Bijlage 4. Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
RAPPORTAGE Quickscan natuurwaarden Grote Doelenlaan Sint-Oedenrode
Rapport quickscan natuurwaarden Grote Doelenlaan, Sint-Oedenrode Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
Rapportnummer
23081.003
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
13 februari 2024
Opsteller1
Mevrouw M.M.H. Arts, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer ing. R.M. Sanders
1
VRIJGAVE In onze rapportages en offertes wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes en rapporten aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 6
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 7 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 15 5.1 5.2 5.3 5.4
6
Vogels ............................................................................................................................................. 7 Vleermuizen ................................................................................................................................... 9 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 10 Reptielen ...................................................................................................................................... 12 Amfibieën ..................................................................................................................................... 12 Vissen ........................................................................................................................................... 13 Ongewervelden ............................................................................................................................ 13 Planten ......................................................................................................................................... 13 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 14
Algemene broedvogels................................................................................................................. 15 Vleermuizen ................................................................................................................................. 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 16 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 17
TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING .................................................................................................. 18 6.1 6.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 18 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 19
7
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 20
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 21
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving en doelen Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
23081.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging, sloop en nieuwbouw en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden en/of houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd en/of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
23081.003 versie D1
1 / 23
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 5.500 m²) ligt aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode en omvat de percelen kadastraal bekend als gemeente Sint Oedenrode, sectie I, nummers 4645, 5668, 6415, en 6416. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 160.368, Y = 398.070. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd bij gele pijl).
De onderzoekslocatie betreft een bedrijfshal (Grote Doelenlaan 14 en 16) met bijbehorende bedrijfswoning (Grote Doelenlaan 18 en 18a). De voorzijde van de bedrijfshal bestaat uit een klinkerverharding. Aan de oost-, noord- en westzijde van de bedrijfshal ligt (ruig) grasland. Op het grasland staat een vervallen stalletje en een vervallen schuurtje. De noord- en oostzijde van de onderzoekslocatie wordt begrensd door sloten (Bwatergangen) welke gehandhaafd blijven. Rondom de onderzoekslocatie liggen rijwoningen, twee-onder-eenkapwoningen, vrijstaande woningen, tuinen en weilanden. Ten zuidoosten ligt autosnelweg A50 en het Vresselse Bos. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.2 t/m 2.14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
23081.003 versie D1
2 / 23
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omlijnd) en directe omgeving.
Figuur 2.3 Bedrijfswoning zuidzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.4 Zuidzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 Zuidzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.6 Oostzijde onderzoekslocatie
Figuur 2.7 Zuidoostzijde van de bedrijfshal op de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 Oostzijde onderzoekslocatie.
23081.003 versie D1
3 / 23
Figuur 2.9 Oost- en noordzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.10 Noord- en westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.11 Westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.12 Ruigte westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.13 Vervallen schuurtje westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.14 Vervallen stalletje noordwestzijde onderzoekslocatie.
Figuur 2.15 Bedrijfswoning onderzoekslocatie.
Figuur 2.16 Indruk binnenkant bedrijfshal.
Figuur 2.17 Indruk binnenkant bedrijfshal.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal op de onderzoekslocatie te slopen en op diezelfde locatie circa 20 grondgebonden woningen te ontwikkelen. Tevens wordt het parkeerterrein volledig op het maaiveld geplaatst. Dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. De bestaande bedrijfswoning zal geheel behouden blijven als woning (bestemmingsplanwijziging). In figuur 2.18 is het voorlopige schetsontwerp van de toekomstige situatie weergegeven.
23081.003 versie D1
4 / 23
Figuur 2.18 Voorlopig schetsontwerp van de toekomstige situatie (bron: Rho Adviseurs, 16 januari 2024).
23081.003 versie D1
5 / 23
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde en/of bedreigde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 25 januari 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
23081.003 versie D1
6 / 23
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF de volgende soorten waargenomen: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden waarbij sommigen van deze soorten vaak gebruik maken van grotere nesten van andere vogels. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op de onderzoekslocatie. De (hoge) bomen rondom de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, welke niet zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren op en rondom de onderzoekslocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van bovengenoemde soorten worden uitgesloten.
