Bijlage Ib-4 Aanvullend ecologisch onderzoek Vrijwilligerswoningen St. Barbara Vlinderhoven Wijbosch Bijlagen 66-87 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Bijlage 4
65/150
Aanvullend ecologisch onderzoek
RAPPORTAGE
Aanvullend ecologisch onderzoek Eerdsebaan 1a Schijndel
Ee
Econsultancy
Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek Eerdsebaan
Opdrachtgever
1a, Schijndel
Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee
5617
BC
20
Eindhoven
Rapportnummer
18409.002
Versienummer
D2
Status
Eindrapportage
Datum
5
Opsteller
(geanonimiseerd)
juni
2024
(geanonimiseerd)
DAAROM ECONSULTANCY KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. PROTOCOLLAIR NADER ONDERZOEK Het nader onderzoek naar beschermde natuurwaarden conform de Omgevingswet wordt uitgevoerd volgens opgestelde onderzoeksprotocollen (zie kennisdocumenten Bij12). Deze protocollaire onderzoeksmethoden zijn gebaseerd op steekproeven. Indien de steekproeven aangeven dat een natuurwaarde niet is aangetroffen, is statistisch gezien de kans dat deze natuurwaarde toch aanwezig is dermate klein dat schade aan de staat van instandhouding verwaarloosbaar wordt geacht. Daarmee kan een natuurwaarde door middel van steekproefsgewijs onderzoek dus nooit uitgesloten worden, wel kan de kans op aanwezigheid als verwaarloosbaar gesteld worden. De term “uitgesloten” is dan ook niet van toepassing op protocollair ecologisch onderzoek. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een onderzoek geldig is voor een periode van 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van het onderzoek opnieuw te toetsen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING
2
GEBIEDSBESCHRIJVING 2. 1 2. 2
. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
2 4
. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
5
. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
6
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
5
5. 1 5. 2 5. 3 6
8
. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
6 6 7
.. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
9
.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
Vliegroute veermuizen Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil
. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
9 9 10
. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
11
. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
Vleermuizen Steenmarter
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
en das . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN. 7. 1 7. 2
.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING 6. 1 6. 2
7
Vleermuizen Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil
ONDERZOEKSRESULTATEN
2
.. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .
3
4. 1 4. 2 4. 3
1
Functie onderzoekslocatie Conclusie
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
voor
beschermde soorten
. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
GERAADPLEEGDE BRONNEN
. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .
11 11 13 13 13 14
18409. 002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Eerdsebaan 1a te Schijndel. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming die Econsultancy in februari 2022 met betrekking tot de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 18409. 001, geactualiseerd op 5 juni 2024). Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus opgestelde gedragscode en protocollen.
18409. 002 versie D2
en
werkt volgens de door het Netwerk
1 / 17
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2. 1
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 6. 500 m²) betreft de tuin van het zorgcentrum Laverhof en is gelegen aan de Eerdsebaan 1a, te Schijndel. In figuur 2. 1 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2. 1 Luchtfoto van de onderzoekslocatie (wit omlijnd) en directe omgeving.
De onderzoekslocatie bestaat uit een moestuin, wadi, twee schuurtjes, een prieel en begroeiing met soorten als spar, hazelaar, kastanje, liguster, wilg en klimop. Ten noorden van de onderzoekslocatie is bebouwing aanwezig en ten zuiden ligt een akkerperceel. In de directe omgeving zijn weilanden, akkers en bebouwing aanwezig. Onderstaande foto’s, welke gemaakt zijn tijdens het veldbezoek van de quickscan, geven een impressie van de onderzoekslocatie (figuur 2. 2 t/m 2. 7).
18409. 002 versie D2
2 / 17
Figuur 2. 2 De onderzoekslocatie, ge-Figuur 2. 3 De moestuin en rij knotwil-Figuur 2. 4 De westzijde van de onzien vanaf het zorgcentrum ten noor-gen langs het pad, kijkrichting west. derzoekslocatie. den.
