijze C-horizont. In het bebouwde zuiden was er waarschijnlijk oorspronkelijk sprake van droge bodems. Een aanwijzing hiervoor is het restant van een esdek in één boring in de vorm van een 50 cm dikke grijze laag.
In de overige boringen ligt het puinpakket direct op de gele of grijze C-horizont. Er zijn geen archeologische resten aangetroffen in de boringen. Aanbevelingen Noordelijk deel In dit deel van het plangebied kunnen volgens RAAP archeologische resten vanaf een diepte van ca. 50 cm voorkomen. Dat wil zeggen in de onder het puinpakket aanwezige donkergrijze laag. In het deel waar mogelijk woningen komen ( ter hoogte van boringen 1, 2, 3, 9, 10, 14, 20 en 21) bevindt de top van de laag zich tussen de 50 en 150 cm. Indien voor de gebouwen in dit deel dieper dan 50 cm wordt gegraven wordt een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding tijdens de civiele graafwerkzaamheden aangeraden. Het gaat in deze zone immers om beekafzettingen die niet goed via een regulier proefsleuvenonderzoek zijn op te sporen. Tijdens een begeleiding worden alle sporen en vondsten gedocumenteerd. Zuidelijk deel In dit deel ligt de dikte van het puinpakket tussen de 100 en 220 cm. Eventuele archeologische resten kunnen zich nog hieronder bevinden, daarbij gaat het gezien de verstoring door het puinpakket alleen ondiepe sporen zoals funderingen en water - en beerputten.
Met betrekking tot dit deel wordt aangeraden om bij bodemingrepen dieper dan 120 cm een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren, omdat dit zich goed leent om eventuele diepe sporen in droge zones te documenteren. Als de bodemingrepen beneden de genoemde dieptes erg gering van omvang zijn (bijv. in het geval van funderingen op palen), dient met het bevoegd gezag (de gemeente) overleg plaats te vinden omtrent het nut van archeologisch onderzoek
5
2017. M. Gloudemans. verkennend bodemonderzoek Deken van Miertstraat 8 te Veghel. Projectnummer B1951. Bodeminzicht. Veghel. Uitgangspunten bodem Deklaag: fijn tot matig grof zand. Plaatselijk komt leem, klei en veen voor. Nuenengroep 0-20 m-mv eerste watervoerend pakket: matig tot zeer grove grindrijke zanden, met plaatselijk een kleilaag. Formatie van Sterksel/Veghel. 20-65 m-mv scheidende laag: kleihoudende afzettingen Kedichem/Tegelen 65-100 mmv hydrologie diepte freatisch grondwater:1,5 m-mv stromingsrichting: noordwestelijk In het totaal zijn verspreid over de locatie 60 verkennende milieuboringen gezet. Hiervan zijn ‘slechts’ 15 boringen met zekerheid tot in de top van de C-horizont (dekzand) doorgezet waaronder: Boring 1, 2, 3, 4 5, 6, 8, 18, 22, 25, 30, 33, 37, 40 en 58. De bodemopbouw in het noordelijke natte deel (boring 5) bestaat uit: Een bouwvoor van 30cm zwak humeus beigebruin matig fijn zwak siltig zand, van 30 tot 70 cm-mv uit oranjebeige zwak siltig matig fijn zand, van 70 tot 110 cm-mv uit licht grijsbeige matig fijn zwak siltig zand (C-horizont), van 110 tot 250 cm-mv uit donker zwartbruin mineraalarm veen en van 250-300 cm-mv uit licht grijsbeige zwak siltig matig fijn zand.
