CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Wijsstraat ong. te Schijndel_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 5 QS Ecologie

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Wijsstraat ong. te Schijndel'6.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENTE MEIERIJSTAD

QUICKSCAN ECOLOGIE WIJSSTRAAT SCHIJNDEL IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING 3 JANUARI 2022

WSP NEDERLAND B.V. RINGWADE 41 3439 LM NIEUWEGEIN +31 (0)88 910 20 00 wsp.com

PROJECTNUMMER SLM018415 DOCUMENTNUMMER SLM018415.QS, versie 001

COLOFON RAPPORTHISTORIE 1

03-01-22

2

Oplevering concept Definitief

OPDRACHTGEVER Gemeente Meierijstad Mevrouw M. Eekman Stadhuisplein 1 5461KN VEGHEL CONTACTPERSOON WSP T. Zeegers +031 (0)6-12227207 tom.zeegers@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

SLM018415

SLM018415.QS,

versie 001

Concept

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

PARAAF

B. van Eijk

Junior Ecoloog

03-01-2022

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

T. Zeegers

Ecoloog

03-01-2022

GOEDGEKEURD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Natascha Pirovano

Projectleider

17-02-2022

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

PARAAF

PARAAF

WSP 3 Januari 2022 pagina 2/30

INHOUDSOPGAVE

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

1

INLEIDING

5

2

WETTELIJK KADER

6

2.1

Soortenbescherming

6

2.2

Gebiedsbescherming

7

3

PLANGEBIED

8

3.1

Huidige situatie

8

3.2

Planontwikkeling

9

4

ONDERZOEKOPZET

10

4.1

Beschikbare gegevens en veldbezoek

10

4.2

Effectenbeoordeling

10

5

BESCHERMDE SOORTEN

11

5.1

Planten

11

5.2

Grondgebonden zoogdieren

11

5.3

Vleermuizen

12

5.4

Amfibieën

12

5.5

Reptielen

12

5.6

Vissen

13

5.7

ongewervelden

13

5.8

Vogels

13

6

TOETSING GEBIEDSBESCHERMING

15

6.1

Toetsing Wnb: Gebiedsbescherming: Natura 2000

15

6.2

Toetsing provinciaal natuurbeleid: Natuurnetwerk Brabant

16

7

EFFECTBEOORDELING

17

7.1

Vogelrichtlijnsoorten

17

7.2

Habitatrichtlijnsoorten

17

7.3

Nationaal beschermde soorten

18

7.4

Beschermde gebieden

18

8

SAMENVATTING BEVINDINGEN

19

WSP 3 Januari 2022 pagina 3/30

OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1

— Literatuur Bijlage 2

— Wetgeving en beleid Bijlage 3

— Impressie plangebied

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 4/30

1

INLEIDING

In opdracht van gemeente Meierijstad heeft WSP Nederland B.V. een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Wijsstraat te Schijndel. Dit is gedaan als onderdeel van het opstellen van een bestemmingsplan. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb; bijlage 1) met betrekking tot soortbescherming en gebiedsbescherming (inclusief Natuurnetwerk Nederland, hierna NNN en Natura 2000). De voorliggende quickscan leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor geplande planontwikkeling.

Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect heeft op (potentieel) aanwezige beschermde planten- en diersoorten of functies voor deze soorten; en daarmee mogelijk strijdig is (zijn) met de soortenbescherming conform de Wnb; Algemene soorten in het plangebied te verwachten zijn waar op basis van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) rekening mee gehouden moet worden; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de in potentie voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het NNN en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing (Voortoets) en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing.

Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van alle (algemene én strikt beschermde) soorten geldt in alle gevallen de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). WSP Nederland B.V. is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland B.V. zijn VCA gecertificeerd. Daarnaast is WSP lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). WSP is actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit betekent dat medewerkers van WSP Nederland B.V. zich conformeren aan gedragscodes uitgevaardigd door het NGB. Rapporten voldoen aan de richtlijnen en standaarden die zijn opgesteld door het NGB. WSP Nederland B.V. is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van deze quickscan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van Gemeente Meierijstad en is haar eigendom.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 5/30

2 WETTELIJK KADER De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden, nationale natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland; het NNN), planten- en diersoorten (bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In geval van overtreding van verboden zoals het opzettelijk doden van beschermde individuen, vernielen jaarrond beschermde nesten, eieren of andere beschermde leefgebieden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu). Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.

