bijlage treasurystatuut definitief.pdf
Tekst van het document
Treasurystatuut 2017 gemeente Meierijstad
1
Treasurystatuut 2017 gemeente Meierijstad 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8
Wet- en regelgeving Inleiding Gemeentewet artikel 212 Wet financiering decentrale overheden (FIDO) Wet Houdbare Overheidsfinanciën (wet HOF) Wet Schatkistbankieren Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (UFDO) Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Algemene uitgangspunten Transparantie in beleid en uitvoering Prudent beheer van gemeenschapsgelden Beheersing van financiële risico's Doelmatige uitoefening van de treasuryfunctie Beschikbaarheid
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Risicobeheer Uitgangspunten Renterisicobeheer Kredietrisicobeheer Liquiditeitsrisicobeheer Valutarisicobeheer
4 4.1 4.2 4.3
Financiering Uitgangspunten Lange financieringen Korte financieringen
5 5.1 5.2
Uitzettingen Uitgangspunten Uitzettingen
6 6.1 6.2 6.3
Leningen, garanties en risicodragend kapitaal Uitgangspunten Leningen en garanties Risicodragend kapitaal
7 7.1 7.2
Geldstromenbeheer Uitgangspunten EMU-saldo
2
8 8.1 8.2 8.3 8.4
Administratieve organisatie Uitgangspunten Verantwoordelijkheid college Informeren raad Verantwoordelijkheden en bevoegdheden
9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5
Verantwoordingsinformatie Documenten van planning en control Soorten informatie Programmabegroting Bestuursrapportages Jaarverslag
10
Inwerkingtreding en citeertitel
11
Begrippenlijst
12
Stroomschema treasury
3
Treasurystatuut 2017 gemeente Meierijstad 1. Wet- en regelgeving 1.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wet- en regelgeving uiteengezet rond het onderwerp treasury. Hierbij is getracht algemene informatie te verstrekken die randvoorwaarden en normenkaders in beeld brengen. De volgende wetten, besluiten en regelingen zijn van toepassing: Gemeentewet, Artikel 212 Wet financiering decentrale overheden (FIDO) Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet Hof) Wet Schatkistbankieren Besluit lening voorwaarden decentrale overheden Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (UFDO) Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) 1.2 Gemeentewet, Artikel 212 Artikel 212 van de Gemeentewet luidt als volgt : 1 De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. 2 De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; c.
regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. In artikel 212 lid 2c van de Gemeentewet geldt de verplichting tot het opstellen van een regeling rond de financieringsfunctie. De basis wordt gevormd via de door de Raad inmiddels vastgestelde financiële verordening verder uit de werken in een treasurystatuut. In dit treasurystatuut worden door het college de regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie vastgesteld en ter kennisname aan de Raad aangeboden..
4
1.3 Wet financiering decentrale overheden (FIDO) Deze wet vereist dat gemeenten alleen leningen aangaan, gelden uitzetten en garanties verlenen met als basis de publieke taak. Daarnaast mogen buiten deze publieke taak gelden uitgezet worden zolang dit prudent gebeurt en er geen sprake is van speculeren. Het aangaan of verstrekken van geldleningen dient te voldoen aan specifieke regels welke zijn uitgewerkt in het Besluit lening voorwaarden decentrale overheden. Deze wet geeft wel expliciet aan dat de leningen geen betrekking mogen hebben op hypothecaire leningen (of op garanties op de verstrekking hiervan door andere financiële instellingen) aan personeel of politieke ambtsdragers. De wet stelt eisen aan de kasgeldlimiet en de renterisiconorm, ofwel de FIDO-normen voor respectievelijk korte en lange financiering. Deze eisen zijn weer nader uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden(UFDO). Tot slot stelt de wet, in combinatie met de UFDO nadere regels voor berekening en verstrekking van diverse gegevens die nodig zijn voor het toezicht op de naleving van de wet. 1.4 Wet Houdbare Overheidsfinanciën (wet HOF) In Europa zijn regels afgesproken op het gebied van de overheidsfinanciën. Deze Europese begrotingsregels zijn vastgelegd in het zogenaamde Stabiliteits- en Groeipact.