In boring 6 ontbreekt het veenpakket en bestaat de bodem achtereenvolgend uit 0-50 cm-mv donkerbruin beige zwak humeus matig fijn zwak siltig zand, van 50 tot 80 cm-mv uit licht bruinbeige zwak siltig matig fijn zand, van 80 tot 120 cm-mv uit oranjebeige zwak sltig matig fijn zand, van 120-160 cm-mv uit licht bruinbeige matig fijn zwak siltig zand en van 160cm tot 300 cm-mv uit licht grijsbeige zwak siltig matig fijn zand (C-horizont). De bodemopbouw in het zuidelijke droge deel (boring 2) bestaat uit: Een tegelverharding van 5 cm met daaronder een subrecente bouwvoor van 100 cm bestaande oranjebeige matig fijn zwak siltig puinhoudend zand, van 100 cm tot 200 cm-mv uit een donker zwartbruine zwak humeus puinhoudende laag matig fijn zand, van 200 tot 220 cm-mv uit oranjebeige zwak siltig matig fijn zand (C-horizont) en van 220 tot 350 cm-mv uit licht grijsbeige matig fijn zwak siltig zand.
6
Afbeelding 3: Boorpuntenkaart van het milieukundig verkennend onderzoek: noordelijk deel. Bron: Bodeminzicht, 2017.
7
Afbeelding 4: Boorpuntenkaart van het milieukundig verkennend onderzoek: zuidelijk deel. Bron: Bodeminzicht, 2017.
8
2018. A.G. Oldenmenger. Veghel Deken van Miertstraat 8 Franciscushof. Bouwhistorische verkenning. BAAC Rapport B-18.0154 Uit stukken in het archief van de Franciscanessen van Veghel kan worden opgemaakt dat er in de jaren dertig van de negentiende eeuw de behoefte ontstond om zusters naar Veghel te halen, onder andere met als doel zorg te dragen voor behoeftige (jonge) Veghelse meisjes. In 1841 werd daartoe begonnen met de bouw van een gesticht. Vijf zusters kwamen over van het Franciscanessenklooster in Roosendaal (zie BAAC-rapportage B18.0132), ongeveer gelijktijdig startten drie Veghelse meisjes hun noviciaat in Roosendaal, met als doel om na hun opleiding als zusters naar hun dorp terug te keren en van het succursaalhuis een congregatie te maken. De zusters uit Roosendaal betrokken een gebouw dat voorzag in leefruimte voor de zusters, een kapel en één lokaal voor de opvang van de meisjes. In principe moet dit complex zelfvoorzienend zijn geweest. Er zal dus van meet af aan een moestuin hebben bestaan, een wasgelegenheid, een bakkerij en een boerderij. Het terrein van de zusters werd in 1853 voor het eerst uitgebreid, door aankoop van onder andere bouwland en weide. Er werd een kostschool gesticht, waarvoor nieuwe ruimten werden gecreëerd, waaronder een refter voor de kostmeisjes.
In de annalen van het gesticht wordt bijna jaarlijks gesproken van verbouw, expansie en vernieuwing, zoveel en zo vaak, dat we in dit overzicht alleen de hoofdlijn schetsen. Dit kenmerkt de periode van het zogenaamde Rijke Roomse Leven en een vergelijkbare ontwikkeling treffen we ook in andere Brabantse (en Limburgse) plaatsen aan. In 1863 werd bijvoorbeeld een bewaarschool gebouwd voor meisjes, op verzoek van de gemeente, die daarmee een impuls wenste tegeven aan de ontwikkelingsmogelijkheden van meisjes in het dorp (onderwijs is lange tijd alleen op jongens gericht geweest). In 1866 kon een nieuwe kapel worden ingewijd. Dit werk naar ontwerp van Pierre Cuypers, verving een kapel die fraai, maar klein werd genoemd. Dat laatste geeft vooral aan dat de congregatie in de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw hard groeide. De behoefte van meisjes en vrouwen om in een klooster in te treden was groot in de tweede helft van de negentiende eeuw. Vaak wordt dat toegeschreven aan de snel moderniserende maatschappij in die tijd. In 1872 kregen de zusters er een taak bij, namelijk de verzorging van oude mannen en van zieken. In dat jaar verrezen daarom aan weerszijden van het moederhuis gasthuisvleugels, één voor oude mannen en één voor oude vrouwen. Deze uitbreiding ging gepaard met een gedeeltelijke sloop van het bestaande huis.