Figuur 2. 5 De zuidzijde van de onder-Figuur 2. 6 Begroeiing op de onder-Figuur 2. 7 De zoekslocatie. zoekslocatie. zuid.
18409. 002 versie D2
moestuin, kijkrichting
3 / 17
2. 2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
De initiatiefnemer is voornemens in totaal zes vrijwilligerswoningen (tiny houses) te realiseren op de oostelijke rand van de onderzoekslocatie (figuur 2. 8). De begroeiing, de moestuin, de wadi en de bebouwing blijven in de huidige staat behouden in de toekomstige situatie.
Figuur 2. 8 De toekomstige situatie op de onderzoekslocatie, met in vetgedrukt zwart omlijnd de vrijwilligerswoningen (Bron: CK architecten).
18409. 002 versie D2
4 / 17
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Op basis van de onderhavige quickscan natuurwaarden dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen (vliegroute), steenmarter, bunzing en wezel en voor de roofvogels boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer. Gelet op de bomen met holtes, de schuurtjes en knotwilgen op de onderzoekslocatie en het zorgcentrum ten noorden van de onderzoekslocatie, zijn schadelijke handelingen ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de werkzaamheden en eindfase dient te worden voorkomen en aanvliegroutes dienen vrij te worden gehouden. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken, deze maatregelen kunnen worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Daarnaast dienen maatregelen ten aanzien van de das opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol om verstoring van de burcht in de zuidwesthoek van het perceel te voorkomen. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal lopend van maart-half augustus).
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot de specifieke zorgplicht dienen eventuele konijnenholen ter plaatse van de werkzaamheden onder ecologische begeleiding verwijderd te worden. Bij de voorgenomen ingreep mogen enkel konijnenholen verwijderd worden die niet geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Dit kan worden beoordeeld door een ter zaken kundig ecoloog. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
18409. 002 versie D2
5 / 17
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
4. 1
Vleermuizen
Voor het onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen zijn twee veldbezoeken uitgevoerd met twee waarnemers per ronde, één op 12 augustus 2022 en één op 7 juni 2023. De veldbezoeken zijn uitgevoerd in de avonduren. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie januari 2021), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief vast te stellen dan wel uit te sluiten. Tussen de twee veldbezoeken moet minimaal 8 weken de tijd zitten en één ronde dient plaats te vinden in de kraamperiode (1 juni tot 15 juli). Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batloggers met opnamemogelijkheid (Elekon Batlogger M). Batloggers zetten het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soorten) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batexplorer.
Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van vleermuizen gunstig (tabel 4. 1). Met betrekking tot boombewonende vleermuizen is een aanvullende inspectie uitgevoerd op 2 mei 2022 naar de geschiktheid van de in de quickscan Wet natuurbescherming aangetroffen boomholtes voor vleermuizen. Deze inspectie is uitgevoerd door twee personen. Tabel 4. 1
Omstandigheden aanvullend vliegroute onderzoek vleermuizen
Datum
Tijd
Temperatuur
Weersomstandigheden
12-08-2022
21:07 - 23:37
26 o C
onbewolkt, windsnelheid 2 Bft, droog
07-06-2023
21:52 - 00:22
20 o C
licht bewolkt, windsnelheid 2 Bft, droog
4. 2
Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel
Voor het onderzoek naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel is, conform de ‘handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming’ (Bouwens, 2017), in de periode van 2 juni tot en met 4 augustus 2022 onderzoek uitgevoerd met behulp van één wildcamera (voor bunzing en steenmarter) en één marterbox (voor hermelijn en wezel) met lokstoffen. Tijdens het eerste veldbezoek zijn de wildcamera in combinatie met de jiggler en de marterbox op de onderzoekslocatie gemonteerd aan de aanwezige begroeiing. Bij het plaatsen van de cameravallen is gelet op de geschiktheid van de locatie voor de mogelijke aanwezige marterachtigen. Vervolgens heeft om de 2 weken een veldbezoek plaatsgevonden om SD-kaartjes en batterijen van de camera’s te vervangen.
