CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting_Bijlage 1 Masterplan Klooster Franciscanessen Veghel.pdf

Raadsvergadering 29 april 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bijlage 2: Vast te stellen BP 'Kloosterkwartier Veghel' met bijlagen waaronder het Masterplan 'Klooster Franciscanessen Veghel'18.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

+

+

+

+

V E R H A L E N D I E D O O R G A A N Masterplan Klooster Franciscanessen Veghel

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL COLOFON Colofon Masterplan Klooster Franciscanessen Veghel Datum: 21-04-2020

Opgesteld door:

EEN BEELD VAN DE KAPEL UIT 1939 In samenwerking met:

FAA

In opdracht van:

2

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

INHOUDSOPGAVE Inleiding 4

DEEL I: Analyse Hoofdstuk 1: De Zusters Franciscanessen van Veghel

8

Hoofdstuk 2: Leefgoed 10 Hoofdstuk 3: Historische stedenbouwkundige en landschappelijke ontwikkeling

14

Hoofdstuk 4: Verhalen en symbolen 20 Hoofdstuk 5: Bouw- en tuinhistorisch onderzoek 22 Hoofdstuk 6: Technische staat gebouwen 26

DEEL II: Transformatiekader Hoofdstuk 7: Transformatiepotentieel

30

HET MOEDERHUIS IN 1919

DEEL III: Stedenbouwkundig plan Hoofdstuk 8: Participatieproces

38

Hoofdstuk 9: Stedenbouwkundige en landschappelijke visie op het plan

40

DEEL IV: Realisatie Hoofdstuk 10: Wonen, zorgen, werken en leven 48 Hoofdstuk 11: Beeldkwaliteitsplan 52 Hoofdstuk 12: Mobiliteitsconcept 56 Hoofdstuk 13: Proces, procedures en planning 58

3

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL INLEIDING ‘Verhalen die doorgaan’ luidt een van de tien grondwoorden van de Zusters Franciscanessen. Grondwoorden is geen spelfout – het begrip verwijst naar de wijze waarop het fundament van de congregatie onder woorden is gebracht. Toen deze tiende en laatste regel over doorgaande verhalen werd vastgelegd, konden de zusters niet vermoeden hoe toepasselijk ze zou zijn voor de toekomst van het terrein en de gebouwen in Veghel. Want uiteindelijk gaat dit masterplan over de verhalen, zeg maar wat de zusters beweegt en vooral over de wijze waarop die ambities en inspiratie voor de toekomst behouden blijven. De makers van dit plan zijn dank verschuldigd aan veel organisaties en personen, maar bovenal aan de Zusters Franciscanessen Veghel. Zij laten met dit plan hun bijzondere erfgoed na aan Veghel en de Veghelaren.

Samenstelling stuurgroep Namens de gemeente Meierijstad: wethouder Jan Goijaarts, wethouder Rik Compagne, CONTEXT PLANGEBIED

at

a str

uis

Dit plan is feitelijk een samenvoeging van het transformatiekader (wat is acceptabel en mogelijk) en Leefgoed (wat is wenselijk en nodig). Waarbij de uitvoerbaarheid is versterkt door de omgevingsdialoog die inmiddels onder leiding van rijksbouwmeester en Meierijstedeling Floris Alkemade is uitgevoerd. Verder is het van belang vast te stellen dat dit masterplan het

rsgat Moede

n

  1

Aa

t Meester van Coothstraa

Die beoordeling is te vinden in het zogeheten transformatiekader, ontwikkeld in 2019. Met dit kader wordt vastgesteld wat de mogelijkheden en voorwaarden zijn om bij de herbestemming de cultuur- en historische waarden te respecteren. Dit transformatiekader heeft grote toegevoegde waarde bovenop historisch onderzoek en de feitelijke waardering, zoals die door BAAC

Het idee: Leefgoed Parralel aan het transformatiekader is het basisidee voor de toekomst van het klooster ontwikkeld, het concept Leefgoed. In de meest bondige versie kan het omschreven worden als ‘een eigentijdse versie van wat de Zusters Franciscanessen de afgelopen 175 jaar deden’. Anders geschreven: de participatiemaatschappij op lokaal, Veghelse niveau vormgeven.

Waarmee is gesteld dat het Masterplan Klooster Franciscanessen Veghel samenbrengt wat maar samengebracht kan worden: het fundament van de kloosterorde, de historie van het complex, de bepaling van wat kan en wenselijk is en de betrokkenheid van veel mensen en organisaties. De stuurgroep behartigde al die verschillende belangen, want vanwege de gezamenlijke ambitie niet tot grote problemen leidde.

sth

Transformatiekader De makers van dit masterplan koesteren het behoud van wat behouden kan worden. Van de historie dus. Dat geldt voor de missie en prestaties van de orde en voor de gebouwen en het terrein. Het verklaart dat begonnen werd met een onderzoek naar de historie van de bouw en de tuin, uitgevoerd door het Bureau voor Archeologie en Bouwhistorie, BAAC. Vervolgens werd de Erfgoedfabriek van de Provincie Noord-Brabant gevraagd om een methode aan te bieden om de plannen te beoordelen op basis van de historische waarde.

Vanwege het belang van dat kader is ervoor gekozen om die te laten maken door deskundigen met diverse disciplines: een stedenbouwkundige, architect en een landschapsarchitect. De status van dit document wordt nog eens versterkt doordat zowel de zusters, Zenzo, de Provincie als de gemeente Meierijstad als opdrachtgever optraden. Het stuk maakt duidelijk wat de te koesteren essentie van het gehele complex is en welke bewegingsruimte er is bij het realiseren van nieuwe bestemmingen.

gezamenlijk werk is van alle ondergetekenden.

Ga

De Zusters Franciscanessen hebben zich de vraag gesteld wat de toekomst van het kloostergebouw en omliggende terrein kan zijn. Specifieker: hoe het verhaal van Veghelse naastenliefde en saamhorigheid door kan

Dit masterplan geeft biedt inzicht in wat er is gebeurd om uiteindelijk te komen tot Leefgoed en gaat verder over het stedenbouwkundige plan, de programmatische invulling en het onderzoek naar de financiële haalbaarheid.

zijn uitgevoerd. Die meerwaarde zit in de interpretatie van de gegevens.

Burgemeester de Kuijperlaa

Aanleiding Met het letterlijk uitsterven van kloosterlingen, komen overal in Nederland grote en vaak fraaie historische gebouwen leeg te staan. Zoals ook de terreinen rond die kloosters hun functies verliezen. Bij het Veghelse klooster, inmiddels een rijksmonument en gesticht in 1844, is dat niet anders.

gaan. De zusters zochten en vonden ondersteuning bij Zenzo Maatschappelijk Vastgoed. Samen met Zenzo werd een zoektocht gestart naar de toekomst van het complex. Die tocht leidde naar het concept Leefgoed.

2

   5

Deken va

6

7

4

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL Marieke Vossen (directeur Ruimte en Economie), Arjen van den Boogaart (projectleider fysieke gebiedsontwikkeling), Gerrit Hagoort (projectleider Leefgoed), Yvette van der Heiden (communicatie); Namens de provincie Noord-Brabant: Arno van den Hurk (projectmanager herbestemmen Grote Erfgoedcomplexen). Namens de Zusters Franciscanessen: Marieke van Grinsven, Michiel Wijnen, Coen Hendriks. Over het plangebied Het plangebied omvat het gehele kloostercomplex van

de Zusters Franciscanessen in Veghel. Het kloostercomplex heeft een omvang van zo’n 5,3 hectare en omvat elf gebouwen en de kloostertuin. Dit plan omvat het gehele gebied van het kloostercomplex, zoals op de kaart met een gele lijn is aangeven. Dat is exclusief de gronden die eerder door de orde al zijn afgestoten ten behoeve van het ziekenhuis Bernhoven en één particuliere woning. De locatie ligt in hartje Veghel, pal naast de Lambertuskerk en vlak bij het voormalige ziekenhuis Bernhoven. Dat ziekenhuis is net als het kloostercomplex een onderdeel van het Kloosterkwartier en wordt herontwikkeld door Zenzo. Tegenover het klooster ligt het winkelcentrum van Veghel, dat via de weg van geleidelijkheid wordt vernieuwd en versterkt. Aan de noord- en westzijde zijn de rivier de Aa, de Aa-broeken, een scholencluster en sportparken te vinden. Dankzij die directe omgeving neemt het terrein een belangrijke ruimtelijk-strategische positie in en heeft het een belangrijke verbindende functie voor Veghel als geheel.