Door deze verbouwing ontstond voldoende ruimte om de zusters te kunnen scheiden van de novicen, zoals in die tijd van hoger hand werd opgedragen. In 1880 werd achterop het kloosterterrein een Rochushuis gesticht waar mensen met besmettelijke ziekten in afzondering verzorgd konden worden (Rochus is patroon tegen pest en andere besmettelijke ziekten). In 1886 werd het domein van de zusters weer vergroot door aankoop van een buurpand en bijbehorende gronden. In 1898 werd er ook grootschalig verbouwd en bijgebouwd. De plannen werden gemaakt door de Erpse bouwkundige J. Heijkants. Zijn werkzaamheden lijken een periode van bijna ongebreidelde groei af te sluiten. In de eerstedecennia van de twintigste eeuw wordt er betrekkelijk weinig bijgebouwd. Tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog, wanneer naar plannen van architect J. van Halteren een nieuwe kapel wordt gebouwd, een ULO en een internaatgebouw (bij de ULO). Het bureau dat Van Halteren startte zou na zijn dood in 1973 ook de ingrijpende verbouwing die in 1988 plaatsvond, op papier stellen. Deze architect zou ook de ingrijpende verbouwing die rond 1988 plaatsvond, op papier stellen.
9
Afbeelding 5: Kaart uit 1791 (Hendrik Verhees) met de huidige kloosterlocatie – nog geheel onbebouwd - gemarkeerd. Links daarvan kerk en kasteel, rechts de molen. Op het terrein zijn kavels getekend en twee (sier)tuinen. Bron: BAAC, 2018.
10
2018. P. Doeve en A.G. Oldenmenger. Veghel Deken van Miertstraat 8 Franciscushof. Tuinhistorische verkenning. BAAC Rapport B-18.0154_tuin. In verband met een voorgenomen herontwikkeling van het klooster van de Zusters van Veghel in Veghel is meer inzicht gevraagd in de monumentale waarden die in gebouwen en tuin vertegenwoordigd zijn. Dat er sprake is van monumentale waarde, is evident. Delen van het complex (moederhuis en kapel) zijn in 2002 aangewezen als rijksmonument. Voor de redengevende omschrijving wordt verwezen naar het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze tuinhistorische verkenning heeft als doel om een eerste inzicht te geven in de ontwikkeling van de kloostertuin en een waardering van de tuin.
Afbeelding 6: Oorspronkelijke inrichting van de kloostertuin. Bron: BAAC, 2018.
Een goed uitgangspunt voor het achterhalen van de geschiedenis van een locatie of een terrein, in dit geval een tuin, vormt de kadastrale kaart van 1832. We zien op die kaart dan bestaande wegen, belangrijke paden, waterlopen, bebouwing in grondvorm en kavelgrenzen weergegeven. Daarnaast zijn op de kaart benamingen gegeven van percelen die historisch een geheel vormen.
11
Het gebied waar de zusters in de jaren twintig van de vorige eeuw, zo’n 90 jaar nadat de kadastrale kaart werd vervaardigd, hun tuin lieten aanleggen, maakte in 1832 deel uit van een gebied dat De Molen Beemd heet. Dit toponiem bestaat uit twee delen. Molen verwijst naar Korenwindmolen die hier heeft gestaan. Beemd is een aanduiding voor hooiland. Dit zijn landen die veelal in nabijheid van waterlopen worden aangetroffen, in dit geval de Aa die ten westen stroomt. Meestal zijn het laag gelegen gronden, natte gronden, die niet geschikt zijn voor landbouw. Dat in 1832 de meeste kavels nog als hooiland in gebruik zijn, blijkt uit de bij de kadastrale kaart behorende Onderliggende Aanwijzende Tafel (OAT). Een enkel perceel aan de hoger gelegen weg van Veghel naar Dinther is als weide of bouwland in gebruik. Veel van de percelen zijn in handen van een Van der Ven (verschillende leden van vermoedelijk één familie), verder komen we de namen Smits, Van Hoof, Tillans, Scheij, Kuijper en Merkelbach tegen. Van een regelmatige kavelindeling is geen sprake. Op de kaart van 1832 zien we een gegraven gracht aansluiten op de Aa. Die gracht leidt in 1832 naar de pastorie die voorafgaande aan de Lambertuskerk werd gesloopt. Vermoedelijk gaat de gracht terug tot de tijd dat aan de Aa een kasteel heeft gestaan.
