Bijlage 8 - Rapportage BO IVO Sint-Oedenrode Olland achter de Kerk 120125 versie 1.1 met bst
Tekst van het document
Transect-rapport 6278 Sint-Oedenrode, Olland achter de Kerk Gemeente Meierijstad (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
G. Laclé
Versie
Versie 1.1
Projectcode
25050131
Datum
12-01-2026
Opdrachtgever
Kastelijn Ruimtelijk Advies
Uitvoerder
Transect b.v.
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Bureauonderzoek
G. Laclé
Veldonderzoek
G. Laclé M. van den Bos
Inhoudelijke controle
T. Nales (Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding
5875225001
Bevoegde overheid
Gemeente Meierijstad
Adviseur bevoegde overheid
Gemeente ’s-Hertogenbosch, Afd.SO/Erfgoed
Status
Nog te beoordelen
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (19-01-2026)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)
Datum
Paraaf
19-02-2026
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies heeft Transect b.v. in januari 2026 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied tussen de Pastoor Smitsstraat en Het Binneveld in SintOedenrode (gemeente Meierijstad). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het plangebied is landschappelijk gesitueerd in een dekzandgebied dat in zuidwestelijke richting overgaat naar een beekdalgebied. Uit zowel het bureau- als het veldonderzoek blijkt dat de ondergrond bestaat uit dekzand, waarvan de bovenzijde zich bevindt op een diepte tussen 65 en 130 cm onder het maaiveld (8,5 tot 7,9 meter boven NAP). Op uitzondering van een verstoorde BChorizont in de noordoosthoek van het terrein zijn er geen duidelijke sporen van bodemvorming aangetroffen. Het dekzand wordt afgedekt door een bouwlanddek met een dikte van 30 tot 90 cm, waarbij de variatie in dikte erop wijst dat het gebied geëgaliseerd is.
Op basis van deze bevindingen is de archeologische verwachting voor de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd laag. Advies Het plan voorziet in de bouw van nieuwe woningen, het uitgraven van een wadi en de aanleg van twee parkeerterreinen. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat de kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd in het plangebied zeer gering is. De bodem is geëgaliseerd, waardoor de top van het dekzand, die archeologisch van belang is, niet meer aanwezig is. Hierdoor zijn eventuele archeologische resten eveneens verdwenen. Transect adviseert daarom om geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Mocht er tijdens de werkzaamheden toch onverwacht een archeologische vondst worden gedaan, dan geldt op grond van de Erfgoedwet 2016 (artikelen 5.10 en 5.11) de wettelijke plicht om deze vondst te melden aan de gemeente Meierijstad. Dit advies is gebaseerd op de onderzoeksresultaten. De gemeente Meierijstad zal als bevoegde instantie bepalen hoe eventuele archeologische waarden binnen het plangebied worden behandeld.
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5.
Beleidskader
6
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
7
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
10
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
16
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
22
10. Resultaten veldonderzoek
24
11. Beantwoording onderzoeksvragen
26
12. Conclusie en Advies
27
13. Geraadpleegde bronnen
29
Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland
31
Bijlage 2: Plantekening
32
Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Meierijstad
33
Bijlage 4: Geomorfologie
35
Bijlage 5: Landschappelijke eenhedenkaart
36
Bijlage 6: Hoogtekaart
38
Bijlage 7: Bodemkaart
40
Bijlage 8: Archeologische informatie
41
Bijlage 9: Boorpuntenkaart
42
Bijlage 10: Foto’s van boringen
43
Bijlage 11: Boorbeschrijvingen
46
1. Aanleiding In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies heeft Transect b.v.1 in januari 2026 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied tussen de Pastoor Smitsstraat en Het Binneveld in SintOedenrode (gemeente Meierijstad). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een TAM-omgevingsplan om nieuwe woningen te realiseren in het plangebied. Voor dit onderzoek geldt in het tijdelijk omgevingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie – Gemeente Meierijstad (2025)’ een Waarde – Archeologie 4 voor wat betreft het zuidwesten van het plangebied. Aan de rest van het plangebied is een Waarde – Archeologie 8 toegekend. Omdat er binnen het plangebied sprake is van twee verschillende archeologische waarden, wordt uit voorzorg de strengste categorie toegepast, namelijk Waarde – Archeologie 4. Deze aanduiding houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Gezien de toekomstige ingrepen binnen een gebied van ongeveer 3800 m2 gaan plaatsvinden, is een archeologisch vooronderzoek nodig.
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.2, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Ook is er contact opgenomen met de Heemkundekring ‘De Oude Vrijheid’ voor aanvullende informatie (d.d. 13-01-2026).
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie over het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt de bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd volgens protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2 (KNA 4.2). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd volgens protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.2 (KNA 4.2).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Meierijstad
Plaats
Sint-Oedenrode
Toponiem
Olland achter de Kerk
Kaartblad
51B
Centrumcoördinaat
156.473 / 399.129
Bij het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt tussen de Pastoor Smitsstraat en Het Binneveld in Sint-Oedenrode (gemeente Meierijstad; zie figuur 1). Kadastraal gezien omvat het plangebied het perceel ODR01 Sectie I nummer 7089 en beslaat circa 3800 m2.
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Aanvraag TAM-omgevingsplan
Oppervlakte plangebied
3800 m2
Planvorming
Nieuwbouw woningen
Omvang verstoringen
900 m2 woningen 200 m2 wadi 200 m2 parkeerplaatsen
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
Diepte verstoring
Funderingen tot 70 cm -Mv. Wadi tot 50 cm -Mv.
Het plan is om binnen het plangebied nieuwe woningen te realiseren met een gezamenlijke oppervlakte van 900 m². Tijdens dit bureauonderzoek bestaat het plangebied uit een weiland. In het zuidoostelijke gedeelte wordt een wadi aangelegd (200 m²) en centraal en aan de noordwestzijde komen twee parkeerplaatsen met een totale oppervlakte van 200 m². In bijlage 2 staat een overzicht van de toekomstige situatie; figuur 2 laat zien hoe de huidige situatie zich verhoudt tot de geplande werkzaamheden. De funderingen van de nieuwe woningen worden uitgevoerd op staal, met een aanlegdiepte tot circa 70 cm onder het maaiveld. Voor de aanleg van de wadi wordt de bodem tot 50 cm onder het maaiveld ontgraven. Er wordt geen invloed op het grondwaterpeil verwacht.
