Bijlage 4 - Verkennend onderzoek archeologie
Tekst van het document
Rooiseweg 8-8A Schijndel (gemeente Meierijstad) bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Rapport 1522
Colofon titel:
Rooiseweg 8-8A, Schijndel gemeente Meierijstad: bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
serie:
Bureau voor Archeologie Rapport 1522
auteur(s):
C. de Jong (KNA prospector)
autorisatie:
A. de Boer (KNA senior prospector)
datum:
13 mei 2025 (Definitief)
ISSN:
2214-6687
© Bureau voor Archeologie Koningsweg 244 Utrecht T
030 245 1895
E I
info@bureauvoorarcheologie.nl https://www.bureauvoorarcheologie.nl
Administratieve Gegevens. Kenmerk
Waarde
Projectnummer
2024050701
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Meierijstad
Plaats
Schijndel
Toponiem
Rooiseweg 8-8A
Centrum locatie (m RD)
159.320; 401.840 (x; y)
Omvang plangebied
14.690 m2
Omvang onderzoeksgebied booronderzoek
14.690 m2
Kadastrale gegevens
kadastrale gemeentenaam: Schijndel, sectie: M, nummer(s): 345, 402, 403, 417, 625, 647, 648, 649, 650
ARCHIS onderzoeksmeldingsnummer
5663953100 (ABU); 5663978100 (ABO)
Soort onderzoek
bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Opdrachtgever
By Brekel vastgoed
Uitvoerder
Bureau voor Archeologie
Kaartblad
45D
(RO) kader onderzoek
Wijziging omgevingsplan
Periode van uitvoering veldwerk
29 november 2024
Bevoegde overheid
Gemeente Meierijstad
Deskundige namens bevoegde overheid
Erfgoed 's-Hertogenbosch
Versie van het rapport
1_definitief
Beheer en plaats van documentatie
Digitale documentatie: ARCHIS en Datastation Archeologie
4/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Figuur 1: Ligging van het plangebied (rode lijn; achtergrond: PDOK).
5/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Samenvatting Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor bouwwerkzaamheden aan de Rooiseweg 8-8A te Schijndel. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. In het plangebied worden woningen en een appartementencomplex gebouwd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in een dekzandvlakte ligt. In het dekzandlandschap is bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum. In de 18e eeuw ligt het plangebied in een heidegebied. Het gebied is in de tweede helft van de 19e eeuw ontgonnen. De eerste bebouwing bestond uit een boerderij en vier bijgebouwen verspreid over het plangebied. De boerderij wordt in de Tweede Wereldoorlog verwoest. In (het zuiden en noordoosten) en rondom het plangebied hebben wapenopstellingen en/of geschutsposities gestaan. Na de oorlog wordt een noodboerderij gebouwd. De huidige boerderij dateert uit 1952. De boerderij is meerdere malen uitgebreid. Tijdens het booronderzoek zijn negen boringen gezet tot in de C-horizont, met einddieptes tussen 100 en 175 cm -mv.
Hieruit blijkt dat In het zuiden van het plangebied de bodem bestaat uit een 25 tot 30 cm dikke A-horizont die direct op de Chorizont ligt. In de rest van het plangebied is sprake van een 60 tot 110 cm dik omgewerkt pakket die veelal scherp op de C-horizont ligt. Hier is de verstoring tientallen centimeters dieper dan in het zuiden van het plangebied. In één boring in het westen is in de top van de natuurlijke afzettingen een (restant van een) B-horizont aanwezig. Waarschijnlijk is hier sprake van een oorspronkelijke laagte. Afgezien van deze boring, zijn de natuurlijke afzettingen afgetopt. Omdat de bodem in de meeste boringen omgewerkt is tot in de C-horizont , is de kans klein dat behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. In het zuiden van het plangebied is de verstoring minder diep en kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn. Dergelijke resten zullen voornamelijk bestaan uit losse attributen. De kans dat een behoudenswaardige vindplaats uit deze periode aanwezig is, is echter klein. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen. Het rapport is beoordeeld en de gemeente stemt niet in met het advies. De gemeente stelt voor om een conventionele explosievenonderzoek te combineren met een archeologische begeleiding.
Voor deze archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente Meierijstad.”
6/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Inhoudsopgave 1 2
3
4
5 6
Samenvatting.....................................................................................................................................6 Inleiding............................................................................................................................................10 1.1 Doelstelling en vraagstelling.............................................................................................10 Bureauonderzoek.........................................................................................................................12 2.1 Methode....................................................................................................................................12 2.2 Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik..................................................................13 2.3 Huidige situatie......................................................................................................................14 2.4 Aardwetenschappelijke gegevens...................................................................................15 2.5 Historische situatie...............................................................................................................16 2.6 Mogelijke verstoringen........................................................................................................17 2.7 Archeologische en bouwhistorische
waarden............................................................17 2.8 Gespecificeerde verwachting...........................................................................................20 Booronderzoek..............................................................................................................................22 3.1 Inleiding.....................................................................................................................................22 3.2 Methode....................................................................................................................................23 3.3 Resultaten met bodemkundige en geologische interpretatie..............................24 3.4 Archeologische interpretatie............................................................................................25 Conclusie..........................................................................................................................................26 4.1 Conclusie bureauonderzoek.............................................................................................26 4.2 Conclusie booronderzoek..................................................................................................27
Advies................................................................................................................................................29 5.1 Status en inhoudelijke afstemming bevoegde overheid.........................................29 Literatuur.........................................................................................................................................30 Figuren..............................................................................................................................................32 Bijlage 1: Boorbeschrijvingen...................................................................................................61
7/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Lijst met Figuren 1: 2: 3: 4: 5: 6: 7: 8: 9: 10: 11: 12: 13: 14: 15:
16: 17: 18: 19: 20: 21: 22: 23: 24: 25: 26: 27: 28:
Ligging van het plangebied (rode lijn; achtergrond: PDOK). Luchtfoto actueel (Nationaal Georegister). plangebied (zwarte lijn) en onderzoeksgebied (zwarte onderbroken lijn). Archeologische beleidskaart van de gemeente Meierijstad (Gemeente Meierijstad 2023). Nieuwe situatie (tekening van 21 okt, verstrekt door opdrachtgever). Bouwjaren (Kadaster 2024). Bouwtekeningen van de boerderij uit 1950 (Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) 2024). Bouwtekening van de uitbreiding van de stal uit 1970 (Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) 2024). Bouwtekening van de tweede uitbreiding van de stal, uit 1974 (Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) 2024). Bouwtekening van de derde uitbreiding van de stal, uit 1982 (Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) 2024). Bouwtekening van de zuidelijke loods uit 1991 (Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) 2024). Geologische overzichtskaart 2021 (TNO-GDN 2021). Geomorfologische kaart uit 2023 (Wageningen Environmental Research 2023). Hoogte-reliëfkaart (Actueel Hoogtebestand Nederland 2023). Hoogtewaarden in meters ten opzichte van NAP. Hoogte-reliëfkaart detail met historische hoogtemetingen (in groen) uit 1957 (Actueel Hoogtebestand Nederland 2023; Meetkundige Dienst RWS 1983). Hoogtewaarden in meters ten opzichte van NAP. Bodemkaart (Stichting voor Bodemkartering 1969). Bodemkaart van ruilverkavelingsgebied St.
