CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Volledige rapport - SKIP 2022.pdf

Raadsinformatiebrieven 31 december 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Regionale project drugs ‘SKIP’19.825 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.1.3 Uitproberen / experimenteren

Ruim driekwart van alle jongvolwassenen heeft wel eens drugs aangeboden gekregen, in de meeste gevallen gaat het om cannabis (69%), gevolgd door xtc (51%) en lachgas (39%). Ongeveer een kwart heeft ooit andere drugs dan cannabis, xtc of lachgas aangeboden gekregen. Van de jongvolwassenen die nooit drugs heeft gebruikt, heeft 44% ooit cannabis aangeboden gekregen, 18% xtc en 14% lachgas. Veel jongvolwassenen denken dat de kans (heel) klein is dat men gepakt wordt met bezit of gebruik van (illegale) drugs door politie of handhaving (69%). Bij de jongvolwassenen die het laatste jaar gebruikt hebben, ligt dit percentage hoger dan bij de jongvolwassenen die het laatste jaar niet gebruikt hebben (80% versus 56%). De grote meerderheid (79%) vindt het daarentegen wel (heel) erg om hierdoor met de politie of handhaving in aanraking te komen, slechts een minderheid van de jongvolwassenen zou dit niet (heel) erg vinden (8%). Ook hierbij is het percentage hoger bij gebruikers (laatste jaar) (12%).

Voor experimenteergedrag is de ooit-prevalentie indicatief. In figuur 5.3 is te zien dat het percentage dat ooit een middel heeft gebruikt voor alle middelen toeneemt met leeftijd. Voor cannabis is het ooit-gebruik (61% van de jongvolwassenen) nauwelijks lager dan bij roken (65%). Drie op de tien 16- en 17-jarigen hebben wel eens cannabis gebruikt, dit geldt voor ongeveer twee derde van de oudere leeftijdsgroepen. De overige drugs zijn in mindere mate ooit gebruikt. Opvallend is dat lachgas bij het ooit-gebruik in de top 3 voor drugs eindigt, maar dat het recent en regelmatig gebruik juist heel laag ligt. Het lijkt erop dat lachgas in veel gevallen wordt gebruikt om te experimenteren, maar dat de overstap naar vaker gebruik door de meeste jongvolwassenen niet wordt gemaakt. Ditzelfde zien we terug bij paddo's en LSD, al zijn hier de ooit-prevalentiecijfers lager.

5.1.2 Toegang en beschikbaarheid makkelijk aan cannabis kunnen komen. Jongvolwassenen die ouder zijn dan 18 jaar denken nog makkelijker aan cannabis te kunnen komen dan de 16- en 17-jarigen (89% vs. 67%). Meer dan de helft denkt dat makkelijk aan xtc (54%) en lachgas (53%) te kunnen komen. Ook van degenen die nooit drugs hebben gebruikt, denkt alsnog een grote groep gemakkelijk deze drugs te kunnen verkrijgen, respectievelijk 66%, 39% en 28%. Van deze drie drugssoorten wordt lachgas als minst toegankelijk ingeschat door de nooit-gebruikers.

100% 90%

% 80% 77%

70%

69% 66% 51% 43%

% 4%

4% %

Al co

30%

cannabis heel makkelijk aan te komen

ooi t-gebruikers

nooit-gebruik ers

xtc / MDMA makkelijk aan te k omen

neutraal

ooi t-gebruikers

lachgas moeil ijk aan te komen

heel moeilijk aan te komen

Figuur 5.2 Toegankelijkheid cannabis, xtc en lachgas: inschatting jongvolwassenen hoe makkelijk het is om aan deze middelen te komen (%) Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