Door de huidige kadastrale situatie te projecteren op de kaart van 1832 is eenvoudig vast te stellen of en op welke manier de historische kavelstructuur aan de basis heeft gelegen voor de begrenzingen van de Sint Franciscushof. Dan blijkt al snel dat de Sint Franciscushof in de jaren twintig aan de zijde van de weg van Veghel naar Dinther exact kavelgrenzen volgt die in 1832 al bestaan. Uit de OAT hebben we kunnen opmaken dat aan de weg de meer kostbare kavel waren gesitueerd (weide en bouwland leverden meer op dan hooiland). Aan de zijde van de Aa wordt de oude kavelstructuur bij de begrenzing van de tuin grotendeels gevolgd, maar niet overal. Vermoedelijk werden kavelgrenzen gevolgd die in de loop van de negentiende eeuw waren ontstaan (bijvoorbeeld met de aanleg van het kerkhof achter de Lambertuskerk). Uit vergelijking van topografische kaarten van 1899 en 1958 komt hetzelfde beeld naar voren. Op de kaart van 1899 zien we aan de weg van Veghel naar Dinther ook al bebouwing weergegeven. Aankoop van die gronden door de zusters zal geen optie zijn geweest. Bij vergelijking van de topografie van 1899 met de kadasterkaart uit 1832 kunnen we opmaken dat in de tussenliggende periode de huidige Mr. Van Coothstraat werd aangelegd. Vroeger stond deze weg bekend als het Middegaalpad. We weten nu dus dat de zusters bij de planvorming voor de hof te maken hadden met oude hooilanden.
Deze natte landen omvormen tot vruchtbare tuin- en parkgronden, is niet een eenvoudige opgave. Men kon niet zomaar beginnen met het aanleggen van paden en het aanplanten van bomen, planten en struiken. Daarvoor waren de gronden veel te drassig. Dit schijnt zelfs één van de aanleidingen geweest te zijn voor de zusters om de ontwikkeling van de hof ter hand te nemen. Het omvormen van laag, drassige grond tot een vruchtbare parkomgeving is geen sinecure. Dit kan niet zonder aanzienlijke ophoging van de gronden. Met de aarde die vrijkwam met het graven van de parkvijver en grachten werd het beoogde effect nog lang niet bereikt. Het is daarom dat een nabijgelegen perceel werd afgegraven. Die afgraving bestaat nu nog ten dele. Het is de vijver aan de overkant van de Burgemeester de Kuijperlaan, aan het Zwijsenhof en de Vijverweg. Die vijver wordt Moeders gat genoemd. De naam refereert aan de moederoverste die tot afgraving gelaste. Hoe de aarde werd getransporteerd, blijk uit het artikel van zuster Josepho1. Zij verhaalt over een tijdelijk spoor waarover kipkarren werden gereden. De afgraving vond plaats met een excavateur, bediend door de firma Broekhoven die in Nijmegen gevestigd was. Het was een werk van maanden. Op 24 augustus werd met graven gestart, op 15 december reed de laatste kar.
In het genoemde artikel wordt gesteld dat de laagst gelegen delen van het terrein 1,2 meter werden opgehoogd. Mogelijk was er eerder ook al op deze locatie gegraven, namelijk voorafgaande aan de realisatie van het Sint Josephgasthuis. Het Moedersgat werd in verbinding gebracht met de gracht die om het Franciscushof was gegraven én met de Aa. Het zou kunnen dat ook de vijver in de parktuin hierop werd aangesloten. Daarna werd begonnen met de aanplant van bomen die uit Zuid-Duitsland afkomstig waren. De eerste boom werd op 9 november 1923 geplant. Met name aan de hand van de oude luchtfoto waarop de Sint Franciscushof kort na de realisatie is te zien, zijn de oude structuren goed te duiden. De vorm van het terrein is, zoals gesteld, vrijwel volledig bepaald door oude kavelgrenzen. Die grenzen vormen de basis voor de omgrachting van de hele hof. De gracht heeft meerdere doelen gediend. Zo zal de gracht van elementair belang zijn geweest voor de waterhuishouding van de Franciscushof (afvoer in geval van hevige regenval en aanvoer in tijden van droogte). Op de foto is ook vrij goed te zien dat er via het Moeders gat een verbinding is geweest met de Aa die door het landschap meandert. De gracht meandert niet. Het tracé bestaat uit rechte delen en hoeken, waaruit ook wel blijkt dat een oudere kavelstructuur is aangewend.