Stationsstraat

Leeswijzer Dit masterplan laat de lezer kennismaken met achtereenvolgens de analyse van het gebied, het transformatiekader, het stedenbouwkundig plan en de realisatie.

 3

 4

  

an Miertstraat

8

Context 1 Voormalig ziekenhuis 2 Scholen 3 Groen eiland 4 Zichtrelaties omgeving 5 Sint-Lambertuskerk 6 Relatie centrum 7 Centrum Veghel 8 Markt

Analyse In de hoofdstukken 1 tot en met 6 worden de onderzoeken samengevat die de afgelopen jaren door specialisten zijn uitgevoerd. Hoofdstuk 1 gaat over de geschiedenis en het gedachtengoed van de Zusters Franciscanessen. Ten overvloede: dat gedachtengoed is de basis voor dit masterplan en daarmee van het concept Leefgoed, dat in hoofdstuk 2 uiteen wordt gezet.

Hoofdstuk 3 brengt de historie en de huidige situatie in kaart. Het gaat daarbij over de historische onderzoeken en de huidige technische staat van bestaande opstallen. In de hoofdstukken 3 tot en met 6 worden diverse analyse gepresenteerd. Die vormen de basis voor het transformatiekader. Transformatiekader Provincie Noord-Brabant en de Technische Universiteit Delft ontwikkelden de methodiek waarmee het transformatiekader is bepaald. Het wordt beschreven in hoofdstuk 7. Het transformatiekader interpreteert de waarden en vertaalt die naar mogelijke toekomstige waarden. Naar de potentie van die waarden dus. Daarmee wordt feitelijk een kader voor toekomstige ontwikkelmogelijkheden geschetst.

Stedenbouwkundig plan De hoofdstukken 8 en 9 gaan in op de vertaling van het transformatiekader naar een daadwerkelijk te realiseren stedenbouwkundig en programmatisch plan. Het stedenbouwkundig plan kwam tot stand via een participatieproces – in hoofdstuk 8 meer daarover. In hoofdstuk 9 wordt in woorden en beelden het stedenbouwkundig plan toegelicht. Het wordt in dit hoofdstuk duidelijk dat het plan verbindingen legt met het verleden en het heden en dat de landschappelijke invulling een prominente plaats heeft. Het gaat daarbij met name om het kloosterpark, niet voor niets ‘de verborgen parel’ van het gebied noemt. Realisatie De hoofdstukken 10 tot en met 13 vormen de uitwerking van verschillende onderdelen van het concept Leefgoed en daarmee van de leefbaarheid van het te vernieuwen gebied. Zo gaat hoofdstuk 10 in op de bedachte woon-, zorg-, leef- en werkconcepten en de wijze waarop gebouwen en gebied hiervoor worden ingezet. In hoofdstuk 10 maken de schrijvers het zichtbaar: met beelden wordt het doel en de mogelijke uitwerking van het stedenbouwkundig plan verduidelijkt. Let wel: het betreft hier nog slechts conceptuele ideeën, ze dienen nog te worden geconcretiseerd. Voor die uitwerking is het beeldkwaliteitsplan van belang, dat in hoofdstuk 11 aan bod komt.

Hoofdstuk 12 gaat vervolgens over het mobiliteitsconcept en is specifiek gericht op de parkeeroplossing en de verkeersafhandeling. In het laatste hoofdstuk, 13, staat de planning centraal. Bij de planning is gepoogd om de doorlooptijd zo kort mogelijk te houden en zo de overlast op deze centrale plek in het dorp waar mogelijk te beperken. Vanzelfsprekend is er hierbij ook aandacht voor het belang van de directe omwonenden en de Zusters Franciscanessen.

5

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL DEEL I: ANALYSE De hoofdstukken 1 tot en met 6 geven een samenvatting van onderzoeken die door diverse specialisten de afgelopen jaren zijn verricht. Hoofstuk 1 biedt een toelichting op de geschiedenis en het gedachtengoed van de Zusters Franciscanessen. Dat gedachtengoed is de basis van het gehele masterplan en leidde tot het concept Leefgoed. Leefgoed wordt in hoofdstuk 2 uiteengezet. Hoofdstukken 3 tot en met 6 gaan over de geschiedenis van het klooster en meer nog over wat daarvan nu nog aanwezig is.

Hoofdstuk 1: De Zusters Franciscanessen van Veghel Hoofdstuk 2: Leefgoed Hoofdstuk 3: Historische stedenbouwkundige en landschappelijke ontwikkeling Hoofdstuk 4: Verhalen en Symbolen Hoofdstuk 5: Bouw- en tuinhistorisch onderzoek Hoofdstuk 6: Technische staat gebouwen

6

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

7

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL DE ZUSTERS FRANCISCANESSEN VAN VEGHEL Geschiedenis Als Bernardinus van Miert in 1840 pastoor van Veghel wordt, beseft hij al snel dat er daar een hoop te doen is. Veghel is in die tijd welvarend, maar tegelijkertijd zijn er veel landlopers en bedelaars. En dan is er nog het gebrek aan onderwijs voor kinderen van arme ouders en voor meisjes. Van Miert haalt voor dat onderwijs zusters naar Veghel, bouwt een gesticht en vervolgens een zelfstandige congregatie. Zijn Roosendaalse nicht Teresia van Miert wordt de eerste moeder overste. Ze neemt vriendinnen mee naar Veghel en zo krijgt het Roosendaalse klooster een nevenvestiging in Veghel. Of, zoals dat formeel heet, een succursaalhuis. Het klooster ontwikkelt zich tot het hart van de congregatie Zuster Franciscanessen. Vanuit dit Veghelse moederhuis worden ongeveer 35 kloosters door heel het land bestuurd. Op het terrein zelf wordt zorg verleend en onderwijs verzorgd. In de hoogtijdagen zijn er vele honderden mensen op het terrein werkzaam. Ook zijn er veel te onderwijzen kinderen. Het gebruik van de gebouwen en de kloostertuin staat voor een belangrijk deel in dienst van het faciliteren van het ‘bedrijf’; het voeden van vele monden, het wassen van alle kleding en het onderhouden van de vele gebouwen van de congregatie.

#1 8

De zusters zijn actief in parochies in het land en geven vooral bijzondere aandacht aan de opvoeding, de nood van die tijd. Er worden scholen opgericht voor wezen en gehandicapten en voor godsdienstige en praktische vorming van de jeugd. Zusters helpen bij het zoeken van werk voor zwervers en bedelaars en verzorgen zieken en ouderen. De zusters zelf leven eenvoudig. Onderwerping, liefde en een diep geloof en vertrouwen in God – daar draait het om. De kracht van de congregatie, zo is de overtuiging van de religieuzen, is gebouwd op solide deugd. En verder zijn de zusters opvallend pragmatisch. Het gedachtengoed van de orde is niet alleen zichtbaar in het doen en laten van de zusters en in de resultaten van het werk dat ze doen. De kenner ziet het ook terug in de ruimtelijke ordening van het kloostercomplex. In dat complex heeft alles een functie. Alles dient ergens voor. Grondwoorden Dat kan het beste door de grondwoorden erbij te pakken; het zijn de grondwaarden zoals die zijn beschreven in het boekje ‘Als bomen in deze grond’. Dat boekje verscheen in 2014 ter gelegenheid van het 170-jarig bestaan van het Veghelse klooster. Wat nu volgt is een ietwat vrijmoedige samenvatting van die tien grondwoorden.

Ter Liefde Gods. Juist als een mens ‘op de bodem’ zit, biedt de liefde voor God kracht. Onbaatzuchtige liefde voor God wordt beloond, juist als die niet is gericht op beloning. De mindere zijn. De beste manier om dienstbaar te zijn voor de minderen is door zelf de mindere te zijn. Door sober te leven en dat leven te vullen met bidden en werken. De armoedebestrijding van de zusters komt voor uit dit grondwoord. Bid en werk. Bidden en werken lijken gespannen tot elkaar te staan, maar zijn feitelijk onlosmakelijk met elkaar verboden. Bidden leidt tot inkeer, werken komt voort uit betrokkenheid. Illustratief is het verhaal van zuster Johanna van Jesus, stichtster van een Franciscaner klooster bij Luik. In het slot van dat klooster legt ze een tuin aan en die dient om de religieuze bewoonsters ruimte voor gebed en stilte te bieden. In die gesloten tuin staat de vruchtdragende boom echter ook symbool voor daadkracht. Zoals Johanna zelf zegt: “Woorden zonder daden gelijken op bomen, die zoveel takken hebben, dat zij geen vruchten meer kunnen dragen.” In het geval van het Veghelse klooster wordt de beslotenheid gecombineerd met het opvoeden en onderwijzen van meisjes. Vrijmoedig spreken. De zusters zijn onverzettelijk en niet bang om vrijmoedig te spreken als het gaat om het nastreven van hun ambities. Waarbij spreken leidt tot actie. Als bomen in deze grond.