3% %

11% 1% 6%8% 4% % 2% %1% 1% 0,8%

Ni et m

nooit-gebruik ers

ke n

ooi t-gebruikers

Ro

nooit-gebruik ers

(o ok

e-

10%

3% %

ed isc h

sig ar et e

n

20%

3% %

% 2%

Pa dd o' s ta m in en

ho l wa te rp ijp ) Ca nn ab XT is C /M DM A La ch ga s Co ca ïne Ke ta m ine

40%

% 2%

He ro ïn e

0%

% 8%

16% 12% %

/G HL

5 0%

% 6%

% 14%

24% 22% % 20% 17% %

LS D

10%

%

28%

ge br uik m

60%

29% 28% % 22% 20%

GH B

% 21%

20%

70%

33%

ed ici jn en

% 35%

2C -B

29% %

30%

80%

% 39%

37% %

40%

NP S

50%

90%

26

72% % 68%

60%

100%

0%

96%97%

Am fe

Of een drug al dan niet gemakkelijk te verkrijgen is, heeft invloed op de mate van normalisering van deze drug. Anders gesteld vormt de beschikbaarheid van drugs zelfs een voorwaarde voor het kunnen ontstaan van normalisering. Ook de kosten spelen een rol, een goedkope drugssoort zal eerder normaliseren dan een dure drug (Peters G. , 2019). Voor cannabis, xtc en lachgas is onderzocht hoe makkelijk de jongvolwassenen denken dat deze drugs te verkrijgen zijn (figuur 5.2). Bijna negen op de tien jongvolwassenen (86%) geeft aan te denken dat ze (heel)

16-17 jaar

18 t/m 22 jaar

23 t/m 27 jaar

Figuur 5.3 Middel ooit gebruikt naar leeftijdscategorie (% jongvolwassenen)

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

27

50%

5.1.4 Sociale accommodatie van drugsgebruik Bij sociale accommodatie gaat het om de attitude die jongvolwassenen zelf hebben ten aanzien van drugs, maar ook hun directe omgeving zoals ouders en vrienden: hoe ‘oké’ vinden jongvolwassenen het gebruik van verschillende soorten drugs en hoe ‘oké’ denken zij dat ouders/verzorgers en vrienden dit vinden. Een groot deel hierover is uitgewerkt in hoofdstuk 4 ‘Determinanten van drugsgebruik’ onder paragraaf 4.1.1 ‘Attitude ten aanzien van drugsgebruik’. In deze paragraaf wordt beschreven hoe de attitude van de jongvolwassenen zich verhoudt tot die van hun ouders en hun vrienden.

28%

25%

25% 20% 1 5%

22%

19%

15%

17%

9%

1 0%

26%

8% 5%

5%

ia

ei ge n

ge lo of s

de

m ed

p ch a ge m ee ns

do rt / uu /b wi jk

ei ge n

clu ei ge n

rp

fv er en igi ng bo

ie/ op le idi ng

op

sc h

oo l/ s tu d

sa m en le vin g se de rla nd Ne

Niet gebruikers (laatste jaar)

Gebruikers (laatste jaar)

89% 85%

80% 68%

70%

57%

60%

51%

42%

43%

41%

Niet-gebruiker Vindt gebruik (helemaal) oké

5%

Tripmiddelen

16%

0,9% 0,9%

3,7% 3,7% gebruikers

gebruikers

niet-gebruik ers

niet-gebruik ers

Xtc / MDMA

0,9% 0,9%

17%

niet-gebruik ers

1%

0%

Cannabis

4%

10,3% 10,3%

10%

niet-gebruik ers

7%

gebruikers

7%

1 0%

16%

gebruikers

17%

Evenals de overschatting van het gebruik van leeftijdsgenoten (zie paragraaf 4.2) kunnen de veronderstelde positieve attitudes van vrienden ten opzichte van drugs bijdragen aan de norm dat drugsgebruik normaal is.

5.1.5 Culturele accommodatie van drugsgebruik

31% 31%

29%

20%

Lachgas

Gebruiker Vindt gebruik (helemaal) oké

Denkt dat vrienden gebruik (helemaal) oké vinden

Denkt dat vrienden gebruik (helemaal) oké vinden

Denkt dat ouders/verzorgers gebruik (helemaal) oké vinden

Denkt dat ouders/verzorgers gebruik (helemaal) oké vinden

Figuur 5.4 (Veronderstelde) attitudes van jongvolwassenen, hun vrienden en hun ouders ten aanzien van gebruik cannabis, xtc, tripmiddelen, lachgas (uitgesplitst naar laatste jaar gebruik) 28

30%

Figuur 5.5 Inschatting mate van acceptatie drugsgebruik op verschillende samenlevingsniveaus binnen de samenleving: percentage jongvolwassenen dat de indruk heeft dat drugsgebruik (helemaal) geaccepteerd is.