18409. 002 versie D2
6 / 17
4. 3
Boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil
Voor het onderzoek naar boomvalk, buizerd, havik en sperwer zijn vier veldbezoeken overdag uitgevoerd, op 11 en 21 april en op 2 en 12 mei 2022. De veldbezoeken voor de ransuil zijn uitgevoerd in de avond, op 18 april en 7 juni 2023. Hierbij zijn de onderzoekslocatie en het gebied binnen een straal van 75 meter van de onderzoekslocatie onderzocht op indicaties van roofvogels als prooiresten, braakballen, ruiveren en uitwerpselen en is gelet op zicht- en geluidwaarnemingen van roofvogels en eventueel nestindicerend gedrag. De inventarisatiemethode is conform de methode die opgesteld is door SOVON Vogelonderzoek Nederland van de te verwachten soorten en het kennisdocument voor de buizerd (BIJ12, versie juli 2017). Onderstaand zijn de onderzoeksperioden van de verschillende soorten weergegeven: 1 mei - 31 augustus (twee veldbezoeken; ochtend of avond); • Buizerd: 1 maart - 15 mei (vier veldbezoeken; overdag); • Havik: 1 februari - 15 juli (twee veldbezoeken; overdag); • Sperwer: 1 maart - 15 juli (drie veldbezoeken; overdag); • Ransuil: 15 maart - 20 juni (twee veldbezoeken; avond en nacht) • Boomvalk:
Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van roofvogels over het algemeen gunstig. Tijdens de veldbezoeken overdag was het zonnig en minimaal 12 ºC. Tijdens de veldbezoeken in de avond bedroeg de minimum temperatuur 9 ºC Gedurende geen van de veldbezoeken lag de windsnelheid boven de 3 Bft. .
Tabel 4. 2 en 4. 3 bevatten een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken. Tabel 4. 2
Onderzoeksinspanning per soortgroep. 2022
roofvogels excl. ransuil
marterachtigen
april
mei
juni
tijdstip
4 x overdag
datum
11 april, 21 april, 2 mei en 12 mei 2022
functie
territorium
juli
tijdstip
gehele periode
datum
2 juni - 4 augustus 2022
functie
migratieroutes, vaste rust- en voortplantingsplaatsen
18409. 002 versie D2
augustus
september
-
-
7 / 17
Tabel 4. 3 Onderzoeksinspanning per soortgroep. 2022 augustus vleermuizen (vliegroute)
ransuil
tijdstip
-
2023
september
oktober
1 x avond*
april
mei
juni 1 x avond*
-
datum
12 augustus 2022
7 juni 2023
functie
vliegroute
vliegroute
tijdstip
-
-
2 x avond
datum
18 april en 7 juni 2023
functie
territorium
juli -
-
* Uitvoering door twee personen
18409. 002 versie D2
8 / 17
5
ONDERZOEKSRESULTATEN
5. 1
Vliegroute veermuizen
Tijdens de eerste veldronde, op 12 augustus 2022, zijn enkel foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Gedurende de tweede veldronde, op 7 juni 2023, zijn naast foeragerende gewone dwergvleermuizen ook overvliegende laatvliegers waargenomen. Verschillende individuen maakten hierbij gebruik van de bomenrij op de onderzoekslocatie als vliegroute (figuur 5. 3). Maatregelen dienen genomen te worden om te voorkomen dat de functie van de bomenrij als vliegroute verloren gaat (hoofdstuk 6).