Oedenrode (Bles, Beekman en Visschers 1975). Tiendkaart van Schijndel, 1756 (Van de Weijer 1756). Kadastrale minuur 1811-1832, gemeente Sint Oederode, sectie B, blad 1 (Kadaster 1811-1832). Topografisch militaire kaart 1850 (Bureau van de Militaire Verkenningen 1850). Kadastrale hulpkaart uit 1865 (Kadaster). Gemeente Schijndel, sectie F, archiefnummer 1. Bonneblad, 628-2142-BOXTEL-1900 (Kadaster). Bonneblad, 628-2144-BOXTEL-1928 (Kadaster). Kadastrale hulpkaart uit 1949 (Kadaster). Gemeente Schijndel, sectie F, archiefnummer 92. Kadastrale hulpkaart uit 1953 (Kadaster). Gemeente Schijndel, sectie F, archiefnummer 94. Topografische kaart, 45D-1956-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch (Topografische Dienst). Topografische kaart, 45D-1967-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch (Topografische Dienst). Topografische kaart, 45D-1978-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch
8/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
5 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44
44 45 46 47 47 48 48 49 49 50 50 51 51 52
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
29: 30: 31: 32: 33: 34: 35: 36: 37:
(Topografische Dienst). Topografische kaart, 45D-1988-Boxtel / Schijndel / s-Hertogenbosch (Topografische Dienst). topografische kaart uit 1998 (‘Topotijdreis’). Historische bebouwing. Archeologische terreinen, vondsten en onderzoeken uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021). Ruimingskaart (BeoBOM 2024). Geallieerde stafkaart van oktober 23, 1944 (uit Van Boeijen 2013). De blauwe pijlen weergeven wapenopstellingen. Boorpuntenkaart met contouren nieuwe bebouwing (rood onderbroken lijn). Schematische weergave van de boorprofielen. Boringen 2, 4 en 9.
53 53 54 55 56 57 58 59 60
Lijst met Tabellen 1: 2: 3: 4:
Gebouwen en funderingen. Aardwetenschappelijke gegevens. Archeologische terreinen, onderzoeken en vondstlocaties tot ongeveer 500 m van het plangebied. Coördinaten van de boringen.
9/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
14 16 18 68
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
1
Inleiding Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de bouw van woningen aan de Rooiseweg 8-8A te Schijndel. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een wijziging van het omgevingsplan. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Vanwege het gemeentelijke archeologische beleid moet voor de beoogde ontwikkeling een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000,1 in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.2). Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een booronderzoek in de verkennende fase. Met de bevindingen wordt aan het einde van het rapport een advies gegeven hoe bij het project rekening kan worden gehouden met archeologische waarden.
1.1
Doelstelling en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Het doel van het veldonderzoek is het controleren en verfijnen van de archeologische verwachting zodat een beslissing genomen kan worden over hoe met eventuele archeologische waarden rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. Het veldonderzoek is uitgevoerd als booronderzoek (IVO – O) en betreft de verkennende fase. Tijdens de verkennende fase wordt de aard en intactheid van het bodemprofiel bepaald. Op basis daarvan kunnen kansarme zones worden uitgesloten en eventuele kansrijke zones worden geselecteerd voor eventueel vervolg onderzoek. De volgende onderzoeksvragen zijn in dit onderzoek gebruikt: Bureauonderzoek:
1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
2.
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?
3.
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?
5.
Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?
1
SIKB 2022
10/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
6.
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
7.
Worden deze archeologische resten verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze?
8.
Welke vervolgstap(pen) kunnen worden genomen om rekening te houden met (mogelijke) archeologische resten?
9.
Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
Booronderzoek verkennende fase:
10.
Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel?
11.
Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan?
Eindoordeel:
12.
Indien (mogelijk) archeologische resten aanwezig zijn: a. Worden deze archeologische resten verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? b. Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische resten?
13.
Indien vervolgonderzoek nodig is: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
11/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
2
Bureauonderzoek
2.1
Methode Het bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA 4.2, protocol 4002.2 Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. Eerst wordt het plan- en onderzoeksgebied vastgesteld en het onderzoek gemeld bij ARCHIS. Daarna wordt achtereenvolgens de aardwetenschappelijke, archeologische en historische context van het te onderzoeken gebied bestudeerd. Deze gegevens leiden tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. In de gespecificeerde verwachting worden de mogelijk aanwezige archeologische resten beschreven in termen van onder meer diepteligging, omvang, ouderdom en conservering. De genoemde stappen leiden tot onderhavig rapport en het openbaar maken van de resultaten bij Archis en het e-Depot voor de Nederlandse Archeologie.3 In de hierna volgende hoofdstukken worden de belangrijkste onderzoeksgegevens gepresenteerd. Van alle afgebeelde kaarten is het noorden boven, tenzij anders aangegeven.
2 3
SIKB 2022 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021; Data Archiving and Networked Services (DANS)
12/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
2.2
Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik Afbakening plan- en onderzoeksgebied De ligging van het plangebied staat afgebeeld in figuur 1. Het plangebied ligt in de gemeente Meierijstad in de plaats Schijndel. De locatie ligt aan het adres Rooiseweg 88A. Het plangebied is ongeveer 150 m lang en 100 m breed en heeft een omvang van 14.690 m2. Het plangebied omvag het erf en omliggende weilanden van de Rooiseweg 8 (figuur 2). Het terrein wordt aan de noord-, west- en zuidzijde begrensd door respectievelijk Het Hooghekke, de Rooiseweg en de Structuurweg. Ten oosten van het plangebied ligt een weiland. Om voldoende informatie over aardwetenschappelijke, historische en archeologische gegevens te verzamelen wordt een onderzoeksgebied gebruikt dat groter is dan het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is een zone met straal van circa 500 m om de ontwikkeling heen (figuur 3).
Overheidsbeleid In het gebied geldt een vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2023 ligt het plangebied in de zone met categorie 2, in verband met de mogelijke aanwezigheid van militaire relicten uit de Tweede Wereldoorlog (figuur 4). Het beleid is dat bij ingrepen van meer dan 50 m2 en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm onder maaiveld rekening gehouden moet worden met archeologische resten.
13/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Ontwerp c.q. inrichtingsplan De woning blijft bestaan. De stal en loodsen worden gesloopt. Er worden woningen gebouwd verdeeld over tien blokken (figuur 5). In het zuidoosten wordt een appartementencomplex gerealiseerd.
Aard en omvang van de toekomstige verstoring Naar verwachting vinden graafwerkzaamheden plaats tot minimaal 80 cm -mv. De woningen beslaan ongeveer 2200 m2. Het appartementencomplex heeft een omvang van ongeveer 720 m2.
Milieutechnische condities In het plangebied bevonden zich meerdere ondergrondse en bovengrondse tanks die gesaneerd en verwijderd zijn.4 Eén tank is mogelijk nog in gebruik. Door de aanwezigheid van de tanks zijn delen van het plangebied, vermoedelijk rondom de stal in het noorden, potentieel verontreinigd.