90%

30%

37%

35%

de

Jongvolwassenen die het laatste jaar wel iets van drugs hebben gebruikt, schatten ook de attitudes van hun vrienden positiever in dan die van hen zelf. Al zijn de verschillen voor met name de meest gebruikte drugssoorten fors kleiner dan bij degenen die aangeven het laatste jaar geen drugs te hebben gebruikt. Daarnaast liggen alle percentages voor wat betreft de attitudes (eigen, vrienden en ouders) algeheel hoger voor deze groep.

1 00%

40%

40%

0%

In figuur 5.4 is voor zeven drugssoorten weergegeven wat de verschillen in (veronderstelde) attitudes zijn tussen de jongvolwassenen zelf, hun ouders en hun vrienden. Veruit de meest positieve attitude zien we bij het gebruik van cannabis: van de jongvolwassenen die het laatste jaar geen drugs hebben gebruikt vindt 29% het gebruik hiervan (helemaal) oké. Voor de overige drugssoorten liggen de percentages voor deze groep allen onder de 8%. Wat opvalt in de figuur is dat bij alle drugssoorten de veronderstelde

50%

43%

45%

attitudes bij vrienden een stuk positiever worden ingeschat dan hun eigen attitude. Zo denkt 42% dat zijn of haar vrienden het gebruik van cannabis (helemaal) oké vinden ten opzichte van 29% voor de jongvolwassenen zelf. Dit verschil is ook duidelijk zichtbaar bij xtc en lachgas. Met betrekking tot ouders/verzorgers ziet het beeld er anders uit: de meeste jongvolwassenen die het laatste jaar geen drugs gebruikten schatten in dat hun ouders/ verzorgers het gebruik hiervan (helemaal) niet oké vinden. Zeven procent denkt dat de eigen ouders/verzorgers het gebruik van cannabis oké vinden, de overige percentages liggen allen rond de 1% of lager.

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Anders dan bij sociale accommodatie gaat de dimensie ‘culturele accommodatie’ meer over de acceptatie van drugs(gebruik) op samenlevingsniveau. Vier op de tien jongvolwassenen hebben de indruk dat drugsgebruik (helemaal) is geaccepteerd binnen de Nederlandse samenleving. Bij uitsplitsing naar gebruik en niet-gebruik in het laatste jaar, blijkt dat het percentage onder gebruikers hoger ligt (43% versus 37%). Uit onder andere de ‘Social norms approach’ is bekend dat gedrag wordt beïnvloed door de manier waarop normen worden waargenomen en geïnterpreteerd (Curvers, 2021). Eén van de manieren waarop jongeren en jongvolwassenen worden geconfronteerd met drugs(gebruik) is via verschillende mediakanalen. Wanneer het op TV, films, muziek of bijvoorbeeld social media vaak en openlijk over drugs gaat, kan dit bijdragen aan de norm dat het gebruik hiervan Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

normaal is. In de monitor is onderzocht in hoeverre de jongvolwassen denken dat drugsgebruik (helemaal) geaccepteerd is binnen de media. Hieruit blijkt dat ruim een kwart denkt dat dit het geval is (27%). Bij vergelijken van de groep gebruikers ten opzichte van de niet-gebruikers (laatste jaar) is geen (significant) verschil gebleken. Eén op de vijf jongvolwassenen denkt dat drugsgebruik (helemaal) geaccepteerd is binnen de eigen studie of opleiding (21%). In figuur 5.5 is weergegeven dat gebruikers (laatste jaar) in bijna alle genoemde settings significant meer acceptatie van drugsgebruik ervaren dan niet-gebruikers (laatste jaar).