De wettelijke verankering van deze Europese regels gebeurt in Nederland via de Wet Houdbare overheidsfinanciën (wet Hof). Het collectieve aandeel van de decentrale overheden voor het EMU-saldo, zoals bedoeld in artikel, tweede lid van de wet HOF, wordt voor het jaar 2017 vastgesteld op -0,3 procent van het BBP. 1.5 Wet Schatkistbankieren De wet Schatkistbankieren is per 13 december 2013 in werking getreden. Er wordt aan de wet invulling gegeven door overtollige liquide middelen naar ’s Rijks schatkist over te maken. Hiervoor heeft het rijk een rekening-courantrekening beschikbaar gesteld. Hier kan dagelijks geld naartoe of vanaf worden geboekt. Hiermee wordt te allen tijde gewaarborgd dat het geld beschikbaar blijft voor de publieke taak. 1.6 Besluit leningsvoorwaarden decentrale overheden Dit besluit is een nadere uitwerking van de wet FIDO en hierin worden zaken rond het aangaan, verstrekken en garanderen van geldleningen uitgewerkt . Zo dienen bedragen uitgedrukt te worden in euro’s en mogen hoofdsommen niet onderhevig zijn aan enige vorm van indexatie.
5
1.7 Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (UFDO) Deze regeling is een nadere uitwerking van de wet FIDO en geeft de volgende besluiten van de minister weer: Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet is een percentage van het begrotingstotaal van de gemeente dat de ruimte voor leningen met een looptijd korter dan één jaar aangeeft. De limiet bedraagt 8,5% van het begrotingstotaal bij aanvang van het begrotingsjaar. Dit instrument beoogt het volume van de kortlopende financieringsmiddelen te begrenzen. Wordt deze kasgeldlimiet op de eerste dag van het kwartaal in drie achtereenvolgende kwartalen overschreden, dan is de gemeente verplicht hiervan de provinciale toezichthouder hiervan op de hoogte te stellen en een plan op te stellen hoe binnen die limiet wordt gebleven. Renterisiconorm De nadruk ligt op spreiding van de renterisico’s. Indien een lening portefeuille gelijkmatig is opgebouwd, zal ook het renterisico over de vaste schuld in de tijd gelijkmatig zijn gespreid. Ongewenste financiële gevolgen van rentewijzigingen worden hierdoor beperkt. De renterisiconorm heeft betrekking op leningen met een rente typische looptijd langer dan 1 jaar (vaste schuld). De norm houdt in dat de jaarlijks verplichte aflossingen en rentebedragen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal.
Het doel hiervan is om tot een zodanige opbouw van de leningen portefeuille te komen dat het renterisico uit hoofde van renteaanpassing en herfinanciering van leningen in voldoende mate wordt beperkt. Daarnaast geeft de regeling ook aan welke verantwoordingsstukken opgesteld dienen te worden. Jaarlijks dient de gemeente de (provinciale) toezichthouder te voorzien van het jaarverslag. Elk kwartaal dient de gemeente een opgave van de (vermoedelijke) stand van het EMU-saldo van dat jaar aan het CBS te zenden. 1.8 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) In dit besluit wordt in artikel 13 en 26 aangegeven wat de informatie over treasury dient te zijn in de begroting en de jaarstukken. De financieringsparagraaf in de begroting is, in samenhang met het treasurystatuut, een belangrijk instrument voor het transparant maken, en daarmee voor het sturen, beheersen en controleren, van de treasuryfunctie. De uitwerking van de treasuryfunctie vindt zijn weerslag in de financieringsparagraaf in de programmabegroting en in de jaarstukken. De financieringsparagraaf dient in te gaan op de eisen die de wet FIDO stelt. Er moet uit blijken dat de uitvoering van de treasuryfunctie uitsluitend de publieke taak dient, dat het beheer prudent is en dat aan kasgeldlimiet en renterisiconorm wordt voldaan.