Negatieve effecten ten aanzien van bovengenoemde soorten als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook niet aan de orde. Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De gierzwaluw broedt over het algemeen binnen de bebouwde kom terwijl de huismus zowel binnen als buiten de bebouwde kom wordt aangetroffen. De huismus nestelt zich in ruimtes onder dakpannen, bij regenpijpen en in nissen of spleten in bebouwing. Incidenteel broedt de huismus in dichte struiken of hagen. Gierzwaluwen prefereren overhangende dakpannen en hebben een vrije aanvliegroute naar de nestlocatie nodig aangezien ze met hoge snelheid hun nestlocaties binnenvliegen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de (te slopen) bedrijfshal op de onderzoekslocatie geen nestgelegenheden voor de huismus en gierzwaluw biedt. De bedrijfshal heeft namelijk geen pannendak of nissen in de muur welke geschikt zijn voor de huismus en gierzwaluw. De (te behouden) bedrijfswoning biedt wel nestgelegenheden voor de huismus en gierzwaluw vanwege de aanwezigheid van
23081.003 versie D1
7 / 23
een dakgoot welke toegang verleend tot ruimtes onder het pannendak en overhangende dakpannen. Tevens biedt de klimop op de onderzoekslocatie nestgelegenheid voor de huismus. Echter zijn tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen in de klimop. Er worden geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van de huismus en de gierzwaluw als gevolg van de voorgenomen plannen aangezien eventuele nestlocaties behouden en functioneel blijven mits buiten het broedseizoen van beide soorten gewerkt wordt (zie hoofdstuk 5). Grote gele kwikstaart Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de dichtstbijzijnde nestlocatie van de grote gele kwikstaart op circa 590 meter afstand van de onderzoekslocatie. De grote gele kwikstaart broedt vlakbij stilstaand tot stromend water, vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren. Hier broedt de soort in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Tevens kan de grote gele kwikstaart in bebouwing nestelen die in de nabijheid staat van water. Dergelijke geschikte elementen zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Negatieve gevolgen ten aanzien van de grote gele kwikstaart zijn daarom uitgesloten. Kerkuil en steenuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de dichtstbijzijnde nestlocatie van de steenuil op circa 750 meter afstand van de onderzoekslocatie.
De dichtstbijzijnde waarneming van de kerkuil is op circa 430 meter afstand van de onderzoekslocatie. De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Er zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig op de onderzoekslocatie. Tevens zijn er geen sporen waargenomen in de vorm van uitwerpselen, braakballen, prooiresten of veren. Hierdoor is een nestlocatie van de kerkuil en/of steenuil op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Incidenteel kan de onderzoekslocatie gebruikt worden als foerageergebied door in de omgeving verblijvende kerkuilen en/of steenuilen. Het is echter niet te verwachten dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring van essentieel foerageergebied. Dit aangezien het grasland op de onderzoekslocatie, door de ruige begroeiing in combinatie met de omringing van woningen, minimaal geschikt is als foerageergebied.
Er is optimaler foerageergebied in de vorm van weilanden en akkers met afwisselend bosschages in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig, wat daarnaast ook nog eens dichter bij bekende nestlocaties ligt. Negatieve effecten ten aanzien van kerkuil en steenuil, als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook uitgesloten. Oehoe De oehoe broedt met name in steile hellingen zoals rotswanden, zandgroeves en hellingbossen. De oehoe maakt geen nest, maar een kuiltje in een richel of op de grond tegen de voet van een boom of tegen een omgevallen boom. Oude roofvogelnesten of speciale nestkisten worden ook gebruikt als broedhabitat. Op de onderzoekslocatie zijn geen steile hellingen, roofvogelnesten of nestkisten waargenomen waardoor er geen geschikte nestgelegenheden voor de oehoe aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van de oehoe kunnen op voorhand worden uitgesloten.