Grondwaterpeil Informatie over de grondwaterstanden kan worden afgeleid uit de grondwatertrap op de bodemkaart. De grondwatertrap is VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 en 80 cm onder maaiveld staat en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper staat dan 120 cm onder maaiveld. De grondwaterstand zal door de beoogde ingrepen waarschijnlijk niet veranderen.
Consequentie van de ingrepen Door het uitvoeren van graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten worden vergraven.
2.3
Huidige situatie Bebouwing, functie en bodemgebruik In het noorden van het plangebied staat een boerderij met aangebouwde stal. Deze heeft een bouwjaar van 1952 (figuur 6). De stal is rond 1970, 1974 en 1982 uitgebreid (figuren 7 tot en met 10). in de stal liggen tevens mestgangen. Diepte van de funderingen en mestgangen staan weergegeven in tabel 1. Volgens het Basisregister Adressen en Gebouwen (BAG) zijn in 1994 en 2010 ten zuiden van de boerderij loodsen gebouwd (figuur 6). Echter, op een bouwtekening uit 1991 is de westelijke loods al bestaand en wordt de zuidelijk gepland (figuur 11). Waarschijnlijk dateren beide loodsen uit de jaren 90 van de 20e eeuw.
Tabel 1: Gebouwen en funderingen. Gebouw
Bouwjaar
Bouwtekening
Onderkant fundering (cm-mv)
Onderkant mestgang (cm-mv)
Boerderij en stal
1952
Figuur 7
80-96
175
4
Provincie Noord-Brabant e.a. 2023
14/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Uitbreiding stal 1
1970
Figuur 8
80
175
Uitbreiding stal 2
1974
Figuur 9
80
170
Uitbreiding stal 3
1982
Figuur 10
80
170
Westelijke loods
Vóór 1991
Figuur 11
80 (schatting)
-
Zuidelijke loods
1991
Figuur 11
80
-
De oprit en het erf zijn verhard met asfalt. Het noordwesten is in gebruik als tuin. De rest van het plangebied bestaat uit weiland (figuur 2).
Omgevingsplan Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking en heeft iedere gemeente een omgevingsplan van rechtswege. Bestaande verordeningen en bestemmingsplannen gelden echter tot een nieuw Omgevingsplan wordt vastgesteld (Art. 4.6 lid 1 onder d en g Invoeringswet Omgevingswet). Deze plannen zijn onderdeel van het tijdelijke Omgevingsplan. De regels uit het (ontwerp) paraplubestemmingsplan archeologie zijn op deze wijze onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.5 Volgens deze regels geldt in het plangebied een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Dit betekent dat bij ingrepen met een omvang van meer dan 50 m2 waarbij de bodem dieper dan 30 cm onder maaiveld wordt verstoord een rapport moet worden overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld.
2.4
Aardwetenschappelijke gegevens De aardwetenschappelijke gegevens staan samengevat in tabel 2. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk', in de landschapszone dekzandvlakten.6 De Roerdalslenk is sinds 25 miljoen jaar een dalingsgebied. Gedurende het Pleistoceen zijn hier rivierafzettingen gevormd. Op de rivierafzettingen is dekzand afgezet (Formatie van Boxtel; figuur 12).7 Op sommige plaatsen is het zand in de vorm van ruggen tot rust gekomen. De plaats Schijndel is op een dergelijke rug ontstaan. Het plangebied ligt echter ten zuiden van de rug. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een vlakte van (verspoeld) dekzand (figuur 13). Op de hoogte-reliëfkaart is de dekzandrug met noordwest-zuidoost oriëntatie ten noorden van het plangebied herkenbaar (figuur 14). De vlakte ten zuiden van de rug neemt in hoogte geleidelijk af richting het westen. Lokaal zijn hoogtes zichtbaar die in de meeste gevallen te relateren is aan de bebouwing en waar dus waarschijnlijk sprake is van ophoging. Een vergelijkbaar onderscheid is ook binnen het plangebied waarneembaar. Het zuiden van het plangebied ligt op ongeveer 9,4 m NAP, terwijl het noorden tussen 9,6 en 10,2 m NAP ligt (figuur 15). Historische hoogtemetingen laten zien dat in 1957 het maaiveld op ongeveer 9,5 m NAP lag. Dit betekent dat het noorden 5 6 7
NL.IMRO.1948.PAR000BP0032022M-ON01 Rensink e.a. 2019 De Mulder e.a. 2003
15/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
van het plangebied tot maximaal 70 cm is opgehoogd. In het zuiden is geen sprake van ophoging. Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied veldpodzolgronden aanwezig (figuur 16 en 17). Deze gronden komen voornamelijk voor bij jonge ontginningsgebieden. Ze ontstaan onder natte omstandigheden, maar zijn veelal goed ontwaterd. Het humeuze dek (A-horizont) is dunner dan 30 cm. Bij diepe grondwaterstanden (grondwatertrap VI en VII), zoals in het plangebied, is de onderliggende B-horizont dun met een scherpe ondergrens.8 Bij lagere gronden (grondwatertrap III en V) is de B-horizont dikker.
Tabel 2: Aardwetenschappelijke gegevens. Bron
Omschrijving
Geologie (figuur 12)
Geologische overzichtskaart:9 •
BX4: Dekzand en overige periglaciale afzettingen (Laagpakket van Wierden en Formatie van Boxtel (ongedifferentieerd))
Bodemkunde (figuur 16 en 17) Bodemkunde 1:50.000:10 •
Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21-VI)
Bodemkaart ruilverkavelingsgebied Sint Oedenrode: • Geomorfologie (figuur 13)
Geomorfologie 1:50.000:11 •
AHN (figuur 14 en 15)
2.5
Veldpodzolgronden; zwak lemig zeer fijn zand (Hn33).
Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss (M53)
Het zuiden van het plangebied ligt op ongeveer 9,4 m NAP, terwijl het noorden tussen 9,6 en 10,2 m NAP ligt.