1
Bron: Zuster Josepho Manders, Hoe de zusters hun tuin aanlegden: ontstaan van de Franciscushof, in: Van Vehchele tot Veghel jaargang 25, nummer 87.
12
Afbeelding 7: Luchtfoto van de kloostertuin uit de jaren ’20 van de vorige eeuw. Bron: BAAC, 2018.
13
Afbeelding 8: Projectie van het plangebied op de kadastrale kaart van 1811-1832. Bron: BAAC, 2018.
14
Afbeelding 9: Oorspronkelijke indeling van de kloostertuin met de nog aanwezige en de inmiddels verdwenen structuren. Bron: BAAC, 2018.
15
Conclusies op basis van het vergelijkend onderzoek (rapport RAAP, rapport Bodeminzicht en rapport BAAC). Op grond van de bestudering van de onderzoeksresultaten van RAAP, Bodeminzicht en BAAC kan het volgende worden geconcludeerd: 1)
De locatie kent een tweedeling qua bodemopbouw. De noordelijke helft (het park) is oorspronkelijk een beekdal met beekeerdgronden behorend bij de Aa. Vanaf de late Middeleeuwen zijn deze gronden in gebruik als hooilanden, later in gebruik als Molenbeemd. De gebieden waren in de winter te nat voor permanente menselijke bewoning, omdat ze geregeld onder water stonden. De zuidelijke helft (het Klooster) bestaat uit hoger gelegen droge gronden (dekzand), waarop vanaf de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd door plaggenbemesting een eerdlaag (hoge zwarte enkeerd) is gevormd. Dit waren hoofdzakelijk landbouwgronden tot de komst van het Klooster.
2)
Uit het verkennend bodemonderzoek van zowel RAAP als Bodeminzicht blijkt dat de bovengrond in het plangebied in bijna alle boringen bestaat uit een pakket relatief recent opgebracht puin, dat waarschijnlijk diende om het gebied bouw- en inrichtingsrijp te maken. De dikte van dit pakker varieert van ca. 50 tot 220 cm. De grond bestaat vrijwel overal uit matig fijn zwak tot sterk siltig zand. Onder de puinlaag bevindt zich in het natte noordelijke deel in de meeste gevallen een matig tot sterk siltige, moerige, vochtige tot natte donkergrijze tot zwarte organische laag. De dikte van de laag ligt tussen de ca. 20 cm en 150 cm. Onder deze laag bevindt zich een licht- tot donkergrijze C-horizont. In enkele boringen is bij zowel het onderzoek van RAAP als van Bodeminzicht onder de toplaag een veenpakket van wisselende dikte aangetroffen. Uit de vergelijking met de oudste plattegronden van de kloostertuin en de kadastrale kaart van 1811-1832 blijkt dat het vermoedelijk gaat om de vulling van inmiddels verdwenen delen van de oorspronkelijke grachtstructuren van de kloostertuin uit de jaren ‘20 van de vorige eeuw en slotenpatronen uit de periode daarvoor.
3)
Uit het tuinhistorisch onderzoek van BAAC en de verslagen van Zuster Josepho van de aanleg van de kloostertuin blijkt dat het noordelijke parkgedeelte van het plangebied ontstaan is door ophoging met 120 cm grond die met kipkarren uit het Moedersgat (ten oosten van het plangebied) is aangevoerd in 1922/1923. Dit zou betekenen dat de zwarte iets humeuze organische laag die zowel door RAAP als Bodeminzicht zijn aangetoond in het verkennend booronderzoek, van subrecente datum is en van elders (Moedersgat) afkomstig is (ex situ). Daarmee is dit pakket naar onze mening niet te kwalificeren als een archeologisch waardevol niveau. De bodem onder de puinophoging en onder de tuinophoging is mogelijk nog wel intact en kan derhalve wel archeologische resten bevatten die te relateren zijn aan het beekdal van de Aa. De natuurlijke ondergrond is een relevant potentieel archeologisch niveau en bevindt zich op een diepte variërend van minimaal 100 cm-mv (boring 1, 10 en 12 van RAAP) en maximaal 330 cm-mv (boring 7 van RAAP). Boring 1 van RAAP ligt op de overgang van het hoge naar het lage deel (hier is de C-horizont op 70 cm-mv aangetroffen). Daarmee is deze boring niet representatief voor het noordelijke lage deel van het plangebied.