5. 2
Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel
In de periode van 2 juni tot en met 4 augustus 2022 hebben op de onderzoekslocatie één Mostelabox en één wildcamera gestaan met lokstof. Zowel de losse camera als de marterbox zijn in de te verwijderen vegetatie geplaatst. Hierbij is de steenmarter waargenomen op de wildcamera aan de westzijde van de onderzoekslocatie (figuur 5. 4). Op dezelfde locatie is tevens de das waargenomen (figuur 5. 5), welke waarschijnlijk afkomstig is van de dassenburcht die zich in de zuidwesthoek van het perceel bevindt. De bunzing, hermelijn en wezel zijn niet waargenomen op de onderzoekslocatie. Tijdens de veldbezoeken zijn verschillende (konijnen)holen met begroeiing (beschutting) waargenomen, welke geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter (figuur 5. 6). Indien deze potentiële verblijfplaatsen en de begroeiing op de onderzoekslocatie behouden blijven, kunnen schadelijke handelingen ten aanzien van de steenmarter voorkomen worden (hoofdstuk 6).
Figuur 5. 1 Opname van de steenmarter op de onderzoekslocatie door de wildca-
Figuur 5. 2 Opname van de das op de onder-Figuur 5. 3 Hol geschikt zoekslocatie door de wildcamera. voor steenmarter.
mera.
18409. 002 versie D2
9 / 17
5. 3
Boomvalk, buizerd, havik, sperwer en ransuil
Tijdens geen van de veldbezoeken is activiteit van boomvalk, buizerd, havik, sperwer en/of ransuil waargenomen. Daarnaast zijn geen prooiresten, braakballen, ruiveren en uitwerpselen afkomstig van deze soorten aangetroffen in de omgeving van de grote nesten op de onderzoekslocatie. Op basis van de uitgevoerde veldbezoeken kan worden uitgesloten dat op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermd nest aanwezig is van de boomvalk, buizerd, havik, sperwer of ransuil.
18409. 002 versie D2
10 / 17
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING
6. 1
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De bomenrij op de onderzoekslocatie is in gebruik als vliegroute door de laatvlieger. Bij de voorgenomen plannen blijven de bomen intact, waardoor de lijnvormige structuur behouden blijft. Daarnaast kunnen de bomen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Ten aanzien van verlichting dienen maatregelen genomen te worden om de verlichtingstoename tot een minimum te beperken, zoals een aangepaste armatuur, amberkleurig licht en een naar beneden gerichte lichtpunt. Deze maatregelen kunnen worden vastgelegd in een verlichtingsplan, wat dient te worden goedgekeurd door een ter zake kundig ecoloog. Indien het niet mogelijk is om de vliegroute en verblijfplaatsen in de bomen functioneel en duurzaam te behouden met behulp van verlichtingsmaatregelen, dan zijn een vergunningsaanvraag en mitigerende maatregelen aan de orde. Maatregelen omtrent het verlictingsplan dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Indien het niet mogelijk is om eventuele verblijfplaatsen functioneel en duurzaam te behouden dan is aanvullend protocollair onderzoek naar boombewonende vleermuizen benodigd.
Indien verblijfplaatsen worden aangetroffen zijn een vergunningsaanvraag en mitigerende maatregelen aan de orde.
6. 2
Steenmarter en das
In de provincie Noord-Brabant zijn de steenmarter, bunzing en wezel beschermde inheemse diersoorten en Artikel 11. 54 (Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. De steenmarter is waargenomen op de onderzoekslocatie. Tijdens de veldbezoeken zijn verschillende (konijnen)holen waargenomen, welke geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter (figuur 5. 6). Indien deze potentiële verblijfplaatsen en de begroeiing op de onderzoekslocatie behouden blijven, kunnen schadelijke handelingen ten aanzien van de steenmarter voorkomen worden (indien toch potentiële holen van de steenmarter verwijderd dienen te worden is als nog een vergunningsaanvraag benodigd). De woningen worden geplaatst op het huidige gras, waarbij geen begroeiing wordt verwijderd. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden eventuele holen in de begroeiing rondom het grasland te markeren zodat deze functioneel behouden kunnen blijven. Daarnaast dienen maatregelen genomen te worden om verstoring door verlichting te voorkomen, zoals het gebruik van aangepaste armaturen en het gebruik van bewegingssensoren. Deze maatregelen kunnen worden vastgelegd in een verlichtingsplan, wat dient te worden goedgekeurd door een ter zake kundig ecoloog.