Historische situatie In het dekzandlandschap is bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum. Bewoning vindt in die periode meestal plaats op (de flanken van) dekzandruggen en andere relatief hoge delen van het landschap in de nabijheid van water. Het plangebied ligt 1,6 kilometer ten zuidoosten van de historische kern van Schijndel. De plaats Schijndel wordt voor het eerst genoemd in 1299 als Skinle.12 De betekenis van de naam kan zijn ontleent aan een eikenbos waar schors (skin) werd gewonnen. Het dorp is ontstaan als dochterparochie van Dinther, waarschijnlijk in de 13e eeuw op vruchtbare gronden langs de Aa.13 Op de tiendkaart uit 1756 staat (de voorloper van) de Rooiseweg gekarteerd als de ‘dijk naar Sint Oedenrode’ (figuur 18). Het plangebied is in deze periode nog niet ontgonnen en ligt in het heidegebied tussen Schijndel en Sint Oedenrode. De ontgonnen gebieden van Schijndel liggen ongeveer 250 m ten noorden van het plangebied. In het begin van de 19e eeuw is de situatie amper veranderd (figuur 19). Pas in de tweede helft van de 19e eeuw wordt het heidegebied ontgonnen (figuur 20 en 22). 8 9 10 11 12 13
Stichting voor Bodemkartering 1969, 65 TNO-GDN 2021 Stichting voor Bodemkartering 1969 Maas e.a. 2021 Van Berkel 2006 Berkvens 2013
16/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Bij de ontginning wordt het plangebied in verschillende percelen bouwland, weiland en boomgaard onderverdeeld (figuur 21, 22 en 23). In het noordwesten wordt een boerderij gebouwd. Deze boerderij ligt ongeveer 6 m ten zuiden van de huidige boerderij. Enkele meters ten westen en oosten bevinden zich in deze periode schuren, bergingen of hokken. In het zuiden van het plangebied staan twee vergelijkbare bijgebouwen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de boerderij wordt de boerderij verwoest (zie hoofdstuk 2.7). In 1946 wordt daarom een noodboerderij gebouwd. Deze noodboerderij is in omvang (130 m2) kleiner dan de voorganger (270 m2). Beide boerderijen liggen op ongeveer dezelfde locatie, dus net ten zuiden van de huidige boerderij. In 1952 wordt de huidige boerderij gebouwd (figuur 6). Op de topografische kaart uit 1956 laat zien dat ten zuiden van de boerderij twee schuren of loodsen staan (figuur 26). Tevens de zijn de percelen samengevoegd tot een aantal grotere percelen. Het noordwesten blijft in gebruik als boomgaard. Het noordoosten is in gebruik als bouwland. Het overgrote deel (het midden en zuiden) is in gebruik als weiland. In de jaren erna worden meerdere panden bijgebouwd, waaronder een stal in het noordoosten (figuur 27 en 28). Veel van de gebouwen zijn in de jaren 80 niet meer aanwezig (figuur 29). De stal in het noordoosten wordt rond 1998 gesloopt (figuur 30).
In dezelfde periode wordt de Structuurweg ten zuiden van het plangebied aangelegd. De zuidelijke loods wordt rond 1991 gebouwd.
2.6
Mogelijke verstoringen Het noorden van het plangebied is opgehoogd met maximaal 70 cm (figuur 15 en 31). De ophoging dateert uit de tweede helft van de 20e eeuw (na 1957). De bestaande en recente bebouwing (van na 1950) overlapt gedeeltelijk met die van vóór 1950 (figuur 31). Door bouwwerkzaamheden kunnen oudere bebouwingsresten verstoord zijn geraakt. Onder de bestaande bebouwing is de bodem tussen 80 (fundering) en 175 cm mv (mestgangen) verstoord.
2.7
Archeologische en bouwhistorische waarden Archeologische terreinen, vondstlocaties en onderzoeken staan weergegeven in figuur 32 en staan toegelicht in tabel 3. De belangrijkste bevindingen worden in de lopende tekst samengevat. In het plangebied liggen geen archeologische waarnemingen en geen (delen van) archeologische terreinen. Het plangebied ligt in het westen van een terrein dat in 2022 onderzocht is door middel van een bureauonderzoek (zaak 4859915100). De onderzoekers stellen dat door de ligging in een lage verspoelde dekzandvlakte het gebied ongeschikt is voor bewoning en landbouw. Omdat het gebied laat (in de 18e en 19e eeuw) ontgonnen is, worden geen resten verwacht tot en met de Nieuwe tijd. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd. 220 m ten noorden van het plangebied is in een recent opgebracht omwalling een Romeinse munt aangetroffen (vondstlocatie 1095180). Vermoedelijk is vondst afkomstig van het naastgelegen veld.
17/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Ten noorden en westen van het plangebied zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Bij het merendeel van deze onderzoeken is de bodem verstoord en zijn geen archeologische resten aangetroffen. Alleen bij het proefsleuvenonderzoek aan de Groote Braak, 500 m ten noordwesten van het plangebied, zijn archeologische resten aangetroffen (zaak 5485112100). De resten bestaan uit sloten gerelateerd aan de nieuwetijdse ontginningen, karrensporen uit de Nieuwe tijd en een schuttersput uit de Tweede Wereldoorlog. Gedurende de tweede wereldoorlog ligt Schijndel wekenlang in de frontlinie. Hierbij werden 600 huizen en boerderijen verwoest en beschadigd.14 Hierbij is waarschijnlijk ook de boerderij in het plangebied verwoest. In 1946 wordt namelijk een noodboerderij gebouwd.15 Deze noodboerderij ligt net ten zuiden van de huidige boerderij (figuur 24 en 25). Tevens is op het erf munitie geruimd (figuur 33).16 De geruimde munitie betrof een lege rookgranaat.17 In het gebied tussen de Rooiseweg en de Hofstad en aan de Rooiseweg zelf, direct ten westen van het plangebied heeft een mijnenveld gelegen. Het plangebied ligt net op de rand van het mijnenveld.
Tussen november 1944 en april 1945 heeft 800 m ten westen van het plangebied een vliegveld gelegen.18 Op een geallieerde stafkaart uit 1944 ligt het zuiden van het plangebied in een zone die gekarteerd staat als ‘Wpn Pits’ (figuur 34). Mogelijk betreft dit een geschutspositie en/of wapendepot. De blauwe pijlen op de oostgrens en rondom het plangebied weergeven wapenopstellingen.
Tabel 3: Archeologische terreinen, onderzoeken en vondstlocaties tot ongeveer 500 m van het plangebied. Archeologische terreinen Geen. Onderzoeken met bijbehorende vondsten 2051910100: Meierijstad, Schijndel, Europalaan-Parallelweg (Hulzebraak III), booronderzoek Het onderzoeksgebied is niet aantrekkelijk geweest voor bewoning. Er is geen esdek aanwezig in het onderzoeksgebied. Het bodemprofiel is verstoord geraakt door de aanwezigheid van een sportveldencomplex. De aangetroffen archeologische indicatoren zijn niet indicatief voor een nederzettingsterrein ter plekke. Hierdoor bestaat er voor het plangebied een lage archeologische verwachting ten aanzien van het aantreffen van een vindplaats. Voor het onderzoeksgebied wordt geen aanvullend onderzoek aanbevolen.19 2322994100: Meierijstad, Schijndel, Europalaan, booronderzoek Uit het veldonderzoek blijkt dat in het plangebied geen sprake is van een geleidelijk ontstaan plaggendek, maar van een in recente tijden opgebrachte humeuze bovengrond met plastic, glas en bouwpuin. De oorspronkelijke bodem was relatief nat, getuige het ondiepe grondwater en de restanten van een gooreerdgrond en natte podzolgrond. Samen met het feit dat in het plangebied geen archeologisch indicatoren zijn aangetroffen, kan geconcludeerd worden dat in het plangebied geen archeologische resten meer verwacht worden.