4)
Uit de onderzoeken van RAAP, Bodeminzicht en BAAC blijkt dat de natuurlijke ondergrond in het zuidelijk deel van het plangebied ter plaatse van de aanwezige bebouwing sterk verstoord is door de bouw van het kloostercomplex en alle bijgebouwen. Buiten de bebouwing is onder een puinverharding een dikke laag subrecente puinhoudende grond aangetroffen op een ondergrond van dekzand. De dikte van het puinpakket bedraagt tussen de 100 en 220 cm. Eventuele archeologische resten kunnen zich nog hieronder bevinden in de top van het dekzandpakket. Daarbij gaat het gezien de verstoring door het puinpakket alleen ondiepe sporen zoals funderingen en water - en beerputten. De top van het dekzandpakket bevindt zich in het zuidelijke deel op diepte variërend van minimaal 90 cm-mv (boring 20 van RAAP) en maximaal 220 cm-mv (boring 26 van RAAP).
16
Selectieadvies Op grond van de vergelijking van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek door RAAP en Bodeminzicht en het bouwhistorisch- en tuinonderzoek van BAAC kan het volgende geconcludeerd worden (zie afbeelding 10 en tabel 1):
-T.a.v. de noordelijke helft van het plangebied (kloostertuin): De laaggelegen noordelijke helft van het plangebied, in gebruik als kloosteruin, heeft onderdeel uitgemaakt van het beekdal van de Aa. De bodem is in 1922/23 opgehoogd met 120 cm grond van buiten het plangebied (Moedersgat). Deze ophogingslaag komt vermoedelijke overeen met de door RAAP waargenomen matig tot sterk siltige, moerige, vochtige tot natte donkergrijze tot zwarte organische laag. Uit het historisch onderzoek van BAAC blijkt dat deze laag niet ouder is dan 1922 en van elders afkomstig is (ex situ). Daarmee is dit pakket, omschreven als beekeerdgrond in het onderzoek van RAAP, niet meer archeologisch relevant. Derhalve adviseren wij om het selectieadvies van RAAP bij te stellen. Wij achten proefsleuvenonderzoek pas relevant indien dieper gegraven wordt dan 100 cm-mv. Dit is diepte waarop de top van het dekzand (C-horizont) aangetroffen wordt in boring 1, 10 en 12 van het verkennend onderzoek door RAAP. -T.a.v. de zuidelijk helft van het plangebied (kloostergebouwen): De hoger gelegen zuidelijke helft van het plangebied is op te delen in een bebouwd deel en een onbebouwd deel. Op grond van het bouwhistorisch onderzoek en het tuinhistorisch onderzoek van BAAC kan herleid worden dat de aanwezige bebouwing (fundering) gezorgd heeft voor een verstoring tot in het natuurlijke dekzandpakket.
De kans dat daarmee ter plaatse van de bebouwing nog potentiële archeologisch niveaus, sporen of vondsten aanwezig zijn is daarmee nihil. Wij achten vervolgonderzoek ter plaatse van de te slopen bebouwing (het zigzaggebouw) niet noodzakelijk. Ter plaatse van de onbebouwde delen van het plangebied is een dik subrecent puinpakket aangetoond met een dikte variërend van 100 cm tot 220 cm. De top van het dekzandpakket bevindt zich in het zuidelijke deel op dieptes variërend van minimaal 90 cm-mv (boring 20 van RAAP) en maximaal 220 cm-mv (boring 26 van RAAP). Omdat de top van het dekzandpakket vermoedelijk bij de aanleg van het kloostercomplex vergraven is, adviseren wij om bij bodemingrepen dieper dan 120 cm-mv (bodemingrepen dieper dan het aanwezige puinpakket) verspreid over het plangebied op de te nieuw te verstoren delen enkele proefsleuven te graven om te controleren of zich in de top van de natuurlijke ondergrond (Chorizont, dekzandpakket) nog archeologisch sporen en/of vondsten bevinden. Hierbij kan volstaan worden met een dekkingsgraad van 5% van het onderzoeksgebied (de te verstoren delen van het plangebied), omdat de trefkans op intacte archeologische vindplaatsen laag ingeschat wordt.