Figuur 2: De toekomstige situatie in het plangebied aan de Olland achter de kerk.
5
5. Beleidskader Onderzoekskader
Aanvraag TAM-omgevingsplan
Beleidskader
Paraplubestemmingsplan Archeologie – Gemeente Meierijstad (2025) Groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm –Mv
Onderzoeksgrens
In 1992 ondertekende Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, ook wel bekend als het Verdrag van Malta (of Valletta), vernoemd naar de locatie van ondertekening. Na ratificatie in 1998 werd het verdrag in 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) omgezet in nationale wetgeving. Deze wijzigingswet bracht aanpassingen in onder meer de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Hierdoor zijn overheden verplicht bij bodemingrepen rekening te houden met het behoud van archeologisch erfgoed. Sinds juli 2016 regelt de Erfgoedwet het beheer en behoud van het Nederlandse erfgoed en vervangt daarmee de Monumentenwet 1988. Besluitvorming rondom het fysieke leefmilieu, dat onderdeel is van het erfgoedbeheer, is vanaf 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Deze wet stelt dat gemeenten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van cultureel erfgoed, waaronder bekende en/of verwachte archeologische vindplaatsen. Dit is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1. Gemeenten kunnen binnen het Omgevingsplan lokale regels vaststellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of, indien noodzakelijk, vakkundig te laten opgraven (lid 3, 4 en 5).
Ook kunnen eisen worden gesteld aan het archeologisch onderzoek, zowel qua thema als vorm. Gemeenten hebben tot eind 2031 om een definitief Omgevingsplan vast te stellen; tot die tijd geldt een Tijdelijk Omgevingsplan. Volgens het tijdelijke omgevingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie – Gemeente Meierijstad (2025)’ zijn de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 4 en Archeologie 8 van toepassing op het plangebied. Voor het archeologisch onderzoek geldt de strengste waarde, namelijk Waarde – Archeologie 4 (bron: omgevingswet.overheid.nl). Op de gemeentelijke beleidskaart blijkt dat het zuidwestelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft, terwijl de rest van het gebied een onbekende archeologische verwachting kent. Dit is in overeenstemming met het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Meierijstad (zie bijlage 3). Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld een verplicht archeologisch (voor)onderzoek moet worden uitgevoerd. Gezien de omvang van de geplande werkzaamheden is voor de aanvraag van een TAM-omgevingsplan een archeologisch (voor)onderzoek vereist (zie hoofdstuk 4). De aanvrager dient ten behoeve van de vergunning een rapport bij de gemeente in te dienen, waarin naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld.
Op basis van de resultaten uit het (voor)onderzoek kunnen nadere regels aan de ontwikkeling worden verbonden ter bescherming van belangrijke archeologische waarden. Dit kan bijvoorbeeld door technische aanpassingen of een beschermende opgraving. Indien nodig kan het vooronderzoek worden uitgebreid met karterend en waarderend onderzoek, zodat met behulp van de KNA-systematiek een waardestelling kan worden opgesteld.
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Brabants zandgebied
Geomorfologie
Dekzandvlakte (kaartcode M51)
Maaiveld
9,0 tot 9,3 m +NAP
Bodem
Gooreerdgronden (kaartcode pZn23)
Grondwater
GWT-V*
Landschapsgenese Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het Brabants Zandgebied in de Roerdalslenk. De Roerdalslenk, ook wel Centrale Slenk genoemd, is een strookvormig tektonisch dalingsgebied met een zuidoost-noordwestelijke oriëntatie. Het Pleistoceen Vanaf het midden van het Pleistoceen (circa 850.000 jaar geleden) hielden de Rijn en de Maas op door de Slenk te stromen, waardoor deze geleidelijk opgevuld werd met sediment (Formatie van Sterksel). Dit leidde uiteindelijk tot een pakket afzettingen van diverse aard en kende een dikte van circa 35 m dik (Berendsen, 2005; Schokker, 2003). Slechts de bovenste meters van dit pakket bestond uit dekzand (Formatie van Boxtel, De Mulder et al., 2003). Als gevolg van een zeer koud klimaat traden in de laatste ijstijd, het Weichselien, verstuivingen van zand op, met name gedurende de periode tussen 50.000 en 15.000 jaar geleden (het Pleniglaciaal). Er was vanwege het barre klimaat immers geen vegetatie aanwezig die deze verstuivingen kon voorkomen. Het zand verstoof met name vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren, maar ook vanuit het Noordzee -bekken. De afzetting van het dekzand in de Centrale Slenk vond plaats in verschillende fasen, waarbij bij verminderde aanvoer fijner sediment of zelfs bodemvorming kon optreden (Schokker, 2003).
Met name in de periode tussen 40.000 en 30.000 jaar geleden was er sprake van een kleine klimatologische opleving, waardoor verstuiving verminderde (het Hengelo-Denekamp interstadiaal). Gedurende die periode kenmerkte de Centrale Slenk zich als een relatief vochtig gebied, waarin permafrost en ondiepe kleine meren voorkwamen (Schokker, 2003). De afgenomen mate van verstuiving en de vochtigheid leidden ertoe dat silt werd ingevangen in de meren in het gebied. Dit leidde tot de vorming van een circa 1,0 tot 2,0 m dikke leemlaag, dat geologisch gezien tot het Liempde Laagpakket wordt gerekend (De Mulder et al., 2003, Brabants Leem). Ook kon in die periode lokaal veenvorming optreden en werd klei afgezet nabij kleine beeklopen die het toenmalige landschap doorsneden. Deze klei behoort geologisch gezien tot het Best Laagpakket (De Mulder et al., 2003). Na het Hengelo-Denekamp interstadiaal verkoelde het klimaat en trad verdroging op, waardoor de intensiteit van verstuiving toenam. Hierdoor kon gefaseerd een dik pakket dekzand tot stand komen. Vooral in de laatste fasen van het Weichselien (tijdens de Vroege- en Late-Dryas), waren de verstuiving en afzetting van zand erg sterk. De grote hoeveelheid zand, die toen nog is verplaatst, heeft geleid tot de vorming van enkele grote dekzandruggen, die dwars door Noord-Brabant lopen.
Deze grote ruggen liggen dwars op de Centrale Slenk (Berendsen, 2005). Ook op lokaal niveau hebben zich duinen, ruggen en welvingen gevormd. Deze kunnen soms zelfs wel één tot twee meter boven hun omgeving uitsteken. De lage ligging van het gebied zorgde ervoor dat al het water naar de Centrale Slenk toestroomde. Dit water werd afgevoerd via verschillende beken die reeds in het Weichselien aanwezig waren. De afzettingen die hierbij tot stand kwamen, bestaan uit min of meer gelaagde zanden, met eventueel leemlagen en/of planten- en houtresten. 7
Het Holoceen Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 9.700 jaar geleden) trad een klimaatsopwarming op, waardoor de verstuiving aan banden werd gelegd door een toenemende vegetatie. Er ontstond daardoor een landschap met dichtbegroeide zandruggen en -koppen, met daartussen de relatief vochtige, laaggelegen delen, waar zich veen kon ontwikkelen. Dwars door dit landschap lag een sterk vertakt systeem van beken, die zorgden voor de ontwatering van de Slenk. Een voorbeeld van zo’n beek is de Dommel, op ca. 600 meter ten zuiden van het plangebied. Hier werden tijdens overstromingen leem afgezet. Ook ontstond hier een relatief drassig gebied, doordat het water van de beken stagneerde in het vlakke gebied. De dekzandruggen en -koppen staken daarbij als relatief hoger en droog gelegen plekken in het landschap uit. Geologie Boring B51B1523 laat 170 meter ten zuidwesten van het plangebied de volgende bodemopbouw zien (bron: www.dinoloket.nl). • • •
0 – 1,4 m -Mv (9,4 tot 8,0 m +NAP): Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (zand) 1,4 – 2,8 m -Mv (8,0 tot 6,6 m +NAP): Formatie van Boxtel, Laagpakket van Liempde (zand en leem) 2,8 – 3,8 m -Mv (6,6 tot 5,6 m +NAP): Formatie van Boxtel (zand en leem).
Waarschijnlijk is de geologische opbouw van de ondergrond vergelijkbaar. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van Maas et al. (2019) ligt het plangebied in een dekzandvlakte (kaartcode M51; zie bijlage 4). Op een afstand van 60 meter ten noordoosten en 170 meter ten noordwesten bevinden zich twee dalvormige laagten (kaartcode R23) met daarachter enkele dekzandruggen, ook richting het zuidoosten (kaartcode B53). Daarnaast bevindt zich op 500 meter ten zuidwesten van het plangebied een beekdalbodem, plaatselijk met meanderruggen en geulen (kaartcode R42 en R46; zie bijlage 4; Maas et al., 2019). Volgens de landschappelijke eenhedenkaart van de Gemeente Meierijstad (2020) ligt het plangebied op een dekzandwelving (zie bijlage 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN blijkt dat het maaiveld binnen het plangebied tussen 9,0 tot 9,3 m boven NAP ligt. De afloop van het terrein richting de beekdalbodem is terug te zien op het AHN; hier loopt het maaiveld af tot op 7,3 m boven NAP. Ten zuidoosten loopt het terrein op richting dekzandruggen, namelijk tot op 10,5 m boven NAP (bron: AHN5; www.ahn.nl; zie bijlage 6). Bodem en grondwatertrap Uit de bodemkaart blijkt dat in het plangebied gooreerdgronden worden verwacht (kaartcode pZn23; zie bijlage 7; Alterra, 2019).
Gooreerdgronden komen voor in lage zandgronden en kenmerken zich als een zwarte humusrijk bovengrond van 20 tot 40 cm dik met een zwak ontwikkelde podzol-B-horizont. De ondergrond bestaat uit grijs, leemarm, niet roestig zand (De Bakker, 1966). Dergelijke gronden ontstaan in natte, lagere gelegen delen in een zandgebied (bron: legenda-bodemkaart.bodemdata.nl). De grondwatertrap in het plangebied is V*. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen 40 cm onder het maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 120 cm onder het maaiveld ligt. De asterisk geeft aan dat er sprake is van sterke regulering van het grondwater in dit gebied. Door deze fluctuerende grondwaterstanden zullen organische resten tot een diepte van 120 cm onder het maaiveld slecht bewaard blijven als gevolg van oxidatie. Binnen deze diepte kunnen echter wel anorganische resten worden aangetroffen. Dieper dan 120 cm onder 8
het maaiveld is het theoretisch mogelijk dat ook onverbrande organische resten behouden zijn gebleven.
9
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoog; onbekend
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; zie bijlage 8). Direct ten zuiden van het plangebied is sprake van een gebied met een hoge archeologische waarde (AMK-terrein 16856). Dit betreft een terrein met de oude dorpskern van Olland, waarin sprake is van nederzettingsresten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd (bron: zoeken.cultureelerfgoed.nl). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart heeft het zuidwestelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting (categorie 4), en de rest van het gebied heeft een onbekende archeologische verwachting (categorie 8; gemeente Meierijstad; zie bijlage 3). • •
Categorie 4: het zuidwesten van het plangebied bevindt zich in een zone waarin resten worden verwacht uit alle perioden. Categorie 8: het noordoosten van het plangebied heeft een onbekende verwachting op archeologische resten omdat het bodemtype hier niet bekend is (Van Putten et al., 2021).
Volgens de archeologische inventarisatiekaart van de Gemeente Meierijstad is in het zuidwesten van het plangebied sprake van een vindplaats, namelijk nederzettingsresten uit de Late Middeleeuwen. Deze resten zijn gerelateerd aan het AMK-terrein direct ten zuiden van het plangebied; hierin is sprake van bewoningsresten behorend tot de oude dorpskern van Olland. Daarnaast is direct ten oosten van het plangebied een vindplaats gevonden, ook uit de Late Middeleeuwen (Van Putten et al., 2021; gemeente Meierijstad). Bekende archeologische waarden Uit de omgeving van het plangebied is relevante informatie beschikbaar (zie bijlage 8). In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de verschillende uitgevoerde onderzoeken rond het plangebied, terwijl in tabel 2 de diverse vondstmeldingen zijn weergegeven. Het plangebied maakt deel uit van twee eerder uitgevoerde onderzoeken: een archeologisch booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek (Berkmortel et al., 2010; Kimenai, 2012). Het booronderzoek liet zien dat de bodem uit een plaggendek bestaat met daaronder dekzand. Plaatselijk in de top van het dekzand is sprake van sporen van bodemvorming in de vorm van E-, B-BChorizonten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de oorspronkelijk top van het dekzand op een diepte tussen 50 – 95 cm onder het maaiveld (8,6 tot 8,3 m boven NAP) ligt.