Er gelden zodoende geen restricties ten aanzien van de verdere planvorming.20 2404771100: Meierijstad, Schijndel, Spoorlaan 19, booronderzoek Op basis van het veldonderzoek bevindt zich vanaf gemiddeld 50 cm –mv en dieper onverstoord dekzand. In een aantal boringen is hierop een circa 5 tot 15 cm dikke laag overwegend geelgrijs zand aanwezig. Dit
14 15 16 17 18 19 20
Canon van Nederland 2024 Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) 2024, documentnummer 1946/0029 BeoBOM 2024 Van Boeijen 2013, 35 Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) 2024 Nales 2004 Ellenkamp 2011
18/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
betreft een omgewerkte laag, mogelijk een oude akkerlaag. In één boring is vanaf gemiddeld 30 cm en dieper een podzolbodem aangetroffen. De bovenste 30 tot 40 cm in de boringen wordt gevormd door de bouwvoor. In de oude akkerlaag kunnen archeologische resten voorkomen uit de periode vanaf in potentie het Paleolithicum. Geadviseerd wordt om in het plangebied vervolgonderzoek uit te laten voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven. Geadviseerd wordt het vlak aan te leggen op of in de top van de mogelijke akkerlaag. Het sporenvlak is het beste zichtbaar in de top van de C-horizont.21 2422607100: Meierijstad, Schijndel, Spoorlaan 19, proefputten\proefsleuven Tijdens het veldwerk zijn weinig grondsporen gevonden. In vier van de vijf werkputten zijn grote langwerpige recente verstoringen aangetroffen. Op de kadasterkaart van 1811-1832 is het terrein onderverdeeld in drie percelen. Waarschijnlijk behoren de greppels tot deze percelering.
Geadviseerd wordt, aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek, om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.22 4859915100: Meierijstad, Schijndel, Het Hooghekke, bureauonderzoek Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied in een overgangszone ligt van een lage dekzandvlakte naar een lager gelegen, verspoelde dekzandvlakte, geen ideaal gebied voor de mens om zich te vestigen. In het plangebied worden veldpodzolgronden verwacht. Dit bodemtype duidt op langere periode van natte omstandigheden in het plangebied, dat zowel voor nederzettingen als de landbouw niet geschikt was. Wel kunnen deze lagere gronden voor jagerverzamelaars mogelijk interessant zijn geweest voor de jacht, echter zullen deze ‘losse’ resten enkel per toeval worden aangetroffen. Ook voor latere periode geldt dat het plangebied niet interessant was om zich te vestigen. Op de historische kaarten is te zien dat het plangebied in begin van de 19e eeuw onderdeel was van de Schijndelse Heide. Deze gronden werden in de 18e en vroeg 19e eeuw ontgonnen. Pas in de laatste eeuw is er in (een deel van) het plangebied bebouwing aanwezig. Op basis van historische kaarten wordt er vanuit gegaan dat er geen oudere voorgangers aanwezig waren.
Op basis van deze gegevens geldt voor de periode laat-paleolithicum tot en met nieuwe tijd een lage archeologische verwachting. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.23 5485112100: Meierijstad, Schijndel, Groote Braak, proefputten\proefsleuven Dit onderzoek is uitgevoerd in 2024. Het rapport is nog niet beschikbaar. Uit de eerste bevindingen blijkt dat het terrein doorkruist wordt door allerlei sloten gerelateerd aan de jonge ontginningen en afwatering. Daarnaast zijn karresporen uit de Nieuwe tijd aangetroffen, evenals recente funderingsresten van kassen. Uit de Tweede Wereldoorlog zijn een schuttersput met Duitse gasmaskers en een veldfles aangetroffen. 5576449100: Meierijstad, Schijndel, Rooiseheide 5, booronderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd in 2024. In de eerst bevingen wordt aangegeven dat de lage archeologische verwachting wordt bevestigd. Het onderzochte gebied ligt volgens de aangetroffen lithologie in een dekzandvlakte, die bestaat uit verspoeld dekzand. De roestvlekken wijzen op hoge grondwaterstanden, die verraden dat oorspronkelijk het gebied nat is geweest. Tevens is de top van het dekzand door graafwerkzaamheden aangetast, getuige de aanwezigheid van een verstoringslaag met puin. Deze ligt scherp op het dekzand. Dit alles maakt de kans op een intacte vindplaats uit de periode Laat-PaleolithicumNieuwe tijd klein.
Vondsten overig 1095180: Meierijstad, Schijndel, De Hoevenbraak, Niet-archeologisch: metaaldetector Tijdens niet-archeologisch graafwerk ten behoeve van de ruiming van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog op het sportpark De Hoevenbraak is in de opgeworpen omwalling van de voetbalvelden een groot fragment van een Laat-Romeins koperen muntje gevonden. Dit muntje is zeer waarschijnlijk van de denominatie 'Follis' en is door vergaande corrosie van het koper niet meer nader determineerbaar/dateerbaar. Het zand dat was gebruikt voor de aanleg van de omwalling van de voetbalvelden was waarschijnlijk afkomstig van het terrein van de voetbalvelden zelf, aangezien het maaiveld hiervan een stuk lager lag dan dat van de omliggende percelen.
In het plangebied staan geen bekende (ondergrondse) bouwhistorische waarden geregistreerd.24 21 22 23 24
Van Rooij 2013, 19 Williams 2013 Vroomans e.a. 2022 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2017
19/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
2.8
Gespecificeerde verwachting Het plangebied ligt in een dekzandlandschap, waarschijnlijk in een vlakte van verspoeld dekzand. In het plangebied zijn veldpodzolgronden aanwezig. In het dekzandlandschap is bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum. Bewoning vindt in die periode meestal plaats op (de flanken van) dekzandruggen en andere relatief hoge delen van het landschap. In de 18e eeuw ligt het plangebied in een heidegebied. Het gebied is in de tweede helft van de 19e eeuw ontgonnen. De eerste bebouwing bestond uit een boerderij en vier bijgebouwen verspreid over het plangebied. De boerderij wordt in de Tweede Wereldoorlog verwoest. Na de oorlog wordt een noodboerderij gebouwd. De huidige boerderij dateert uit 1952. De boerderij is meerdere malen uitgebreid. Daarnaast hebben meerdere bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. De verwachting wordt als volgt gespecificeerd:
1.
Datering
In het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit het LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De hoogste verwachting geldt voor resten uit de Tweede Wereldoorlog.
2.
Complextype
Er moet rekening gehouden worden met archeologische resten uit de periode van landbouwsamenlevingen en staatssamenlevingen gerelateerd aan economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Tevens moet rekening gehouden worden met resten van oorlogshandelingen en wapenopstellingen uit de Tweede Wereldoorlog.
3.
Omvang
Archeologische resten kunnen worden beschouwd als vlakelementen met variabele omvang (klein tot groot). Sommige complextypen kunnen zich ook als puntelementen manifesteren (begravingen, depots, schuttersputten) of als lijnelementen (wegen, watergangen, percelering, loopgraven).
4.
Diepteligging
De top van het potentiële archeologische sporenniveau wordt verwacht onder de bouwvoor van circa 30 cm dik. In het noorden van het plangebied moet daar een maximaal 70 cm dik ophogingspakket bij opgeteld worden.
5.
Gaafheid en conservering (fysieke kwaliteit)
Informatie over de grondwaterstanden kan worden afgeleid uit de grondwatertrap op de bodemkaart. De grondwatertrap is VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 en 80 cm onder maaiveld staat en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper staat dan 120 cm onder maaiveld. De grondwatertrap is VI. Dit betekent dat de conservering van organische archeologische resten (zoals hout, textiel, leer en bot) dieper dan 120 cm onder maaiveld (de minimale gemiddeld laagste grondwaterstand) goed kan zijn. De conservering van organische artefacten die boven dit niveau liggen kan door de (periodiek) zuurstofrijke en droge condities slecht zijn.