17
Afbeelding 10: Overzichtskaart met maximaal toegestane verstoringsdieptes zonder vervolgonderzoek. Ter plaatse van de bebouwing geldt geen beperking en is geen vervolgonderzoek noodzakelijk ongeacht de verstoringsdiepte. Tabel 1: Overzicht deellocaties met vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek Onderzoeksgrens deelgebied Gebouwen; vrijgesteld van onderzoek Kloostertuin; max. 100 cm-mv Rondom gebouwen: max. 120 cm-mv
Kleur legenda Grijs Oranje Blauw
2
Aantal m Circa 8.700 Circa 36.000 Circa 13.700
18
Selectiebesluit gemeente Meijerijstad De conceptversie (1.0) van dit Adviesdocument is op 18 Oktober 2018 beoordeeld door de adviseur van gemeente Meijerijstad, drs. J. van der Roest, senior archeoloog van gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling SO/Erfgoed en door dhr. M. van den Broek, medewerker gebiedsontwikkeling Erfgoed (Monumenten, Archeologie en Cultuurhistorie) van gemeente Meijerijstad. Behoudens enkele opmerkingen die in deze definitieve versie (v. 2.0) zijn verwerkt zijn de gemeente en de adviseur akkoord met de aanbeveling van Hamaland Advies. Dit houdt in dat in de noordelijke helft van het plangebied (de kloostertuin) proefsleuvenonderzoek, zie verder ook onder, pas relevant wordt geacht indien dieper gegraven wordt dan 100 cm -mv. Dit is diepte waarop de top van het dekzand (C-horizont) aangetroffen wordt (boring 1, 10 en 12 RAAP). Ten aanzien van de zuidelijk helft van het plangebied (gebied met kloostergebouwen) geldt het volgende. Deze helft is op te delen in een bebouwd en een onbebouwd deel. De kans dat ter plaatse van bebouwing nog potentiële archeologisch niveaus, sporen of vondsten aanwezig zijn, is nihil en vervolgonderzoek ter plaatse van de te slopen bebouwing (het zigzaggebouw) wordt niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van de onbebouwde delen van het plangebied is een dik subrecent puinpakket aangetoond met een dikte variërend van 100 tot 220 cm.
De top van het dekzandpakket bevindt zich in het zuidelijke deel op dieptes variërend van min. 90 cm en max. 220 cm -mv. Omdat de top van het dekzandpakket vermoedelijk bij de aanleg van het kloostercomplex vergraven is, dienen bij bodemingrepen dieper dan 120 cm -mv (dieper dan het aanwezige puinpakket) op nieuw te verstoren delen enkele proefsleuven te worden gegraven. Dit om te controleren of zich in de top van de natuurlijke ondergrond (dekzandpakket) nog archeologisch sporen en/of vondsten bevinden. Hierbij kan volstaan worden met een dekkingsgraad van 5 % van het onderzoeksgebied (de te verstoren delen van het plangebied), omdat de trefkans op intacte archeologische vindplaatsen laag wordt ingeschat. Hiervoor dient eerst een Programma van Eisen te worden opgesteld; dit PvE dient eerst ter goedkeuring aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd. Het advies is nog op enkele punten aangepast en wordt opnieuw aangeboden aan het bevoegd gezag voordat definitieve goedkeuring plaatsvindt. Het adviesdocument krijgt dan in de verdere procedure en binnen de AMZcyclus de status van een oplegnotitie op het rapport van RAAP.
19