De Zusters Franciscanessen van Veghel hebben in ruim anderhalve eeuw een eigen identiteit en karakter ontwikkeld. Ze zijn net zo typisch Veghels of ‘Meierijs’ als de bomen die hier groeien. Nergens thuis. De zusters schikken zich in hun taken, waar deze taak ook volbracht moet worden. Ze doen dat met belangeloze flexibiliteit, in Veghel, in Indonesië of waar dan ook.

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL Wonen overal. Vanuit Veghel zijn de zusters op missie gegaan, de hele wereld over. De missie heeft tot gevolg dat er decentralisatie komt en Veghel één van de provincies binnen de orde wordt. Mensen die voorbij gaan. Elk mens is hier tijdelijk en elke zuster is dat ook. Die tijdelijkheid staat los van de continuïteit van de missie en ambitie van de orde. Verhalen die doorgaan. Zowat elke levenskeuze die een mens maakt is goed, zolang die maar getuigt van betrokkenheid met de medemens. En dan vooral met de medemens die deze betrokkenheid nodig heeft, de medemens die veracht en miskend wordt. Dat is het verhaal van de Veghelse zusters en dat verhaal gaat door. Betekenis van de grondwoorden Het klooster houdt met dit masterplan op klooster te zijn. Maar, zo wensen de Zusters Franciscanessen, de verhalen van dat klooster gaan door. Dat kan als het kloostercomplex het maatschappelijk hart van Veghel wordt. Vanzelfsprekend, zo beseffen ook de zusters, op een eigentijdse en toekomstbestendige wijze. Het eindresultaat dient meerwaarde te bieden voor de Veghelse gemeenschap en omstreken. Dat is het uitgangspunt van de zusters en van Leefgoed. Het gedachtengoed van de zusters biedt ook aanknopingspunten voor de ruimtelijke transformatie van het complex, zowel op ruimtelijk, functioneel en maatschappelijk gebied. Het is goed zuinig te zijn met wat er is.

Die zuinigheid is te combineren met een ruime blik naar de toekomst.

Ruimtelijke vertaling van de grondwoorden • Ingetogen en sober, geen pracht en praal. • Beslotenheid als kwaliteit. Stilte, serene rust. • Ruimte voor, en het zichtbaar maken van, het contrast tussen inkeer en betrokkenheid (vergelijkbaar met bidden en werken). • Openstellen van de tuin voor de Veghelse gemeenschap om te kunnen genieten van het prachtige park midden in het centrum. • Mogelijkheid in de tuin tot inkeer en zelfgekozen afzondering te komen. • Ruimte in de tuin voor recreatieve en educatieve activiteiten. • Ruimte in het complex voor educatie en kennisoverdracht. • Ruimte voor spiritualiteit. • Ruimte voor innovatie en vernieuwing. • Respect voor de bomen, zeker de monumentale. De bomen zijn onder meer van belang als metafoor voor het doorgaande verhaal van de zusters. • Een blijvende en tastbare herinnering aan het verhaal van de Zusters Franciscanessen van Veghel.

Maatschappelijke vertaling van de grondwoorden • Betrokkenheid bij de samenleving: actief en midden in de maatschappij. Meerwaarde voor de samenleving. • Betrokkenheid bij de medemens en dan voor de kwetsbare medemens. • Zorg voor de wereld waarin wij leven en dus voor natuur en duurzaamheid. • Inspelen op veranderingen in de samenleving: ‘Alles verandert, wij veranderen mee’. • Dynamisch, flexibel en standvastig. • Bescheiden, dienstbaar en belangeloos. • De kunst van het samenleven ontwikkelen. Daarbij horen begrippen als sociale netwerken, erbij horen, geven en nemen en inclusie. • Veranderingen zijn nuttig en betaalbaar.

Functionele vertaling van de grondwoorden • Tuin van nut: de tuin is meer dan alleen kijkgroen. Er is bijvoorbeeld plaats voor een stadstuin waar schoolkinderen les kunnen krijgen. • Een mix van elkaar versterkende functies: zorg, wonen, bedrijvigheid, maatschappelijke functies, onderwijs. Dat is precies zoals het sinds 1844 altijd geweest is. • Een woon-leefomgeving met nadrukkelijk plaats voor mensen met een zorg- of hulpbehoefte, maar nadrukkelijk géén zorgeiland. • Aanvullende en versterkende functies voor het centrum van Veghel.

9

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL LEEFGOED-CONCEPT Het gedachtengoed van de zusters De herbestemming van het kloostercomplex is meer dan een nieuwe functie van ‘stenen’ en grond. Het gaat om het vertrouwde gedachtengoed van de zusters in een nieuwe, eigentijdse vorm. Die vorm is de realisatie van het maatschappelijk hart van Veghel, een moderne en door de gebruikers gedragen woon- en leefomgeving waar zorg, werk, leren en ontmoeten samenkomen. De naam van dat hart, van dat concept: Leefgoed.

ontmoeten, ondersteunen en verbinden samen. Op het eerste gezicht is het een woonomgeving, zij het een woonomgeving met een opvallende diversiteit van bewoners: arm en rijk, oud en jong, ‘met en zonder bagage’, theoretisch en/of praktisch opgeleid of nog in opleiding of ontwikkeling. Leefgoed is er voor mensen die zichzelf prima staande houden en voor mensen die daar juist hulp bij nodig hebben. Bij wonen, leren of werken. En die deze hulp graag dicht bij huis vinden.

Leefgoed Leefgoed brengt wonen, werken, leren en (be)leven,

Zo beschouwd is Leefgoed geschikt voor iedereen in Veghel en biedt het meerwaarde aan het Kloosterkwartier, waar zowel koop- en huurwoningen worden gerealiseerd. Er komen ook voorzieningen voor vrijetijdsbestedingen, een aantal daarvan is er trouwens al. Binnen Leefgoed maken gemeenschappelijke ruimten en de buitenruimte het mogelijk dat mensen elkaar ontmoeten. Hoewel vanzelfsprekend niets hoeft, worden activiteiten nadrukkelijk gestimuleerd. Het kan leiden tot initiatieven zoals een gezamenlijke moestuin,

#2 10

sportgroepen of eetclubs – allemaal afhankelijk van wat mensen bedenken en wensen. De makers van dit plan hanteren als uitgangspunt een bedrijfseconomisch gezonde businesscasus.. Dit uitgangspunt draagt ertoe bij dat Leefgoed verankert, verdiept en groeit, dat de netwerken sterk zijn en de eigen kracht van de lokale Veghelse samenleving optimaal wordt benut. Waar diezelfde samenleving beter van wordt. De businesscasus wordt integraal beoordeeld, wat dus kan betekenen dat een activiteit die geld kost wordt gecompenseerd door de verdiensten van een ander onderdeel. Doelen Leefgoed 1. Een beter sociaal domein - Versterken van de samenwerking; - Verbinding van activiteiten van partijen; - Innovatieve werkwijze om zorg sneller, goedkoper en beter te maken.

2. Het Kloosterkwartier versterken - Ontmoeten, ondersteunen en verbinden mogelijk maken; - Ontwikkelen van concepten op het terrein van wonen, werken, leren en (be)leven; - Versterken van de waarde als bijzondere plek in het centrum van Veghel. Relatie met het Kloosterkwartier De realisatie van Leefgoed gaat hand in hand met die van het Kloosterkwartier. Leefgoed en Kloosterkwartier versterken elkaar. Leefgoed is er voor heel Veghel als het gebied waarvoor ze actief is. Het Kloosterkwartier als fysiek en maatschappelijk hart van Leefgoed is een bijzondere plek met een bijzonder concept (ontmoeten en ondersteunen, verbinden) in het centrum van Veghel.