2.1

SOORTENBESCHERMING

In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (tabel 2.1). Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren. Tabel 2.1: Op hoofdlijn verboden per beschermingsregime SOORTEN VOGELRICHTLIJNSOORTEN

ARTIKEL VERBODEN

3.1

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 en 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding)

HABITATRICHTLIJNSOORTEN, SOORTEN UIT BIJLAGE I EN II VAN DE BERN CONVENTIE EN BIJLAGE I VAN DE BONN CONVENTIE

3.5

ANDERE BESCHERMDE SOORTEN

3.10

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel B)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 6/30

2.2 GEBIEDSBESCHERMING Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. In de provincie Noord-Brabant is het natuurbeleid vastgelegd in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel uitmaakt van het NNN.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 7/30

3 PLANGEBIED 3.1

HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied bevindt zich aan de westelijke kant van het dorpscentrum van Schijndel. Het plangebied bestaat uit twee bouwpercelen. De percelen bevinden zich midden in een woonwijk met aangrenzende woningen aan de noord- en zuidkant (zie figuur 3.1 en bijlage 3). Ten westen ligt de Wijsstraat en ten oosten bevindt zich het overgebleven stuk weiland. De percelen hebben in totaal een oppervlakte van circa 600 m2 en bestaan voor het grootste gedeelte uit een weiland waar momenteel paarden op grazen. Het weiland is grotendeels begrazen, met korte ondergroei die bestaat uit Engels raaigras, mos, brandnetel en witte dovenetel. Tegen het hekwerk aan de westkant groeit klimop en in noordoosten van het noordelijke perceel bevindt zich een coniferen heg. Ten westen van het plangebied staat een hazelaar met daarnaast drie eiken. Ten noorden van het plangebied staat ook een eik naast de aangelegen woning. Zie fotobijlage voor een impressie van het plangebied.

Figuur 3.1: kadasterkaart van het plangebied (rood omkaderd).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 8/30

3.2 PLANONTWIKKELING De gemeente Meierijstad is voornemens een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het plangebied. Dit omdat tijdens de gemeentelijke bestemmingsplan actualiseringsslag van een aantal jaar geleden de bouwmogelijkheid van het bouwen van een twee-onder-een-kapwoningkapwoning is vervallen. Deze bouwmogelijkheid moet hersteld worden en er moet een bouwmogelijkheid worden gerealiseerd voor drie kleinere woningen. Dit sluit beter aan bij het gemeentelijk volkshuisvestelijk beleid en is beter passend in het stedenbouwkundig beeld ter plaatse. Deze beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan en moet daarom veranderd worden.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 9/30

4 ONDERZOEKOPZET 4.1

BESCHIKBARE GEGEVENS EN VELDBEZOEK

De quickscan bestaat uit één veldbezoek in combinatie met een bureaustudie. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2021, opgevraagd op 9 december 2021) van de afgelopen 10 jaar binnen een straal van maximaal 2 kilometer rondom het plangebied. De data uit de NDFF is toereikend voor de soortgroepen vogels en grondgebonden zoogdieren. De data van de andere soortgroepen is beperkt. Dit is gezien de oppervlakte, ligging en aard van het plangebied echter wel voldoende om een goed beeld te geven van de mogelijke flora en fauna in het plangebied. Er was daardoor geen aanleiding om meerdere bronnen te raadplegen. Het plangebied is op 10 december 2021 bezocht door Bart van Eijk, MSc., ecoloog bij WSP. Ten tijde van de inspectie was het droog, 3°C en bewolkt met een matige zuidwestelijke wind (3 Bft). Tijdens dat veldbezoek is gezocht naar beschermde natuurwaarden en is een inschatting gemaakt van de mogelijk aanwezige beschermde soorten op basis van een habitatbeoordeling.