De nota van toelichting stelt verder dat afhankelijk van het gewicht van en de ontwikkelingen in de treasuryfunctie bij een gemeente het in de rede zal liggen dat de paragraaf ook andere onderdelen bevat. Voor de hand liggende onderwerpen zijn: interne en externe ontwikkelingen die invloed hebben op de financieringsfunctie, 6
beleidsvoornemens voor de gemeentefinanciering, de (verwachte) financieringspositie, leningenportefeuille, uitzettingen, relatiebeheer en het kasbeheer en een beschrijving van de belangrijkste ontwikkelingen in en beleidsvoornemens voor de treasuryorganisatie. Daarnaast schrijft BBV voor dat de (inhoud van de) paragrafen, die zijn opgenomen in een programmabegroting van jaar t, ook in het jaarverslag van jaar t terugkomen. 2. Algemene uitgangspunten 2.1 Transparantie in beleid en uitvoering Via het treasurystatuut wordt inzicht verschaft in de doelstellingen van het treasurybeleid, de inrichting van de treasuryfunctie, de regeling van de bevoegdheden en (bestuurlijke) verantwoordelijkheden en de informatievoorziening over de uitvoering van het treasurybeleid. 2.2 Prudent beheer van gemeenschapsgelden Bij het aangaan van transacties wordt telkens rekening gehouden met het feit dat er sprake is van gemeenschapsgelden. Dit stelt specifieke eisen aan de contractspartijen, het karakter en het gebruik van de instrumenten. 2.3 Beheersing van financiële risico’s In het treasurystatuut wordt overeenkomstig de eisen van de wetgever uitgegaan van het zo veel als mogelijk beperken van de financiële risico’s die samengaan met de uitoefening van de treasuryfunctie.
2.4 Doelmatige uitoefening van de treasuryfunctie De (interne) verwerkingskosten en externe kosten dienen geminimaliseerd te worden bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities. Daarnaast dienen de renteresultaten geoptimaliseerd te worden mits gebleven wordt binnen de kaders van de wet- en regelgeving en het treasurystatuut. 2.5 Beschikbaarheid De treasuryfunctie dient de toegang tot de financiële markten tegen acceptabele condities te waarborgen.
7
3. Risicobeheer 3.1 Uitgangspunten Het gebruik van financiële derivaten is niet toegestaan. Er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden (zie artikel 15 lid 2b van de financiële verordening gemeente Meierijstad). Schatkistbankieren Er mogen uitsluitend ten behoeve van de publieke taak leningen worden aangegaan, middelen worden uitgezet of garanties worden verleend. Voor het overige worden de overtollige liquide middelen in ’s Rijks schatkist aangehouden. Voor de gemeenten geldt een forfait van 7,5% van het zogenaamde primitieve begrotingstotaal in enig begrotingsjaar. Deze middelen bij ’s Rijks schatkist blijven te allen tijde beschikbaar voor de gemeente Meierijstad in het uitoefenen van haar publieke taak. 3.2 Renterisicobeheer De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de wet FIDO. De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de wet FIDO. Nieuwe leningen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitenplanningen. De rentetypische looptijd en het daarmee gepaard gaande renteniveau van de betreffende lening wordt zo veel als mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en de verwachtingen omtrent de ontwikkelingen van de rente.
3.3 Kredietrisicobeheer Bij het verstrekken van een lening, garantie of van risicodragend kapitaal uit hoofde van de publieke taak worden indien mogelijk door het college zo veel mogelijk zekerheden en/of garanties geëist (zie artikel 15 lid 2d van de financiële verordening gemeente Meierijstad. Bij het verstrekken van een lening, garantie of van risicodragend kapitaal uit hoofde van de publieke taak hoger dan € 25.000 wordt door een externe deskundige (Registeraccountant (RA)) de kredietwaardigheid van de vragende partij beoordeeld. De kosten van deze beoordeling zijn voor rekening van de vragende partij. 3.4 Liquiditeitsrisicobeheer De gemeente spant zich in om haar interne liquiditeitsrisico’s te beperken door haar treasuryactiviteiten te baseren op een korte termijn liquiditeitsplanning (looptijd tot 1 jaar). 3.5 Valutarisicobeheer De gemeente sluit valutarisico’s uit door, overeenkomstig het Besluit leningsvoorwaarden decentrale overheden, uitsluitend leningen te verstrekken, aan te gaan of te garanderen die uitgedrukt zijn in euro’s. 8
4. Financiering 4.1 Uitgangspunten Integrale financiering Er worden in principe geen aparte leningen afgesloten per apart doel/investering/kredieten. De voorgenomen investeringen worden, samen met alle andere uitgaven, in een meerjarenperspectief van uitgaven en inkomsten geplaatst en op basis hiervan wordt de financieringsbehoefte bepaald en de wijze waarop deze gedekt wordt. Publieke taak Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van het uitoefenen van de publieke taak. Bevoegde geldverstrekkers Bevoegd zijn financiële instellingen die onder Nederlands toezicht vallen. Eventuele andere tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar te hebben ontvangen. Minimaal 2 offertes noodzakelijk Voor het aantrekken van financieringen met een looptijd van één jaar of langer worden ten minste twee prijsopgaven gevraagd bij verschillende financiële instellingen (zie artikel 15 lid 2a van de financiële verordening gemeente Meierijstad. In dit Treasurystatuut wordt bepaald dat deze regel ook van toepassing is op korte financieringen (looptijd korter dan één jaar). In beide gevallen moet een offerte worden gevraagd bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). Dit is conform de raamovereenkomst met de BNG.
De economisch meest doelmatige offerte wordt door de bevoegde medewerker gegund en door de gemeente schriftelijk vastgelegd. 4.2 Lange financieringen Bij een lange financiering, ook wel een vaste financiering genoemd, geldt een rentetypische looptijd van één jaar of langer. Toegestane financieringsinstrumenten voor een periode van minimaal één jaar zijn onderhandse geldleningen en vaste geldleningen. De maximale looptijd voor vaste financieringsmiddelen is 40 jaar. De maximale omvang per transactie is € 30.000.000. Bij het aantrekken van een lange financiering mag de wettelijke renterisiconorm ingevolge de wet FIDO niet worden overschreden. 4.3 Korte financieringen Bij een korte financiering, ook wel een vlottende financiering genoemd, geldt een rentetypische looptijd korter dan één jaar. 9
Toegestane financieringsinstrumenten voor een periode van minder dan één jaar zijn rekening-courantovereenkomsten, kasgeldleningen, daggeldleningen, onderhandse geldleningen. Bij het aantrekken van een korte financiering mag de wettelijke kasgeldlimiet conform de wet FIDO niet worden overschreden. 5 Uitzettingen 5.1 Uitgangspunten Schatkistbankieren Het uitzetten van gelden is slechts mogelijk voor zover het niet strijdig is met het zogenaamde Schatkistbankieren. Decentrale overheden zijn verplicht hun overtollige middelen aan te houden in de schatkist. In uitzondering op de algemene regel mogen decentrale overheden elkaar onderling overtollige middelen uitlenen, zo lang er geen sprake is van een toezichtsrelatie. Hoofdsomgarantie Bij het uitzetten van gelden dient minimaal (het terugbetalen van) de hoofdsom te zijn gegarandeerd. 5.2 Uitzettingen We maken gebruik van de toegestane instrumenten voor uitzettingen. De maximale looptijd van een uitzetting is 5 jaar.
10
6. Leningen, garanties en risicodragend kapitaal 6.1 Uitgangspunten Publieke taak Het verstrekken van leningen of garanties en het deelnemen in risicodragend kapitaal geschiedt uitsluitend als de publieke taak daarmee is gediend (artikel 2 wet FIDO). Informatieplicht Het college besluit niet over: 1. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 100.000; 2. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen (artikel 7 financiële verordening gemeente Meierijstad. Hypothecaire Leningen De gemeente verstrekt geen hypothecaire geldleningen ten gunste van het personeel of andere (politieke) ambtsdragers (zie wet FIDO artikel 2a lid 3). 6.2 Leningen en garanties Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd (artikel 13 lid 2 financiële verordening gemeente Meierijstad).
6.3 Risicodragend kapitaal Bij het verstrekken van risicodragend kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd (artikel 13 lid 3 financiële verordening gemeente Meierijstad). .
6.4 Leningen, garanties en risicodragend kapitaal Bij het verstrekken van leningen, gemeentegaranties of risicodragend kapitaal zal het college indien mogelijk zekerheden bedingen (artikel 15 lid 2d financiële verordening gemeente Meierijstad).
11
7. Geldstromenbeheer 7.1 Uitgangspunten De geldstromen worden zodanig beheerst dat de liquiditeitspositie te allen tijde toereikend is om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Het betalingsverkeer wordt zo veel als mogelijk uitgevoerd door één bank, namelijk BNG. 7.2 EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting (artikel 8 financiële verordening gemeente Meierijstad). 8. Administratieve organisatie 8.1 Uitgangspunten Schriftelijke vastlegging De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de treasuryactiviteiten zijn eenduidig en schriftelijk vastgelegd. Functiescheiding Bij treasuryactiviteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden: a. Iedere transactie wordt tenminste door 2 functionarissen geautoriseerd. b. De uitvoering en autorisatie geschiedt door afzonderlijke functionarissen. c. De uitvoering en registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen. d.
Contractspartijen worden opdracht gegeven bevestigingen van iedere transactie naar de financiële administratie te versturen. 8.2 Verantwoordelijkheden college Het college voert het treasurybeleid uit (formeel). Het college legt in de reguliere producten van P&C verantwoording af aan de raad over het gevoerde en te voeren treasurybeleid. Het college draagt zorg voor een adequate functiescheiding bij de uitvoering van de treasuryfunctie. Het college besluit in die situaties waar dit treasurystatuut niet in voorziet en legt daarover in een periodieke rapportage verantwoording af aan de raad.
12
8.3 Informeren raad De college stelt op basis van artikel 15 van de financiële verordening gemeente Meierijstad het treasurystatuut vast en biedt deze ter kennisname aan de raad aan. Het college informeert de raad over de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden in de reguliere producten van de P&C cyclus (artikel 15 lid 2c financiële verordening gemeente Meierijstad). 8.4 Verantwoordelijkheden en bevoegdheden In onderstaande tabel staan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot verschillende treasuryactiviteiten. GELDSTROMEN
BESLUITVORMEND AUTORISATIE ORGAAN/functionaris
INFORMATIEPLICHT
1. Financiering Korte financieringen
treasurer
Lange financieringen
treasurer
portefeuillehouder Financien portefeuillehouder Financien
leidinggevende atelier FBA leidinggevende atelier FBA
2. Uitzettingen derden (geen schatkistbankieren) < € 100.000 treasurer
college B&W
>€ 100.000
college B&W
treasurer
3. Leningen, garanties of risicodragend kapitaal Leningen < € 100.000 college B&W
college B&W
Leningen > € 100.000
college B&W
college B&W
Garanties < € 100.000
college B&W
college B&W
Garanties > € 100.000
college B&W
college B&W
Risicodragend kapitaal < € 100.000
college B&W
college B&W
Risicodragend kapitaal > € 100.000
college B&W
college B&W
raad (ex art. 169 GW)
raad (ex art. 169 GW)
raad (ex art. 169 GW)
raad (ex art. 169 GW)
9. Verantwoordingsinformatie 9.1 Documenten van Planning en control De beschrijving van de uitvoering van de treasuryfunctie door het college geschiedt in paragraaf D (Financiering) van de programmabegroting, de bestuursrapportages en de jaarverslag.
13
9.2 Soorten informatie Op grond van artikel 13 van het BBV, de financiële verordening gemeente Meierijstad, dit treasurystatuut en de verantwoordelijkheden van het college en de raad moet periodiek aan de raad in ieder geval de volgende (verantwoordings-)informatie worden verstrekt. 1. De opbouw en samenstelling van de vermogensbehoefte en vermogensstructuur. 2. De in een begrotingsjaar t te hanteren omslagrentepercentage en, op basis van de vermogensbehoefte, het werkelijke gemiddelde rentepercentage. 3. Inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend. 4. De kasgeldlimiet van jaar t en of en zo ja in welke mate die conform de wet FIDO wordt overschreden en welke maatregelen zo nodig worden genomen om een eventuele overschrijding terug te dringen. 5. De renterisiconorm van jaar t en of en zo ja in welke mate de renterisiconorm wordt overschreden welke maatregelen zo nodig worden genomen om een eventuele overschrijding terug te dringen. 6. Stand van zaken en de (verwachte) ontwikkeling van de leningenportefeuille per 1-1 en per 31-12 van een jaar t. 7. Stand van zaken en de (verwachte) ontwikkeling van de leningen en garanties aan derden per 1-1 en 31-12 van een jaar t. 9.3 Programmabegroting In de programmabegroting van jaar t komen in ieder geval de onderdelen 1 tot en met 7 aan de orde.
9.4 Bestuursrapportages Binnen het begrotingsjaar komen in de bestuursrapportages de onderdelen aan de orde waarover actuele ontwikkelingen te melden zijn. 9.5 Jaarverslag In de jaarverslag de onderdelen 1 tot en met 7 voor zover ze betrekking hebben op het afgesloten boekjaar t.
10. Inwerkingtreding en citeertitel. Dit treasurystatuut treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking, en werkt terug tot en met 1 januari 2017. Dit statuut kan worden aangehaald als Treasurystatuut 2017 Meierijstad.
14
11. Begrippenlijst Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Deposito Geld dat door de gemeente voor een bepaalde, vaste periode tegen een rentevergoeding is ondergebracht bij een derde. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag (zogeheten daggeld) tot enkele jaren. EMU Europese en Monetaire Unie. Dit zijn ook de landen die de euro hebben ingevoerd. EMU-tekort Onder het EMU-tekort verstaan we het tekort op kasbasis per jaar van de gehele Nederlandse overheid, te weten het Rijk en de gemeenten en provincies. Financiering Het aantrekken van gelden voor het dekken van een vermogensbehoefte. Financieringsbehoefte De behoefte om uit (interne of externe) bronnen vermogen/gelden aan te trekken. Garantie Een borgstelling waarbij de gemeente zich tegenover een geldverstrekker verbindt een of meerdere vorderingen van een geldverstrekker op een debiteur te voldoen indien de debiteur niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Kasgeldlening Opname of uitzetting van geldmiddelen voor korte termijn (korter dan één jaar). Kasgeldlimiet Op basis van een percentage van het begrotingstotaal een bedrag dat de ruimte voor leningen met een looptijd korter dan één 1 jaar aangeeft. Kredietrisico De risico’s op waardedaling van een vordering.
Leningen aan derden Het onder voorwaarden verstrekken van liquide middelen aan een derden. De voorwaarden kunnen betrekking hebben op de looptijd van de lening, de wijze van aflossen en het te hanteren rentepercentage. 15
Liquiditeitenplanning Een gestructureerd overzicht van toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid. Offerte Een mondelinge, schriftelijke of elektronische aanbieding voor een financiering of uitzetting. Onderhandse geldleningen Leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geld gevende partij worden vastgesteld. Paragraaf Financiering Verplicht onderdeel van de programmabegroting en de jaarverslag. Kan ook in de zogenaamde bestuursrapportages als zodanig worden opgenomen. Rating Taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming, bepaald door een ratingbureau zoals Moody’s en Standards & Poors. Rente De vergoeding die in rekening wordt gebracht voor het (tijdelijk) beschikbaar stellen van liquiditeiten. De rente wordt veelal uitgedrukt in een percentage van de hoofdsom. Renterisico Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen. Renterisiconorm Een bij de aanvang van enig jaar op basis van de Wet FIDO gefixeerd percentage van het totaal van het begrotingstotaal van een gemeente beschikbaar voor rente en aflossingen van vaste geldleningen dat bij de realisatie niet mag worden overschreden.
Rentetypische looptijd Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding. Risicodragend kapitaal Het financieel deelnemen in een andere organisatie waarbij het risico bestaat dat de ingelegde middelen geheel of gedeeltelijk niet zullen worden terugbetaald. Bijvoorbeeld het verwerven van aandelen. 16
Schatkistbankieren Het aanhouden van overtollige middelen in de schatkist bij het ministerie van Financiën. De mate van overtolligheid zijn op basis van vaststaande berekeningen te bepalen. Treasuryfunctie Deze functie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële positie en de hieraan verbonden risico’s. Uitzetting Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.
17
12. Stroomschema treasury
a. Treasurystatuut
1.Liquiditeits -prognose
3. Geld over?
nee
2. Geld tekort?
ja
ja
Geld evt. uitzetten bij derden.
nee
ja
Schatkistbankieren
b. WET FIDO
c. Eigen rentevisie
4. Overschrijding kasgeldlimiet? 3e kwartaal achter elkaar.
ja
2
18
einde
nee
1
einde
Stroomschema kasgeldleningen
1
5. Rood staan rekening-courant goedkoper dan kasgeldlening.
6. Rood staan bij rekening-courant
ja
nee
einde
7. Kasgeldlening afsluiten.
a. Treasurystatuut
8. Meerdere (minimaal 2) offertes aanvragen.
a. Treasurystatuut
9. Offertes beoordelen.
e. Raamovereenkomst Huisbank
10. Gunnen aan goedkoopste aanbieder.
19
d. Offerte-overzicht
11. Portefeuillehouder informeren.
einde
Stroomschema langlopende geldleningen
2
12. Bepalen vorm, bedrag en looptijd geldlening.
a. Treasurystatuut
8. Meerdere (minimaal 2) offertes aanvragen.
a. Treasurystatuut
9. Offertes beoordelen.
e. Raamovereenkomst Huisbank
10. Gunnen aan goedkoopste aanbieder.
nee
20
d. Offerte-overzicht
11. Portefeuillehouder informeren.
einde