20/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Over de gaafheid en conservering van eventuele sporen en artefacten zijn niet meer gegevens bekend.
6.
Locatie
In het hele plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn. Archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog zullen voornamelijk in het noordoosten en zuiden van het plangebied liggen.
7.
Uiterlijke kenmerken (prospectie kenmerken):
Uiterlijke kenmerken: Archeologische resten van jager-verzamelaars bestaan hoofdzakelijk uit ondiepe sporen (haardkuilen) en strooiingen van vuursteen. Daarnaast kunnen resten zonder bodemkundige context zoals vuurstenen werktuigen (pijlpunten, bijlen) en wildvallen aanwezig zijn. Archeologische resten uit landbouwsamenlevingen kunnen bestaan uit sporen in de natuurlijke ondergrond zoals resten van beer- en/of waterputten of afvalkuilen, paalsporen, karresporen, schuttersputten en greppels. Daarnaast kunnen fragmenten aardewerk, crematieresten en inhumaties aanwezig zijn. Fragmenten hiervan kunnen door ploegwerkzaamheden ook in de bouwvoor aanwezig zijn. Archeologische resten van staatssamenlevingen hebben vergelijkbare uiterlijke kenmerken, daarnaast moet (rekening gehouden worden met resten van steenbouw (fragmenten baksteen, uitbraaksleuven, metselwerk). Prospectiekenmerken: Archeologische resten van jager-verzamelaars kenmerken zich door een spreiding van (vuursteen)artefacten. Archeologische resten uit latere perioden kenmerken zich door een sporenniveau.
8.
Mogelijke verstoringen
Het noorden van het plangebied is opgehoogd met maximaal 70 cm. De bestaande en recente bebouwing (van na 1950) overlapt gedeeltelijk met die van vóór 1950. Door bouwwerkzaamheden kunnen oudere bebouwingsresten verstoord zijn geraakt. Onder de bestaande bebouwing is de bodem tussen 80 (fundering) en 175 cm -mv (mestgangen) verstoord.
21/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
3
Booronderzoek
3.1
Inleiding De ligging van het plangebied staat afgebeeld in figuur 1. In het plangebied is een ontwikkeling met grondwerkzaamheden voorzien. Daardoor worden mogelijk archeologische resten verstoord. Voor de beoogde ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd (zie hoofdstuk 2 van dit rapport) waarbij een gespecificeerde archeologische verwachting is opgesteld. Op basis daarvan is een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.2,25 in het bijzonder het hoofdstuk ”protocol 4003 inventariserend veldonderzoek overig”. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens specificatie “VS03 Uitvoeren booronderzoek”. Het onderzoek is gerapporteerd volgens specificatie “VS05 Opstellen standaardrapport IVO - O/P”. Het onderzoeksgebied voor het booronderzoek is hetzelfde als het plangebied. De boringen zijn gezet met het doel de bodemopbouw te verkennen. Met de gegevens van de verkenning wordt de aard en intactheid van de bodemopbouw gecontroleerd en kan de verwachting worden verfijnd. Tevens wordt zo inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd.
Deze methode is toegepast omdat nog onvoldoende informatie over de bodemopbouw beschikbaar is om te kunnen beslissen of en welk type karterend onderzoek eventueel uitgevoerd kan worden.
25 SIKB 2022 22/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
3.2
Methode De werkwijze in het veld was als volgt:
Boortype De boringen zijn gezet met een 7 cm Edelmanboor (onverzadigde bovengrond tot ongeveer 1 m-mv) en 3 cm guts (diepere lagen).
Aantal Er zijn negen boringen tot de gewenste diepte gezet. Er is getracht in het midden van het erf een extra boring te zetten (boring 10). Echter, deze is gestuit op 20 cm -mv op een harde baksteen- of betonlaag.
Diepte De boringen zijn gezet tot in de C-horizont. De boringen hebben einddieptes tussen 100 en 175 cm -mv.
Verspreiding De boringen zijn verspreid in het plangebied geplaatst, gebaseerd op een verspringend grid van 40 bij 50 m.
Waarnemingswijze Het sediment is met de hand bemonsterd en met het blote oog onderzocht door het te versnijden en te verbrokkelen. De opgeboorde grond is systematisch uitgelegd op een plastic zeil. Representatieve uitgelegde boorprofielen zijn gefotografeerd.
Classificatie bodemtextuur en archeologische indicatoren De opgeboorde grond is beschreven op basis van de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 (ASB 1.1), dit omvat NEN 5104.26
Locatie bepaling De X en Y coördinaten van de boringen zijn bepaald door middel van een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. De Z coördinaat is na afloop van het veldwerk bepaald aan de hand het AHN.27 De gegevens zijn digitaal in het veld geregistreerd. Het veldwerk is uitgevoerd op 29 november 2024 door F. Roodenburg (KNA Senior Prospector) en C. de Jong (KNA Prospector).
Plan van Aanpak Voorgaand aan het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld.28 Het Plan van Aanpak is geregistreerd in ARCHIS3.
26 Bosch 2008 27 Actueel Hoogtebestand Nederland 2023 28 De Jong 2024 23/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
3.3
Resultaten met bodemkundige en geologische interpretatie De locaties van de boringen zijn in figuur 35 weergegeven. De boorgegevens staan in Bijlage 1. Met de gegevens zijn schematische doorsnedes gemaakt. Deze zijn weergegeven in figuur 36. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op een vindplaats. Er zijn geen vondsten verzameld. Het grondwater stond tijdens het onderzoek tussen 100 en 130 cm -mv. Al het bodemmateriaal is kalkloos. Op basis van de textuur, kleur en bijmengingen kunnen de volgende pakketten worden onderscheiden, van boven naar onder:
Pakket 1: omgewerkte grond In het overgrote deel van het plangebied (boringen 1 tot en 7) is een heterogeen en gevlekt pakket aanwezig. Het pakket bestaat uit humusloos tot sterk humeus, zwak tot matig siltig, matig grof tot zeer grof zand. De kleur van het pakket bestaat uit een menging (vlekkerig) van geel en donkergrijs. Soms (boorprofielen 3, 6 en 9) zijn de afzettingen bruin gevlekt. Dit is waarschijnlijk een omgewerkt restant van de Bhorizont. Onderin in boorprofiel 4 zijn kalkbrokken aangetroffen. In boorprofielen 2, 4 en 6 zijn baksteenfragmenten en -spikkels aangetroffen. Het pakket is 60 tot 110 cm dik. De laagondergrens is scherp. De top van het pakket ligt aan het maaiveld (999 en 944 cm NAP). De onderkant ligt tussen 909 en 834 cm NAP. In boorprofiel 5 ligt de onderkant van het pakket op een vergelijkbaar als die van pakket 2, namelijk op 917 m NAP. Gezien de dikte en hoogteligging van het pakket is waarschijnlijk een deel opgebracht.
Pakket 2: A-horizont (bouwvoor) In boorprofielen 8 en 9 in het zuiden van het plangebied bestaat de bovenste 25 tot 30 cm uit matig humeus, donkergrijs-bruin, zwak siltig matig grof zand. De afzettingen van dit pakket zijn meer homogeen dan die van pakket 1 (figuur 37). Het betreft de bouwvoor. De top van het pakket ligt aan het maaiveld (958 en 945 cm NAP). De onderkant ligt tussen 928 en 920 cm NAP.
Pakket 3: B-horizont In boorprofiel 4 zijn de natuurlijke afzettingen onder de omgewerkte grond bruin van kleur en bestaan deze uit zwak humeus, zwak siltig matig grof zand. Dit is een (podzol) B-horizont die geleidelijk overgaat in de onderliggende C-horizont. De B-horizont is 25 cm dik en de top ligt op 85 cm -mv (902 cm NAP).
Pakket 4: C-horizont De schone ondergrond (C-horizont) bestaat uit (licht)geel zwak tot matig siltig, matig fijn tot zeer grof zand. De top van het pakket ligt tussen 25 en 110 cm -mv (928 en 834 cm NAP). Op basis van de textuur worden de afzettingen geïnterpreteerd als dekzand.
24/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Synthese: In het merendeel van de boorprofielen ligt scherp op de C-horizont een antropogeen pakket (omgewerkte grond en A-horizont). In deze boringen is de bodem afgetopt. In een aantal boorprofielen zijn in de omgewerkte afzettingen bruine vlekken aanwezig die erop wijzen dat de B-horizont is omgewerkt en opgenomen in de omgewerkte lagen. Slechts bij één boorpunt (4) is een B-horizont aanwezig (figuur 37). Waarschijnlijk lag dit deel van het terrein oorspronkelijk iets lager, omdat de top van de B-horizont lager ligt dan die van de C-horizont in andere boringen. Waarschijnlijk is de bodemopbouw in boorprofielen 8 en 9 representatief voor de onbebouwde situatie in de periode na 1850 (ontginning). Hier ligt de top van de Chorizont het hoogst. In boorprofielen 2, 4 en 5 is de verstoring iets dieper, namelijk 3 tot 18 cm ten opzichte van boorprofiel 8. In boorprofielen 1, 3, 6 en 7 ligt de top van de Chorizont lager en bedraagt de geschatte diepte van de verstoring minimaal 27 tot 86 cm. Hierbij moet rekening gehouden dat de bodem in boorprofielen 8 en 9 tevens is afgetopt en dat de totale verstoring groter is. Roestvlekken ondiep in het bodemprofiel, die wijzen op natte omstandigheden, zijn niet aangetroffen.
3.4
Archeologische interpretatie De bodem is, afgezien van één boring in het westen, omgewerkt tot in de C-horizont. In het noorden en midden is de verstoring dieper dan in het zuiden. Gezien de verstoringen is de kans klein dat behoudenswaardige archeologische resten van jagerverzamelaars en landbouwsamenlevingen aanwezig zijn. In het westen, waar nog wel een B-horizont aanwezig is, is lager gelegen en waarschijnlijk ongeschikt voor bewoning. Ook in deze zone is de kans klein dat behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het noordoosten en zuiden potentieel resten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn. Echter, gezien de verstoringen in het midden en noorden van het plangebied worden in deze zone geen behoudenswaardige archeologische resten meer verwacht. In het zuiden van het plangebied, waar de bouwvoor maximaal 30 cm dik is, kunnen mogelijk nog wel resten aanwezig zijn. Dergelijke resten zullen voornamelijk bestaan uit losse attributen (zoals gasmaskers en veldflessen die 500 m ten noordwesten van het plangebied zijn aangetroffen). De kans dat een behoudenswaardige vindplaats uit deze periode aanwezig is, is echter klein.
25/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
4
Conclusie
4.1
Conclusie bureauonderzoek 1.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
In het plangebied worden woningen en een appartementencomplex gebouwd.
2.
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?
Het plangebied ligt in een dekzandlandschap, waarschijnlijk in een vlakte van verspoeld dekzand. In het plangebied zijn veldpodzolgronden aanwezig.
3.
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
Het noorden van het plangebied is opgehoogd met maximaal 70 cm. Onder de bestaande bebouwing is de bodem tussen 80 (fundering) en 175 cm -mv (mestgangen) verstoord.
4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?
In het dekzandlandschap is bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum. In de 18e eeuw ligt het plangebied in een heidegebied. Het gebied is in de tweede helft van de 19e eeuw ontgonnen. De eerste bebouwing bestond uit een boerderij en vier bijgebouwen verspreid over het plangebied. De boerderij wordt in de Tweede Wereldoorlog verwoest. Na de oorlog wordt een noodboerderij gebouwd. De huidige boerderij dateert uit 1952. De boerderij is meerdere malen uitgebreid. Daarnaast hebben meerdere bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsgevonden.
26/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
5.
Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?
220 m ten noorden van het plangebied is in een recent opgebracht omwalling een Romeinse munt aangetroffen. Vermoedelijk is vondst afkomstig van het naastgelegen veld. In of nabij het plangebied hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog wapenopstellingen en/of geschutsposities gestaan. De zones waarin deze resten verwacht kunnen worden, liggen in het zuiden en noordoosten van het plangebied.
6.
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
In het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit het LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe tijd, inclusief resten uit de Tweede Wereldoorlog.
4.2
Conclusie booronderzoek 7.
Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel?
In het zuiden van het plangebied bestaat de bodem uit een 25 tot 30 cm dikke Ahorizont die direct op de C-horizont ligt. In de rest van het plangebied is sprake van een 60 tot 110 cm dik omgewerkt pakket die veelal scherp op de C-horizont ligt. Hier is de verstoring ook dieper dan in het zuiden van het plangebied. In één boring in het westen is in de top van de natuurlijke afzettingen een (restant van een) B-horizont aanwezig. Waarschijnlijk lag dit deel van het terrein oorspronkelijk iets lager. Afgezien van deze boring, zijn de natuurlijke afzettingen afgetopt.
8.
Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan?
Omdat de bodem in de meeste boringen omgewerkt is tot in de C-horizont , is de kans klein dat behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. In het zuiden van het plangebied is de verstoring minder diep en kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn. Dergelijke resten zullen voornamelijk bestaan uit losse attributen. De kans dat een behoudenswaardige vindplaats uit deze periode aanwezig is, is echter klein.
9.
Indien (mogelijk) archeologische resten aanwezig zijn: a. Worden deze archeologische resten verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Naar verwachting worden door de voorgenomen ingrepen geen behoudenswaardige archeologische resten verstoord.
b. Indien (mogelijk) archeologische resten aanwezig zijn: Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische resten? Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
27/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
10.
Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
Niet van toepassing.
28/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
5
Advies Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Meierijstad.
5.1
Status en inhoudelijke afstemming bevoegde overheid Het rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag stemt niet in met het advies.29
“Reden hiervoor is de concrete verwachting van de aanwezigheid van relicten uit de Tweede Wereldoorlog en de historische betekenis van de gevechtshandelingen rond Operatie Market Garden voor de geschiedenis van Schijndel. […] Op basis van de verwachte aanwezigheid van WO2-resten, waaronder mogelijk NGE, én vanwege de historische relevantie van deze periode voor Schijndel, stelt de gemeente voor om een gecombineerd onderzoek uit te voeren: conventionele explosieven (OCE) met archeologische begeleiding. […] Voor deze archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente Meierijstad.”
29 Via opdrachtgever, 13 mei 2025 29/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
6
Literatuur Actueel Hoogtebestand Nederland. 2023. ‘AHN4’. https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/. BeoBOM. 2024. ‘BeoBOM Ruimingskaart’. https://arcg.is/0ni4mv. van Berkel, G. 2006. Nederlandse plaatsnamen: herkomst en historie. 3. herziene druk. Utrecht: Spectrum. Berkvens, R. 2013. ‘Schijndels erfgoed 2013 Toelichting op de erfgoedkaart van de gemeente Schijndel’. Gemeente Schijndel. Bles, B. J., A. G. Beekman en D. J. R. Visschers. 1975. ‘Ruilverkavelingsgebied St. Oedenrode: bodemgesteldheid en bodemgeschiktheid’. Wageningen : Stichting voor Bodemkartering. WUR E-depot. https://wur.on.worldcat.org/oclc/64339138. van Boeijen, J. D. 2013. ‘Vooronderzoek Conventionele Explosieven Duin Zuid Schijndel’. 3035. Schijndel: BODAC. https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.0844.BPDuinVlagheideDIIVG01/b_NL.IMRO.0844.BPDuinVlagheideDII-VG01_tb4.pdf. Bosch, H. J. A. 2008. ‘Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Op basis van de Standaard Boorbeschrijvingsmethode 5.2’. Deltares-rapport 2008-U-R0881/A. Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC). 2024. ‘Bouwvergunningen’. https://www.bhic.nl/onderzoeken/bouwvergunningen. Bureau van de Militaire Verkenningen. 1850. ‘Topografische Militaire Kaart 1850’. Alterra. Canon van Nederland. 2024. ‘De Granaatweken, Schijndel verwoest door granaatvuur’. https://www.canonvannederland.nl/nl/page/40522/de-granaatweken.
Data Archiving and Networked Services (DANS). ‘Data Station Archaeology’. DANS Data Station Archaeology. https://dans.knaw.nl/nl/data-stations/archaeology/. Ellenkamp, G. R. 2011. ‘Plangebied Europalaan 75 te Schijndel, gemeente Schijndel;
archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en karterend booronderzoek’. RAAP notitie 4035. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. gemeente Meierijstad. 2023. ‘Archeologische beleidskaart gemeente Meierijstad’.
Gemeente Meierijstad. de Jong, C. 2024. ‘Plan van Aanpak verkennend booronderzoek Rooiseweg 8-8A, Schijndel, gemeente Meierijstad’. Bureau voor Archeologie. Kadaster. 1811. ‘Kadastrale Minuten’. 1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/. ———. 2024. ‘BAG Viewer’. https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer/? zoomlevel=1. ———. ‘Kadaster Archiefviewer’. https://www.kadaster.nl/producten/onderwijs-enstudie/archiefviewer. ———. ‘Bonnebladen’. http://www.kadaster.nl/web/artikel/producten/Bonnebladen.htm. Maas, G. J., W. M. van der Meij, S. P. J. van Delft en A. H. Heidema. 2021. ‘Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2021)’. Wageningen Environmental Research. http://legendageomorfologie.wur.nl/. Meetkundige Dienst RWS. 1983. ‘Tophoogte MD: Historisch hoogtepunten bestand’. https://geo.rijkswaterstaat.nl/arcgis/rest/services/GDR/tophoogte/MapServer. de Mulder, E. J. F., M. C. Geluk, I. L. Ritsema, W. Westerhoff en T. E. Wong. 2003. ‘De ondergrond van Nederland’. Wolters-Noordhoff. Nales, T. 2004. ‘Schijndel, Europalaan - Parallelweg’. BAAC Rapport 04.170. BAAC BV. Nationaal Georegister. ‘Luchtfoto Beeldmateriaal RGB 25cm en 8cm WMTS’. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/ metadata/c82a783a-9a58-4761-a809-b4c5d90dcd35.
30/70 - Bureau voor Archeologie Rapport 1522
Schijndel - Rooiseweg 8-8A
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). 2024. ‘Schijndel B.85’. https://www.nimh.nl/themas/tijdlijn-militaire-geschiedenis-van-nederland/ historische-overzichten/vliegvelden-in-oorlogstijd/schijndel. PDOK. ‘BRT Achtergrondkaart’. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK). https://service.pdok.nl/brt/achtergrondkaart/wmts/v2_0. Provincie Noord-Brabant, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, en Omgevingsdienst Brabant Noord. 2023. ‘Omgevingsrapportage Noord-Brabant’. Noord-Brabant Omgevingsrapportage. https://noord-brabant.nazca4u.nl/rapportage/. Rensink, E., H. J. T. Weerts, M. Kosian, H. Feiken, D. Jansen en B. I. Smit. 2019. ‘Archeologische Landschappenkaart van Nederland, versie 3.0’. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 2017. ‘Rijksmonumentenregister’. Cultureelerfgoed.nl. https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister. ———. 2021. ‘Archis3 - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’. https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login. van Rooij, J. 2013. ‘Spoorlaan 19 te Schijndel. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek’. ADC Rapport 3387. Amersfoort: ADC ArcheoProjecten. SIKB. 2022. ‘BRL 4000: Beoordelingsrichtlijn Archeologie, versie 4.2’. SIKB. https://sikb.nl/doc/archeo/BRL%20SIKB%204000%20Archeologie%204_2.pdf.
Stichting voor Bodemkartering. 1969. ‘Bodemkaart van Nederland 1:50.000 : toelichting bij kaartblad 45 West ’s-Hertogenbosch’. Wageningen: Stiboka. http://edepot.wur.nl/117828. TNO-GDN. 2021. ‘Geologische kaart van het koninkrijk der Nederlanden’. TNO Geologische Dienst Nederland. Topografische Dienst. ‘Topografische kaarten 1927-1995’. Emmen: Staat der Nederlanden. ‘Topotijdreis’. http://www.topotijdreis.nl/. Vroomans, M. A. K., L. Kruithof, D. Hagens en N. J. W. van der Feest. 2022. ‘Archeologisch bureauonderzoek Het Hooghekke te Schijndel (gemeente Meierijstad)’. Aeres Milieu rapport AM20180. Aeres Milieu. Wageningen Environmental Research. 2023. ‘BRO - Geomorfologische Kaart (GMM)’. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/ metadata/459231d0-7379-4f26-a444-7616e1d888f0. van de Weijer, J. F. 1756. ‘“Caarte Figuratief van het dorp Schijndel in Clampen” ofwel tiendkaart van geheel Schijndel,’. https://proxy.archieven.nl/0/18D8E85935464056B28C521B3A1618E0. Williams, G. 2013. ‘Schijndel Plangebied Spoorlaan 19 Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven’. ADC Rapport 3547. Amersfoort: ADC ArcheoProjecten.