29

normaal wanneer dit met of bij vrienden thuis wordt gebruikt, 5% op een festival en 4% op een (huis)feest. Bij gebruikende jongvolwassenen (laatste jaar) vindt 66% het gebruik normaal en daarmee staan -anders dan bij de niet-gebruikers (laatste jaar)- tripmiddelen in de top 3 van drugssoorten die het meest normaal worden gevonden binnen deze groep, naast cannabis en xtc.

Cannabis Meer dan de helft van de niet-gebruikers (laatste jaar) vindt het normaal als iemand af en toe of regelmatig cannabis gebruikt (58%). Daarmee is cannabis de drugssoort waarvan het gebruik het meest normaal wordt gevonden. Het meest normaal wordt het gebruik van cannabis met of bij vrienden thuis gevonden (49%), gevolgd door gebruik op een (huis)feest bij vrienden of gebruik thuis alleen (zonder anderen) (beiden 33%). Onder gebruikers zien we dat het gebruik van cannabis zelfs door meer jongvolwassenen normaal wordt gevonden dan roken (97% versus 92%).

Amfetamine Van de niet-gebruikende jongvolwassenen (laatste jaar) vindt 7% het af en toe of regelmatig gebruik van amfetamine normaal. Dit geldt voor het grootste deel voor het gebruik van amfetamine op een festival (6%), gevolgd door het gebruik in een club of discotheek (3%), met of bij vrienden thuis, en op een (huis)feest (beiden 2%). Van de groep die zelf wel eens drugs heeft gebruikt (laatste jaar) vindt 48% het gebruik normaal, waarvan ook het merendeel aangeeft dit normaal te vinden op een festival.

30

Lachgas

waterp ijp )

Tripmiddelen (LSD, paddo’s, ketamine, 2C-B) Het af en toe of regelmatig gebruik van tripmiddelen vinden jongvolwassenen minder normaal dan het gebruik van cannabis, xtc of lachgas (11%). Acht procent vindt het

Vindt het normaal gebruikt Vindtals hetiemand normaalregelmatig als iemand regelmatig gebruikt Vindt het nietVindt normaal als iemand gebruikt het niet normaal als iemand gebruikt

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Xtc / MDMA Amfetamine

Niet-gebrui ker

Cannabis

Gebruiker

Niet-gebrui ker

Gebruiker

Gebruiker

Gebruiker Gebruiker

Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

Alcohol

Niet-gebrui ker ker Niet-gebrui

Gebruiker Gebruiker

Gebruiker

Roken (ook e-sigaret en NPS waterp ijp ) Cocaïne Tripmiddelen

Xtc / MDMA Xtc Amfetamine Cocaïne Tripmiddelen NPS Lachgas / MDMA Amfetamine Cocaïne Tripmiddelen

Cannabis

Niet-gebrui ker Niet-gebrui ker

Gebruiker

Gebruiker Niet-gebrui ker

Niet-gebrui ker Niet-gebrui ker Gebruiker

Niet-gebrui ker Gebruiker Gebruiker

Gebruiker Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

Gebruiker Gebruiker

Niet-gebrui ker

Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

Gebruiker Gebruiker

Gebruiker

Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

Gebruiker Gebruiker Gebruiker

Niet-gebrui ker

Roken (ook Roken Cannabis Lachgas Alcohol (ook Cannabis e-sigaret enAlcohol e-sigaret enRoken (ook waterp ijp ) waterp ijp ) e-sigaret en

Niet-gebrui ker Niet-gebrui Niet-gebruiker ker

Gebruiker

Gebruiker Gebruiker

Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

Gebruiker Gebruiker

Gebruiker

Niet-gebrui ker

Alcohol

Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

10% 0%

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Gebruiker Gebruiker

Vanwege de aanname dat jongvolwassenen die zelf wel eens drugs gebruiken, het gebruik van anderen ook eerder normaal zullen vinden, wordt ook bij deze analyse onderscheid gemaakt tussen de groep die het laatste jaar geen drugs gebruikte en de groep die het laatste jaar wel (iets van) drugs heeft gebruikt. Een groot deel van de niet-gebruikers (laatste jaar) blijkt het gebruik van alcohol en roken (inclusief waterpijp en e-sigaret) normaal te vinden (respectievelijk 96% en 77%). Uit de resultaten blijkt verder dat 60% van deze groep het normaal vindt dat iemand af en toe of regelmatig drugs gebruikt. Als