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL De basis voor Leefgoed is de intentieovereenkomst die in september 2019 is ondertekend door vertegenwoordigers van elf organisaties. Dat gebeurde tijdens een werksessie met zeventig beroepskrachten. Later volgen nog sessies met omwonenden, inwoners en specifieke belanghouders, zoals de gemeenteraad van Meierijstad.

ter, sneller en/of goedkoper te maken. De aandacht gaat daarbij uit naar preventie, innovatie en positieve gezondheid. Daarbij kan worden gedacht aan meedoen, zelfstandig dagelijks functioneren, mentaal welbevinden, zingeving en kwaliteit van leven.

rijke instrumenten zijn om die aandacht te realiseren. Het is voor Leefgoed een goede reden om samenwerking met het Pieter Brueghelhuis te zoeken en om te voorkomen dat Leefgoed wordt wat in die vorm al bestaat. Overigens heeft Leefgoed ook kennisgenomen van vergelijkbare initiatieven buiten Veghel en van andersoortige organisaties dichtbij huis, zoals wijkgebouwen.

Leefgoed-pas De Leefgoed-pas helpt Veghelaren de eigen positieve gezondheid te behouden en versterken. De pas geeft korting voor bepaalde activiteiten, workshops, presentaties en lezingen of maakt die zelfs gratis. Ook is het mogelijk doordeweeks gebruik te maken van een aantrekkelijk korting op het (afhaal) weekmenu van het Leefgoed-restaurant. Veel van deze activiteiten worden ontwikkeld door Leefgoed-partners.

Leefgoed bestaat trouwens al. Want terwijl plannen nog in de maak waren en zijn, vonden diverse organisaties, initiatieven en activiteiten al een onderkomen in een van de kloostergebouwen. Een greep:

Leefgoed laat zich graag inspireren door wat elders al is bedacht. Om die reden is nader kennisgemaakt met het Pieter Brueghelhuis, waar alles draait om ‘aandacht voor geluk’ en waar activiteiten en ontmoeting belang-

• Scholieren van De Uilenbrink kunnen terecht bij huiswerkbegeleiding van JAN. • De jeu de boules-zaal wordt regelmatig omgetoverd tot yoga-ruimte. • Vrijwilligers kunnen koken in de keuken in het logeerhuis. • Jongeren van Labyrint onderhouden de tuin van de kinderopvang van UniK én samen met IBN de tuin van de zusters. • Verschillende yogalessen en meditaties worden aangeboden. • Jongeren en senioren komen tijdens biljart met elkaar in contact. • Er is een kerstdiner gehouden voor mensen die een steuntje in de rug kunnen gebruiken. • IBN runt er een wasserij.

Kansen Niet alleen is dit nog maar een greep, het is ook nog slechts een aanzet tot wat er nog kan en zal gebeuren. Zo is er het plan om Leefgoed te integreren in het project Participeren in Meierijstad, waarbij mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt hulp krijgen bij het vinden van werk en het ontwikkelen van maatschappelijke en sociale vaardigheden. De reeks van ideeën is lang en op onderdelen al behoorlijk concreet uitgewerkt: Leefgoed-samenwerking De elf deelnemende organisaties stellen zich ten doel om samen en met anderen, zorg en ondersteuning be-

11

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL Leefgoed-wasserij Het klooster heeft een wasserij en die wordt momenteel door IBN gerund. Wat voor de zusters kan, is vanzelfsprekend ook mogelijk voor anderen. En dus kunnen omwonenden en anderen hun was laten doen door deze IBN-wasserij. Dat is niet alleen plezierig voor die klanten, maar ook voor de mensen die zo zinvol werk vinden. Mogelijk dat ook PIM hier een rol krijgt. Leefgoed-werklab Het Kloosterkwartier realiseert een plek waar professionals, ondernemers, startups, vrijwilligers en iedereen die iets wil doen of ondernemen, bij elkaar kunnen komen in een inspirerende omgeving. Voorwaarden om deel te nemen: je zoekt de samenwerking op, doorbreekt grenzen en biedt werkervaringsplekken voor studenten of mensen van PIM. Bewoners van Veghel kunnen met hun behoeften ook rekenen op een waardevol dienstenaanbod vanuit het Werklab. Zo kunnen andere organisaties binnen Leefgoed er gebruik van maken.

12

Leefgoed-PIM Wie bij Leefgoed-PIM aan de slag gaat, vindt gegarandeerd werk. Het centrum presenteert vacatures, biedt trainingsmogelijkheden (leren, coachen, begeleiden en sport) en mogelijkheden voor dagbesteding. Dat laatste gebeurt in samenwerking met het Pieter Brueghelhuis. Het aanbod wordt afgestemd op de leefwereld van de deelnemers. Wie in Meierijstad is aangewezen op een uitkering bijvoorbeeld, is hier drie dagen per week werkzaam. Werk is daarbij een breed begrip – het kan regulier werk zijn, met of zonder loonkostensubsidie, maar ook vrijwilligers- of beschut werk, (arbeidsmatige) dagbesteding en mantelzorg. Werk is in de betekenis van PIM 2.0 participeren. Meedoen dus. Leefgoed-Gezondheidscentrum Leefgoed krijgt een gezondheidscentrum waar verschillende partijen samenwerken. Naast verschillende aanwezige specialismen uit de eerste lijn gezondheidszorg

die intensief samenwerken, zijn er activiteiten gericht op bewegen (zoals fitness) en gezonde voeding. Bewoners Kloosterkwartier Ook de bewoners, waaronder de zusters van het Kloosterkwartier, hebben een belangrijke rol in Leefgoed. Zo zijn zij belangrijke afnemers van de diensten en activiteiten die vanuit Leefgoed worden georganiseerd. Maar zij kunnen ook waardevolle bijdragen leveren. Zo kunnen zij bijles geven, een maatje zijn voor andere bewoners of PIM’ers of (vrijwilligers-)werk uitvoeren bij een van de initiatieven van Leefgoed. Steungezinnen Gezinnen die overbelast zijn, worden gekoppeld aan een stabiel gezin in de buurt en krijgen hulp van dat gezin. Het idee bestaat al in meer dan vijftig gemeenten en leidde tot meer dan duizend ‘koppels’ van steun vragende en steun biedende gezinnen. Basis van het idee is het motto ‘It takes a village to raise a child’. Bij deze aan-

pak ontlasten ervaren ouders het zogeheten vraaggezin door te helpen bij de opvoeding. Dat kan ook praktisch zijn: een lift naar het zwembad of sportclub, huiswerkbegeleiding, een middag opvang of meegaan naar een ouderavond. Op een laagdrempelige en gelijkwaardige manier krijgen kinderen zo wat extra aandacht en worden ouders ontlast. Ruimtevraag Leefgoed Hoeveel vloeroppervlakte of vertrekken Leefgoed nodig heeft, is pas bekend als ideeën concreter zijn en omgerekend kunnen worden in benodigde ruimte. Daarom wordt in deze fase gewerkt met een minimale (1700 m2) en een maximale (5000 m2) variant. De grens van 5000 m2 is nodig omdat anders het aantal te realiseren woningen in gevaar komt. Overigens kan de ruimte in de toekomst nog fluctueren als gevolg van wat er nog wordt bedacht, ontwikkeld, uitgebreid, ingekrompen op beëindigd. Voor een uitwerking van de ruimtevraag, zie hoofdstuk 9.

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

13

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL HISTORISCHE STEDENBOUWKUNDIGE EN LANDSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING Context Het klooster ligt op een groot gebied ten noorden van de oude kom van Veghel. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het onderdeel van de bebouwde kom. Juist daardoor valt op hoe open en deels onbebouwd het terrein is. Het maakt het gebied tot een eiland of oase binnen de verder sterk bebouwde omgeving. Die bijzondere positie wordt nog eens versterkt door de historische betekenis, structuur, bestemming en verschijningsvorm – aspecten die allemaal voortkomen uit de religieuze achtergrond van de locatie. Opvallend is de naastgelegen Sint Lambertuskerk. Die dateert van 1858, maar al ver voor 1850 stond er op de plaats al een rooms-katholieke schuurkerk. Een kerk dus die er niet zo uitziet, aangezien na de Vrede van Munster (1648) het katholicisme lange tijd verboden was in Brabant. Zo verborgen als het katholieke geloof lange tijd was, zo prominent werd het halverwege de negentiende eeuw zichtbaar. Met dank aan de neogotische Lambertuskerk, het kerkhof achter die kerk en de vestiging van de congregatie van de Zusters Franciscanessen. De zusters betrokken in 1869 het klooster naast de kerk en breidden dat in 1898 uit met een gasthuis en een kapel, schoollokalen, een boerderij en een washuis.

Het resultaat is nog altijd zichtbaar in de vorm van een imposant complex aan de Deken van Miertstraat. Vanuit die straat bepaalt de uit twee lagen bestaande aaneengesloten gevelwand het beeld.

