Bijlage 4 Nota behandelen zienswijze paraplubestemmingsplan archeologie
Tekst van het document
NOTITIE BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN EN AMBTELIJKE WIJZIGINGEN Ontwerpbestemmingsplan paraplubestemmingsplan archeologie
College B&W 25 februari 2025 Gemeenteraad 10 april 2025
Inhoud 1.
Inleiding .........................................................................................................................................................2
2.
De procedure .................................................................................................................................................3
3.
Zienswijzen ....................................................................................................................................................3
4.
De ontvankelijkheid ......................................................................................................................................3
5.
Leeswijzer ......................................................................................................................................................3
6.
Reactie op de zienswijze ..............................................................................................................................4
1.
Reclamant 1 ...................................................................................................................................................4 1.1.
2.
Beperking van de gebruiksmogelijkheden ..............................................................................................4
Reclamant 2 ...................................................................................................................................................5 2.1.
De inventarisatiekaarten ontbreken bij de terinzagelegging ...................................................................5
2.2.
Verzoek tot het opnemen van categorie 3 in plaats van categorie 2 ......................................................5
2.3.
Verstoring van het terrein en minimum vrijgestelde diepte en oppervlakte ............................................5
2.4.
Opname van de archeologische rijksmonumenten .................................................................................6
2.5.
Verzoek tot aanpassing van de regels van ‘Waarde – Archeologie 2’ ....................................................7
2.6.
Toevoegen uitzonderingen .....................................................................................................................7
2.7.
Schrappen van de vergunningsplicht voor sloopwerkzaamheden ..........................................................8
2.8.
Schrappen van de vergunningsplicht voor werkzaamheden bij sloten ...................................................8
2.9.
Verzoek om te worden gehoord ..............................................................................................................8
2.10.
Verzoek om vergoeding van kosten ........................................................................................................9
7
Ambtelijke wijzigingen .................................................................................................................................9
8
Conclusie en advies .....................................................................................................................................9
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie”
1
1. Inleiding Met de archeologische beleidskaart van Meierijstad worden de te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. Het ontwerpbestemmingsplan “Ontwerpbestemmingsplan ”Paraplubestemmingsplan archeologie” voorziet in het stellen van regels voor activiteiten in de bodem die te verwachten archeologische resten zouden kunnen verstoren. De beleidskaart en het paraplubestemmingsplan archeologie betreffen een harmonisatie van het beleid en de regels voor archeologie in de fusiegemeente Meierijstad.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 2
2. De procedure Het ontwerpbestemmingsplan “Ontwerpbestemmingsplan ”Paraplubestemmingsplan archeologie” is op 14 december 2023 gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Meierijstad en de Staatscourant. In de periode van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 heeft dit ontwerpbestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8. van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens deze periode kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad. Een zienwijze is een reactie waarmee iemand laat weten wat hij/zij vindt van het ontwerpbestemmingsplan.
3. Zienswijzen De volgende zienswijze(n) hebben wij ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan: 1. Reclamant 1 heeft op 12 januari 2024 mondeling een zienswijze kenbaar gemaakt. Hiervan is verslag gemaakt en dat is door reclamant akkoord bevonden; 2. Reclamant 2 heeft met een brief van 24 januari 2024, ingekomen op 25 januari 2024 een schriftelijke zienswijze kenbaar gemaakt; Om de persoonsgegevens van de reclamanten te beschermen hebben wij deze notitie van zienswijzen en ambtelijke wijzigingen anoniem gemaakt.
4. De ontvankelijkheid Een zienswijze is ontvankelijk als deze uiterlijk de laatste dag van de periode van ter inzage legging is verzonden en binnen één week na deze dag is ingekomen (artikel 6:9 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht). De ontvangen zienswijzen zijn binnen deze periode bij ons ingekomen en zijn daarom ontvankelijk.
5. Leeswijzer In onderdeel 6 van deze notitie gaan wij inhoudelijk in op de zienswijzen. Als deze leidt tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan geven wij de wijzigingen aan en stellen wij voor het bestemmingsplan overeenkomstig gewijzigd vast te stellen. In onderdeel 7 van deze notitie staan eventuele ambtshalve wijzigingen. Als laatste geven wij in onderdeel 8 een overzicht van de eventueel voorgestelde wijzigingen op het ontwerpbestemmingsplan.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 3
6. Reactie op de zienswijze 1.
Reclamant 1 1.1.
Beperking van de gebruiksmogelijkheden
Indiener verzoekt de nieuwe bestemming ‘waarde - archeologie 2’ niet op te nemen voor perceel Langstraat 4 te Schijndel. Dit levert een beperking op voor het gebruik van de grond. Er is een sportschool aanwezig en de archeologische waarde zou een belemmering kunnen opleveren voor toekomstige plannen. Tegenover is een nieuwe woonwijk gepland, die mogelijk gaat zorgen voor meer vraag naar sport. Dat zou kunnen leiden tot een uitbreiding van de sportschool. Indiener verzoekt de archeologische waarde die nu aanwezig is te houden. Ook zijn er op de achterzijde van het terrein bomen aanwezig die de bodem verstoord hebben. Beantwoording: bij het bepalen van de categorieën van archeologische verwachting hebben we ons gebaseerd op de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten in de bodem en niet op het beoogde gebruik van percelen. Het perceel van reclamant ligt binnen de archeologische verwachtingen ‘Waarde – Archeologie 7’ en ‘Waarde – Archeologie 2’. Aan de straatzijde waar de woning (bestemming Wonen) en de sporthal (bestemming Sport) staan, geldt de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’. Binnen deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf 10.000 m2. Het gehele perceel van reclamant bedraagt slechts 7.350 m2, dus een verplichting om onderzoek te doen zal daar niet aan de orde zijn.
Op dit moment geldt er op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Kom Schijndel 2013’ een onderzoek verplichting bij bodemingrepen van meer dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. Op dit gedeelte van het terrein worden de regels voor het doen van onderzoek dus minder streng. Op de achterzijde van het perceel (bestemming ‘Wonen’) ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Dit gedeelte ligt binnen een zone waar in de Tweede Wereldoorlog gevechtshandelingen plaatsgevonden hebben. Op dat gedeelte van het terrein wordt daarom een verplichting tot doen van onderzoek ingesteld met een minimum van 50 m2 en 30 cm diep. Dat is strenger dan de op dit moment geldende ondergrens voor archeologisch onderzoek van 500 m2. Dat is een bewuste keuze, omdat een ontheffing voor bodemingrepen tot 500 m2 teveel kans geeft op verstoring van nog aanwezige resten in dergelijke zones. Binnen dit gedeelte van het terrein geldt zoals gezegd een bestemming ‘Wonen’. Het uitbreiden van de sportschool is daarbinnen niet rechtstreeks toegestaan. Daarvoor zal een aanvraag tot afwijking of wijziging van het omgevingsplan nodig zijn, waarbij de gemeente bekijkt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Onderzoek van de gevolgen voor mogelijk aanwezige archeologische resten maakt daar onderdeel van uit.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 4
2.
Reclamant 2
2.1.
De inventarisatiekaarten ontbreken bij de terinzagelegging
In de toelichting wordt gesproken over een viertal inventarisatiekaarten die hebben geresulteerd in een beleidskaart die is onderverdeeld in tien categorieën. Echter zijn deze inventarisatiekaarten niet bij de stukken gevoegd en ook niet op andere wijze raadpleegbaar. Reclamant heeft derhalve geen inzicht kunnen krijgen op grond van welke informatie aan de percelen van reclamant de archeologische categorie 2 en 4 is toegekend. Beantwoording: abusievelijk zijn de inventarisatiekaarten, die als separate bijlagen bij het rapport van BAAC zaten, niet bij de stukken die ter inzage gelegd zijn toegevoegd. Onze excuses voor dit gebrek in informatievoorziening. Dit doet geen afbreuk aan de wijze waarop de inventarisatie is uitgevoerd en de aanbevelingen die BAAC gedaan heeft ten aanzien van de van onderzoek vrij te stellen oppervlakten en dieptes voor bodemingrepen. In de bijlage zijn ter verduidelijking links opgenomen naar GIS kaarten. Hieruit blijkt de zorgvuldige totstandkoming van de categorieën.
2.2.
Verzoek tot het opnemen van categorie 3 in plaats van categorie 2
Reclamant geeft aan dat het niet duidelijk is waarom terreinen die niet tot de AMK terreinen gerekend worden tot categorie 2 gerekend worden en of de percelen van reclamant al dan niet tot de ‘overige terreinen’ met een hoge archeologische verwachting gerekend worden. Reclamant verzoekt de terreinen zonder AMK status tot categorie 3 te rekenen, met bijbehorende regels. Beantwoording: In het geval van de percelen van reclamant is er sprake van enkeerdgronden waarbij er een verwachting is op sporen van zowel een vroege en late landbouwsamenleving, er is bovendien sprake van met plaggendekken afgedekte gebied binnen de zones met verwachting op resten uit de staatssamenleving (landbouwgerelateerd) en er is ook sprake van een slagveld uit de Tweede Wereldoorlog. Zoals in de toelichting is aangegeven zijn de gebieden die aangeduid zijn als ‘categorie 2’ gebieden die bestaat uit de zones met een hoge verwachting op militaire relicten, de AMK-terreinen, een bufferzone rond alle bekende relevante historische elementen, zoals historische erven, kerken, kloosters, etc.. De reden voor het afwijken van de vrijstellingsgrens van 100 m2 is dat veel gebieden behorende tot categorie 2 (zoals bijvoorbeeld relicten uit de Tweede Wereldoorlog) een oppervlak hebben dat kleiner is dan 100 m2.
Het risico op het (ongezien) verstoren van dergelijke terreinen is bij een vrijstellingsgrens van 100 m2 te groot. Bij ingrepen groter dan 50 m2 (en dieper dan 30 cm) is daarom een waardestellend archeologisch onderzoek vereist.
2.3.
Verstoring van het terrein en minimum vrijgestelde diepte en oppervlakte
Reclamant geeft aan dat zijn terrein over vrijwel het gehele oppervlakte verstoord is tot op een diepte van 50 tot 80 centimeter onder maaiveld als gevolg van de aanwezige hoofdwaterleiding en de teelt van bomen die jarenlang met kluit zijn uitgegraven. De vrijgestelde oppervlakte en diepte bij Waarde - Archeologie 2 en 4 zijn te gering. Gelet op de geringe diepte van 30 cm onder maaiveld en slechts een oppervlakte van 50 m2 voor categorie 2, zal voor veel werkzaamheden archeologisch onderzoek verplicht zijn. Reclamant vindt dat niet realistisch en pleit voor een
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 5
vrijstelling voor alle categorieën van 50 cm diepte en voor categorie 2 een minimale oppervlakte tot 100 m2 waarvoor geen archeologisch onderzoek nodig is. Beantwoording: De wijze van onderzoek (het archeologische Programma van Eisen) is locatie specifiek en bij het opstellen daarvan kan rekening gehouden worden met bekende bodemingrepen uit het verleden die de kans op het aantreffen van archeologische resten hebben beïnvloed. Indien door een (bureau)onderzoek aangetoond wordt dat de bodem reeds verstoord is door bodemingrepen die in het verleden plaatsgevonden hebben en er daarom geen archeologische resten meer te verwachten zijn, dan zou dat voldoende kunnen zijn om het betreffende perceel vrij te stellen van vervolgonderzoek.
2.4.
Opname van de archeologische rijksmonumenten
Niet duidelijk is waarom ‘Waarde – Archeologie 1’ in het onderhavige bestemmingsplan is opgenomen nu uit de toelichting blijkt dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed het bevoegd gezag is en niet de gemeente Meierijstad. Reclamant stelt voor deze categorie te laten vervallen. Beantwoording: Rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Dat verandert niet na de recente inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor de wettelijke bescherming van rijksmonumenten is het niet nodig om ze op te nemen in het omgevingsplan. Gemeenten moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan echter wel rekening houden met bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (voor 1 januari 2024 via artikel 38a Monumentenwet 1988, inmiddels via artikel 5.130 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving), die bij voorkeur in situ behouden moeten worden. Bij de drie in de gemeente Meierijstad aangewezen archeologische rijksmonumenten staat vast dat er sprake is van archeologische waarden die beschermd dienen te worden. In het belang van de goede ruimtelijke ordening (en in de bredere zin de evenwichtige toedeling van functies aan locaties) is en blijft het dus van belang om hiervoor regels op te nemen in het bestemmingsplan. Onder de inmiddels in werking getreden Omgevingswet zijn de bevoegdheden voor het verlenen van omgevingsvergunningen gewijzigd.
De gemeente neemt in de meeste gevallen (bij meervoudige vergunningsaanvragen) de beslissing op een vergunningaanvraag die betrekking heeft op archeologische monumenten (artikel 4.9 Omgevingswet en artikel 4.13 van het Omgevingsbesluit). Gaat het om een aanvraag die uitsluitend betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (“een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument (…)”), dan beslist de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Het opnemen van regels (vergunningsplichten) over bouwen en werkzaamheden via een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ in het bestemmingsplan(/omgevingsplan) van de gemeente doet daaraan geen afbreuk. Via de dubbelbestemming archeologie worden regels gesteld over (de beperking van) bouwactiviteiten en aanlegactiviteiten die op grond van het bestemmingsplan/omgevingsplan toegestaan worden.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 6
2.5.
Verzoek tot aanpassing van de regels van ‘Waarde – Archeologie 2’
Wat betreft artikel 3 van de bestemmingsregels. (Waarde – Archeologie 2) stelt reclamant voor om bij artikel 3.2 onder a de tekst van de derde regel na “in voldoende mate zijn vastgesteld“ te laten vervallen. zodat deze conform de tekst van artikel 2.2 onder a. sub 1 komt te luiden en daardoor een gelijke behandeling wordt gewaarborgd. Beantwoording: deze zinsnede lijkt inderdaad niet bij alle categorieën hetzelfde te zijn opgenomen. Het is van belang is om niet alleen te constateren dát er archeologische waarden aanwezig zijn, maar ook hoe daarmee omgegaan wordt. Aan artikel 2.3.3 onder a, 4.2.1 onder a, 4.4.3 onder b, 6.4.3 onder b, 7.4.3 onder b wordt de zinsnede ‘en waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd’ toegevoegd. Ook is geconstateerd (zie ambtelijke wijzigingen in onderdeel 7 van deze notitie) dat de voorwaarden voor het toestaan van werken, geen bouwwerk zijnde niet overal gelijk waren. Deze voorwaarden zijn aangepast in de artikelen 3, 5, 8 en 9.
2.6.
Toevoegen uitzonderingen
Daarnaast stelt reclamant voor om aan artikel 3.2 van de bestemmingsregels lid c toe voegen conform artikel 2.2 onder b. en om ongelijke behandeling te voorkomen dit ook te doen bij alle overige artikelen, met dien verstande dat de diepte van 30 cm wordt gewijzigd in 50 cm. De als lid c toe te voegen tekst aan artikel 3.2 van de bouwregels komt dan als volgt te luiden: c. het bepaalde in lid a is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op een op meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Reclamant verzoekt verder om overal in de tekst en bij alle artikelen van de bestemmingsregels waar 30 cm staat deze te wijzigen naar 50 cm onder maaiveld. Beantwoording: de uitzonderingen die opgenomen zijn in artikel 2 zijn anders dan bij de overige artikelen, omdat voor categorie 1 (de archeologische rijksmonumenten) géén vrijstellingsgrens geldt voor de oppervlakte van bodemingrepen. Er mag verondersteld worden dat indien er gebouwd wordt op bestaande fundamenten er binnen de overige categorieën onder de vrijstellingsgrens gebleven wordt.
Het bouwen op bestaande fundamenten hoeft dan ook niet als specifieke uitzondering benoemd te worden. De vrijgestelde diepte voor bodemingrepen is per categorie bepaald op grond van de kans op verstoring van archeologische resten. Het is voor de bescherming van de archeologische waarden niet wenselijk om dit generiek op 50 cm diepte vast te leggen voor alle categorieën.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 7
2.7.
Schrappen van de vergunningsplicht voor sloopwerkzaamheden
Reclamant stelt voor artikel 3.5 t/m 3.5.3 van de bestemmingsplanregels eveneens te laten vervallen omdat voor het slopen van een bouwwerk, op grond van de bestaande wetgeving. Een sloopvergunning moet worden aangevraagd dan wel een melding moet worden gedaan bij het bevoegd gezag. Bij de aanvraag van een sloopvergunning of melding kan gewezen worden op het onderhavige bestemmingsplan en kunnen voorwaarden worden gesteld. Op grond van de bestemmingsregels Waarde Archeologie - 1 t/m 8 kan dan achtereenvolgens verwezen worden naar artikel 2.3.1: 3.4. 1: 4.4.1. 5.4.1: 6.4.1: 7.4.1. 8.4.1 en 9.4.1 telkens onder j. Daarin is aangegeven dat het slopen van bouwwerken verboden is zonder een schriftelijke omgevingsvergunning. Niet duidelijk is gemaakt waarom het slopen van een bouwwerk alleen is vermeld bij artikel 3.5 t/m 3.5.3 van de bestemmingsregels en bij de overige artikelen dat niet het geval is. Er is dan ook sprake van rechtsongelijkheid. Beantwoording: terecht wordt opgemerkt dat deze regeling overbodig is. Artikel 3.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (3.5.1 tot en met 3.5.3) kan komen te vervallen.