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20%

Niet-gebrui ker

5.2.1 Hoe normaal wordt drugsgebruik gevonden: uitgesplitst naar middel

Lachgas Het gebruik van lachgas wordt door niet-gebruikers (laatste jaar) in dezelfde mate normaal gevonden als het gebruik van xtc (18%). Hiermee sluit lachgas de top 3 van drugssoorten die het meest normaal worden gevonden door niet-gebruikers tussen 16 en 27 jaar. Het meest normaal vinden zij het gebruik van lachgas met of bij vrienden thuis (13%), gevolgd door het gebruik op een (huis)feest met vrienden (10%). Zeven procent vindt het normaal als lachgas wordt gebruikt op een festival en slechts 0,5% van de nietgebruikers vindt het normaal om lachgas te gebruiken in de auto. Van de jongvolwassenen die wel eens drugs gebruikten (laatste jaar) vindt de helft lachgasgebruik normaal (51%).

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Niet-gebrui Niet-gebrui ker ker

Xtc Na cannabis wordt het af en toe of regelmatig gebruik van xtc het meest normaal gevonden. Eén op de vijf nietgebruikers (laatste jaar) vindt het normaal als iemand af en toe of regelmatig xtc gebruikt. Duidelijk de grootste groep vindt het normaal wanneer xtc op een festival wordt gebruikt (18%), gevolgd door het gebruik in een club of discotheek (10%). Onder degenen die zelf wel eens drugs hebben gebruikt (laatste jaar) vindt 80% het normaal om xtc te gebruiken.

Nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) Net als bij cocaïne vindt eveneens 6% van de niet-gebruikende (laatste jaar) groep het gebruik van NPS normaal. Vier procent vindt het normaal als dit op een festival wordt gebruikt, 3% wanneer het gebruik met of bij vrienden thuis plaatsvindt. Van de groep gebruikende jongvolwassenen (laatste jaar) vindt 46% NPS-gebruik normaal.

Cocaïne Een relatief kleine groep jongvolwassenen die zelf geen drugs gebruikt vindt het normaal wanneer cocaïne af en toe of regelmatig gebruikt wordt (6%). Vier procent vindt dit normaal op een festival, gevolgd door 2% die het normaal vindt wanneer er cocaïne wordt gebruikt op een (huis)feest. Voor gebruikers (laatste jaar) ligt het percentage dat cocaïnegebruik normaal vindt op 45%.

Gebruiker

Naast het meten van de vijf dimensies, waarvan de resultaten in de vorige paragraaf staan beschreven, is de jongvolwassenen ook gevraagd hoe normaal zij het gebruik van (verschillende soorten) middelen vinden (5.2.1). Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat ‘normaal vinden’ niet hetzelfde is als goedkeuren. Iemand die het normaal vindt dat bepaalde middelen worden gebruikt door anderen, vindt het niet automatisch ook oké om te doen. Ook is gevraagd in welke setting ze het gebruik van een bepaald middel wel of niet normaal vinden (5.2.2). Vervolgens is gekeken naar de invloed van verschillende sociodemografische gegevens op het al dan niet normaal vinden van drugsgebruik (5.2.3).

jongvolwassenen nog nooit drugs gebruikt hebben vinden ze het minder vaak normaal; de helft van de nooit-gebruikers geeft aan dat ze het normaal vinden als iemand af en toe of regelmatig gebruikt. Hieronder wordt dit per drugssoort gespecificeerd. Ook is per drugssoort gekeken in welke setting zij het gebruik normaal vinden. Hierbij waren meerdere antwoorden mogelijk.