#3 14

In 1890 werd aan de Mr. Van Coothstraat de congregatiekapel gebouwd. Later volgden de rooms-katholieke scholen en het St. Jozefziekenhuis aan de noordkant. Het terrein tussen de gebouwen kreeg de bestemming van kloostertuin en -kerkhof. De parkachtige tuin, die ook open stond voor patiënten van het St. Jozefziekenhuis, werd opnieuw aangelegd in de twintiger jaren van de vorige eeuw. De tuin werd toen aan de zijde van de Gasthuis- en Stationsstraat begrensd door de langgerekte lintbebouwing in die straten. Eerder al, in 1902 en 1903, verscheen aan de Burg. de Kuyperstraat (op de hoek met de Mr. van Coothstraat) een zeer grote pastorie. Samen vormen deze gebouwen en andere elementen een coherente groep in een gebied dat niet door wegen wordt doorsneden. Het gebrek aan die wegen, de kwaliteit op het gebied van architectuur en architectuurcultuur én de omvang maken het hele complex bijzonder. Vrijwel nergens in Noord-Brabant zijn vergelijkbare terreinen voor religie en sociale zorg te vinden. Natuurlijke ondergrond Zeer bepalend voor de uiteindelijke indeling en vorm van het terrein was de natuurlijke ondergrond. Om daar meer van te begrijpen, moeten we terug naar het begin van de Veghelse geschiedenis. Het dorp is namelijk ontstaan als een kampontginning aan een doorwaadbare plaats in de rivier de Aa.

Het rivierdal van de Aa werd gebruikt voor beweidingen en als hooiland, terwijl op de hogere gronden akkerbouw plaatsvond. Van daaruit vonden vervolgens weer nieuwe ontginningen plaats. Dat gebeurde in eerste instantie parallel aan de rivier, maar later ook landinwaarts op de woestere gronden. De doorgaande wegenstructuur Middegaal – Gasthuisstraat – Stationsstraat – Molenstraat en ook de Deken van Miertstraat volgt de contouren van die hogere gronden.

Het kloostercomplex ligt deels in het voormalige beekdal van de Aa en deels op de hogere gronden. De eerste gebouwen werden gerealiseerd op hogere gronden aan de Deken van Miertstraat, die toen nog Nieuwstraat heette. Het gebied waar de zusters in de jaren twintig van de vorige eeuw de kloostertuin tot ontwikkeling brachten, maakte in 1832 deel uit van een gebied dat De Molenbeemd heet en een onderdeel was van het beekdal van de Aa. Molen verwijst naar de Korenwindmolen die hier ooit stond en Beemd is een aanduiding voor hooiland. Hooilanden worden meestal dichtbij waterlopen aangetroffen, in dit geval dus de Aa die ten westen stroomt. Meestal zijn het laag gelegen en daardoor natte gronden, ongeschikt voor landbouw. In 1832 zijn de meeste kavels nog als hooiland in gebruik. De kaart op deze pagina toont in rood de projectbegrenzing van dat jaar. Interessanter nog dan die grens is de gracht die van de Aa naar de pastorie voert. Niet alleen de gracht bestaat niet meer, ook de pastorie werd gesloopt – dat gebeurde om plaats de maken voor de Lambertuskerk. De gracht is vermoedelijk veel ouder dan de pastorie en is waarschijnlijk onderdeel van het kasteel Frisselstein dat hier ooit stond. De gracht markeert de overgang van de hoger gelegen bouwlanden naar de lagergelegen Molenbeemd.

Ook is op de kaart te zien dat de kloostertuin aan de oostzijde exact de kavelgrenzen volgt, die in 1832 al bestaan. Aan de kant van de Aa wordt de oude kavelstructuur bij de begrenzing van de tuin grotendeels gevolgd. Door de aanleg van de Sint Lambertuskerk en het bijbehorende kerkhof zijn vermoedelijk nieuwe kavelgrenzen ontstaan. De rivier de Aa is in de jaren dertig van de vorige eeuw genormaliseerd, zeg maar recht getrokken. De Aa kwam meer westelijk te liggen en meanders verdwenen. Hierdoor ontstond ruimte om grote delen van de voorma-

PROJECTBEGRENZING 1832

lige Molenbeemd te bebouwen. Er kwamen huizen en de afwatering van dit lagergelegen deel moest werd gereguleerd. De huidige kloostertuin had daarbij een belangrijke rol, net als later de tuin Franciscushof en de vijver Moedersgat. Dat Franciscushof ontstond pas tachtig jaar na de oplevering van het klooster. Toen pas werd dit terrein gekocht, ontgonnen en tot een hof getransformeerd. Het was de tijd van ‘het rijke roomse leven’, een periode van ongekende groei voor de kerk. Het Veghelse klooster barstte uit haar voegen en vele uitbreidingen van gebouwen en grondbezit volgden. Dat gebeurde eerst op de hoger gelegen gronden rond het Moederhuis en

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL noordelijker aan de Gasthuisstraat (het Sint Jozefgast huis) en aan het Middegaalpad (scholen). Dat pad is waarschijnlijk ergens halverwege de 19e eeuw aangelegd als dijkje, dwars door de beemdgronden heen. Tussen al deze met elkaar verbonden functies lag een restant van de Molenbeemd. In die tijd zijn waarschijnlijk verbindingen tussen en door diverse voorzieningen gemaakt. Het omvormen van de beemdgronden naar vruchtbare tuin- en parkgrond is door de zusters ter hand genomen. Daar waren verschillende redenen voor. Zo stelden de zusters vast dat het onwenselijk was dat het Jozefgasthuis en het Rochushuis aan de beemd grensden. Dat gebied was erg zompig en voor het her-

stel van de zieken bleek dat niet bevorderlijk. Sowieso was er vanwege de groei van het klooster behoefte aan meer groente en ander voedsel. De tuin werd verder zinvol gevonden voor het onderwijs aan de kinderen en het welzijn van de zieken. Het omvormen van drassige grond tot tuingrond was geen sinecure. Zo moest de grond worden opgehoogd en diende de afwatering te worden geregeld. Het leidde tot de aanleg van grachten en een vijver – de grond die zo vrijkwam werd gebruikt voor het verhogen van het terrein. Dat was lang niet genoeg en dus werd aan de overkant van de Burgemeester de Kuijperlaan een grote vijver gegraven die de naam ‘Moedersgat’ kreeg, refe-

rerend aan de moeder-overste die de opdracht hiertoe gaf. Het hof werd tot 1,20 meter opgehoogd. De grachten, vijver en Moedersgat werden onderling verbonden en waterden af op de rivier de Aa.

ruimtelijke kenmerken, uitgangspunten en waarden zichtbaar die van belang zijn bij de beoogde transformatie.

Chronologische ontwikkeling van het gebied Om een goed beeld te krijgen van de totstandkoming van het kloostercomplex is de groei en ontwikkeling ervan op de volgende pagina’s chronologisch gepresenteerd. Zo wordt duidelijk welke factoren bepalend waren en welke elementen de tand des tijds hebben doorstaan. Aan de hand van kaartenreeks worden de belangrijke HISTORISCHE KAART 1925

15

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

1841

Afbeelding 1841 • In 1841 start de bouw van een gesticht aan de (toen nog) Nieuwstraat. De zusters betrekken een gebouw dat voorziet in leefruimte voor de zusters, een kapel en een lokaal voor de opvang van de meisjes. Het complex is zelfvoorzienend, er is dus vanaf het begin sprake van een moestuin, een wasgelegenheid, bakkerij en boerderij. • Het complex bevindt zich aan de noordrand van het dorp Veghel. • De kavelstructuur is noord-zuid gericht. • Het landschap en de gebruiksmogelijkheden van Veghel en omgeving worden onder andere bepaald door de meanderende rivier de Aa. • Er is al een duidelijk onderscheid tussen het noordelijke natte deel (beemd) en het hogere deel grenzend aan de kern van Veghel. • Het Middegaalpad doorsnijdt het moerassige gebied. • De route Gasthuisstraat - Stationsstraat - Molenstraat is een belangrijke verbindingsweg. • De bouw van het gesticht markeert het begin van een periode met sterke groei, ‘het rijke roomse leven’. Deze periode gaat door tot ca. 1900.

1887

Afbeelding 1910 • De sprong is genomen naar de ‘perifere’ locaties, met de bouw van het Sint Jozephgasthuis en de Mater Christischool (huishoudschool) aan het Middegaalpad. Hiermee ontstaat een behoefte aan verbindingen tussen de zorg-, school-, diensten-, woon- en religieuze gebouwen. • In 1879 wordt het Sint Bernadusklooster gebouwd, deze biedt onderdak aan de broeders van Maastricht die naar Veghel zijn gehaald om katholiek onderwijs voor de mannelijke jeugd te verzorgen. • Cuypers realiseert de begraafplaatskapel (Cuypers) en de Congregatiekapel. • Het kloostercomplex wordt uitgebreid met ondersteunende gebouwen in noordelijke richting, een langzame verschuiving van de bebouwing richting de beemdgronden.

Afbeelding 1866 • In de periode tussen 1841 en 1866 wordt een nieuwe kapel gerealiseerd nabij het moederhuis, de kapel is van de hand van Cuypers. • De Sint Lambertuskerk (naar ontwerp van Cuypers) wordt eveneens gebouwd. • Het terrein wordt uitgebreid door aankoop van aangrenzende percelen. • Op dit nieuwe terrein wordt een grote school met speelplaats en bewaarschool gerealiseerd. Ten noorden hiervan, achter op het terrein bevinden zich de boerderij met washuis en bleekveld. 1866

1910

HUISHOUDSCHOOL 16

Afbeelding 1887 • Het moederhuis wordt uitgebreid met de gasthuisvleugels (naar ontwerp van architect Cuypers), dit gaat ten koste van delen van het oorspronkelijke moederhuis. • Het Rochushuis wordt gerealiseerd aan de noordrand van het perceel, nabij de beemdgronden, ver weg van de overige gebouwen aan de Deken van Miertstraat. In het Rochushuis wordt ziekenzorg voor besmettelijk zieken verzorgd. • Er zijn uitbreidingen van de bebouwing (scholen, boerderij en washuis) in oostelijke richting. Dit zal enige tijd later transformeren naar het Sint Jozephgesticht (rond 1900). • De gronden ten noorden van de bebouwing, tot aan het Rochushuis zijn in gebruik als tuingrond, bleekveld, bloementuin etc.

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

1920 LUCHTFOTO ROND 1959

MIDDEGAALPAD

Afbeelding 1920 • De schoolzone langs het Middegaalpad is uitgebreid met de Mariaschool. • In deze periode wordt gestart met de aanleg van de Franciscushof, de beemd wordt met een grondpakket van 1,20 meter opgehoogd. De werkzaamheden hiervoor zijn belangrijk in de werkverschaffing voor vele werkloze mannen in de regio. • De gracht die rondom de tuin gegraven wordt volgt de kavelstructuren zoals die er op dat moment zijn. • Door de aanleg van de gracht ontstaat er een ‘afgeschermde’ tuin. De vraag is of het van meet af aan de bedoeling was om de tuin ook het karakter van een ‘hortus conclusus’ te geven of dat er meer pragmatische overwegingen aan ten grondslag lagen en de afscherming een bijkomstigheid was. Eén die ook goed past bij de meer contemplatieve kant van het kloosterleven. Vast staat dat de tuin altijd ook bedoeld is geweest voor niet-kloosterlingen zoals zieken en scholieren. De tuin illustreert daarmee treffend de delicate balans tussen inkeer en betrokkenheid (bidden en werken) bij de Zusters Franciscanessen. Een balans die naar verschillende kanten door kon slaan. • De gracht, de boogstructuur en de platanenlaan worden als eerste aangelegd en aangeplant. • Centraal in de tuin ligt een vijver met de verbindende padenstructuren er omheen. • Haaks op de boogstructuur zijn diverse verbindingen met de omgeving (periferie) opgespannen.

• In totaal worden vijf bruggen geplaatst. • Een muur met tuinpoort wordt geplaatst als doorgang richting de Mater Christischool, een informele route buiten de gracht om, achter de begraafplaats langs. • Langs de westkant van de tuin worden bomen aangeplant. • Het Franciscushof is een tuin van nut, eerst met vee (o.a. varkens), later met moestuin, boomgaard en kleinfruit (zelfvoorzienend). • In de verbindingsas richting het Sint Jozephgasthuis wordt een koepel gerealiseerd, als plek voor bezinning. • Oostelijk van de platanenlaan worden bloemenvelden aangeplant, ten behoeve van de benodigde versieringen in moederhuis en kapel.

1940

Afbeelding 1940 • In de jaren ’30 wordt opdracht gegeven voor de bouw van een nieuwe kapel bij het moederhuis. Dit is de derde kapel op deze plek. De architect is Van Halteren. • Het washuis en het ULO-gebouw worden gerealiseerd naar een ontwerp van Van Halteren. • Aan het Middegaalpad wordt een derde school gerealiseerd, de Agnesschool. • Het Sint Jozephgasthuis breidt aanzienlijk uit. • De functie van het Rochushuis vervalt daarmee en deze wordt gesloopt. • Na de sloop van het Rochushuis wordt de brug ter plaatse gesloopt en er wordt een nieuwe geplaatst, iets westelijker, nabij de bocht in de gracht. • Ten oosten van de platanenlaan wordt een begraafplaats voor de zusters gerealiseerd. Dit gaat ten koste van een deel van de nutstuin. • De begraafplaats bij de Sint Lambertuskerk heeft een bomenrij als decor voor de calverieberg en begraafplaats. • De meanderende Aa wordt middels een groot werkverschaffingsproject in de jaren ’30 gekanaliseerd. Afbeelding 1960 • Het Sint Jozephgasthuis breidt verder uit. • Het Sint Bernardusklooster wordt gesloopt en op de locatie van dit klooster wordt een internaatgebouw gerealiseerd ten behoeve van de huisvesting van intern verblijvende kweekschool studenten. • Het gebouw is door Van Halteren ontworpen maar heeft afwijkende stijlkenmerken ten opzichte van de eerder door hem gerealiseerde werken. De stijl is zakelijker.

• Er wordt een aanzet gedaan tot wijzigen van de zonering van de tuin (bloementuin vs begraafplaats). • Ontwikkeling fietsenstalling en overige dienstengebouwen.

1960

17

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

1980

Afbeelding 1980 • Er vindt vernieuwbouw plaats bij het Sint Jozephgasthuis. • Dit betekent een grote inbreuk op de vorm en structuur van het Franciscushof. • In 1968 worden op basis van een tuinplan van Verhulst grote veranderingen aangebracht in het Franciscushof. • De gracht en boogstructuur worden onderbroken en verlegd naast andere grote veranderingen in het Franciscushof (zuivere boogvorm verdwijnt). • De padenstructuur wordt veranderd. • Een extra ontsluiting wordt aangelegd met bomenrij tussen weg en gracht. • Het dierenverblijf wordt verplaatst. • Het perceel oostelijk van de laan, komt geheel in gebruik als begraafplaats. • Sloopmateriaal van de oude kapel wordt gebruikt om muurtjes langs randen begraafplaats en de Calverieberg te realiseren. • De huishoudschool wordt gesloopt en het buitenbosje aangeplant. • In de nuts-tuin komt steeds meer plaats voor sport en ontspanning, aanleg groot open grasveld. • De verkeersstructuur aan de westzijde van de tuin wijzigt. Het Middegaalpad wordt Meester van Coothstraat en daarmee afgewaardeerd en de Burg. de Kuijperlaan wordt de nieuwe doorgaande verbinding. • Er is een verdere uitbreiding dienstengebouwen, nabij de aanhechting met de Platanenlaan.

1990

Afbeelding huidig • De middelste westelijke brug is verdwenen, de scholen zijn al langere tijd niet meer in gebruik en de noodzaak voor de verbinding is komen te vervallen. • De kortsluiting van gracht wordt voltooid. • Het noordelijk tuindeel wordt verkocht en er wordt een woning gerealiseerd. • Er is een gemeenschapsgebouw (ontmoetingscentrum) gebouwd, aansluitend aan het moederhuis. • Het ziekenhuisterrein is herontwikkeld naar woonwijk met grondgebonden woningen en (zorg-)appartementen. Dit gebied vormt een integraal onderdeel van het Kloosterkwartier. HUIDIG

DIERENVERBLIJF 18

Afbeelding 1990 • De interne padenstructuur wijzigt. • Er is een aanzet voor de kortsluiting van de gracht. Door de uitbreiding van het ziekenhuis is de gracht onderbroken geraakt. • Er zijn diverse ingrepen om tegemoet te komen aan de veranderde behoeften van de zusters, zoals een rondwandeling, zitplaatsen en het maken van gevarieerde plantvakken (o.a. rozen). • Het Sint Jozephgesticht wordt gesloopt en maakt plaats voor het zogenaamde ‘zigzag-gebouw’ naar ontwerp van bureau Van Halteren. • Er vindt een ingrijpende verbouwing plaats van het moederhuis, de gasthuisvleugels en het internaatgebouw. • Het internaat krijgt uitbreiding rondom de gymzaal in vormentaal van zigzag-gebouw. • Eind jaren ’90 worden appartementengebouwen gerealiseerd voor de zusters, nabij de platanenlaan. • Er wordt een parkeerplaats gerealiseerd in het open veld in de tuin. • Het terrein tussen de hoofdgebouwen aan de Deken van Miertstraat en het Franciscushof wordt als tuin/ park aangelegd.