23081.003 versie D1
8 / 23
Ooievaar Ooievaars komen voornamelijk voor in open, natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. De soort bouwt grote nesten op daken, kerktorens, hoogspanningsmasten, speciaal gemaakte platforms op palen en in bomen. De grote en makkelijk te herkennen nesten zijn op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet aangetroffen. Negatieve gevolgen ten aanzien van de ooievaar kunnen derhalve worden uitgesloten. Algemene broedvogels De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet te voorkomen (zie hoofdstuk 5). De bebouwing en beplanting op en rond de onderzoekslocatie biedt broedgelegenheid aan soorten zoals merel, roodborst, winterkoning en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het cursusdictaat ‘Vleermuizen en Planologie’ (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De te slopen bedrijfshal op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van open stootvoegen en andere geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuur (figuur 4.1 t/m 4.3). De te behouden bedrijfswoning is tevens geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf-, kraamverblijf- en paarverblijfplaats. Bij de voorgenomen plannen kunnen overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van boombewonende vleermuizen is niet aan de orde.
23081.003 versie D1
9 / 23
Figuur 4.1 Open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuur.
Figuur 4.2 Openingen die toegang verlenen tot de spouwmuur.
Figuur 4.3 Scheur die toegang verleend tot de spouwmuur.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de directe omgeving van de (te slopen) bedrijfshal bevinden zich diverse gebouwen (waaronder de bedrijfswoning) welke in potentie geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van werkzaamheden geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie mits er rekening wordt gehouden met additionele verlichting (zie hoofdstuk 5). De bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevatten geen scheuren en/of holtes, waardoor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van essentieel foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft tuinen, bomenlanen en parken. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.
Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, damhert, das, eekhoorn, steenmarter, hermelijn en wezel.
23081.003 versie D1
10 / 23
Bever De bever komt voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren, waarbij de aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever een vereiste is. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de bever. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen, zoals vraatsporen, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door de bever. Een overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de bever kan worden uitgesloten. Bunzing, wezel en hermelijn Aangezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan landschapselementen die met elkaar in verbinding staan in combinatie met de ligging in de bebouwde kom tussen woningen, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten. Eekhoorn Eekhoorns bouwen bolvormige nesten van twijgen met bladeren die goed waarneembaar zijn wanneer er geen blad aan de bomen zit.
Soms gebruiken eekhoorns boomholten, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. De hoge bomen rondom de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van de eekhoorn zijn op voorhand uit te sluiten. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Een overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de steenmarter kan worden uitgesloten.
Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt (das en damhert), kan vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging binnen de bebouwde kom redelijkerwijs worden uitgesloten. Daarmee kunnen overtredingen van de Omgevingswet op voorhand worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 5).
23081.003 versie D1
11 / 23
4.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de streng beschermde hazelworm en levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis is droge heide en hoogveen. Op de onderzoekslocatie zijn deze habitattypen niet aanwezig en dus is het habitat ongeschikt voor de levendbarende hagedis en de hazelworm. Daarbij zorgt de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van bekende populaties in de omgeving ervoor dat het voorkomen van de hazelworm en levendbarende hagedis op voorhand uitgesloten kan worden. De waarnemingen van de levendbarende hagedis en de hazelworm hebben betrekking op nabijgelegen natuurgebieden ‘Vresselse Bos’ en ‘De Geelders’.
4.5 Amfibieën Alle amfibieën in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde amfibieën Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieën waargenomen: Alpenwatersalamander, boomkikker, heikikker, kamsalamander en poelkikker. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte voortplantingswateren voor streng beschermde amfibieën aanwezig. De B-watergang die ten noorden en ten oosten van de onderzoekslocatie ligt, biedt geen geschikt habitat onder andere vanwege het ontbreken van een goed ontwikkelde (water)vegetatie. Vanwege de afwezigheid van geschikte voortplantingswateren in de directe omgeving en de geïsoleerde ligging in stedelijk gebied, is gebruik van het plangebied als landhabitat door streng beschermde soorten tevens uitgesloten. De waarnemingen van de streng beschermde soorten hebben betrekking onder andere op nabijgelegen natuurgebieden ‘Vresselse Bos’ en ‘Vleeschbroek’. Licht beschermde amfibieën De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
De B-watergang die ten noorden en ten oosten van de onderzoekslocatie ligt, kan onderkomen bieden aan bovengenoemde soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder de takkenhopen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten. Voor de te verwachten algemene soorten geldt een algehele vrijstelling van de Omgevingswet. Echter dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 5).
