Bijlage 2: Zienswijzennota (excl. geurnormen)
Tekst van het document
Zienswijzen en reacties op zienswijzen
Ontwerp van de ‘Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad’ 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Inleiding Procedure Ontvangen zienswijzen Ontvankelijkheid Leeswijzer Inhoud en beantwoording zienswijzen Ambtshalve wijzigingen Conclusie en advies
1. Inleiding Voordat de Omgevingswet in werking treedt per 2022 maken we graag onze regels in orde. Dan gaat het om de huidige bestemmingsplannen van de gemeente die opgaan in het omgevingsplanvan-rechtswege en om de verordeningen die daarnaast blijven gelden. De gemeentelijke verordeningen, of delen daarvan, die over de fysieke leefomgeving gaan worden samengebracht in een overgangsverordening. Deze ontwerpverordening vormt daarvan de 1e tranche. Voorafgaand aan de terinzagelegging van deze ontwerpverordening was er gelegenheid voor participatie. Dat betrof de treden 1 (informeren), 2 (raadplegen) en 3 (adviseren) op de zogenoemde participatieladder. Als basis voor verschillende sessies van het ThuisLab Omgevingswet in mei 2020 is er online informatie gepubliceerd over de juridische producten van het omgevingsbeleid. Daar kwamen de tussenstappen op weg naar het omgevingsplan aan de orde: de aanpak van laaghangend fruit in een bestemmingsplan en de overgangsverordening fysieke leefomgeving. Een conceptversie van de ontwerpverordening maakte deel uit van de gepubliceerde informatie. De interactieve sessie van het ThuisLab Omgevingswet van 19 mei 2020 had als onderwerp geur van veehouderijen als onderdeel van de overgangsverordening.
De juridische producten van het omgevingsbeleid waren ook een onderwerp van de beeldvormende avond voor raads- en commissieleden op 8 september 2020.
2. Procedure De ontwerpverordening lag met ingang van 10 juli 2020 negen weken ter inzage (tot en met 11 september 2020), zoals bekendgemaakt met publicaties in het Gemeenteblad 2020, nr. 175.106 van 9 juli 2020 en het Gemeenteblad 2020, nr. 221.994 van 31 augustus 2020.
3. Ontvangen zienswijzen Er zijn 64 zienswijzen ontvangen, steeds in relatie tot het hoofdstuk geurhinder en veehouderij. 1. Op 27 augustus 2020 is van een inwoner aan de Kruigenstraat te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 1. 2. Op 27 augustus 2020 is van een ondernemer aan het Looieind te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 2. 3. Op 27 augustus 2020 is van een inwoner aan de Lieseindsedijk te Schijndel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 3. 4. Op 27 augustus 2020 is van Van Boxmeer Varkens C.V. aan de Lieshoutsedijk te SintOedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 4. 5. Op 27 augustus 2020 is van de ZLTO-afdeling de Meierij ontvangen een zienswijze. Daarop ontvingen wij een aanvulling op 11 september 2020. Hierna te noemen reclamant 5. 5.a. Op 27 augustus 2020 is van een ondernemer een zienswijze ontvangen. Op diens verzoek vond op 1 september 2020 een mondelinge aanvulling plaats. Hierna te noemen reclamant 5.a. 6. Op 28 augustus 2020 is van Den Hollander Advocaten ontvangen de zienswijze van zijn cliënten op Dorshout te Veghel. Op 28 september 2020 hebben deze reclamanten hun zienswijze ingetrokken. Hierna te noemen reclamant 6. 7. Op 28 augustus 2020 is van Den Hollander Advocaten ontvangen de zienswijze van zijn cliënt aan de Venhofstraat te Heesch.
Op 28 september 2020 heeft deze reclamant zijn zienswijze ingetrokken. Hierna te noemen reclamant 7. 8. Op 28 augustus en 1 september 2020 is van Linssen CS Advocaten ontvangen de zienswijze van de V.O.F. Verhagen en vennoten op het Dorshout te Veghel. Hierna te noemen reclamant 8. 9. Op 28 augustus en 1 september 2020 is van Van Iersel Luchtman Advocaten ontvangen de zienswijze van Van Gastel-Holl B.V. en een inwoner aan de Mosbulten te Sint-Oedenrode. Hierna te noemen reclamant 9. 10. Op 3 september 2020 is van een inwoner aan de Schijndelseweg te Sint-Oedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 10. 11. Op 3 september 2020 is van een inwoner aan de Jekschotstraat te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 11. 12. Op 3 september 2020 is van Vissers Pluimvee B.V. en een inwoner aan de Boterweg te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 12. 13. Op 4 september 2020 is van varkensbedrijf Witte Bleek B.V. aan de Witte Bleek te SintOedenrode, een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 13. 14. Op 4 september 2020 is van een inwoner aan de Molendijk-Noord te Schijndel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 14. 15. Op 4 september 2020 is van Bartels Onroerend Goed Sint-Oedenrode B.V. en Bartels SintOedenrode B.V., beide gevestigd aan de Achterste Steeg te Sint-Oedenrode, een zienswijze ontvangen.
Hierna te noemen reclamant 15. 16. Op 4 september 2020 is van Agron Advies ontvangen de zienswijze van Van Doorn Varkensbedrijven aan de Veghelsedijk te Erp. Hierna te noemen reclamant 16. 17. Op 5 september 2020 is van Bouwens V.O.F. te Oss een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 17. 18. Op 5 september 2020 is van V.O.F. Donkers Pluimvee aan de Boerdonksedijk te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 18. 19. Op 5 en 10 september 2020 is van een inwoner aan de Biezendijk te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 19. 20. Op 7 september 2020 is van Holva B.V. en een inwoner aan de Willibrordushoek te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 20.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 2 van 21
datum 9 februari 2021
21. Op 7 september 2020 is van Oedepluim B.V. te Someren een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 21. 22. Op 7 september 2020 is van een inwoner aan de Heuvelberg te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 22. 23. Op 8 september 2020 is van inwoners aan de Steeg te Schijndel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 23. 24. Op 8 september 2020 is van een ondernemer en inwoner aan de Leinserondweg te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 24. 25. Op 8 september 2020 is van Melvert Agro B.V. te Milheeze een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 25. 26. Op 8 september 2020 is van FG Bedrijfsontwikkeling B.V. te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 26. 27. Op 8 september 2020 is van M.A.M. Verhoeven Holding B.V. aan Het Gerecht te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 27. 28. Op 8 en 11 september 2020 is van een inwoner aan de Corridor te Sint-Oedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 28. 29. Op 9 september 2020 is van de V.O.F. Vissers aan de Boekelseweg te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 29. 30. Op 9 september 2020 is van de V.O.F. Koolen-Bouw aan de Berkensteeg te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 30. 31.
Op 9 september 2020 is van een inwoner aan de Jekschotseweg te Sint-Oedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 31. 32. Op 9 september 2020 is van Goordonksedijk B.V. aan het Bovenstehuis te Boekel een zienwijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 32. 33. Op 9 september 2020 is van een bewoner aan de Voorbolst te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 33. 34. Op 9 september 2020 is van de Vereniging Leefmilieu Veghel-Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 34. 35. Op 9 september 2020 is van een bewoner aan de Schrijvershoef te Schijndel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 35. 36. Op 9 september 2020 is van bewoners aan het Ham te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 36. 37. = 33. 38. Op 10 september 2020 is van een bewoner aan de Morschehoef te Erp in tweevoud een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 38. 39. Op 10 september 2020 is van een bewoner aan de Lieshoutseweg te Sint-Oedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 39. 40. Op 10 september 2020 is van een inwoner van de Olieëindsestraat te Schijndel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 40. 41. Op 10 september 2020 is van DLV ontvangen de zienswijze van Vogels V.O.F. te Erp. Hierna te noemen reclamant 41. 42.
Op 10 september 2020 is van DLV ontvangen de zienswijze van Vissers Uden Beheer B.V. te Uden. Hierna te noemen reclamant 42. 43. Op 10 september 2020 is van een inwoner aan de Waterhoef te Sint-Oedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 43. 44. Op 10 september 2020 is van Verbruggen Paddestoelen B.V. te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 44. 45. Op 10 september 2020 is van een inwoner aan de Broekweg te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 45. 46. Op 10 september 2020 is van een ondernemer en inwoner aan de Trentweg te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 46.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 3 van 21
datum 9 februari 2021
47. Op 10 en 11 september 2020 is van Bergs Advies ontvangen de zienswijze van Varkensbedrijf Spierkensweg V.O.F. te Sint-Oedenrode. Hierna te noemen reclamant 47. 48. Op 10 en 14 september 2020 is van de Regio Zuid-Oost van de Producenten Organisatie Varkenshouderij een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 48. 49. Op 11 september 2020 is van Van Heesch V.O.F. aan de Pastoor Smitsstraat te SintOedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 49. 50. Op 11 september 2020 is van DLV ontvangen de zienswijze van Verboort Agri V.O.F. te Schijndel. Hierna te noemen reclamant 50. 51. Op 11 september 2020 heeft een inwoner mondeling een zienswijze ingebracht. Daarop ontvingen wij een schriftelijke aanvulling op 25 september 2020. Hierna te noemen reclamant 51. 52. Op 11 september 2020 is van een inwoner aan de Houterdsedijk te Schijndel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 52. 53. Op 11 september 2020 is van DLV ontvangen de zienswijze van ondernemers en inwoners te Veghel. Hierna te noemen reclamant 53. 54. Op 11 september 2020 is van een ondernemer en inwoner aan de Pater Visserslaan te Veghel een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 54. 55. Op 11 september 2020 is van Agrifirm ontvangen de zienswijze van ondernemers en inwoners aan het Achterst Ven te Veghel. Hierna te noemen reclamant 55. 56.
Op 11 september 2020 is van Agrifirm ontvangen de zienswijze van ondernemers en inwoners aan de Vernhout te Sint-Oedenrode. Hierna te noemen reclamant 56. 57. Op 11 september 2020 is van Agrifirm ontvangen de zienswijze van Heto Agri V.O.F. te Sint Anthonis. Hierna te noemen reclamant 57. 58. Op 11 september 2020 is van Agrifirm ontvangen de zienswijze van Beek en Donkse ondernemers aan de Damianenweg te Sint-Oedenrode. Hierna te noemen reclamant 58. 59. Op 11 september 2020 is van Agrifirm ontvangen de zienswijze van ondernemers en inwoners te Erp. Hierna te noemen reclamant 59. 60. Op 11 september 2020 is van Vos-van Engeland V.O.F. te Sint-Oedenrode een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 60. 61. Op 11 september 2020 is van inwoners aan de Morschehoef te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 61. 62. Op 11 september 2020 is van DLV ontvangen de zienswijze van een ondernemer en inwoner te Erp. Hierna te noemen reclamant 62. 63. Op 14 september 2020 is van een inwoner aan de Vogelenzang te Erp een zienswijze ontvangen. Hierna te noemen reclamant 63. 64. Op 15 september 2020 is van de ZLTO ontvangen de zienswijze van inwoners aan Villenbraken te Sint-Oedenrode. Hierna te noemen reclamant 64.
4. Ontvankelijkheid Het ontwerp van de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad lag ter inzage tot en met 11 september 2020. De zienswijzen van de reclamanten 1 tot en met 62 zijn ontvangen tijdens de termijn van terinzagelegging en daarmee tijdig en zondermeer ontvankelijk. De zienswijze van de reclamant 63 is, hoewel (als) ontvangen (geregistreerd) op 14 september 2020, gedateerd op 10 september 2020. Deze zienswijze achten wij ontvankelijk. De zienswijze van de reclamant 64 is, hoewel ontvangen op 15 september 2020, gedateerd op 11 september 2020. Deze zienswijze achten wij ontvankelijk.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 4 van 21
datum 9 februari 2021
5. Leeswijzer In paragraaf 6 van deze notitie wordt inhoudelijk ingegaan op de zienswijzen. Indien de zienswijzen reden geven om de verordening gewijzigd vast te stellen ten opzichte van de ontwerpverordening, wordt dat aangegeven. Voor zover het college van burgemeester en wethouders zelf wijzigingen wenst, zoals correcties of aanvullingen, zijn die opgenomen in paragraaf 7. In paragraaf 8 van deze notitie staat het overzicht van de voorgestelde wijzigingen op de ontwerpverordening.
6. Inhoud en beantwoording zienswijzen Per reclamant wordt eerst de inhoud van de zienswijze weergegeven, en dan de reactie daarop. Reclamant 1 Reclamant maakt bezwaar tegen de aanscherping van geurnormen en stelt dat het ‘wel kort dag’ is voor het ontwerp. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 2 De reclamant stelt dat door de aanscherping van geurnormen van 14 naar 8 odeur plannen voor samenvoeging en bedrijfsverplaatsing in het geding komen. De reclamant wijst erop dat met de huidige normen het mogelijk is zijn bedrijf te saneren en geschikt te maken voor woningbouw. De reclamant vreest dat door het aanscherpen van geurnormen de geurlijnen van andere omliggende bedrijven dichterbij zijn locatie komen te liggen, waardoor woningbouw bemoeilijkt wordt. Tevens komen volgens de reclamant de plannen voor een biologisch natuurinclusief bedrijf in gedrang. De reclamant concludeert dat de aanscherping van de geurnormen negatieve bijwerkingen heeft die duurzame ontwikkeling van het buitengebied juist op slot zet. De reclamant wil graag duidelijkheid over de consequenties van aanscherping van de geurnormen en vraagt daarom opschorting.
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 3 Reclamant stelt dat er niet is gecommuniceerd dat deze plannen er lagen. De plannen gingen vanaf 1 juli ter inzage, maar de reclamant hoorde dit pas op 27 augustus. Met de verlaging van de geurnormen gaat de reclamant niet akkoord. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 5 van 21
datum 9 februari 2021
Reclamant 4 Reclamant stelt dat door aanpassing van de geurnorm zijn bedrijf aan de Lieshoutsedijk te SintOedenrode enorm wordt geraakt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Daarbij stelt de reclamant dat er in de huidige situatie sprake is van een niet-overbelaste geursituatie op zijn locatie. Na aanscherping van de geurnormen ontstaat er wel een overbelaste geursituatie op zijn locatie. De reclamant wijst erop dat er door de lage achtergrondconcentratie aan geur al sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het verzoek van de reclamant is daarom om de geurnormen niet aan te scherpen. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 5 De ZLTO-afdeling stelt dat er geen sprake was van goede burgerparticipatie bij de totstandkoming van deze geurnormen. De geurnormen hebben daarbij grote gevolgen, met name voor ondernemers in het verwevingsgebied. De reclamant vraagt daarom om de geurnormen in het verwevingsgebied op 12 OUE/m3 te zetten en niet op 8 OUE/m3. Ook is de reclamant teleurgesteld dat er tijdens de inspraakperiode geen overleg is geweest, terwijl hier wel om is gevraagd. De reclamant zet daarbij vraagtekens bij de onderbouwing. De reclamant vraagt zich af of toekomstige ontwikkelingen zijn meegenomen.
Zijn de gevolgen van deze verscherpte geurnormen goed onderzocht? De reclamant vreest grote gevolgen voor bedrijven, omwonenden en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De reclamant trekt het verband tussen geur en gezondheid in twijfel, er is volgens de reclamant hoogstens sprake van een indirect verband. Daarbij vraagt de reclamant zich af of er wel sprake is van geuroverlast, zijn er klachten bekend? De reclamant wil weten hoe de gebiedsindeling tot stand is gekomen en welke keuzes daarbij zijn gemaakt. Het lijkt de reclamant verstandiger om af te wachten totdat de keuzes van veehouders bekend zijn, zodat er met meer informatie een eventuele wijziging in de geurnormen doorgevoerd kan worden. In de aanvulling op de zienswijze citeert de reclamant uit het concept-raadsvoorstel (1.3): ‘Dankzij de voorgestelde gradaties van de norm, behoudt veeteelt wel kansen in agrarisch kerngebied binnen onze gemeente.’ Dit betekent volgens de reclamant andersom dat in de andere delen de veehouderij blijkbaar geen kans meer heeft. Dit heeft vergaande consequenties, zowel sociaal als financieel. De reclamant vindt dat dit niet de juiste inzet van de geurnorm is. Als ander voorbeeld van het oneigenlijk inzetten van de geurnorm noemt de reclamant de aanscherping van geurnormen voor natuurgebieden.
Geurnormen zijn volgens de reclamant ter bescherming van de mens (bij een langdurig verblijf), niet van de natuur. Hiervoor heeft de gemeente andere instrumenten. De geurnorm is hier niet voor bestemd. Door de scheiding via een aanscherping van de geurnormen strak te reguleren, kunnen in veehouderijgebieden amper nevenfuncties plaatsvinden en in niet-veehouderijgebieden geen veehouderijbedrijven meer actief zijn. Dit is ook niet in lijn met andere speerpunten die de gemeente wil bereiken in Vitaal buitengebied, onder andere het VAB-beleid.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 6 van 21
datum 9 februari 2021
De reclamant sluit af met de constatering dat het aantal veehouderijen afneemt en de wens dat de gemeente de overgebleven bedrijven koestert. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 5.a De reclamant meent dat er op zijn bedrijf al genoeg belemmeringen zitten. En hij vindt het raar dat hij niet direct benaderd is over het ontwerp. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 6 Ingetrokken. Reclamant 7 Ingetrokken. Reclamant 8 De reclamant vindt dat er procedurefouten zijn gemaakt. Zo zouden belangenorganisaties niet zijn betrokken. Ook vraagt de reclamant zich af of de raad tijdig is geïnformeerd over deze verordening. De reclamant vraagt zich af of de juiste stukken tijdig ter inzage zijn gelegd. De reclamant stelt dat er geen sprake is van deugdelijk onderzoek naar nut en noodzaak van de aangescherpte normstelling. Het is duidelijk dat de ontwikkelingen in de veehouderij nu juist het laatste decennium hebben geleid tot een aanzienlijke verlaging van de geurbelasting, onder andere dankzij staltechnieken en een groeiend aantal bedrijven dat is gestaakt.
Er is aantoonbaar sprake van een afname van de geurbelasting en gelet daarop valt niet in te zien dat de aanscherping, laat staan in deze omvang, van de geurnormen aan de orde zou moeten zijn. Nergens is gemotiveerd waarom dat belang zou spelen, voor welke gebieden dat specifiek zou gelden en waarom dat zou moeten leiden tot een aanscherping van de geurnormen. Empirisch onderzoek, onderbouwd door statistische gegevens, ontbreekt, zodat de verordening gelet op artikel 3:2 en 3:46 Awb niet ongewijzigd vastgesteld kan worden. Daarbij wordt het volgende gesteld… ‘dankzij de voorgestelde gebiedsindeling met gradaties van de norm, behoudt veeteelt wel kansen in agrarisch kerngebied binnen onze gemeente’… Deze opmerking is volgens de reclamant niet waar, door een aanscherping van de normen zijn er juist minder mogelijkheden. De reclamant stelt dat er nog geen juridische basis is voor deze ontwerpverordening. De Omgevingswet is nog niet ingevoerd en de bestaande, sectorale wetten zouden afzonderlijke verordeningen vereisen. Verder is volgens de reclamant van belang dat als de gemeente van mening blijft dat er samenvoeging kan plaatsvinden in één verordening, de onderliggende regelgeving wel het materiële toetsingskader blijft. In dit geval komt met name betekenis toe aan de artikelen 8 en 9 van de Wet geurhinder en veehouderij.
In dit geval is niet gebleken dat aan deze criteria is voldaan. Er wordt zoals in deze inspraakreactie is aangegeven iets globaals gezegd over gezondheid, milieu en toerisme en recreatie en dergelijke, maar het is evident dat dit niet de in artikel 8 van de wet bedoelde criteria zijn. Ook is niet gebleken dat er getoetst is aan
Zaaknummer 1948340946
Pagina 7 van 21
datum 9 februari 2021
artikel 9, te weten de mogelijke effecten op nabijgelegen gemeenten. Bij gebreke van het gehele onderzoek als bedoeld in artikel 8 en 9 kan de ontwerpverordening niet worden vastgesteld. De reclamant is het niet eens met de gebiedsindeling. De reclamant begrijpt niet waar de indeling naar geurnormen op gestoeld is. Zo valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom landelijk gebied, hoofdfunctie natuur, een strengere geurnorm zou moeten hebben. Reclamant noemt drie locaties waarvoor volgens hem te strenge geurnormen voor worden opgelegd. Met betrekking tot de Zondveldstraat 40 merkt reclamant op dat dit bedrijf zich op de rand van gebied I en II bevindt, zodat mede gelet op de aan de orde zijnde belangen verschuiving naar gebied II voor de hand ligt. Niet valt in te zien, mede gelet op al het voorgaande, waarom de begrenzing zoals die is toegepast op deze wijze gehanteerd zou moeten worden, mede gelet op artikel 3:4 lid 2 Awb waarover hierna meer. Met betrekking tot Dorshout 45 heeft nu juist te gelden dat daar bij uitstek sprake is van een harde begrenzing tussen het bedrijventerrein De Amert enerzijds en het agrarisch gebied waarin de veehouderij van de reclamant gesitueerd is anderzijds. De gemeente typeert het gebied als III, te weten een verweving van functies, maar daarvan is nu juist bij uitstek in het gebied waarin de veehouderij van cliënten zich bevindt geen sprake.
De bewuste weg aan de rand van het industrieterrein is nu juist een harde geografische grens en aan de noord-oostzijde daarvan kan niet langer gesproken worden van een verwevenheid van functies. Het gaat daar om agrarisch gebied. Met betrekking tot de Lieshoutseweg is van belang dat ook daar sprake is van landelijk gebied met een agrarisch karakter. Andere waarden, zoals natuur of iets dergelijks, zijn daar waar het gaat om de locatie van cliënten niet aan de orde. Het bewuste bedrijf was ook altijd gesitueerd in een agrarisch ontwikkelingsgebied als bedoeld in de reconstructiewet en cliënten beschikken terzake over een ontheffing van gedeputeerde staten voor een agrarisch bedrijf van 3 hectare. Ook daarvoor heeft derhalve de hoogste geurnorm te gelden Er is verder ten onrechte geen overgangsrecht opgenomen, bijvoorbeeld voor binnen nu en een bepaalde tijd nog in te dienen zaken en zeker voor lopende zaken. Voor lopende zaken maar ook reeds bestaande situaties is de overgang naar dit nieuw voorgestelde regime immers zeer ingrijpend. Op dit moment gelden de wettelijke normen omdat er na de fusie tot de nieuwe gemeente Meierijstad niet binnen twee jaar nieuwe verordening zijn vastgesteld. Daardoor wordt de voorgestelde ingreep nóg groter.
Daar komt bovendien bij dat de ruimere normen niet tot nadelige ontwikkelingen geleid hebben (met name door beperking door cumulatie vanuit de lov). Dat is ook nergens gesteld noch gebleken. Er is dus geen enkele reden of noodzaak voor aanscherping van de normen. Als de geurnormen toch aangescherpt worden, dient tenminste in overgangsrecht voorzien te worden. De reclamant vindt dat de belangen onvoldoende zijn afgewogen. De bedrijven beschikken over onherroepelijke vergunningen, deze zullen in het licht van het provinciaal beleid binnen nu en afzienbare tijd aangepast moeten worden. Door juist nu een dergelijke verordening in het leven te roepen met aangepaste geurnormen dwingt de gemeente de bedrijven één-op-één om hun bedrijfsvoering, teneinde een vergunning te verkrijgen in het licht van de geurnormering, op vergaande wijze aan te passen en wellicht zelfs dieren af te stoten. Reclamant wijst daarbij op een lopende juridische procedure aan de Lieshoutsedijk in Nijnsel. Als door de aanscherping van de geurnormen een noodzakelijke veereductie ontstaat of andere kostbare maatregelen nodig zijn, houdt de reclamant de gemeente verantwoordelijk. De reclamant
Zaaknummer 1948340946
Pagina 8 van 21
datum 9 februari 2021
wijst op besluitvorming in december 2017, waarbij al schade is ontstaan voor de reclamant. De reclamant vindt daarom dat hij dubbel getroffen wordt. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 9 Reclamant komt onder het regime van enerzijds in gebied II (landelijk gebied agrarisch) en anderzijds gebied III (landelijk gebied verweving functies). Voor gebied II wijzigt de geurnorm van 14 naar 12 odeur, voor gebied III wijzigt de geurnorm van 14 naar 8 odeur. De reclamant stelt dat deze verlaging willekeurig is. Het belang van deze verscherping van de geurnormen voor gezondheid, milieu en niet-agrarisch gebruik van het landelijk is niet wetenschappelijk aangetoond volgens de reclamant. Daarbij stelt de reclamant dat er niet voldoende onderbouwd is waarom de standaard Wgv-normen niet zouden voldoen. Ook zet de reclamant vraagtekens bij het argument van de gemeente dat de nieuwe geurnormen voldoende kansen voor verdere ontwikkeling van veeteelt met zich meebrengen. De gemeente ziet hier volgens de reclamanten niet de beperkingen, en daarmee de schade, die de nieuwe geurnormen met zich meebrengen.
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 10 De reclamant stelt dat de gevolgen van de aanscherping van de geurnormen niet zijn onderzocht. De gevolgen van de aanscherping zijn volgens de reclamant groot, niet alleen voor veehouderijen maar ook voor woningbouw. Daarbij zou niet voldoende onderbouwd zijn waarom de geurnormen aangescherpt zijn. De reclamant vraagt zich af of het juridisch wel mogelijk om op dit moment een verordening te baseren op de Omgevingswet, die nog niet in werking is. Reclamant is teleurgesteld dat er midden in de vakantieperiode een verordening met grote gevolgen zonder vooroverleg wordt gepresenteerd. De reclamant vindt het jammer dat door de gemeente niet naar zijn mening is gevraagd, terwijl de gemeente normaal gesproken veel waarde hecht aan een goede dialoog. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 11 Reclamant 11 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen.
Reclamant 12 Reclamant 12 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 9 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 13 Reclamant 13 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 14 Reclamant 14 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 15 Reclamant 15 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 16 De reclamant mist een onderbouwing voor de aanpassing van de geurnormen. De aanpassing van de normen wordt verder niet gemotiveerd bijvoorbeeld in relatie met de achtergrondbelasting aan geur en het verband met een goed woon- en leefklimaat. De reclamant meent dat woningbouwontwikkeling en het VAB-beleid worden geremd.
Daarbij zouden de gevolgen van de aanscherping van de geurnormen voor het bedrijf van de reclamant enorm zijn. De reclamant vraagt daarom om de verordening niet aan de raad aan te bieden voor vaststelling, maar eerst de effecten en de onderbouwing van de maatregel helder te maken. Hij vraagt ook om de geurnormering van de voormalige gemeente Veghel opnieuw in te voeren. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 17 Reclamant 17 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 18 Reclamant 18 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 16.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 10 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 19 Reclamant stelt dat de geurnormen worden verscherpt van 12 naar 8. De reclamant vindt het verstandig om geurnormen vanuit gemeentelijk beleid gelijk te laten lopen met de regels vanuit provinciaal- en rijksbeleid. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 20 Reclamant 20 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 21 Reclamant 21 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 22 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen.
Reclamant 23 Reclamant 23 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 24 Reclamant stelt dat door de verscherping van de geurnormen zijn mogelijkheden ernstig worden aangetast. De reclamant vindt dat er geen sprake is van geuroverlast en dat er daarom ook geen reden is om de geurnormen te verscherpen. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 25 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 11 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 26 Reclamant stelt dat er een te magere toelichting is om gebruik te maken van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt voor een plaatselijke invulling van geurnormen. De reclamant mist een toelichting in de zin van een gebiedsvisie. Ook vraagt de reclamant zich af hoe de gebiedstypologieën bepaald zijn en wat de relatie is tussen een gebied met aanduiding hoofdfunctie natuur en geur. De reclamant vraagt zich af of de toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot de omvang van het veebestand voldoende zijn meegenomen. Hij wijst op een saneringsregeling varkenshouderij, een actieplan ammoniak en verplichte stalaanpassingen. De reclamant concludeert dat de onderbouwing van de verscherping van de geurnormen onvoldoende is en de ontwikkeling van de veestapel moeilijk is in te schatten. Daarom vraagt de reclamant om een eventuele aanscherping van geurnormen enkele jaren uit te stellen, totdat deze ontwikkelingen helder zijn. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 27 Reclamant 27 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10.
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 28 Reclamant 28 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 29 Reclamant 29 heeft een bijna identieke zienswijze ingediend als reclamant 26. Daar voegt de reclamant aan toe dat de mogelijkheden voor zijn bedrijf ontoelaatbaar beperkt worden. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 30 Reclamant 30 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 12 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 31 Reclamant 31 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 32 Reclamant 32 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 33 Reclamant 33 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 34 De Vereniging Leefmilieu Veghel-Erp stelt dat de gemeente niet heeft voldaan aan de nota stankbeleid van 30 mei 1994. In deze nota is opgenomen dat in 2010 geen sprake meer mag zijn van ernstige geurhinder. De reclamant wijst erop dat andere gemeenten in de buurt hun geurnormen eerder hebben aangescherpt dan Meierijstad.
De emissie mag in geen geval een hogere geurconcentratie in de woon- en leefomgeving tot gevolg hebben dan een bovengrens van 10ge/m3 als 98 percentielwaarde. De betreffende 10 geureenheden / m3. is de zelfde geurbelasting als 5 OU / m3. De reclamant stelt daarom dat overbelaste situaties met betrekking tot geur in stand worden gelaten met de verscherping van de geurnormen, omdat het beleid 8 OU toestaat. Het gebied Veghels Buiten is ingedeeld in 8 OU. Het gaat hierom gebieden zoals de Beukelaar, Heuvel en Havelt. Deze gebieden sluiten aan op de Bunders en Veghel-Zuid met 2 OU. De reclamant pleit voor een aanpassing naar 2 OU voor Veghels Buiten zodat bewoners dezelfde goede woon- en leefomgeving krijgen als de overige bebouwingsconcentraties binnen de gemeente Meierijstad.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 13 van 21
datum 9 februari 2021
De reclamant vraagt zich af waarom de geurnormen voor intensieve veehouderijen (IV) op industrieterreinen hoger zijn dan die voor de industrie zelf, terwijl er geen intensieve veehouderijen aanwezig zijn. Geur van een activiteit moet aanvaardbaar zijn. Cumulatie vanuit de IV en industrie op naastgelegen bebouwingsconcentraties zijn niet aanvaardbaar. Dit staat in artikel 5.92 Bkl. Geur van één activiteit moet aanvaardbaar zijn. Er wordt geur van verschillende activiteiten bij elkaar gevoegd, 12 OU vanuit de IV en 5 OU vanuit de industrie. Met de normering van 12 OU voor de IV zet men de industrie op slot. De reclamant vraagt daarom om de geurnorm voor IV op de bedrijventerreinen terug te brengen naar 2 OU, omdat bedrijventerreinen primair gericht zouden moeten zijn op bedrijven en kantoren. Ten slotte wil de reclamant benadrukken dat geurbelasting vanuit agrarische bedrijven wordt onderschat. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 35 Reclamant 35 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen.
Reclamant 36 Reclamant 36 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 37 n.v.t. Reclamant 38 Reclamant 38 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 39 Reclamant 39 heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10 Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 14 van 21
datum 9 februari 2021
Reclamant 40 De reclamant heeft bezwaar tegen de aanscherping van de geurnormen. De hoogste van die geurnormen betreft ook maar een klein deel van het grondoppervlak. De reclamant mist de onderbouwing bij het ontwerp, zoals een gebiedsvisie. Volgens de reclamant zijn de effecten van het voorstel voor veehouderijen, maar ook voor woningbouwontwikkeling en VAB-beleid nog in beeld te brengen. De reclamant meent dat zonder voorafgaand overleg midden in de vakantieperiode het ontwerp is gepresenteerd en is daardoor zwaar teleurgesteld. Hij wijst erop dat participatie juist belangrijk wordt met de komende Omgevingswet. Tevens vraagt hij zich af of de verordening te baseren is op de nog niet in werking zijnde Omgevingswet. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 41 De reclamant vindt dat er procedurefouten zijn gemaakt. Zo zouden belangenorganisaties niet zijn betrokken. Ook vraagt de reclamant zich af of de raad tijdig is geïnformeerd over deze verordening. De omstandigheden van vakantie en corona-crisis worden ook genoemd. De reclamant vraagt zich af of de juiste stukken tijdig ter inzage zijn gelegd. De reclamant stelt dat er geen sprake is van deugdelijk onderzoek naar nut en noodzaak van de aangescherpte normstelling.
Daarbij wordt het volgende gesteld… ‘dankzij de voorgestelde gebiedsindeling met gradaties van de norm, behoudt veeteelt wel kansen in agrarisch kerngebied binnen onze gemeente’… Deze opmerking is volgens de reclamant niet waar, door een aanscherping van de normen zijn er juist minder mogelijkheden. De reclamant stelt dat er nog geen juridische basis is voor deze ontwerpverordening. De Omgevingswet is nog niet ingevoerd en de bestaande, sectorale wetten zouden afzonderlijke verordeningen vereisen. Voor zo’n verordening wijst reclamant op het belang van de artikelen 8 en 9 Wgv. Volgens de reclamant is de gebiedsindeling van het ontwerp niet juist. En mocht toch een lokale geurnormering plaatsvinden, dan wenst de reclamant dat voor de locaties Hoek 10a en Kemke(n)sweg (sic) 9 de hoogste geurnorm zou gelden. Er is verder ten onrechte geen overgangsrecht opgenomen, bijvoorbeeld voor binnen nu en een bepaalde tijd nog in te dienen zaken en zeker voor lopende zaken. Voor lopende zaken maar ook reeds bestaande situaties is de overgang naar dit nieuw voorgestelde regime immers zeer ingrijpend. Op dit moment gelden de wettelijke normen omdat er na de fusie tot de nieuwe gemeente Meierijstad niet binnen twee jaar nieuwe verordening zijn vastgesteld. Daardoor wordt de voorgestelde ingreep nóg groter.
Daar komt bovendien bij dat de ruimere normen niet tot nadelige ontwikkelingen geleid hebben (met name door beperking door cumulatie vanuit de lov). Dat is ook nergens gesteld noch gebleken. Er is dus geen enkele reden of noodzaak voor aanscherping van de normen. Als de geurnormen toch aangescherpt worden, dient tenminste in overgangsrecht voorzien te worden.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 15 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 42 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 41, zij het dat een andere locatie is genoemd. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 43 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 44 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 45 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10 Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 46 Reclamant is verbaasd dat zijn bedrijf een hoge achtergrondbelasting heeft.
In 2018 is het aantal dieren op zijn bedrijf gereduceerd en daarmee is ook de emissie gereduceerd. Dit is ook door de omgevingsdienst geconstateerd. Daarbij voelt de reclamant zich ongelijk behandeld vanwege een indeling in de categorie veehouderij zonder geuremissiefactor. Verder maakt de reclamant bezwaar tegen de verscherping van de geurnormen. Dit veroorzaakt volgens hem een grote beperking voor de agrarische activiteit. Dit terwijl de relatie tussen geur en gezondheid en milieu volgens de reclamant op zijn hoogst indirect is. Ook is de reclamant van mening dat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat veel agrarische bedrijven zijn gestopt. Dit is op zichzelf ook al een reductie van geur, zelfs een sterkere dan de aanscherping van de geurnormen volgens de reclamant. De reclamant vreest ten slotte dat door de aangescherpte geurnormen meer agrarische bedrijven gaan stoppen, waardoor meer leegstand ontstaat in het buitengebied, met alle nadelen van dien.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 16 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 47 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 48 Regio Zuid-Oost van de Producenten Organisatie Varkenshouderij wijst erop dat een eigen actieprogramma, de Saneringsregeling varkenshouderij en de Subsidieregeling brongerichte verduurzaming al tot veel verbetering leiden. Reclamant geeft aan dat de organisatie zelf en haar achterban zich committeren aan reductie van emissies, inpassing in de omgeving en versterken van de structuur van het platteland. De reclamant meent dat eerst de situatie die met deze ontwikkelingen ontstaat, bestudeert moet worden alvorens geurnormen zijn aan te scherpen. De reclamant stelt dat door de verscherping van de geurnormen veel bedrijven in een overbelaste situatie terechtkomen en dat daardoor hun ontwikkelruimte om te verduurzamen geraakt wordt. De reclamant betwijfelt of de geurhinder echt zo groot is als wordt verondersteld. Medio november 2016 zijn de uitkomsten van het onderzoek ‘Geuremissie en hinder in de Nederlandse varkenshouderij’ gepubliceerd.
Hierin word geconcludeerd dat geurhinder minder voortkomt dan wordt aangenomen en dat het geurbeleid is gebaseerd op verouderde rekenmodellen. De uitkomsten van het ILVO en Olfascan onderzoek corresponderen volgens de respondent niet geheel met de uitkomsten van het PRA onderzoek uit 2001 (‘Geurhinderonderzoek stallen intensieve veehouderij’) en ook niet met het GGD-rapport van 2015 ‘Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?’ Verder vindt de reclamant dat een gebiedsgerichte maatwerkaanpak van geurproblematiek een betere oplossing is dan een verordening. Het is daarbij de voorkeur van de reclamant dat er eerst objectief bepaald wordt waar geuroverlast is, waarna via een maatwerkoplossing de geuroverlast wordt opgelost. Dat past volgens de reclamant ook in de geest van de aankomende Omgevingswet. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 49 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 50 Reclamant is aan het overwegen of en hoe de vennootschap doorgaat met de bedrijfsvoering.
Hier heeft reclamant contact over gezocht met de gemeente, maar nog niets vernomen.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 17 van 21
datum 9 februari 2021
De aanscherping van de geurnormen heeft grote gevolgen voor eventuele herbestemmingsmogelijkheden van zijn locaties. De reclamant wil graag weten hoe de geurnormen en gebiedsindeling tot stand zijn gekomen. De reclamant wijst erop dat er een tendens is dat het aantal veehouderijbedrijven afneemt en de eisen aan de toe te passen staltechnieken voor de blijvende veehouders strenger zijn, waardoor de geurbelasting op de omgeving afneemt. Enkel verwijzen naar het belang van gezondheid, milieu en niet-agrarische bedrijvigheid, zonder dat het kwantitatief onderbouwd wordt, is volgens de reclamant onvoldoende. Artikel 8 en 9 van de Wet geurhinder en veehouderij schrijft voor dat er enkel gemotiveerd van de normen afgeweken kan worden. De reclamant vraagt dan ook om geen scherpere geurnormen vast te stellen. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 51 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 26. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 52 Reclamant begrijpt niet waar de aangescherpte geurnormen vandaan komen.
De reclamant wijst erop dat deze verscherpte geurnormen grote gevolgen hebben voor zijn bedrijf en verduurzaming tegengaan. De reclamant stelt dat er geen druk is om de geurnormen aan te passen en ze daarom niet te wijzigen. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 53 Reclamant heeft een zienswijze ingediend die vrijwel overeenkomt met die van reclamant 41. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 54 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 52. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 55 Reclamant heeft een vrijwel identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Daarbij verwijst de reclamant naar zijn bedrijf aan het Achterst Ven 7 te Veghel.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 18 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 56 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 55, zij het met vermelding van een andere locatie. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 57 Reclamant heeft een vrijwel identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. De vennootschap verwijst daarbij naar een lopende zaak van bedrijfsontwikkeling. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 58 Reclamant heeft een vrijwel identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. De reclamant verwijst daarbij naar een lopende zaak van bedrijfsontwikkeling. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 59 Reclamant heeft een bijna identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. De reclamant verwijst daarbij naar een lopende zaak van bedrijfsontwikkeling.
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 60 Reclamant stelt dat het verlagen van de geurnormen grote gevolgen heeft voor zijn bedrijf. De reclamant geeft aan dat stallucht door de luchtwassers wordt verwerkt op basis van de geurnorm van 12 oue. De reclamant vreest dat door de aanscherping van de geurnormen zijn bedrijf niet meer kan voldoen aan de verplichte stalaanpassingen per 1 januari 2024. Daarnaast vraagt de reclamant zich af of hij door de aanscherping van de geurnormen nog wel kan verduurzamen. De reclamant wijst erop dat er allerlei technieken voor reducering van emissie worden getest en hij vraagt zich af of deze technieken met de verscherping wel kunnen worden gebruikt in de toekomst. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 61 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 19 van 21
datum 9 februari 2021
Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 62 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 41, zij het dat er andere locaties worden genoemd. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 63 Reclamant heeft een identieke zienswijze ingediend als reclamant 10. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen. Reclamant 64 Reclamant vindt dat zijn bedrijf onevenredig wordt benadeeld door de verscherping van de geurnormen. Het bedrijf, gelegen in concentratiegebied, wordt geplaatst in gebiedstypologie III en de geurnormen worden daarmee gewijzigd van 14 oue naar 8 oue. Beantwoording Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk geurhinder en veehouderij vast te stellen.
7. Ambtshalve wijzigingen In hoofdstuk 6 over afvoer van hemelwater en grondwater is te verduidelijken welke ambitie we hanteren voor het verwerken of bergen van hemelwater. In artikel 6.4 lid 2 van het ontwerp stond dat bij een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak een hemelwatervoorziening voor 20 mm (per m2 verhard oppervlak) nodig is. Op basis van lid 3 zou het college een hogere norm kunnen opleggen. Bij de toelichting op artikel 6.4 lid 2 was aangegeven dat de 20 mm een minimum was. En pas bij de uitleg over groene daken was te lezen dat we ons richten op 60 mm. Dat is nu te verduidelijken door een norm van 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te stellen, met de mogelijkheid van een ontheffing mits ten minste 20 mm berging plaatsvindt. Tot slot zijn in dit hoofdstuk in artikel 6.2 de definities beter op alfabetische volgorde te plaatsen. Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk 7 geurhinder en veehouderij vast te stellen. Het college blijft in gesprek met de agrarische sector en wil een land- en tuinbouwvisie opstellen.
Daarbij is te behandelen hoe agrarische bedrijvigheid zich kan ontwikkelen in Meierijstad, hoe agrarische bedrijven het landelijk gebied kunnen delen met andere functies en hoe ook de veeteelt toegroeit naar schone en emissieloze bedrijvigheid in 2050 (een ambitie uit de duurzaamheidsvisie). Doordat intussen tientallen veehouders hun onderneming beëindigen, ondervindt het leefmilieu niet direct nadeel van het aanhouden van een hoofdstuk geurhinder en veehouderij.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 20 van 21
datum 9 februari 2021
8. Conclusie en advies Geurhinder en veehouderij Anders dan op 10 november 2020 stelt het college nu niet voor om als onderdeel van de verordening meteen een hoofdstuk 7 geurhinder en veehouderij vast te stellen. Verwerking van hemelwater In hoofdstuk 6 is duidelijker vast te leggen, in artikel 6.4, dat eigen verwerken of bergen van 60 mm (per m2 verhard oppervlak) nodig is, met de mogelijkheid van een ontheffing mits ten minste 20 mm berging plaatsvindt. De toelichting op dat hoofdstuk wordt overeenkomstig verduidelijkt. De definities van artikel 6.2 komen beter op alfabetische volgorde te staan.
Zaaknummer 1948340946
Pagina 21 van 21
datum 9 februari 2021