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL

+

+

19

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL VERHALEN EN SYMBOLEN OVERZICHT MET SYMBOLEN Oud en nieuw DNA Het kloostercomplex en de kloostertuin van Veghel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoveel is wel duidelijk geworden uit de voorgaande hoofdstukken. De gebouwen en de groene kloostertuin zijn onderdeel van het DNA van Veghel. Dat DNA verandert met de uitvoering van dit plan. Tegelijkertijd is het zaak dat dit nieuwe DNA wordt gevoed met wat er is en was, met de verhalen, de historie en letterlijk de bestaande stenen. Ze voeden het kader van de transformatie. We onderscheiden hierbij de volgende elementen. De cijfers corresponderen met die op de kaart. Kronkelbeuk en bron (1) Op het kloostercomplex staat een kronkelbeuk, de Franciscusboom genoemd. Die staat op de gedenkweide waar ook water uit een ‘eeuwige bron’ borrelt. De bron is met een wiggelroede gevonden door een missionaris. Boom en de bron staan voor ‘water dat blijft stromen’ en wordt beschouwd als symbool voor het gedachtengoed van de zusters. Ook dat blijft stromen. In de beuk hangen diverse linten met daarop gebeden in het Nederlands, Indonesisch en Filipijns. Zoals: ’Dat het vuur van het begin doorgang mag vinden in de Veghelse gemeenschap’ en ‘Moge de Nederlandse provincie waardig toegroeien naar de voltooiing.’ De teksten willen aanzetten tot spiritualiteit en inspiratie.

#4

Plaquette Rochushuis (2) In 1880 richtten de zusters het Rochushuis op, waar pa-

20

tiënten met besmettelijke ziekten werden behandeld. Het huis stond direct achter het klooster en was een belangrijke uitbreiding van de gezondheidszorg in Veghel. Het voorzag in een grote behoefte, want was al snel te klein. Ook bleek het, juist vanwege die besmettelijkheid, onhandig dicht bij het centrum van het dorp te liggen. Daarom werd in de jaren 1898-1900 aan de Gasthuisstraat, toen nog Middegaal, het Sint Joseph gesticht. Een plaquette herinnert nog aan de oorspronkelijke locatie van het Rochushuis. Vijver (3) De kommavormige vijver behoort tot de oorspronkelijke aanleg van de parktuin en is als het ware het hart van het tuinontwerp. De vorm lijkt mede bepaald te zijn door de knik in de gracht aan de oostzijde en het halfronde hoofdpad. Er zijn geen aanwijzingen dat hier sprake is van een nutsvijver waarin vis werd gekweekt, het was dan ook waarschijnlijk een siervijver. In 1923 en 1924 werd een eilandje voor vogels gecreëerd. Dat bestaat nog altijd. Vermoedelijk zijn hier stenen van de Lourdesgrot (die stond tot 1939 in de tuin) en mogelijk de kapel opnieuw gebruikt. De vijver vormt een centraal rustpunt in de tuin, een serene plek om tot inkeer te komen. Heiligenbeelden/devotieplek/spolia (4 verspreid) Verspreid in de tuin zijn verschillende elementen te vinden met een religieuze betekenis. Zo zijn er vier heiligenbeelden en is er een devotieplek.

Die plek bestaat uit een gemetselde zerk met daarop de verbeelding van de kruisafname en de tekst ‘Mijn god en mijn al’. De elementen verwijzen naar de functie van de tuin als plek om tot inkeer te komen en bij God te zijn. Bij het realiseren van nieuwe gebouwen of andere elementen maakten de zusters graag gebruik van materialen van te slopen gebouwen. Deze zogeheten spolia werden zo waardevolle herinneringen aan gebouwen die er niet meer waren.

    8

3

11

 5

7

4

    5

5

2

6

9

1

9

 10

  10

6

10

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL Bruggen (5) De bruggen vormen de verbinding tussen de tuin en de omgeving. Daarnaast markeren ze de afgeschermde status van de tuin. Je moet immers ‘over’ de gracht om in de tuin te komen. En dat kan maar op een beperkt aantal plekken. De bruggen zijn daarmee een sterk symbool voor het gedachtengoed van de zusters: afscherming zoeken en verbinding maken. Ofwel: inkeer en betrokkenheid. Poorten (6) In de tuin en op het terrein staan drie poorten: één bij de brug naast de grote begraafplaats, één bij de ingang van de kleine begraafplaats en één tussen het gemeenschapsgebouw en de vleugel van het Internaatgebouw. De poorten symboliseren het zoeken van afscherming.

Het verhaal van de gebouwen (10) Inkeer en betrokkenheid, bidden en werken. Deze woorden en het contrast ertussen kenmerken de Zusters Franciscanessen van Veghel. De gebouwen op het terrein tonen en bevestigen dit contrast en vertellen het verhaal van de orde. Zo is er het kerkelijk ensemble van gebouwen die de aspecten inkeer en bidden symboliseren: de kerk, de pastorie, de congregatiekapel en de moederhuiskapel. Daarnaast zijn er de gebouwen die betrokkenheid en werken laten zien: het internaatgebouw, het ULO-gebouw en het washuis. Het moederhuis staat voor het wereldse gezicht van de orde.

De huidige dierenweide heeft een modern ijzeren hekwerk dat vast nog niet zo lang geleden is geplaatst. Dat er een dierenweide was, is trouwens bijzonder. Het komt zelden voor in kloostertuinen en kan hier worden beschouwd als de wereldse instelling van de zusters.

Fruitbomen (7) De fruitbomen zijn restanten van de grote nutstuin waarin ze ooit stonden. De tuin voedde vele monden. Doolbosje (8) In een rustige hoek van de tuin is een deel zodanig aangelegd dat de bezoeker er kan ‘dolen’, rondwandelen zonder dat er een einde aan lijkt te komen. Het ‘dolen’ is voor de zusters een manier om tot inkeer te komen, tot jezelf of tot God. Begraafplaatsen met bijbehorende elementen (9) Het kloostercomplex kent twee begraafplaatsen met daarop verschillende symbolische elementen en bouwwerken. De begraafplaats voor de zusters ligt in de tuin en speelt daarom hier een beeld- en sfeerbepalende rol. Het is immers de laatste rustplaats van de zusters en ook een plek waar verschillende elementen herinneren aan de geschiedenis van het terrein en de gebouwen. Vanaf hun laatste rustplaats houden de zusters, zo is de gedachte, ‘zicht’ op de tuin en het nieuwe gebruik ervan. Ze ‘zien’ dat het verhaal doorgaat.

 7

 4

   3

2

1

KERKELIJK ENSEMBLE

Dierenweide (11) Van oudsher lijkt er sprake geweest te zijn van een dierenweide in de parktuin. Op één van de oudste foto’s van de tuin is het huidige houten dierenhuisje vermoedelijk al te zien. De foto toont een huisje onder een met riet gedekt zadeldak voorzien van een kapelletje bij wijze van duiventil. De rieten dakbedekking heeft inmiddels plaats gemaakt voor een zinken dak. Op één van de oudste foto’s van de parktuin is te zien dat om het dierenkamp ooit een hekwerk met houten palen stond. Op enige afstand van het huisje was er verder een ooievaarsnest op paal. Het huisje staat niet op de oorspronkelijke plek en is zelfs meerdere keren verplaatst.