23081.003 versie D1
12 / 23
4.6 Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
4.7 Ongewervelden Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens van de NDFF waarnemingen bekend van grote vos, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten), iepenpage (iepensoorten), kleine ijsvogelvlinder (wilde kamperfoelie, rode kamperfoelie, gecultiveerde kamerfoelie en sneeuwbes) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig en/of niet te verwachten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van de grote vos, iepenpage en kleine ijsvogelvlinder. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart gebruikt wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart als waardplanten.
Het betreffen algemene veelvoorkomende planten die op diverse terreinen kunnen voorkomen. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor bovengenoemde waardplanten. Doordat het veldbezoek heeft plaatsgevonden buiten het groeiseizoen kan de aanwezigheid van bovengenoemde waardplanten niet uitgesloten worden. Negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart zijn derhalve niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 5). Overige ongewervelden Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.8 Planten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten: kartuizer anjer, kluwenklokje en ruw parelzaad.
23081.003 versie D1
13 / 23
Alle bovengenoemde soorten komen voor op zonnige, matig voedselarme tot matig voedselrijke plaatsen met kalkrijke grond. De onderzoekslocatie bestaat uit bebouwing, verharding, aangeplant groen en een ruig grasland. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere klimop, brandnetel, braam en veldzuring aangetroffen in het grasland op de onderzoekslocatie. Deze planten geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en droog is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
4.9 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in bijlage IX (Bal) behorende bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de Rode lijsten. In onderstaande alinea’s worden de soorten/soortgroepen uit de Rode Lijst behandeld welke relevant zijn voor het planvoornemen en in de vorige paragrafen niet reeds zijn behandeld. Oranje zandoogje Het oranje zandoogje komt vooral voor in ruige, kruidenrijke plaatsen in de halfschaduw, vaak in de buurt van struiken, struweel en bos. Waardplanten van deze vlindersoort zijn diverse grassoorten. De werkzaamheden kunnen mogelijk leiden tot schade aan potentieel aanwezige individuen, met name individuen in de ontwikkelingsfase van rups of pop (zie hoofdstuk 5). Vaatplanten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 3 jaar in totaal 43 soorten van de Rode Lijst Vaatplanten waargenomen binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie.
Aangezien de onderzoekslocatie voornamelijk bestaat uit bebouwing en verharding en het groen daarnaast bestaat uit aangeplant groen en ruig (voedselrijk en zuur) grasland, is het niet te verwachten dat de onderzoekslocatie een belangrijke functie vervuld voor Rode Lijst Vaatplanten. Overige soorten/soortgroepen Vanwege het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie, het ontbreken van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen op de onderzoekslocatie en/of op basis van de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van bekende populaties in de omgeving, worden geen significante negatieve effecten verwacht als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op Rode Lijst soorten die in bovengenoemde paragrafen niet reeds behandeld zijn. Incidenteel kan een overige soort van de Rode Lijst gebruik maken van de onderzoekslocatie. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kunnen nadelige gevolgen voor incidenteel te verwachten individuen voorkomen worden (zie hoofdstuk 5).
23081.003 versie D1
14 / 23
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Huismus en gierzwaluw De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing. Volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verboden nesten van huismussen en gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Aangezien de bedrijfshal ongeschikt is voor bovengenoemde soorten en de bedrijfswoning geheel behouden blijft, worden geen nesten beschadigd, vernield of weggenomen. Om te zorgen dat potentiele nestlocaties in de bedrijfswoning functioneel en duurzaam behouden blijven, dienen de bouwwerkzaamheden plaats te vinden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus). Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen gestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de sloopwerkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
5.2 Vleermuizen De te slopen bedrijfshal en de te behouden bedrijfswoning op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bedrijfshal zou in geval van aanwezigheid van een verblijfs-
23081.003 versie D1
15 / 23
functie van vleermuizen kunnen leiden tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.
Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de (te slopen) bedrijfshal is een overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd via het Omgevingsloket, middels een omgevingsvergunning. Om overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen te voorkomen, dient naast aanvullend onderzoek tevens rekening gehouden te worden met verlichting. Additionele (sloop- en bouw)verlichting richting gebouwen in de omgeving van de bedrijfshal (waaronder de bedrijfswoning) dient voorkomen te worden (zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase). Hiermee blijven mogelijke verblijfplaatsen in gebouwen functioneel en duurzaam behouden. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de verlichtingstoename tot een minimum te beperken. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol zodat het voorkomen van overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen geborgd wordt.
5.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloop- en graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal). Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
23081.003 versie D1
16 / 23
5.4 Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is beschermd volgens artikel 11.46, eerste lid (Bal). De soort staat tevens vermeld in de EU-habitatrichtlijn. Aangezien het veldbezoek heeft plaatsgevonden buiten het groeiseizoen, kan de aanwezigheid van waardplanten die de teunisbloempijlstaart gebruikt niet met zekerheid uitgesloten worden. Er wordt aanbevolen om in het groeiseizoen aanvullend te beoordelen of het habitat (on)geschikt is voor de soort door te kijken naar de aanwezigheid van waardplanten, vraatsporen en/of individuen (rupsen). Indien het habitat als geschikt wordt beoordeeld, wordt aanvullend onderzoek naar de soort en/of een vergunningsaanvraag noodzakelijk geacht.
5.5 Specifieke zorgplicht Een Rode Lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. Voor de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) soorten geldt dat negatieve gevolgen voor belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats van deze soorten dienen te worden voorkomen. Er dienen passende (preventieve) maatregelen te worden getroffen. Momenteel zijn er geen richtlijnen/kaders en zijn er nog geen concrete omgevingsvisies en omgevingsplannen beschikbaar vanuit de gemeente en provincie. Hoe en met welke Rode lijst-soorten het bevoegd gezag omgaat in het kader van de specifieke zorgplicht, is daardoor nog niet bekend. Onderstaand zijn adviezen uitgewerkt op basis van de relevante soort(groep)en van de Rode lijsten en de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Oranje zandoogje Aangaande het oranje zandoogje wordt geadviseerd om tijdens het aanvullend onderzoek naar de beschermde teunisbloempijlstaart tevens de aanwezigheid van waardplanten van het oranje zandoogje te beoordelen en te letten op aanwezige individuen.
Indien uit dit onderzoek blijkt dat er waardplanten van bovengenoemde dagvlinders zijn op de onderzoekslocatie, dienen de te nemen maatregelen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de meest kwetsbare perioden en/of het zorgvuldig omgaan met de strooisellaag waar eventuele rupsen of poppen zich in kunnen bevinden. Overige soorten/soortgroepen Bij uitvoering van de voorgenomen plannen is schade aan mogelijk incidenteel aanwezige individuen niet volledig te voorkomen. In het kader van de zorgplicht strekt de aanbeveling om algemene maatregelen te treffen om schade te beperken tot een minimum. Het wordt aanbevolen deze maatregelen op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol.
23081.003 versie D1
17 / 23
6
TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen op, vanuit de Omgevingswet aangewezen, beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kampina & Oisterwijkse Vennen, bevindt zich op circa 11,5 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (geel/groen vlak).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 11,5 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
23081.003 versie D1
18 / 23
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk of een ecologische verbindingszone. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland of een ecologische verbindingszone. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 350 meter afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en de ecologische verbindingszone weergegeven.
Figuur 6.2 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd bij gele pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en de ecologische verbindingszone (groene vlakken).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland of een ecologische verbindingszone dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk en de ecologische verbindingszone te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en de ecologische verbindingszone in combinatie met de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland of de ecologische verbindingszone wordt niet noodzakelijk geacht.