2.8.
Schrappen van de vergunningsplicht voor werkzaamheden bij sloten
Voorts stellen ondergetekenden voor om bij de artikel en 2.3.1 : 3.4.1: 5.4.1: 6.4.1. 7.4.1 en 8.4.1 van de bestemmingsregels Waarde – Archeologie 1 t/m 8 telkens onder 1 “het verbreden en verdiepen van sloten” uit de tekst te verwijderen. Door afkalven van slootkanten kan het profiel van sloten na verloop van tijd veranderen en worden sloten ook ondieper. Om regenwater voldoende te bergen kan het noodzakelijk zijn om de sloten weer op breedte en diepte te brengen. Soms is dat zelfs verplicht volgens regelgeving van het waterschap. Dat dit noodzakelijk kan zijn blijkt wel uit het feit dat de openbare weg Heuvel ter hoogte van Intratuin regelmatig onder water staat, omdat de aanwezige sloten niet op breedte en diepte zijn gehouden. Beantwoording: wat reclamant beschrijft valt onder ‘normale onderhoud, beheer en/of gebruik’ waarvoor in het plan reeds uitzonderingen opgenomen zijn van de vergunningsplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden. Dit is anders als het bodemingrepen betreft waarbij nieuwe sloten, vijvers of andere waterpartijen gegraven worden of als reeds bestaande sloten significant verbreed/verdiept worden. Dan kan er sprake zijn van een verstoring van een (mogelijk) intacte bodem, waarbij er sprake kan zijn van verstoring van archeologische resten.
2.9.
Verzoek om te worden gehoord
Ondergetekenden wensen gebruik te maken van het recht om te worden gehoord. Beantwoording: een hoorzitting maakt sinds de invoering van de Wet ruimtelijke ordening geen onderdeel meer uit van de voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan (art. 3.8 Wro). Desgewenst kan er bij de behandeling van het voorstel over de vaststelling van het bestemmingsplan bij de raadscommissie Ruimte, Economie en Bestuurszaken (REB) verzocht worden om gebruik te maken van het spreekrecht.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 8
2.10. Verzoek om vergoeding van kosten Verzoek om vergoeding van gemaakte kosten op grond van artikel 7:15 Awb. Beantwoording: artikel 7:15 Awb heeft betrekking op het vergoeden van kosten die belanghebbenden redelijkerwijs hebben moeten maken in het kader van een bezwaarprocedure, waarbij het bestreden besluit herroepen wordt. Er is bij de voorbereiding van een bestemmingsplan geen sprake van een bezwaarprocedure, dus ook de kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 Awb is niet aan de orde.
7 Ambtelijke wijzigingen 1
2
3
4 5
Alle vanuit het Rijk beschermde archeologische monumenten staan nu in bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel. In dit bestemmingsplan wordt het bouwen ten behoeve van andere bestemmingen in zijn geheel uitgesloten binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Dit wordt overgenomen door in artikel 2.2 (aanhef en lid a) op te nemen dat er niet mag worden gebouwd binnen deze gebieden waar sprake is van een archeologisch rijksmonument. De beschrijving van de toelaatbaarheid van ‘werk, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden’ was niet bij iedere categorie hetzelfde. In de artikelen 3.4.3, 5.4.3, 8.4.3 en 9.4.3 is de toelaatbaarheid aangepast zodat deze tekst conform andere categorieën is. Dat houdt concreet in dat als de vrijstellingsgrenzen overschreden worden bij graafwerkzaamheden of grondbewerkingen, door initiatiefnemer ten behoeve van de omgevingsvergunning informatie verstrekt wordt over de archeologische waarde van het terrein en de wijze waarop deze waarden kunnen worden bewaard en/of worden gedocumenteerd; Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen er geen nieuwe wijzigingsprocedures op grond van artikel 3.6 Wro gestart worden voor verandering van functies, omdat deze bevoegdheid samen met de Wet ruimtelijke ordening is komen te vervallen. De in het ontwerp opgenomen wijzigingsbevoegdheden zijn daarom uit het plan gehaald.