Niet-gebrui ker

5.2 Hoe normaal vinden jongvolwassenen het gebruik van drugs?

Lachgas

Xtc /

NPS

Vindt het normaal als iemand regelmatig gebruikt Vindt het niet normaal als iemand gebruikt Vindt het normaal eniemand toe gebruikt Vindtals hetiemand normaalafals af en toe gebruikt

Vindt het normaal als iemand regelmatig gebruikt Vindt het normaal als iemand af en toe gebruikt Figuur 5.6 Mate van ‘gebruik normaal vinden’ uitgesplitst naar gebruikers en niet-gebruikers (laatste jaar) Vindt het niet normaal als iemand gebruikt

31

5.2.3 Hoe normaal wordt drugsgebruik gevonden: uitgesplitst naar subgroepen

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

97

62

82

22

52

19

70

13

50

9

50

7

49

7

Vrouw

97

56

78

19

45

16

59

9

44

6

39

4

43

5

16-17 jaar

96

46

50

11

48

19

42

8

25

6

25

6

23

5

18 t/m 22 jaar

98

61

80

21

48

18

64

11

43

6

41

5

45

5

23 t/m 27 jaar

96

65

87

26

51

16

71

12

58

9

54

6

53

7

Amfetamine %

Cocaïne

NPS

%

Tripmiddelen %

%

%

23

27

35

11

13

16

57

30

22

17

15

18

16

Thuis (alleen)

47

4

7

9

3

3

3

Keet/ schuur/ caravan/ hok

40

9

13

8

6

8

6

Buiten (bijvoorbeeld op straat of in het park)

45

4

6

11

2

2

3

Op een festival

39

50

16

18

26

24

23

In een club/discotheek

16

28

13

6

16

10

13

gebruikers

16

8

5

3

5

8

4

niet-gebruikers

gebruikers

Op een tentfeest/dorpsfeest

niet-gebruikers

niet-gebruikers

Woonsituatie Voor woonsituatie is er een uitsplitsing gemaakt in vier groepen (tabel 5.3). Voor de groep jongvolwassenen die geen drugs gebruikt (laatste jaar) zijn er voor de meeste drugssoorten geen (significante) verschillen zichtbaar tussen de verschillende woonsituaties. Echter, bij cannabis vinden niet-gebruikende jongvolwassenen in een studentenhuis en alleenwonenden het gebruik hiervan wel vaker normaal. Daarnaast is er sprake van een verhoogde mate van ‘normaal vinden’ ten aanzien van het gebruik van xtc onder niet gebruikende (laatste jaar) jongvol-

gebruikers

Huisfeest of een feest bij vrienden thuis

wassenen woonachtig in een studentenhuis, maar ook onder niet-gebruikende (laatste jaar) jongvolwassenen die met een partner (en eventuele kinderen) wonen. Voor de groep jongvolwassenen die wel eens drugs gebruiken (laatste jaar) is voor het normaal vinden van het gebruik van xtc, amfetamine, cocaïne, tripmiddelen en NPS een (significant) verschil zichtbaar: minder thuiswonende jongvolwassenen die wel eens drugs gebruiken (laatste jaar) vinden het gebruik ervan normaal dan jongvolwassenen in een andere woonsituatie. Leeftijd kan hierbij een rol spelen, aangezien de jongere groep vaker thuis woont dan de wat oudere groep. Bij tripmiddelen vinden daarnaast (significant) juist meer jongvolwassenen woonachtig in een studentenhuis het gebruik normaal.

niet-gebruikers

72

vinden’ tussen de leeftijdsgroepen bij de meeste drugssoorten aanwezig, behalve bij cannabis en lachgas (tabel 5.2). Bij de overige drugssoorten neemt het ‘normaal vinden’ van het gebruik toe met de leeftijd.

gebruikers

Thuis met vrienden of bij vrienden thuis

Tabel 5.2 Percentage jongvolwassenen per subgroep geslacht en leeftijd dat gebruik van middel normaal vindt, uitgesplitst naar gebruik (laatste jaar)

niet-gebruikers

%

%

gebruikers

%

%

niet-gebruikers

Lachgas

NPS

gebruikers

Xtc

%

Cocaïne

niet-gebruikers

Cannabis

%

Amfetamine %

gebruikers

In deze paragraaf wordt beschreven in hoeverre er verschillen zijn tussen subgroepen in het al dan niet normaler vinden van drugsgebruik. Er is gekeken naar geslacht, leeftijd, woonsituatie, opleiding en vrijetijdsbesteding.