4.2 EFFECTENBEOORDELING De omvang van de ontwikkeling en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. Op basis van de effectenbeoordeling is beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en permanente effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en volledigheid van de uit te voeren werkzaamheden en planning daarvan. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 10/30

5 BESCHERMDE SOORTEN In dit hoofdstuk zijn per soortgroep de bevindingen beschreven van zowel de bureaustudie alsook het uitgevoerde veldbezoek.

5.1

PLANTEN

Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat geen enkele beschermde plantensoort in de omgeving van het plangebied voorkomt. Door het geringe aantal waarnemingen uit de NDFF kan ervan uit worden gegaan dat de beschikbare data uit de NDFF niet representatief zijn voor de soortgroep planten (waarnemerseffect/ ontbreken onderzoeksinspanning). Gezien de aard, de soorten en begrazing van het plangebied zijn naast de NDFF zijn geen verdere bronnen geraadpleegd. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek (buiten het bloeiseizoen) zijn geen groeiplaatsen van beschermde plantsoorten aangetroffen. Het plangebied wordt intensief begraasd door paarden. Hierdoor kunnen er alleen enkele zeer algemene soorten voorkomen zoals brandnetel en Engels raaigras aangezien deze soorten daar bestand tegen zijn. Op basis van de aangetroffen planten, de ligging en het gebruik van de percelen kan worden vastgesteld dat het plangebied geen functie heeft als groeiplaats voor beschermde plantensoorten.

5.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van verschillende soorten in de omgeving. Er zijn verschillende waarnemingen gedaan van de eekhoorn ten noordoosten op circa 300 meter van het plangebied. Andere grondgebonden zoogdieren die zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied zijn egel, konijn en huisspitsmuis. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn geen (sporen van) grondgebonden zoogdieren waargenomen. Door de afwezigheid van bomen en bosschages is de functie als verblijfplaats voor eekhoorn uitgesloten. Ook als foerageergebied is het plangebied niet geschikt voor de eekhoorn. In de bomen in de nabijheid van het plangebied zijn geen eekhoornnesten aangetroffen. Kleine marterachtigen zoals wezel en hermelijn hebben een voorkeur voor open, droge natuur- en cultuurlandschap. Ze gebruiken bosschages, houtstapels of heggen als dekking. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen. Gezien het plangebied een klein oppervlak heeft, zich bevindt in de bebouwde omgeving en het kortbegraasde en platgetrapte grasveld geen dekking bied is het plangebied ongeschikt als leef- en foerageergebied voor kleine marterachtigen. Het plangebied is geschikt voor de algemene soorten konijn en huisspitsmuis. Deze soorten kunnen het plangebied als foerageergebied gebruiken.

Tijdens het veldbezoek zijn geen holen aangetroffen die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie NoordBrabant, 2016).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 11/30

5.3 VLEERMUIZEN Bureaustudie Van de soortgroep vleermuizen zijn slechts enkele meldingen bekend, namelijk vier van een gewone dwergvleermuis. Gezien de diversiteit aan geschikte biotopen kan ervan uit worden gegaan dat de beschikbare data uit de NDFF voor de soortgroep vleermuizen niet representatief zijn (waarnemerseffect/ ontbreken onderzoeksinspanning) en dat er veel meer soorten vleermuizen in hogere dichtheden te verwachten zijn in de omgeving. Veldbezoek Door de afwezigheid van bomen en bebouwing is de functie van het plangebied als verblijfplaats voor vleermuizen uitgesloten. Het dorp vormt het leefgebied voor gebouwbewonende vleermuizen. De aangrenzende woningen bieden geschikte mogelijkheden voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen. Daarnaast is het plangebied geschikt als zeer klein onderdeel van het totale foerageergebied, maar vormt hierin geen essentieel onderdeel.

5.4 AMFIBIEËN Bureaustudie Van de soortgroep amfibieën zijn slechts enkele meldingen bekend, namelijk drie van een bruine kikker. Gezien de diversiteit aan geschikte biotopen kan ervan uit worden gegaan dat de beschikbare data uit de NDFF voor de soortgroep amfibieën niet representatief zijn (waarnemerseffect/ ontbreken onderzoeksinspanning) en dat er veel meer soorten amfibieën in hogere dichtheden te verwachten zijn in de omgeving Veldbezoek In en rondom het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater voor de bruine kikker en andere amfibieën uitgesloten. Ook is het plangebied ongeschikt als landhabitat. Dit vanwege het ontbreken van structuurrijke begroeiingen met een extensief en vochtig karakter. Daarnaast zijn de percelen ecologisch gezien geïsoleerd door de verhardingen en infrastructuur van de woonwijk. Het is mogelijk dat algemene soorten het plangebied incidenteel passeren, maar het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor deze soorten.

5.5 REPTIELEN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt de afwezigheid van reptielen. Binnen een straal van 2 km zijn geen waarnemingen van reptielen gedaan volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat (natuurlijke gebieden in de duinen, bossen en heidevelden) in het plangebied en in de omgeving, is dat aanwezigheid van reptielen uitgesloten.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 12/30

5.6 VISSEN Vanwege het ontbreken van enige vorm van oppervlaktewater binnen het plangebied, is het voorkomen van vissen uitgesloten.

5.7 ONGEWERVELDEN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van twee soorten in de omgeving van het plangebied. De grote vos is waargenomen ten zuidoosten van het plangebied op circa 1,4 kilometer van het plangebied. De grote weerschijnvlinder is in het buitengebied op circa 600 meter van het plangebied waargenomen. Veldbezoek Geschikt leefgebied voor beschermde soorten ongewervelden ontbreekt ter plaatse van het plangebied. Beschermde soorten komen enkel voor in zeer specifieke habitats of moeten er specifieke elementen aanwezig zijn, wat niet het geval is in het plangebied. Ook voor de soorten die binnen het stedelijke gebied zijn aan te treffen ontbreekt geschikt habitat. De grote vos prefereert vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote weerschijnvlinder prefereert oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De genoemde habitats zijn afwezig binnen het plangebied.

5.8 VOGELS ALGEMENE BROEDVOGELS Bureaustudie Verspreidingsgegevens van NDFF (2021) tonen de aanwezigheid van verscheidene algemene vogelsoorten zoals houtduif, ekster en merel in de omgeving van het plangebied. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn individuen waargenomen van de kauw en houtduif. In de nabije omgeving is één nestlocatie van de ekster waargenomen in een eik 75 meter ten zuiden van het plangebied. Door de beperkte grootte van de graspercelen en het gebruik als graaslocatie voor paarden wordt het plangebied uitgesloten als nestlocatie voor weidevogels. Soorten als merel en mezen kunnen tot broeden komen in de coniferen haag op de noordgrens van het plangebied.

VOGELS MET EEN JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATS OF WAARVOOR VOLDOENDE FUNCTIONEEL LEEFGEBIED AANWEZIG MOET BLIJVEN Bureaustudie Vanuit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten. Zo zijn de bosuil, huismus, gierzwaluw, boomvalk, buizerd, sperwer, wespendief, zwarte wouw en grote gele kwikstaart ten noordoosten van het plangebied waargenomen.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 13/30

Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn geen vogels met jaarrond beschermde nestplaats waargenomen. Er zijn eveneens geen nesten waargenomen. Door de afwezigheid van gebouwen en bomen vervult het plangebied geen functie als nestlocatie voor de gierzwaluw, buizerd, bosuil en andere boom- en gebouw bewonende soorten. Het dorp vormt het leefgebied voor de gebouwbewonende vogels gierzwaluw en huismus. De aangrenzende woningen bieden geschikte mogelijkheden voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen. De aanwezige coniferen heg is geschikt als winterverblijfplaats voor de huismus. Verder is het plangebied voor de huismus geschikt als foerageergebied. Dit foerageergebied is echter niet essentieel gezien de aanwezigheid van voldoende foerageergebied in de woonwijk rondom het plangebied. Het plangebied vervult geen functie van verblijfplaats voor uilen, hoogstens is het plangebied een niet essentieel onderdeel van het foerageergebied van elders verblijvende uilen. De meldingen uit de NDFF laten zien dat bijna alle waarnemingen van grote gele kwikstaart uit het winterhalfjaar komen en betrekking hebben op trekvogels en overwinteraars. Daarnaast zijn de fysieke nest voorwaarden voor de grote gele kwikstaart erg specifiek.

De soort is watergebonden en door de afwezigheid van stromend water en nissen in de muur of onder boomwortels is het voorkomen van deze soort binnen het plangebied uitgesloten.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 14/30

6 TOETSING GEBIEDSBESCHERMING De bescherming van gebieden is in dit hoofdstuk uitgesplitst in Natura2000 en in Nationaal Natuurnetwerk Brabant. Beide zijn hieronder nader toegelicht.

6.1

TOETSING WNB: GEBIEDSBESCHERMING: NATURA 2000

Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Vlijmens ven, moerputten & Bossche Hoek‘ ligt 9,6 kilometer ten noordwesten van het plangebied (figuur 6.1). Gezien de ruime afstand van het plangebied doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied. Externe effecten zoals trilling, geluid en beweging beperken zicht tot enkele honderden meters en zijn daarom op voorhand uitgesloten. Er wordt verwacht dat zowel in de aanlegfase en uitvoerfase geen sprake is van stikstoftoename op Natura 2000-gebieden. Dit gezien de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied.

Vlijmens ven, moerputten & Bossche Hoek

Kampina & Oosterwijkse Vennen

Figuur 6.1 Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura2000-gebieden. (Bron: Natura200.nl 15-12-2021)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 15/30

6.2 TOETSING PROVINCIAAL NATUURBELEID: NATUURNETWERK BRABANT Het plangebied overlapt niet met gebieden die zijn aangesloten bij Nationaal Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie figuur 6.2). Van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is daarom niet noodzakelijk.

Figuur 6.2: ligging plangebied (globaal, rode contour) ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant (groen, geel en lichtrode vakken)

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 16/30

7 EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk zijn de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de planontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn per beschermingsregime de verbodsartikelen genoemd die mogelijk overtreden kunnen worden. Voor een uitgebreidere omschrijving wordt verwezen naar tabel 2.1 in hoofdstuk 2 (wettelijk kader).

7.1

VOGELRICHTLIJNSOORTEN

Bij de effectenbeoordeling op broedvogels is onderscheid gemaakt in nesten die eenmalig in gebruik zijn en nesten die vast in gebruik zijn en daarmee ook permanent zijn beschermd. ALGEMENE BROEDVOGELS Nesten van de meeste soorten vogels zijn beschermd tijdens het gebruik ervan, overtreding van artikel 3.1, lid 2 (beschadigen/ vernielen van nesten) is buiten het broedseizoen niet aan de orde Voor deze vogelsoorten volstaat om rekening te houden met het broedseizoen (globaal de periode 15 maart tot en met 15 juli). In het geval het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, moet in overleg met een ecoloog bepaald worden hoe overtreding van het eerdergenoemde verbodsartikel voorkomen kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of door uitvoering van broedvogelcontroles door de ecoloog. Daarnaast kan de aanwezige vegetatie voor het broedseizoen verwijderd worden zodat het plangebied ongeschikt is voor broedvogels. Bij het plangebied is de aanwezige coniferenhaag van belang gezien dit een geschikte nestplaats is voor algemene vogelsoorten zoals merel en mees. Daarnaast kan het grasland verwilderen als de voor nu aanwezige paarden worden verplaatst. Hierdoor kan het grasland geschikt worden als broed- en foerageerplaats.

Als de genoemde maatregelen zijn uitgevoerd kunnen de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd. VOGELS MET EEN JAAR ROND BESCHERMDE NESTPLAATS Naast algemene broedvogels zijn er ook vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Deze vogelsoorten keren jaarlijks terug naar hetzelfde nest, of nestplek. Dit betekent dat het verwijderen of aantasten van deze nesten leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2, ook al worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Tevens is de functionele leefomgeving rondom de nestlocatie van deze broedvogels beschermd. Het plangebied vervult een functie voor vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. De coniferenhaag is geschikt als winterverblijfplaats voor huismussen. Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied. Als men woningen op de percelen bouwt zal een deel van dit foerageergebied verdwijnen. Echter zal een deel hiervan terugkomen in de vorm van tuinen. De voorgenomen ontwikkelingen zullen niet leiden tot het overtreden van verbodsartikelen, mits de coniferenhaag niet wordt beschadigd of verwijderd.

7.2 HABITATRICHTLIJNSOORTEN Ten aanzien van Habitatrichtlijn soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.5, lid 4 (aantasten en vernietigen van rustplaatsen) en 3.5, lid 2 (opzettelijk verstoren). Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder alle soorten vleermuizen. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen raakvlakken met het voorkomen van soorten die beschermd zijn onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied, maar de voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot het overtreden van verbodsartikelen omdat geen essentieel leefgebied wordt verwijderd/vernietigd

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 17/30

7.3 NATIONAAL BESCHERMDE SOORTEN Ten aanzien van Nationaal beschermde soorten kan er sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.10, lid 1b (aantasten en vernietigen van rustplaatsen). Verstoring is ten aanzien van deze soorten niet benoemd als verbodsartikel. Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder diverse grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Vrijstelling en zorgplicht Ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van onder andere ruimtelijke ontwikkelingen. De soorten die zijn vrijgesteld verschillen per bevoegd gezag. In deze situatie geldt de vrijstelling ten aanzien van de meeste voorkomen algemene grondgebonden zoogdieren (egel, konijn, spitsmuis, etc.) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, etc.) De zorgplicht blijft echter van kracht, ook al zijn soorten vrijgesteld of niet opgenomen in de lijsten van de verschillende beschermingsregimes. De zorgplicht houdt in dat met de voorkomende soorten rekening wordt gehouden in zoverre dit redelijkerwijs mogelijk is. Om te voldoen aan de zorgplicht is het niet nodig om te werken conform een goedgekeurde gedragscode of een verleende ontheffing. Voldoen aan de zorgplicht kan als volgt: ▪ ▪ ▪

Biedt de voorkomende soorten de gelegenheid te kunnen vluchten bij het aantreffen ervan. Minder mobiele soorten als egel of gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van het werk. Als de percelen braak komen te liggen zijn bovenstaande maatregelen in het bijzonder relevant tijdens het verwijderen van het aanwezige groen.

Niet vrijgestelde soorten of soorten die periodiek in het jaar zijn vrijgesteld Het voorkomen van niet vrijgestelde soorten (zoals de eekhoorn, wild zwijn, steenmarter, hermelijn en wezel) is uitgesloten binnen het plangebied.

7.4 BESCHERMDE GEBIEDEN Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied en bevindt zich niet in een regio met Natura 2000-gebieden tot op minimaal een kilometer afstand hemelsbreed. Veel externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten rijken doorgaans tot enkele honderden meters en zijn hierdoor uit te sluiten. In tegenstelling tot de eerdergenoemde externe effecten, kan het effect van neerslag van stikstof wel tot verder rijken dan enkele honderden meters. Een beoordeling over de noodzaak tot vervolgstappen ten behoeve van stikstofemissie wordt separaat uitgevoerd. Het plangebied maakt geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is daarom niet noodzakelijk.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 18/30

8 SAMENVATTING BEVINDINGEN De bevindingen van natuurtoets zijn in de onderstaande tabel samengevat. Hierbij is gebruik gemaakt Van de volgende kleurcodering:

Geen vervolgonderzoek/ acties noodzakelijk voor de geplande werkzaamheden De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits het gegeven advies wordt opgevolgd. Vervolgonderzoek: er is onvoldoende inzicht verkregen om de effecten van de werkzaamheden te bepalen Ontheffing is noodzakelijk. De werkzaamheden zullen leiden tot een negatief effect.