De substructuur in de bouwregels is voor de leesbaarheid aangepast door gebruik van het sublid ‘Indieningsvereisten en maatwerkvoorschriften’. Het verwijderen zinsnede ‘danwel bij ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd’ uit de uitzonderingsbepaling voor bouwwerken in de artikelen 4.3, 6.3, 7.3. Dat een gebouw na verof nieuwbouw (per saldo) hezelfde oppervlakte heeft, wil immers niet per definitie inhouden dat er geen grond verstorende activiteiten kunnen plaatsvinden, die tot een verstoring van archeologische resten kunnen leiden. De als vrijstellingsgrens in de betreffende categorie opgenomen oppervlakte is leidend voor het al dan niet uitvoeren van onderzoek en het verplicht stellen van een omgevingsvergunning.
8 Conclusie en advies De zienswijzen geven reden tot aanpassing van op het ontwerpbestemmingsplan ‘paraplubestemmingsplan archeologie‘. De wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn:
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 9
1. Om niet alleen te constateren dát er archeologische waarden aanwezig zijn, maar ook hoe daarmee omgegaan, wordt aan artikel 2.3.3 onder a, 4.2.1 onder a, 4.4.3 onder b, 6.4.3 onder b, 7.4.3 onder b wordt de zinsnede ‘en waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd’ toegevoegd; 2. Artikel 3.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (artikel 3.5.1 tot en met 3.5.3) kan komen te vervallen omdat deze overbodig is; 3. In artikel 2.2 (aanhef en lid a) wordt conform de bestaande regeling opgenomen dat er niet mag worden gebouwd binnen deze gebieden (archeologisch rijksmonumenten) ten behoeve van andere geldende bestemmingen; 4. Voor de toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden is voor de toelaatbaarheid van belang om vast te leggen wat de aanwezige waarden zijn en hoe deze bewaard of gedocumenteerd kunnen worden. Indien aantoonbaar geen waarden meer aanwezig zijn, dan kan een onderbouwing daarvan volstaan. In de artikelen 3.4.3, 5.4.3, 8.4.3 en 9.4.3 is de toelaatbaarheid aangepast zodat deze teksten conform de andere categorieën zijn; 5. Het verwijderen van de wijzigingsbevoegdheden voor verandering of verwijderen van de archeologische dubbelbestemming. Van deze Wro-bevoegdheden kan door inwerkingtreding van de Omgevingswet geen gebruik meer gemaakt worden; 6.
De substructuur in de bouwregels is voor de leesbaarheid aangepast door gebruik van het sublid ‘Indieningsvereisten en maatwerkvoorschriften’; 7. Het verwijderen zinsnede ‘danwel bij ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd’ uit de uitzonderingsbepaling voor bouwwerken in de artikelen 4.3, 6.3, 7.3.. Niet de oppervlakte van bebouwing (per saldo), maar de oppervlakte van de verstoring van de grond is bepalend voor het uitvoeren van onderzoek.
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 10
Bijlage: digitaal raadpleegbare basiskaarten en inventarisatiekaarten (GIS) Basiskaarten Landschappelijke eenhedenkaart https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=5663bba07e864c6fa65f6e eed540d554 Vereenvoudigde Bodemkaart Meierijstad 2022 https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=db9bc8acc62c40018957f7 72bb423917 Vindplaatsenkaart https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=76f54137f9574e208fc93dc 7aadf056d
De archeologische beleidskaart zelf: https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=fac77b35df954c83a98cf69 d892f8992
Er is een viertal inventarisatiekaarten vervaardigd voor de bepaling van de aanwezige waarden. • inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars; https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=58786906e3e542ffae18b0 2e720fb700 • de inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenleving; https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=6dcabe3fd12f4436a7d2db 2767f2772e • de inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving; https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=b73e4ad7a1574b7eac215 35cb3058b65 • de inventarisatiekaart voor de Staatssamenleving. In deze kaart zijn ook zones meegenomen die betrekking hebben op militaire relicten. https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=d8ec138520d64ac8a5d67 4e28b2d614a
De militaire relicten zijn ook los te raadplegen: https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=63b01e8f30b8421dace464 00cbda98aa
Notitie beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “paraplubestemmingsplan archeologie” 11