23081.003 versie D1
19 / 23
7
HOUTOPSTANDEN
In artikel 11.112 (Bal) zijn de oogmerken opgenomen met betrekking tot houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken, voor het vellen en herplanten van houtopstanden, hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldings- en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Er worden geen bomen op de onderzoekslocatie gekapt waardoor het onderdeel houtopstanden als bedoeld in artikel 11.111 (Bal) buiten beschouwing kan worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
23081.003 versie D1
20 / 23
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, sloop en nieuwbouw en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal op de onderzoekslocatie te slopen en op diezelfde locatie circa 20 grondgebonden woningen te ontwikkelen. Tevens wordt het parkeerterrein volledig op het maaiveld geplaatst. Dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. De bestaande bedrijfswoning zal geheel behouden blijven als woning (bestemmingsplanwijziging). De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.
In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Broedvogels
algemeen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
ja
nee, mits*
nee
nee
*sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen starten of een broedvogelinspectie voorafgaand aan sloopwerkzaamheden tevens dient snoeiafval buiten het broedseizoen verwijderd te worden
Vleermuizen
jaarrond beschermd
ja
nee, want*
nee
nee
*mogelijke nestplaatsen van huismus en gierzwaluw in de bedrijfswoning blijven behouden en worden niet verstoord mits bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger tevens dient rekening gehouden te worden met additionele verlichting richting gebouwen rondom de bedrijfshal op de onderzoekslocatie of maatregelen opnemen in een ecologisch werkprotocol
23081.003 versie D1
21 / 23
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Omgevingsvergunning
Bijzonderheden / opmerkingen*
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja, voor algemene soorten
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren zoals egel en diverse muizensoorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Amfibieën
ja, voor algemene soorten
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieënsoorten zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen
nee
nee
nee
nee
-
streng beschermd
mogelijk
mogelijk
ja
mogelijk
in het groeiseizoen beoordelen of het habitat (on)geschikt is voor de teunisbloempijlstaart door te letten op waardplanten, vraatsporen en/of individuen (rupsen) van de soort
licht beschermd
mogelijk
mogelijk
ja
nee
tijdens aanvullend onderzoek naar teunisbloempijlstaart letten op de aanwezigheid van het oranje zandoogje en zijn waardplanten
Overige ongewervelden
ja
nee, mits*
nee
nee
*maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Bijzonderheden / opmerkingen*
Natura 2000
op 11,5 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
op 350 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
Vlinders
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie en aanbevelingen Op basis van onderhavige quickscan natuurwaarden dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van beschermde functies ten aanzien van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger) en de teunisbloempijlstaart op de onderzoekslocatie.
23081.003 versie D1
22 / 23
Overtredingen ten aanzien van potentiële nestlocaties van huismussen en/of gierzwaluwen in de (te behouden) bedrijfswoning kunnen voorkomen worden door de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus) te laten plaatsvinden. Overtredingen ten aanzien van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in diverse gebouwen in de omgeving van de bedrijfshal kunnen voorkomen worden door rekening te houden met additionele verlichting richting deze gebouwen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol om de verlichtingstoename tot een minimum te beperken. Zorgplicht Wat betreft algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door de sloopwerkzaamheden te starten voordat het broedseizoen (globaal maart t/m half augustus) begint. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de sloopwerkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Tevens dient het snoeiafval buiten het broedseizoen verwijderd te worden.
Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het binnen het kader van zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Tijdens het aanvullend ecologisch onderzoek naar de teunisbloempijlstaart, dient ook gelet te worden op de aanwezigheid van het oranje zandoogje en zijn waardplanten. Indien aanwezigheid van wordt vastgesteld, dienen de te nemen maatregelen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Gebiedsbescherming Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 13 februari 2024
23081.003 versie D1
23 / 23
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Sint-Oedenrode, periode 2014-2024. NDFF. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Stichting Anemoon (z.d.). Soorteninformatie. Geraadpleegd op 24 januari 2024 van https://www.anemoon.org/soorteninformatie. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol.
Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 13 februari 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten Provinciale bron www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.
Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1 januari 2024 artikel 5.1, lid 1, sub e, Bal). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen).