CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor herontwikkeling locatie Grote Doelenlaan 14-16 te Sint-Oedenrode13.686 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode, in de gemeente Meierijstad

Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Grote Doelenlaan, te Sint-Oedenrode in de gemeente Meijerijstad Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

Rapportnummer

23081.001

Versienummer1

1

Datum

15 januari 2024

Opsteller2

Mevrouw L. Veenendaal, MA en de heer drs. M. Stiekema (reg. nr. 32138595)

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte (reg. nr. 43842407)

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 VRIJGAVE In onze rapportages en offertes wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes en rapporten aantoonbaar vrijgegeven.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 15 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden ................................................................................................................ 8 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 12 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 15

Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 15 Methoden .................................................................................................................................... 16 Resultaten .................................................................................................................................... 16 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 17

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 17

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de kadastrale minuutkaart 1817 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1900 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1918 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1929 Het plangebied op de topografische kaart uit 1953 Het plangebied op de topografische kaart uit 1963 Het plangebied op de topografische kaart uit 1973 Het plangebied op de topografische kaart uit 1994 Het plangebied op de topografische kaart uit 2019 Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorstaten

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

23081.001

Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte

Toponiem

Grote Doelenlaan

Plaats

Sint-Oedenrode

Gemeente

Meijerijstad

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Kadastrale gemeente Sint-Oedenrode, sectie I, percelen 5868, 4615, 4616 en 4645

Omvang plangebied

Circa 5.600 m2

Kaartblad

51E (1:25.000)

Centrumcoördinaten (X/Y)

X: 160.366 / Y: 398.076

Archeoregio NOaA

4: Brabants zandgebied

Bevoegde overheid

Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postbus 10001 5460 DA Veghel

Uitvoeringsperiode

Januari 2024

Uitvoerders

Econsultancy, mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema ( Senior KNA Prospector)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5493318100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot Noord-Brabant

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte in januari 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Grote Doelenlaan te Sint-Oedenrode in de gemeente Meierijstad. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal te slopen en op diezelfde locatie circa twintig grondgebonden woningen te ontwikkelen. De bestaande bedrijfswoning zal behouden blijven als woning. Bovendien wordt het parkeren volledig op het maaiveld geplaatst, dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.

Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is er een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum. De perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd hebben een middelhoge archeologische verwachting gekregen. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een omgewerkte grond van 50 tot 70 centimeter. Hieronder zit tot 0,75 tot 1,00 m -mv een laag van omgewerkte grond.

Onder deze laag zit meteen de C-horizont van dekzandafzettingen. Conclusie De bodem binnen het plangebied blijkt te zijn verstoord. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en veldonderzoek kan de verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd naar laag worden gezet en adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.

23081.001 versie 1

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Meierijstad wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Meierijstad op de hoogte te stellen.

23081.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Grote Doelenlaan in Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal te slopen en op diezelfde locatie circa twintig grondgebonden woningen te ontwikkelen. De bestaande bedrijfswoning zal behouden blijven als woning. Bovendien wordt het parkeren volledig op het maaiveld geplaatst, dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in januari 2024 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door de heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector en Senior KNA Archeoloog).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.

23081.001 versie 1

1 / 17

Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Meierijstad; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Grote Doelenlaan, in de bebouwde kom van Sint-Oedenrode, in de gemeente Meierijstad (zie kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 5.600 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) rond de 11 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 160.366 /

3 SIKB.

23081.001 versie 1

2 / 17

Y: 398.076. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie I en percelen 5868, 4615, 4616 en 4645 (zie kaart 2). Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland, gedeeltelijk bebouwd en bestraat (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens het bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Oost’ (vastgesteld op 30-01-2014) van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode heeft de gehele onderzoekslocatie een ‘waarde - Archeologie 1’.

In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 50 cm reiken er vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 4 Volgens de archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een categorie 5: hoge archeologische verwachting (zie kaart 4). 5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het omgevingsloket van Zuidoost-Brabant geraadpleegd.6 Aan de Grote Doelenlaan 16-18 zijn in 1900 diverse ondergrondse tanks verwijderd zonder bijbehorende bodemonderzoeken. Daarnaast staat geschreven dat er nog enkele tanks op de locatie aanwezig zullen zijn.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfshal te slopen en op diezelfde locatie circa twintig grondgebonden woningen te ontwikkelen. De bestaande bedrijfswoning zal behouden blijven als woning. Bovendien wordt het parkeren volledig op het maaiveld geplaatst, dit wordt in overleg met de gemeente uitgevoerd. Het

4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5 Gemeente Sint-Oedenrode. 6 Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

23081.001 versie 1

3 / 17

stedenbouwkundig ontwerp is nog niet afgerond, maar in bijlage 7 is een concept toegevoegd. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand en overige periglaciale afzettingen (BX4)

Geomorfologie8

Noordelijke deel: dekzandvlakte Zuidelijke deel: niet gekarteerd, vermoedelijk dekzandvlakte

Bodem9

Noordelijke deel: Hoge zwarte enkeerdgronden Zuidelijke deel: niet gekarteerd, vermoedelijk hoge zwarte enkeerdgronden

Grondwatertrap

VI

Landschappelijke ontwikkeling Gedurende de laatste ijstijd, genaamd het Weichselien (115.000 – 10.000 jaar geleden), had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook binnen het plangebied, een pakket dekzand afgezet.10 De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal (73.000 – 12.500 jaar geleden) in horizontaal gelaagde pakketten afgezet. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal (14.650 – 11.650 jaar geleden) afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Hieronder valt ook het Oude dekzand. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich in een uitgestrekt gebied met afzettingen

7 De Mulder et al., 2003. 8 NGR/Wageningen Environmental Research (2019). 9 NGR/Wageningen Environmental Research (2018). 10 De Mulder et al., 2003.

23081.001 versie 1

4 / 17

van de Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek.11 In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden tot heden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Op 2,6 kilometer ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het dichtstbijzijnde stuifduinencomplex. Daarnaast zijn er op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel.12 DINO Het Dinoloket13 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens.

De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.14 Uit een boring op 80 meter ten zuidwesten van het plangebied blijkt dat de ondergrond bestaat uit fijn tot matig fijn zand. Hieronder zit van 1,20 tot 1,40 m -mv een leemlaag. Deze wordt opgevolgd door matig fijn zand. Vanaf 2,10 m -mv zit wederom een leemlaag. Tussen 2,20 en 2,70 zit een laag matig grof zand, welke wordt opgevolgd door een 20 centimeter dikke laag veen. Van 2,20 tot 3,90 m -mv zit een leemlaag met hieronder zand. Het fijne en matig fijne zand wijst op dekzandafzettingen, waarschijnlijk Jong dekzand. De leemlaag en het grove zand bestaan waarschijnlijk uit afzettingen van het Oude dekzand. Op circa 250 meter ten noorden van het plangebied ligt een tweede boring, welke tot 2,00 m -mv bestaat uit fijn en matig fijn zand. Hieronder zit een dikke leemlaag tot 3,90 m -mv. Deze laag wordt opgevolgd door matig fijn zand. Voor het fijne tot matig fijne zand en de leemlaag geldt dezelfde interpretatie als bij de eerste boring, namelijk Jong dekzand en Oud dekzand. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het noordelijke gedeelte van het plangebied binnen een dekzandvlakte (zie kaart 5).

Het zuidelijke gedeelte is, doordat het binnen de bebouwde kom van Sint-Oedenrode bevindt, niet

11 Berendsen 2008. 12 Berendsen, 2008. 13 Dinoloket. 14 DINO boornummers B51E1443 en B51E1439.

23081.001 versie 1

5 / 17

gekarteerd. Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het gehele plangebied ligt binnen een dekzandvlakte. Dekzand is afgezet tijdens stormen onder zeer koude omstandigheden en heeft op sommige plaatsen een zeer vlakke ligging. Mogelijk zijn een geringe invloed van water, vochtige omstandigheden bij de afzetting of een latere invloed van de mens (egalisatie) hiervoor verantwoordelijk geweest. Soms zijn de lagere delen van het dekzandoppervlak bedekt met veen of overstromingsmateriaal en zijn de hogere delen afgegraven of geëgaliseerd, waardoor het gebied een vlak uiterlijk bezit. 15 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland16 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op 11 m NAP. Direct ten westen loopt de hoogte van het gebied op naar 11,5 m NAP. Het plangebied ligt in een lager gedeelte van de dekzandvlakte, waarbij het wordt omringd door gebieden die hoger liggen. Deze locaties zijn volgens de geomorfologische kaart gekarteerd als dekzandruggen. Op circa 500 meter ten zuiden ligt het beekdal van de Dommel op circa 10 m NAP.

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het noordelijke deel van het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (zie kaart 6). Doordat het zuidelijke gedeelte van het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Sint-Oedenrode bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd. Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat in het gehele plangebied hoge zwarte enkeerdgronden voorkomen. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland.

In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger

15 NGR/Wageningen Environmental Research 2019. 16 PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.

23081.001 versie 1

6 / 17

en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.17 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2.2

Grondwatertrappenindeling18

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.

17 Doesburg et al., 2007. 18 Locher & De Bakker, 1990.

23081.001 versie 1

7 / 17

2.6 Archeologische waarden AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.19 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 7 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt binnen een AMK-terrein en binnen het onderzoeksgebied liggen géén andere AMK-terreinen (zie bijlage 2 en kaart 7). Het AMK-terrein betreft de oude stadskern van Sint-Oedenrode. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. 20 Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zestien archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en kaart 7). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd.

Onderzoeksmeldingsnummer 2455397100: Direct ten oosten van het plangebied, Dijksteegje West te Sint-Oedenrode21 Het booronderzoek wijst uit dat de omwerking in het plangebied tot circa 0,60 m -mv reikt. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de top van het archeologisch niveau is omgewerkt. Het blijft echter mogelijk om diepe sporen als (paal)kuilen, sloten/greppels, putten en funderingen aan te treffen uit de genoemde periodes. De verwachting voor dergelijke resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum is echter laag. De verwachting geldt daarom 19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21 Koekkelkoren & Moerman 2014.

23081.001 versie 1

8 / 17

met name nog voor resten vanaf het Neolithicum. Uitzondering hierop is het midden van het plangebied, waar de omwerking slechts 25-45 cm -mv is. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Onderzoeksmeldingsnummer 3980627100: Direct ten oosten van het plangebied, Dijksteegje West te Sint-Oedenrode22 Tijdens het proefsleuvenonderzoek (vervolgonderzoek op 2455397100) bleek dat de verstoring van de bovenlaag dieper was dan verwacht. Hierdoor zijn sporen vanaf het Paleolithicum, die in de top van het dekzand werden verwacht, niet aangetroffen. Wel werden sporen uit de Nieuwe tijd waargenomen. De sporen behoren waarschijnlijk bij het erf en het gebouw dat staat weergegeven op de kadastrale minuutkaart uit 1811-1832. De vindplaats is echter sterk verstoord, waardoor deze niet behoudenswaardig wordt geacht. Archeologisch vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Geadviseerd wordt het plangebied vrij te geven. Dit advies is niet over genomen door het bevoegd gezag. Zij hebben een opgraving geadviseerd.

Onderzoeksmeldingsnummer 3990169100: 150 meter ten noorden van het plangebied Dijksteegje West te SintOedenrode23 Tijdens het onderzoek (vervolgonderzoek op 3980627100) zijn de resten van het boerenerf van de hoeve de Paddelaer of Pardelaar aangetroffen daterend vanaf de 12e -13e eeuw in de vorm van paalkuilen, kuilen, karrensporen en greppels. Tot in de 20e eeuw blijft de hoeve in gebruik en wordt het gebouw afgebroken. Wel zijn er aanwijzingen voor meerdere verbouwingen binnen het gebouw. Archeologische resten die tot deze boerderij of hoeve behoren konden aan historisch kaartmateriaal uit de 19 e eeuw worden gekoppeld. Geadviseerd is het plangebied vrij te geven. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en kaart 7). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd.24 Uit het Neolithicum/IJzertijd is aardewerk aangetroffen, uit de Late Middeleeuwen fragmenten van huttenleem/verbrand leem en uit de Nieuwe tijd keramisch vaatwerk en bouwmateriaal.

Andere bronnen Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant25 heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen 22 Meijer 2015. 23 Kok 2017. 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 25 Brabant.nl.

23081.001 versie 1

9 / 17

en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn wetenschappelijke publicaties en het archief geraadpleegd in de vorm van archeologische rapportages en bouwdossiers. Het provinciaal archeologisch depot is niet geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Kadastrale minuut26

1817

Militaire topografische kaart

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Gemeente 1:2.500 Sint Oedenrode, Sectie C, Blad 2

Bouwland.

Bouwland. Ten oosten ligt de huidige Grote Doelenlaan. Ook zijn het Dijksteegje, Gerbrandystraat en Schijndelseweg al aanwezig. Hierlangs liggen woningen.

1900

629

1:50.000

Bouwland.

Vergelijkbare situatie als in 1817.

Militaire topografische kaart

1918

629

1:25.000

Bouwland.

Vergelijkbare situatie als in 1900.

Militaire topografische kaart

1929

629

1:25.000

Bouwland.

Vergelijkbare situatie als in 1918.

Topografische kaart

1953

51E

1:25.000

Grasland.

Het aantal gebouwen is toegenomen. Voornamelijk ten westen en zuidwesten.

26 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

23081.001 versie 1

10 / 17

Topografische kaart

1963

51E

1:25.000

Grasland.

Bebouwing neemt toe.

Topografische kaart

1973

51E

1:25.000

Bebouwing in het midden van het plangebied.

Ten zuiden komt de bebouwde kom van Sint-Oedenrode dichter naar het plangebied.

Topografische kaart

1994

51E

1:25.000

In het zuidwesten is bebouwing gerealiseerd.

Bebouwing rondom plangebied neemt toe. Voornamelijk ten zuiden en westen.

Topografische kaart

2019

51E

1:25.000

Bebouwing in het westen gerealiseerd.

Bebouwing is ook ten noorden aanwezig.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied tweehonderd jaar geleden in gebruik was als bouwland (zie tabel 2.3). Op de kaart van 1953 is te zien dat het plangebied in gebruik is als grasland en pas op de kaart van 1973 is de eerste bebouwing op het kaartmateriaal aanwezig. Het eerste gebouw staat in het midden van het plangebied. De kaart van 1994 laat zien dat er in het zuidwesten van het plangebied bebouwing is gerealiseerd en op de kaart van 2019 staat ook in het westen bebouwing. Op de kadastrale minuutkaart uit 1817 is te zien dat de huidige Grote Doelenlaan, het Dijksteegje, de Gerbrandystraat en de Schijndelseweg al aanwezig zijn. Hierlangs liggen woningen. Deze situatie blijft in de decennia die volgen hetzelfde. Op de kaart van 1953 is te zien dat het aantal woningen, voornamelijk ten (zuid)westen van het plangebied toeneemt. Op de kaart van 1973 is te zien dat er ten zuiden van het plangebied, de bebouwde kom van Sint-Oedenrode steeds verder naar het plangebied uitbreid. In de jaren daarna blijft deze uitbreiding doorzetten, waarbij eerst ten zuiden en westen en later ook ten noorden van het plangebied bebouwing wordt gerealiseerd. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Meierijstad is het gemeentelijk archief geraadpleegd, wat geen aanvullende relevante informatie heeft opgeleverd.

Daarnaast is het BHIC geraadpleegd waarvan gegevens zijn ontvangen. Tabel 2.4 geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Tabel 2.4

Verleende bouwvergunningen

Naam aanvrager

Jaartal

Omschrijving

De heer J. van hoof

1969

Garage voor autobussen met woonhuis Poerfundering tot 0,50 m -mv en 60 cm breed

Mevr. Van Hoof – Van Hout

1980

Grote Doelenlaan 16/18 woonhuis Fundering?

Mevr. Van Hoof – Van Hout

1986

Bouw carport 18a Poerfundering tot 0,50 m -mv en 40 cm breed

23081.001 versie 1

11 / 17

-

1991

Grote Doelenlaan 16 Paalfundering aanwezig, afmetingen niet bekend

-

2000

Grote Doelenlaan 16/18 Poerfundering tot 0,85 m -mv en 0,60 m breed.

Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing geeft aan dat deze in 1971 zijn gerealiseerd.27 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 28 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Wel is er op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed te zien dat het plangebied binnen het operatieterrein van Operatie Market Garden ligt. De Operatie Market Garden was een grootschalig geallieerd offensief met als doel de vestiging van een bruggenhoofd ten noorden van de Neder-Rijn tussen Arnhem en het IJsselmeer om de Duitse troepen in het westen van Nederland af te snijden. Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging ‘De Oude Vrijheid’, d.d. 2 januari 2024. De heer H. Hendriks heeft de volgende informatie gegeven: In april 1989 heeft er naast het plangebied een archeologische opgraving plaatsgevonden. Hierbij had men veel last van het hoge grondwater. In 2017 is er in het plangebied Dijksteegje west een proefsleuf aangelegd. Hierbij is een boerderij aangetroffen die op de minuutkaart uit 1832 is afgebeeld.

Hierbij zijn een aantal paalsporen aangetroffen die te lijken te horen tot oudere (bewonings)fases. Er zal in januari 2024 een opgraving plaatsvinden.

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld:

27 Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). 28 Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Ruimingskaart.

23081.001 versie 1

12 / 17

Tabel 2.5

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

IJzertijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Romeinse tijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Vroege Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Late Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

23081.001 versie 1

13 / 17

Uit de landschappelijke ligging op een dekzandvlakte, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum gunstig voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 29 Het plangebied ligt op circa 500 meter van de Dommel. Dit maakt dat er geschiktere locaties waren voor de jagers en verzamelaars om zich te vestigen. Daarom is er een lage verwachting op het aantreffen van archeologische indicatoren uit het Paleolithicum en Mesolithicum.

Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.30 Het plangebied ligt volgens de AHN en de heemkundevereniging in een lager gelegen gebied met natte condities. Wel zijn er in de omgeving van het plangebied vondsten uit de perioden van de landbouwers aangetroffen. Daarom hebben de perioden Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen een middelhoge verwachting gekregen op het aantreffen van archeologie binnen het plangebied. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 31 Volgens de bouwhistorische gegevens heeft er in de afgelopen tweehonderd jaar pas vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw bebouwing binnen het plangebied gestaan. Hiervoor was het in gebruik als bouwland en grasland. Wel lagen er langs de wegen rond het plangebied al woningen.

Daarom hebben de perioden Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd een middelhoge verwachting gekregen op het aantreffen van archeologische indicatoren binnen het plangebied. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit de archeologische perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld.

29 Louwe Kooijmans et al., 2005. 30 Louwe Kooijmans et al., 2005. 31 Renes, 1999.

23081.001 versie 1

14 / 17

Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland, grasland en is momenteel bebouwd. Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is er een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum. De perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd hebben een middelhoge archeologische verwachting gekregen. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Gezien de omvang van het plangebied en de mogelijke aanwezigheid van een enkeerdgrond in het gehele plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

23081.001 versie 1

15 / 17

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 3 januari 2024 door mevrouw L. Veenendaal, MA (Archeoloog) en de heer B.C. Tunker, MA (Senior KNAarcheoloog) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 5 januari 2024. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een Edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,50 m -mv gezet (zie kaart 17) De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.32 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven: De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In alle boringen komt in de bovenste 50 tot 70 centimeter een bouwvoor voor, welke bestaat uit matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin zand. Hieronder zit een zeer fijne, zwak siltige, matig humeuze, donkerbruine zandlaag. In deze laag waren gele vlekken aanwezig, wat wijst op een vermenging met de natuurlijke C-horizont. Hieruit kan worden geconcludeerd dat deze laag is omgewerkt. Onder de omgewerkte laag begint tussen de 0,75 en 1,00 m -mv de C-horizont van zeer fijn, zwak siltig, lichtgrijs zand. Het natuurlijke zand kan worden geïnterpreteerd als dekzand. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied is verstoord.

32 Bosch, 2005.

23081.001 versie 1

16 / 17

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodem in het plangebied is verstoord.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een dekzandvlakte de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor van 50 tot 70 centimeter. Hieronder zit tot 0,75 tot 1,00 m -mv een omgewerkte laag. Onder deze laag zit meteen de C-horizont van dekzandafzettingen. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en veldonderzoek kan de verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd naar laag worden gezet en adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad), die vervolgens het advies over neemt of niet.

Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Meierijstad wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Meierijstad op de hoogte te stellen.

23081.001 versie 1

17 / 17

LITERATUUR Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenewoudt & T. de Groot (red.), 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort. (Nederlands Archeologische Rapporten 34). Gemeente Sint-Oedenrode, 2007: Archeologiebeleid gemeente Sint-Oedenrode. Koekkelkoren, A.M.H.C. & S. Moerman, 2014: Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Dijksteegje West, Sint-Oedenrode Gemeente Sint-Oedenrode IDDS. Archeologie rapport 1681. Kok, T., 2017: inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (fase 2) en opgraving Dijksteegje-West, SintOedenrode Gemeente Meierijstad. IDDS Archeologie rapport 1878. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G., P. van Delft, & H. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen Environmental Research, Wageningen.

Meijer, Y., 2015: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven Dijksteegje West, Sint-Oedenrode Gemeente Sint-Oedenrode. IDDS Archeologie rapport 1846. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden.

23081.001 versie 1

1/3

BRONNEN Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, januari 2024. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, januari 2024 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabant.nl; internetsite, januari 2024. https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Dinoloket; internetsite, januari 2024. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, januari 2024. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); internetsite, januari 2024. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64-91aa-4d44a9e3-54355556f5e7. Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, januari 2024. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-5cf058314ebf. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, januari 2024. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35. Kadaster Topotijdreis; internetsite, januari 2024. http://www.topotijdreis.nl/ NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, januari 2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=5785b428-8c27-42af-985c-9ff061f33a0b