Vervolgens is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, maar dit onderzoek is niet in het plangebied zelf uitgevoerd, maar direct ten oosten hiervan. Ter plaatse van de proefsleuven zijn sporen gerelateerd aan agrarische 10
activiteiten aangetroffen bestaande uit paalkuilen, kuilen en greppels in de top van het dekzand. Deze sporen dateren uit de Late Middeleeuwen en/of de Vroege Nieuwe Tijd. Informatie uit overige bronnen Er is geen aanvullende informatie van de Heemkundekring ‘De Oude Vrijheid’ verkregen. Conclusie bekende waarden Op basis van de uitgevoerde onderzoeken in het plangebied blijkt dat de bodem voornamelijk uit dekzand bestaat, afgedekt door een bouwlanddek. Direct ten oosten van het plangebied zijn bewoningssporen en sporen van agrarische activiteiten aangetroffen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Deze resten bevinden zich in de top van het dekzand en bestaan uit paalkuilen, kuilen en greppels. Ten zuidoosten en westen van het plangebied zijn in de top van het dekzand sprake van roestvorming, wat wijst naar natte omstandigheden vanwege de ligging van meerdere dalvormige laagten.
11
Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstand-windrichting
Type onderzoek
Bevindingen
Bron
2313070100
Pastoor Smitsstraat - Hart van Olland.
0m
Proefsleuven
In 2011 is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Pastoor Smitsstraat in de hart van Olland. Tijdens het onderzoek zijn sporen van bewoning aangetroffen uit de Late Middeleeuwen en/of de Vroege Nieuwe Tijd. De grondsporen betreffen paalkuilen, kuilen en greppels.
Kimenai (2012)
2328129100
Pastoor Smitsstraat
45 m ten oosten
Opgraving
In 2011 is een archeologisch opgraving uitgevoerd aan de Pastoor Smitsstraat. Tijdens het onderzoek zijn diverse agrarische sporen aangetroffen, die binnen 4 verschillende fasen onderverdeeld kunnen worden. De sporen van fase 1 en 2 bestaan uit rijen paalkuilen en greppels, die kunnen worden toegeschreven aan de hopteelt. Tussen de periode 15e tot 17e eeuw werden binnen dit gebied grote en diepe kuilen gegraven, waarschijnlijk voor het winnen van leem. Daarnaast zijn ook kleinere kuilen gevonden, waarschijnlijk het resultaat van grondverbetering en het aanleggen van moesbedden voor gewassen. De jongste sporen binnen dit gebied betreffen greppels, ontstaan door agrarische activiteiten vanaf de 17e eeuw. In vier van de aangetroffen kuilen zijn dierlijke skeletresten gevonden. De dieren zijn zeer waarschijnlijk begraven tijdens de uitbraak van een dierziekte in de 20e eeuw.
Mostert (2013)
12
2292943100
Pastoor Smitsstraat
0m
Booronderzoek
In 2010 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Pastoor Smitsstraat. De bodem bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden (Aap- en Aa-horizont) met daaronder plaatselijk een deels intacte podzolbodem; E-, B- en BC-horizonten. Waar geen sprake is van sporen van bodemvorming bestaat de bodem uit een plaggendek direct op de Chorizont; het dekzand. De top van het dekzand is tussen een diepte van 70 – 120 cm onder het maaiveld aangetroffen. Op basis van de aangetroffen podzolbodems, blijkt dat de oorspronkelijke top van het dekzand tussen 50 en 95 cm onder het maaiveld ligt. Onder het dekzand is leem aangetroffen vanaf 100 – 190 cm onder het maaiveld (Brabants Leem).
Berkmortel, et.al. (2010)
4035536100
De Misse
217 m ten westen
Booronderzoek
In 2017 is een booronderzoek uitgevoerd aan De Misse. Op basis van het onderzoek blijkt dat de bovengrond (Ap-horizont) volledig verstoord is. Deze verstoring gaat door tot in de top van het dekzand (C-horizont), vanwege de rommelige overgang. De ongestoorde C-horizont is tussen een diepte van 85 – 195 cm onder het maaiveld aangetroffen. De lichtgrijze kleur van het zand wijst naar een gereduceerde bodem. Ook is er sprake van roestvorming. Dit wijst naar een nat gebied, wat niet gunstig is geweest voor bewoning of landgebruik.
Diepen en Hagens (2018)
5611197100
Het Binneveld 22
128 m ten oosten
Booronderzoek
In 2024 is een booronderzoek uitgevoerd aan Het Binneveld 22. Op basis van het onderzoek blijkt dat de bodem volledig verstoord is tot in de Brabant
Stiekema (2024)
13
Leem. Resten van de top van het Brabant leem en de oorspronkelijke bovenliggende dekzandafzettingen zijn plaatselijk waargenomen in het bovenliggende verstoorde pakket. De bodemverstoring is het resultaat van het gebruik van dit gebied als brandkuil, wat later weer opgevuld is. Deze opvulling hangt vermoedelijk samen met het aangetroffen verstoorde pakket aan het maaiveld. 4824047100
Pastoor Smitstraat ong.
215 m ten zuidoosten
Booronderzoek
In 2020 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Pastoor Smitsstraat (ong.). De bodem bestaat uit een 40 tot 60 cm dik bouwlanddek met daaronder dekzand. Het bouwlanddek is ster verploegd door recente landbouwactiviteiten. Ook de top van het dekzand is als gevolg hiervan verstoord geraakt. Daarnaast blijkt dat dit een natte gebied betreft.
De Vries en Soldaat (2020)
5237244100
Pastoor Smitsstraat 36
167 m ten zuidoosten
Booronderzoek
In 2022 is een booronderzoek uitgevoerd aan de Pastoor Smitsstraat 36. De natuurlijke ondergrond in dit gebeid bestaat uit sterk zandige leem (Brabants Leem), vanaf een diepte van 65 – 90 cm onder het maaiveld. Plaatselijk in dit gebied is dekzand aangetroffen. De top hiervan is vanaf 70 90 cm onder het maaiveld aangetroffen. De bovengrond bestaat uit een 60 – 90 cm dik bouwvoor.
Schorn (2024)
14
Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Datering
Type onderzoek
Omschrijving vondstmelding
2313070100
Pastoor Smitsstraat. Hart van Olland.
0m
Paleolithicum – Nieuwe Tijd
Proefsleuven
Ter plaatse hiervan zijn diverse aardewerk fragmenten en bouwmateriaal aangetroffen die uit periode Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd dateren. Daarnaast zijn stenen artefacten gevonden, waarvan de datering onbekend is. Op basis hiervan dateren deze vondsten tussen de periode Paleolithicum-Nieuwe Tijd.
2328129100
Pastoor Smitsstraat
45 m ten oosten
Paleolithicum – Nieuwe Tijd
Opgraving
Metalen artefacten, dierlijke bot (schaap), houten palen en diverse aardewerk fragmenten zijn hier gevonden uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Daarnaast zijn stenen artefacten gevonden, waarvan de datering onbekend is. Op basis hiervan dateren deze vondsten tussen de periode Paleolithicum-Nieuwe Tijd.
15
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype2 Cultuurhistorische elementen
Brabant van het Zand 3
Nee
Aard historisch landgebruik
Bouwland
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Een typisch kenmerk van het Brabantse zandlandschap, sinds de IJzertijd en ook zichtbaar rond SintOedenrode, zijn de zogenoemde ‘zwervende erven’ (Ball en Jansen, 2018). Dit houdt in dat nederzettingen zich voortdurend verplaatsen over de zandruggen in het landschap. Nadat een stuk grond door ontbossing geschikt was gemaakt voor landbouw, kon het meestal slechts één of twee seizoenen worden gebruikt voordat de bodem uitgeput raakte. Hierdoor volgden de boerderijen de akkers en werden deze telkens op een andere plek opgebouwd. Dit zorgde ervoor dat de nederzettingen verspreid raakten over het dekzandgebied. Overigens was dit dekzandgebied al in de prehistorie aantrekkelijk voor landbouw en bewoning. In de middeleeuwen vond er een verandering plaats. Door verbeteringen in de landbouw, zoals plaggenbemesting en schaalvergroting, verplaatsen nederzettingen zich naar de randen van beekdalen en zandruggen, waardoor deze een meer permanent karakter kregen. Deze ontwikkeling geldt ook voor Sint-Oedenrode, dat als nederzetting ontstond aan het begin van de 11e eeuw (Druijff, 2012). Het plangebied bevindt zich ten noordwesten van de historische kern Sint-Oedenrode, en maakt deel uit van het dorp Olland. Dit dorp is voor het eerst in 1290 genoemd, onder de naam Onlant.
De betekenis van de naam is ‘slecht, waterig land’ of ‘moerasland’; onvruchtbaar land. Dit dorp is langs de doorgaande weg van Sint-Oedenrode naar Sint-Michielsgestel ontstaan, en kenmerkt zich als een landbouwnederzetting langs de Dommel (bron: skonolland.nl). In de 15e eeuw was een Kartuizer kluizenarij in Olland gebouwd, namelijk in 1465. De geschiedenis hiervan is kort maar intensief. De Kartuizers woonden daar van 1465 tot 1467. De keuze was gemaakt om te vertrokken mede vanwege de slechte, moerassige gronden die niet geschikt waren voor hun levenswijze en landbouwmethoden (bron: Heemkunde Boxtel). Volgens historische kaarten is te zien dat dit dorp tot in de late 20e eeuw uit enkele woningen/boerderijen bestaat. Pas in de jaren 60 van de 20e eeuw begon dit gebied dichtbebouwd te worden. Uit het oudst bekende kaartmateriaal van het plangebied, namelijk het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (zie figuur 3), blijkt dat het gebied destijds onbebouwd. Het dorp Olland bestaat uit enkele verspreide boerderijen/woningen met daaromheen akkercomplexen; verbonden met de ontginning van het dekzandlandschap en de nabijheid van de Dommel. Volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafels werd het gebied toen gebruikt als bouwland. In de periode daarna is het gebied gedurende langere tijd als tuin in gebruik geweest, tot na de tweede helft van de 20e eeuw.
Op historische kaarten valt verder op te maken dat het oostelijke deel later werd ingericht als boomgaard, terwijl het westelijke deel als bosgebied fungeerde. Aan het einde van de 20e eeuw werd het gehele gebied in gebruik genomen als weiland, een functie die het tot op heden heeft behouden. Daarnaast is op een kaart uit 1975 steil-randen te zien direct ten noorden van het plangebied, wat wijst dat het plangebied 2 Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (CHW, 2010; herziening 2016) 3 Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (CHW, 2010; herziening 2016)
16
toen hoger lag in het gebied. Dit is niet terug te zien op de Actueel Hoogtebestand Nederland; mogelijk is dit gebied relatief vlak gemaakt in verband met bebouwing. Het gebied is sinds die tijd onbebouwd gebleven (zie figuren 4-10; bron: www.topotijdreis.nl). Militair Erfgoed Op basis van de militaire relictenkaart van de Gemeente Meierijstad worden er binnen het plangebied geen militaire resten verwacht uit de Tweede Wereldoorlog of de Koude Oorlog. Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) ligt het plangebied bovendien niet binnen een aandachtsgebied voor militair erfgoed. Er zijn geen luchtfoto’s beschikbaar uit de Tweede Wereldoorlog en uit overige bronnen met betrekking tot militair erfgoed blijkt niet dat er binnen het plangebied militaire objecten of sporen van oorlogshandelingen aanwezig zijn (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl; www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com; www.explosievenopsporing.nl; www.bhic.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Op het moment van het archeologisch bureauonderzoek bestaat het plangebied uit een weiland dat wordt gebruikt als sportveld (zie figuur 10). Volgens het KLIC-register zijn er geen kabels of leidingen aanwezig binnen het plangebied. Historische kaarten geven aan dat het gebied vanaf het begin van de 19e eeuw tot heden onbebouwd is gebleven.
In 2023 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij boringen tot 450 cm onder het maaiveld zijn verricht. De bodem is opgebouwd uit zand, met vanaf 150 cm diepte een leemlaag in de ondergrond. Tijdens dit onderzoek zijn geen aanwijzingen voor bodemverontreiniging gevonden (Thiesen, 2023). Tot slot is het plangebied niet aangegeven op de provinciale ontgrondingenkaart van Noord-Brabant (2005).
17
Figuur 4: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
18
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
19
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
20
Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 2015 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 10: Uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).
21
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Het plangebied ligt qua landschap in een dekzandvlakte dat naar het zuidwesten toe overgaat in een beekdal. Deze landschappelijke ontwikkeling – een langgerekt beekdal met vochtige, slecht ontwaterde gronden – heeft de bewoningsgeschiedenis sterk beïnvloed. De verwachte aanwezigheid van gooreerdgronden wijst naar een lagere en nattere ligging van het plangebied, waardoor het ongeschikt was voor akkerbouw en bewoning. Hoewel blijkt uit eerder uitgevoerde onderzoeken in en in de directe omgeving van het plangebied dat er sprake was van sporen van bodemvorming, is er op basis van vervolgonderzoek geen vindplaatsen van voor de Late Middeleeuwen aangetroffen. Dit wijst dat deze sporen van bodemvorming onder natte omstandigheden zijn ontwikkeld, wat overeenkomt met gooreerdgronden. Daarnaast bestaat de aangetroffen vindplaatsen direct ten oosten van het plangebied uitsluitend uit sporen gerelateerd aan agrarische activiteiten. Op basis hiervan geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen maakte het plangebied deel uit van het dorp Olland. De dorpsnaam Olland is afgeleid van Onland, wat onvruchtbaar of moerassig land betekent. Dit wijst op de van nature natte, moeilijk te bebouwen bodem in dit gebied.
Dit dorp bestond echter tot in de late 20e eeuw slechts uit enkele verspreide boerderijen/woningen. Op historische kaarten is te zien dat het plangebied vanaf begin 19e eeuw niet bewoond is geweest en was uitsluitend in gebruik voor agrarische doeleinden. Op basis hiervan geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, behalve verspreide sporen gerelateerd aan landgebruik. Tot slot is de verwachting op het aantreffen van resten uit de Tweede Wereldoorlog laag: het gebied valt niet binnen een aandachtsgebied voor militaire relicten, waardoor de kans op dergelijke vondsten gering is. Stratigrafische positie Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd worden niet verwacht. Eventuele losse vondsten of sporen van landgebruik kunnen in de top van het dekzand bevinden. Complextypen In het plangebied worden geen bewonings- of nederzettingsresten verwacht uit alle perioden. Voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen sporen gerelateerd aan agrarische activiteiten aanwezig zijn; greppels, sloten, paalkuilen, kuilen en ploegsporen. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3.
Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied in een dekzandvlakte wat ongeschikt is geweest voor bewoning, worden geen bewonings- of nederzettingsresten verwacht uit alle perioden. Uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kunnen wel sprake zijn van verspreide sporen van landgebruik. Deze resten worden in de top van het dekzand verwacht. Hierdoor is de vraag in hoeverre deze resten nog intact aanwezig zijn in het plangebied. Met een verkennend booronderzoek kan duidelijkheid worden verkregen over zowel de aanwezigheid als de intactheid van het archeologisch bodemarchief, en zodoende de verwachting worden getoetst.
22
Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
1
Archeologische verwachting Datering
2 3 4 5
Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Laag
Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen
Laag
Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd
Reden Omdat het plangebied in een lagere en nattere gebied bevindt, wat ongeschikt is geweest voor bewoning.
Het plangebied maakt vanaf de Late Middeleeuwen deel uit van het dorp Olland ten westen van Sint-Oedenrode. Dit dorp bestond tot in de 20e eeuw uit enkele boerderijen gezien de bodem ter plaatse hiervan onvruchtbaar was en het gebied was moeilijk te bebouwen. Volgens historische kaarten is het plangebied tot heden onbebouwd gebleven. Laag Tweede Wereldoorlog Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied voor militaire resten uit de Tweede Wereldoorlog. Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, sporen van landgebruik 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Indien aanwezig; top van het dekzand -/+ Binnen het plangebied worden fluctuerende grondwaterstanden verwacht, waardoor een lage trefkans bestaat voor organische resten; deze zijn naar verwachting gedegradeerd als gevolg van oxidatie. Anorganische resten zullen daarentegen wel goed bewaard zijn gebleven. Op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten, grondsporen of cultuurlagen. Er zijn geen verstoringen bekend.
23
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek was het toetsen van de gedetailleerde archeologische verwachting voor het plangebied, zoals geformuleerd in hoofdstuk 9. Hiervoor is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is volgens het Plan van Aanpak (Laclé, 2026) uitgevoerd. De boringen zijn ingezet om de landschappelijke ligging, de bodemopbouw en de mate van intactheid te bepalen. In totaal zijn er zes boringen (1 t/m 6) uitgevoerd in het plangebied. De boringen zijn tot een maximale diepte van 140 cm onder het maaiveld uitgevoerd, waarbij de Chorizont van het dekzand werd bereikt. Het boorwerk is handmatig verricht met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte is afgestemd op de verwachte ligging van de archeologische resten, met name in de top van het dekzand. Van elke boring zijn foto’s gemaakt en deze zijn, samen met de beschrijvingen, opgesteld volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB, 2008). De betreffende foto’s en beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 10 en 11. Na het beschrijven is het opgeboorde sediment verkruimeld en zorgvuldig onderzocht op archeologische indicatoren. De boringen zijn gelijkmatig over het plangebied verdeeld. De precieze locaties van de boringen zijn weergegeven in bijlage 9.
De coördinaten van de boorpunten zijn met een meetlint bepaald op basis van de bestaande topografie, terwijl de hoogteligging is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; bron: www.ahn.nl). Veldwaarnemingen Tijdens het veldonderzoek bleek dat het gebied is onbebouwd en is begroeid met gras. Dit gebied is vlak en er is geen sprake van opvallend reliëf. In figuur 11 zijn enkele foto’s te zien die het plangebied tijdens het veldonderzoek weergeven.
Figuur 11: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (19-01-2026).
24
Bodemopbouw en lithologie De ondergrond van het plangebied bestaat uit zwak siltig en matig fijn zand met verspreide ijzervlekken, aangeduid als dekzand. De bovenkant van het dekzand is aangetroffen op een diepte van 95 tot 130 cm onder het maaiveld (8,2 tot 7,9 m boven NAP). In het noordelijke deel, bij boringen 1 en 3, is het dekzand echter al vanaf 65 cm onder het maaiveld (8,5 m boven NAP) aanwezig. Het dekzand vertoont doorgaans een gevlekte en onregelmatige structuur, wat duidt op verstoring van deze laag. Uitzondering hierop vormt boring 3, waar in de bovenste laag van het dekzand sporen van bodemvorming zijn waargenomen, namelijk een verstoorde BC-horizont tussen 65 en 80 cm onder het maaiveld (8,5 tot 8,4 m boven NAP). Boven het dekzand bevindt zich een donkerbruine zandige laag (bouwlanddek) die varieert van 30 tot 70 cm dikte, met een uitzondering bij boring 4 waar het bouwlanddek een dikte van 90 cm bereikt. Plaatselijk is de basis van dit bouwlanddek omgewoeld, wat blijkt uit de aanwezigheid van gele zandbrokken en een gevlekte structuur. De variatie in dikte van het bouwlanddek wijst erop dat het terrein is geëgaliseerd. De bovenste laag van de bodem bestaat uit 30 tot 40 cm donkerbruin, licht humeus zand met plantenresten, wat geïnterpreteerd kan worden als bouwvoor.
Archeologische indicatoren Tijdens het veldwerk zijn de opgeboorde monsters onderzocht op archeologische kenmerken door middel van het verbrokkelen van de grond. Er zijn echter geen archeologische indicatoren gevonden. Interpretatie Op grond van het veldonderzoek dient de eerdere hoge archeologische verwachting voor het plangebied – zoals vastgesteld in het bureauonderzoek voor de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd – te worden bijgesteld naar een lage verwachting. De bodem bestaat uit dekzand, dat is afgedekt door een bouwlanddek en daarboven een moderne bouwvoor. De bovenkant van het dekzand is aangetroffen op een diepte van 95 tot 130 cm onder het maaiveld (8,2 tot 7,9 m boven NAP), met uitzondering van het noordelijke deel, waar het dekzand al vanaf 65 cm onder het maaiveld (8,5 m boven NAP) aanwezig is. De verwachte sporen van bodemvorming zijn niet waargenomen, hoewel deze naar verwachting onder natte omstandigheden zijn gevormd. De ligging van het plangebied in een natte gebied is vastgesteld gezien de hogere ligging van de grondwater; al op 80 – 100 cm onder het maaiveld. Behalve enkele ijzervlekken zijn er in de bovenste laag van het dekzand geen duidelijke sporen van bodemvorming vastgesteld, met uitzondering van een verstoorde BC-horizont in de noordoosthoek.
In de rest van het plangebied blijkt de top van het dekzand verstoord te zijn, wat blijkt uit de onregelmatige en gevlekte structuur. Boven het dekzand ligt een bouwlanddek met een dikte van 30 tot 90 cm, waarin brokken geel zand van het onderliggende dekzand zijn aangetroffen. Dit wijst erop dat er minstens 30 tot 60 cm van de top van het dekzand ontbreekt. De variatie in dikte van het bouwlanddek, het ontbreken van de verwachte bodemvorming en de hoge grondwaterstand duiden erop dat het terrein geëgaliseerd is maar ook van oorsprong in een natte gebied bevindt. Door deze egalisatie worden geen archeologische resten meer verwacht uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Mogelijk kunnen in het plangebied sprake zijn van verspreide diepere grondsporen gerelateerd uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd, maar de kans hierop is als klein geacht.
25
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt in een dekzandgebied. De top hiervan is tussen een diepte van 65 en 130 cm onder het maaiveld (8,5 tot 7,9 m boven NAP) aangetroffen. Hierboven bevindt zich een 30 tot 90 cm dik bouwlanddek afgedekt door een moderne bouwvoor.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In het onderzochte bodemprofiel zijn geen archeologisch relevante lagen aangetroffen.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De top van het dekzand blijkt verstoord te zijn gezien de gevlekte en onregelmatige structuur. In de top hiervan is behalve een verstoorde BC-horizont in het noordoostelijk gedeelte, geen sporen van bodemvorming waargenomen. Hierdoor is te concluderen dat de top van het dekzand niet meer intact is.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe tijd.
26
12. Conclusie en Advies Conclusie Het plangebied ligt qua landschap in een dekzandvlakte dat naar het zuidwesten toe overgaat in een beekdal. Deze landschappelijke ontwikkeling – een langgerekt beekdal met vochtige, slecht ontwaterde gronden – heeft de bewoningsgeschiedenis sterk beïnvloed. De verwachte aanwezigheid van gooreerdgronden wijst naar een lagere en nattere ligging van het plangebied, waardoor het ongeschikt was voor akkerbouw en bewoning. Hoewel blijkt uit eerder uitgevoerde onderzoeken in en in de directe omgeving van het plangebied dat er sprake was van sporen van bodemvorming, is er op basis van vervolgonderzoek geen vindplaatsen van voor de Late Middeleeuwen aangetroffen. Dit wijst dat deze sporen van bodemvorming onder natte omstandigheden zijn ontwikkeld, wat overeenkomt met gooreerdgronden. Daarnaast bestaat de aangetroffen vindplaatsen direct ten oosten van het plangebied uitsluitend uit sporen gerelateerd aan agrarische activiteiten. Op basis hiervan geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen maakte het plangebied deel uit van het dorp Olland. De dorpsnaam Olland is afgeleid van Onland, wat onvruchtbaar of moerassig land betekent. Dit wijst op de van nature natte, moeilijk te bebouwen bodem in dit gebied.