BESCHERMINGSREGIME (relevante soortgroepen)

(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN VOORGENOMEN ONTWIKKELING

ADVIES

VERVOLGSTAPPEN NOODZAKELIJK?

Ja

De aanwezige coniferenhaag mag niet verwijdert/beschadigd worden. Daarnaast moet rekening gehouden worden met het broedseizoen, zie verder onder paragraaf 7.1.

Nee

Geen

Geen

Nee

Geen

Er moet voldaan worden aan de zorgplicht, zie verder onder paragraaf 7.3.

Nee

Geen

Geen

Nee

Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming)

Vogelrichtlijn (Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats)

Habitatrichtlijn (Vleermuizen) Vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Algemene soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën) Niet of deels vrijgestelde Nationaal beschermde soorten

Gebiedsbescherming (Wet Natuurbescherming en NNN) Natura 2000-gebieden

Geen (stikstofemissie wordt separaat beoordeeld)

Geen

Nee

NNN-gebieden

Geen

Geen

Nee

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 19/30

OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1

— Literatuur Bijlage 2

— Wetgeving en beleid Bijlage 3

— Impressie plangebied

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 20/30

BIJLAGE

1

LITERATUUR

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 21/30

LITERATUUR NDFF, 2021. Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied – levering uit de NDFF, NDFF – ndffecogrid.nl Netwerk Groene Bureaus (NGB), werkgroep Standaarden en protocollen (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017, www.netwerkgroenebureaus.nl Websites: https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-brabant Natuurbeheerplan Brabant https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten www.NDFF.nl www.Habitus.nl/vrijgesteldesoorten www.vlinderstichting.nl

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 22/30

BIJLAGE

2

WETGEVING EN BELEID

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 23/30

WETGEVING EN BELEID WET NATUURBESCHERMING De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten en houtopstanden. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: - het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en - het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies.

De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet. In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000-gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. ZORGPLICHT Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: Dergelijke handelingen achterwege laat dan wel Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 24/30

Gebiedsbescherming In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Wnb een vergunningensysteem opgenomen. Hieraan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving. Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd.

De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. SOORTENBESCHERMING De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal. Het is erop gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. VERBODSBEPALINGEN De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes.

Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1). Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen:

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 25/30

Lid 1:

Lid 2: Lid 3: Lid 4: Lid 5:

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om: Lid 1a: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Lid 1c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen.

NESTEN De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als u maatregelen treft die voorkomen dat deze soorten zich op de bouwplaats vestigen tijdens het broedseizoen. U mag dus buiten het broedseizoen nesten verplaatsen of verwijderen, maar daar zijn uitzonderingen op. Nesten die het hele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop.

De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 26/30

3.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Deze categorieën zijn terug te vinden in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten De aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend. Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De soorten uit bovenstaande categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.

Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 27/30

BIJLAGE

3

IMPRESSIE PLANGEBIED

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 28/30

Foto 1.3: Overzicht grens oostelijk deel plangebied + coniferenhaag

Foto 2.3: Overzicht grens westelijk deel plangebied + hekwerk naast de Wijsstraat

Foto 3.3: Overzicht grens noordelijk deel plangebied + eik

Foto 4.3: Overzicht grens zuidelijk deel plangebied + bebouwing aangrenzend perceel

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 29/30

Foto 5.3: Eksternest in nabijgelegen eik (±75 meter)

Foto 6.3: Eik op noordelijke grens van plangebied.

Foto 7.3: Woonwijk aangrenzend aan plangebied

Foto 8.3: Coniferen heg op noordelijke grens plangebied

SLM018415 – QUICKSCAN ECOLOGIE

WSP 3 Januari 2022 pagina 30/30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7db946d5-79b9-4f32-9288-8b4ac6edd4de