De maatregelen ten aanzien van de steenmarter dienen tevens te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Indien het niet mogelijk is om verblijfplaatsen van de steenmarter functioneel en duurzaam te behouden met behulp van verlichtingsmaatregelen, dan zijn een vergunningsaanvraag en mitigerende maatregelen aan de orde. 18409. 002 versie D2
11 / 17
Verder is de das waargenomen tijdens het cameraonderzoek naar steenmarter en kleine marterachtigen. Deze das is naar verwachting afkomstig van de dassenburcht die zich in de zuidwesthoek van het perceel bevindt. De das is beschermd onder de Omgevingswet en Artikel 11. 54 (Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Ten aanzien van de das dienen tevens maatregelen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol om de functionaliteit van de verblijfplaats te waarborgen. Indien de functionaliteit van de verblijfplaats van de das verloren gaat als gevolg van de voorgenomen ingreep, dan zijn een vergunningsaanvraag en mitigerende maatregelen aan de orde.
6. 3
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11. 37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.
6. 4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11. 54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht voor Rode lijstsoorten dient extra aandacht uit te gaan naar het konijn. Op de onderzoekslocatie zijn meerdere konijnenholen aanwezig. Indien bij de voorgenomen ingreep konijnenholen verwijderd dienen te worden, dan dient dit onder ecologische begeleiding te gebeuren. Bij de voorgenomen ingreep mogen enkel konijnenholen verwijderd worden die niet geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Dit kan worden beoordeeld door een ter zaken kundig ecoloog.
18409. 002 versie D2
12 / 17
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Eerdsebaan 1a te Schijndel. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en van vrijwilligerswoningen in de tuin van het zorgcentrum Laverhof.
7. 1
Functie onderzoekslocatie voor beschermde soorten
De onderzoekslocatie bevat een potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter en maakt hierdoor deel uit van het essentiële leefgebied van deze soort. De bomenrij op de onderzoekslocatie dient als vliegroute voor de laatvlieger. Er zijn geen verblijfplaatsen van roofvogels en ransuil aangetroffen op of binnen de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Verder is de das waargenomen tijdens het cameraonderzoek naar steenmarter en kleine marterachtigen. Deze das is naar verwachting afkomstig van de dassenburcht die zich in de zuidwesthoek van het perceel bevindt.
7. 2
Conclusie
Ten aanzien van vleermuizen, steenmarter en das dienen maatregelen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van verblijfplaatsen en/of vliegroutes te garanderen. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Indien het niet mogelijk is om verblijfplaatsen en/of vliegroutes duurzaam te behouden, dan zijn een ontheffingsaanvraag en mitigerende maatregelen aan de orde. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal maart-half augustus). Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht voor het konijn dient het eventueel verwijderen van konijnenholen onder ecologische begeleiding te gebeuren. Hierbij mogen enkel konijnenholen verwijderd worden die niet geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Dit kan worden beoordeeld door een ter zaken kundig ecoloog.
Econsultancy 5 juni 2024 18409. 002 versie D2
13 / 17
8
GERAADPLEEGDE BRONNEN
BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www. bij12. nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1. 0. pdf. Bouwens (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1. 3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Rapport quickscan Wet natuurbescherming (18409. 001) Eerdsebaan te Schijndel (2022). Econsultancy, Boxmeer.
Sovon (z. d. ). Soortenoverzicht. Geraadpleegd
op 5 juni 202 van
https://stats. sovon. nl/stats/soorten.
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus. nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2023, 15 juni). Opgehaald van: https://wetten. overheid. nl/BWBR0037552.
18409. 002 versie D2
14 / 17
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Broedseizoen Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 augustus. Expert Judgement
Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Externe werking
Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt " externe werking " genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren
Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc. ) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voort-
planten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Landschappelijk inpassingsplan
18409. 002 versie D2
15 / 17
Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet
geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van
andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of
kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen.
18409. 002 versie D2
16 / 17
Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
18409. 002 versie D2
17 / 17