Dit dorp bestond echter tot in de late 20e eeuw slechts uit enkele verspreide boerderijen/woningen. Op historische kaarten is te zien dat het plangebied vanaf begin 19e eeuw niet bewoond is geweest en was uitsluitend in gebruik voor agrarische doeleinden. Op basis hiervan geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, behalve verspreide sporen gerelateerd aan landgebruik. Tot slot is de verwachting op het aantreffen van resten uit de Tweede Wereldoorlog laag: het gebied valt niet binnen een aandachtsgebied voor militaire relicten, waardoor de kans op dergelijke vondsten gering is. Op grond van het veldonderzoek dient de eerdere hoge archeologische verwachting voor het plangebied – zoals vastgesteld in het bureauonderzoek voor de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd – te worden bijgesteld naar een lage verwachting. De bodem bestaat uit dekzand, dat is afgedekt door een bouwlanddek en daarboven een moderne bouwvoor. De bovenkant van het dekzand is aangetroffen op een diepte van 95 tot 130 cm onder het maaiveld (8,2 tot 7,9 m boven NAP), met uitzondering van het noordelijke deel, waar het dekzand al vanaf 65 cm onder het maaiveld (8,5 m boven NAP) aanwezig is. De verwachte sporen van bodemvorming zijn niet waargenomen, hoewel deze naar verwachting onder natte omstandigheden zijn gevormd.
De ligging van het plangebied in een natte gebied is vastgesteld gezien de hogere ligging van de grondwater; al op 80 – 100 cm onder het maaiveld. Behalve enkele ijzervlekken zijn er in de bovenste laag van het dekzand geen duidelijke sporen van bodemvorming vastgesteld, met uitzondering van een verstoorde BC-horizont in de noordoosthoek. In de rest van het plangebied blijkt de top van het dekzand verstoord te zijn, wat blijkt uit de onregelmatige en gevlekte structuur. Boven het dekzand ligt een bouwlanddek met een dikte van 30 tot 90 cm, waarin brokken geel zand van het onderliggende dekzand zijn aangetroffen. Dit wijst erop dat er minstens 30 tot 60 cm van de top van het dekzand ontbreekt. De variatie in dikte van het bouwlanddek, het ontbreken van de verwachte bodemvorming en de hoge grondwaterstand duiden erop dat het terrein geëgaliseerd is maar ook van oorsprong in een natte gebied bevindt. Door deze egalisatie worden geen archeologische resten meer verwacht uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Mogelijk kunnen in het plangebied sprake zijn van verspreide diepere grondsporen gerelateerd uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd, maar de kans hierop is als klein geacht. 27
Advies Het plan voorziet in de bouw van nieuwe woningen, het uitgraven van een wadi en de aanleg van twee parkeerterreinen. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat de kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd in het plangebied zeer gering is. De bodem is geëgaliseerd, waardoor de top van het dekzand, die archeologisch van belang is, niet meer aanwezig is. Hierdoor zijn eventuele archeologische resten eveneens verdwenen. Transect adviseert daarom om geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Mocht er tijdens de werkzaamheden toch onverwacht een archeologische vondst worden gedaan, dan geldt op grond van de Erfgoedwet 2016 (artikelen 5.10 en 5.11) de wettelijke plicht om deze vondst te melden aan de gemeente Meierijstad. Dit advies is gebaseerd op de onderzoeksresultaten. De gemeente Meierijstad zal als bevoegde instantie bepalen hoe eventuele archeologische waarden binnen het plangebied worden behandeld.
28
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • www.brabant.nl/onderwerpen/cultuur-en-erfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-inbrabant • www.bhic.nl • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • noordbrabant.omgevingsrapportage.nl • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com • www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ • https://omgevingswet.overheid.nl • skonolland.nl Lijst met afbeeldingen Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl). Figuur 2: De toekomstige situatie in het plangebied aan de Olland achter de kerk. Figuur 3: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. 29
Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 2015 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 10: Uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl). Figuur 11: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (19-01-2026). Literatuur Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Berkmortel, B. et.al., 2010. Pastoor Smitsstraat 40 te Olland. Rapport S100167. Diepen van, drs. L. & D. Hagens, 2018. Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen De Misse te Olland. AM17002. Aeres-Milieu Rapport AM17002. Kimenai, P., 2012. Olland, Pastoor Smitsstraat. Hart van Olland. BAAC-rapport A-11.0006. Maas, G. J., W.M. van der Meij, S. P. J. v. Delft, A. H. Heidema., 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000. http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Mostert, M., 2013. Olland. Pastoor Smitsstraat. BAAC-rapport A-11.0134. Mulder, E.F.J de., M.C. Geluk, I. Ritsema, W.E. Westerhof & T.E. Wong 2003, De ondergrond van Nederland, Groningen. Putten, M. J. van, D. E. P. C. M. Beckers, H. de Weerd, 2021.
Gemeente Meierijstad Archeologische inventarisatie- en beleidskaart, een actualisatie. BAAC-rapport V-19.0072. Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands), Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314). Schorn, E.A., 2024. Pastoor Smitsstraat 36 Sint-Oedenrode. KSP-rapport 22048. Stiekema, M., 2024. Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Het Binneveld 22 in Olland Gemeente Meierijstad. Econsultancy-rapport 25337.002. Thiesen, L., 2023, Verkennend bodemonderzoek nabij de Pastoor Smitsstraat Olland. Lankelma rapport 2300533. TNO, 2020. Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600 000 . Vries, N. de & M. Soldaat, 2020. Olland, Pastoor Smitstraat (ongenummerd), gemeente Meierijstad Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O). Salisbury Archeologische Rapporten 352.
30
Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode
Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
5300 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
31
Bijlage 2: Plantekening
32
Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Meierijstad
33
34
Bijlage 4: Geomorfologie
35
Bijlage 5: Landschappelijke eenhedenkaart
36
37
Bijlage 6: Hoogtekaart
38
39
Bijlage 7: Bodemkaart
40
Bijlage 8: Archeologische informatie
41
Bijlage 9: Boorpuntenkaart
42
Bijlage 10: Foto’s van boringen Hieronder volgen enkele foto’s van boring 1 t/m 6.
Boring 1.