6

5

Kerkelijk ensemble 1 Kerk 2 Congregatiekapel 3 Pastorie 4 Begraafplaats parochie 5 Moederhuis 6 Moederhuiskapel 7 Begraafplaats zusters 21

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL BOUW- EN TUINHISTORISCH ONDERZOEK Onderzoeken In augustus 2018 is een tuinhistorische verkenning en een separate bouwhistorische verkenning en rapportage opgesteld. De onderzoeken hebben betrekking op zowel het tuincomplex als het aangrenzende kloostercomplex met de hier aanwezige bebouwing. Bouwhistorische verkenning van de gebouwen Het kloostercomplex in 1841 gebouwd aan wat nu de Deken van Miertstraat heet en bestond uit een gesticht en het pand dat later het moederhuis werd. Vanaf 1853 volgden uitbreidingen. Er kwam een kostschool, een bewaarschool, een kapel (ontwerp: Pierre Cuypers) en het moederhuis. Ook daarna volgden in hoog tempo aanpassingen en uitbreidingen. Zo werden rond 1878 twee (gasthuis-)vleugels aan het voorhuis toegevoegd. In de periode van 1940 tot 1955 werden naar ontwerp van architect Van Halteren een nieuwe kapel, het ULO-gebouw en een internaat gerealiseerd op het complex. In 1988 werd het moederhuis ingrijpend verbouwd en het zogeheten zigzag-gebouw gerealiseerd. Rijksmonument moederhuis en kapel Het moederhuis en de kapel zijn inmiddels rijksmonumenten. Met name de kapel is van hoge monumen-

#5 22

tale waarde, zo leert de bouwhistorische verkenning van BAAC. Dat bureau spreekt van ‘een hoge mate van authenticiteit en zeldzaamheid’. Dit geldt niet voor het moederhuis, dat in de jaren 80 van de vorige eeuw ingrijpend is veranderd. Over veranderingen gesproken: de historie van het complex is ermee doorspekt. Met de bouw wordt in 1841 begonnen, in 1842 nemen de eerste zusters hun intrek en wordt een schoollokaal ingericht. Een jaar later wordt de kapel ingewijd. De eerste decennia worden met name inpandig veel veranderingen doorgevoerd. Ruimten krijgen nieuwe functies en verliezen die weer. 175 jaar later is het zo nu en dan gissen wat waar en wanneer gebeurde. In de jaren 1987 en 1988 wordt in het kader van een zeer ingrijpende verbouwing nauwgezet vastgelegd wat op dat moment de bouwkundige situatie is. Dan wordt duidelijk dat eigenlijk alleen de 19-eeuwse hoofdstructuur nog intact is, waaronder gangen op met name de begane grond en voormalige ziekenzalen. Bij die verbouwing gaan veel oorspronkelijke elementen en afwerkingen uit het gebouw verloren. Denk daarbij

aan binnendeuren, tegelvloeren, stucplafonds en lambriseringen; maar ook complete trappen zijn gesloopt. Kloostertuin De structurele hoofdopzet van de tuin is goed zichtbaar op een oude luchtfoto, gemaakt kort na de oplevering van de Sint Franciscushof. De vorm van de tuin werd vrijwel geheel bepaald door de grenzen van de kavels uit die tijd. Die grenzen vormen de basis voor de ‘omgrachting’ van de hele hof. De gracht heeft rechte stukken en hoeken die corresponderen met de kavellijnen. De platanenlaan is de ruggengraat van de hof. Het einden beginpunt van de laan zijn de aanzet van een hoofdpad in de vorm van een boog. Hiermee wordt een binnenterrein omsloten met in het hart een vijver. Vanuit de verschillende gebouwen in de periferie leiden routes over bruggen via de centraal gelegen vijver naar het klooster. De overige paden in de tuin hadden een secundaire functie. De hoofdstructuur veranderde nogal eens, onder meer als gevolg van de uitbreiding van het ziekenhuis. Die veranderingen en de veranderende behoefte aan groente, fruit of bloemen zorgde ook voor een wijziging

in het gebruik van de hof en daardoor tot een gewijzigde zonering en verdeling van de zogeheten kamers, de vlakken tussen paden. Elke kamer kende doorgaans een eigen monocultuur en was louter boomgaard, gasveld, bloementuin of groentetuin. De hoofdelementen van de tuin zijn de ‘omgrachting’, de vijver, de platanenlaan, de begraafplaats, de dierenweide, wandelbosjes, de grote weide en het buitenbosje (op de plaats waar eerder de huishoudschool stond). In de hof staan verschillende elementen zoals een prieel, een poort, heiligenbeelden en devotieplekken. De oude kavelstructuren en de relatie daarvan met de vorm van de gronden (in het algemeen en die van tuin en vijver) zijn belangrijk, zeker in combinatie met het patroon van paden. Dat geldt ook voor de diversiteit van functies, de devotierelicten en de structuren van water en groen. De tuin en het ontwerp van de paden kan niet los worden gezien van het grotere ensemble waarvan de tuin onderdeel is. Bij dat ensemble moet met name worden gedacht aan de gebouwen aan de Deken van

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL Miertstraat en aan de Meester van Coothstraat. De tuin is ernstig aangetast toen de nutstuin een begraafplaats werd. Ook de uitbreiding van het ziekenhuis en de afscheiding van een stuk grond ten behoeve van een woonhuis droegen bij aan die aantasting. Er zijn echter nog altijd verschillende groenstructuren, boomgroepen en solitairen met monumentale waarde. Dat is vooral te danken aan het feit dat ze dateren van de allereerste aanleg of vlak daarna.

+ LUCHTFOTO KORT NA DE EERSTE AANLEG

HOOFDSTRUCTUUR EERSTE AANLEG

SCHEMATISCHE RECONSTRUCTIE

+ TUINPLAN VERHULST 1968 23

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL De belangrijkste ruimtelijke kenmerken De natuurlijke ondergrond en het gedachtengoed van de zusters hebben het complex samen de huidige vorm gegeven. Uit de voorgaande analyse kan een overzicht van belangrijke ruimtelijke kenmerken en uitgangspunten, of waarden die van belang zijn bij de beoogde transformatie worden gedestilleerd.

3. Formeel vs informeel. Van begin af aan is er sprake geweest van een hoofdoriëntatie van de bebouwing op de omringende wegenstructuur. Dit geldt voor de kloostergebouwen, maar ook voor het ziekenhuis en de scholen. Aan de straatzijde was er een ‘formele’ entree. De tuin is de verbindende schakel aan de achterzijde, de informele kant van deze bebouwingsclusters. Er is hiervoor een interne ontsluitingsstructuur van paden en routes.

1. De relatie met de oude kavelstructuren. Dit komt tot uitdrukking in bijvoorbeeld de vorm van de gracht, de richting en plek van de platanenlaan maar ook in de verkavelingsrichting van de gebouwen op het kloostercomplex.

#1/2

#3 2. De relatie met de natuurlijke ondergrond. De oorspronkelijke situatie, de opdeling van het gebied in een droger en natter deel, is nog steeds relevant. De tuin is een nat gebied dat een rol speelt in de waterhuishouding van dit deel van Veghel. Na opvang van water in de kloostertuin moet het afwateren richting Moedersgat en Aa.

#1/2

24

4. De bebouwing van het kloostercomplex kende een groei van buiten naar binnen. Er is daarom sprake van een verloop van bebouwingsintensiteit en dichtheid die hoog is nabij de Deken van Miertstraat en lager wordt richting de tuin. Er was lange tijd sprake van een complex systeem van met elkaar verbonden gebouwen, vleugels en gangen.

#4

KLOOSTER FRANCISCANESSEN VEGHEL 5. Naast de formele entrees van het terrein zijn er ook altijd subentrees geweest, smalle doorgangen en paden waardoor je het terrein kan betreden. Deze zijn als een achterdeur, je gaat er doorheen als je bekend bent met de plek, anders ga je door de voordeur.

#5

#6

6. De tuin is een afgeschermd deel. De tuin vormt de verbinding tussen de functies in de periferie. Maar om in de tuin zelf te komen moet je eerst over een brug of door een poort. De tuin zelf is daarmee en gedefinieerd gebied met een eigen karakter. 7. Het terrein kende een grote mix aan functies, door elkaar heen. Zowel in de gebouwen als in de tuin. Deze functies waren aan elkaar gerelateerd en hierdoor waren er verbindingen nodig om deze functionele relaties te onderhouden. Er was daarom altijd beweging in het binnengebied van het terrein. 8. Naast de drukte en dynamiek die hoorden bij het dagelijks leven (werken), waren er ook plekken om je terug te trekken en tot inkeer te komen (bidden). Denk daarbij aan de verschillende kapellen, de begraafplaatsen en delen van de tuin. 9. Delen van de hoofdgroenstructuur en elementen hierin spelen een belangrijke rol in de beleving van het terrein, in het faciliteren van zowel inkeer als betrokkenheid, bidden en werken. Ze bieden afscherming (gracht, platanenlaan, bospercelen), vormen een decor (begraafplaats), maken een contrast (openheid-geslotenheid) en zijn een belangrijke metafoor voor het werk en leven van de Zusters Franciscanessen van Veghel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=f35b59a0-74d2-43e3-899c-af0da6a64591