%

Tripmiddelen %

Man

Omdat het ‘normaal vinden’ van drugsgebruik wordt beïnvloed door het al dan niet eigen gebruik van drugs, is ervoor gekozen om voor dit onderdeel onderscheid te maken naar gebruik (laatste jaar).

Geslacht en leeftijd Van de jongvolwassen die zelf geen drugs gebruiken (laatste jaar) vinden mannen vaker dan vrouwen het gebruik van cannabis, amfetamine, cocaïne en tripmiddelen normaal. Dit komt gedeeltelijk overeen met jongvolwassenen die het laatste jaar wel eens drugs hebben gebruikt: daarvan vinden eveneens meer mannen het gebruik van amfetamine, cocaïne en tripmiddelen normaal dan vrouwen, bij de overige drugssoorten is geen (significant) verschil tussen mannen en vrouwen gevonden. Het percentage 16- en 17-jarigen dat het laatste jaar niet heeft gebruikt, maar het gebruik van cannabis en xtc wel normaal vindt is significant lager dan bij de oudere groepen. Bij xtc blijkt daarnaast nog dat meer 23- t/m 27-jarigen het gebruik normaal vinden dan 18- t/m 22-jarigen, het ‘normaal vinden’ van xtc-gebruik neemt dus toe met de leeftijd. Bij lachgas, amfetamine, cocaïne, tripmiddelen en NPS is er geen verschil tussen de leeftijdsgroepen onder degenen die het laatste jaar geen drugs gebruikten. Voor gebruikers (laatste jaar) is er een verschil in ‘normaal

Lachgas

niet-gebruikers

In tabel 5.1 is per setting weergegeven of de jongvolwassenen gebruik van een specifieke drugs normaal vinden. Hierbij valt op dat de setting lastig los te koppelen is van de soort drugs. Zo wordt bijvoorbeeld het gebruik van cannabis meer normaal gevonden in de thuissituatie en geldt dit bij xtc voor gebruik op een festival. Over het algemeen genomen kunnen we concluderen dat het gebruik van drugs met of bij vrienden thuis als meest normaal wordt beschouwd, cannabis, tripmiddelen en lachgas scoren in deze setting het hoogst. Ook het gebruik op een festival wordt door veel jongvolwassenen normaal gevonden, waarbij xtc, cannabis, amfetamine, cocaïne en NPS-gebruik in deze setting het meest normaal wordt gevonden.

Xtc

gebruikers

5.2.2 Hoe normaal wordt drugsgebruik gevonden: uitgesplitst naar setting

Cannabis

In een café of kroeg

15

4

5

2

5

10

4

Woont nog thuis

97

56

75

18

49

18

59

10

40

6

39

6

40

5

Bij een poppodium/muziekconcert

17

14

3

4

6

8

5

Met partner (en evt. kinderen)

96

61

84

27

47

17

67

12

54

9

48

5

50

7

Club- of verenigingsgebouw

6

1

1

0,8

1

2

1

72

90

34

53

18

78

14

55

8

50

9

54

8

4

0,2

0,3

0,3

0,4

0,4

0,3

In studentenhuis of met andere huisgenoten

99

Op school Op het werk

2

0,2

0,2

0,2

0,4

0,7

0,3

Woont alleen

96

70

84

23

48

11

66

13

59

12

59

8

52

7

In de auto

n.b.

n.b.

1

n.b.

n.b.

n.b.

n.b.

Tabel 5.1 Percentage jongvolwassen dat middelengebruik normaal vindt in verschillende settings (met top 3 per setting gearceerd) 32

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Cannabis

Xtc

Lachgas

%

%

%

Tripmiddelen %

Amfetamine %

Cocaïne

NPS

%

%

Tabel 5.3 Percentage jongvolwassenen per subgroep voor woonsituatie dat gebruik van middel normaal vindt, uitgesplitst naar gebruik (laatste jaar) Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

33

NPS

%

%

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

gebruikers

niet-gebruikers

5.3 Samenvatting

niet-gebruikers

%

Cocaïne

gebruikers

%

Amfetamine %

niet-gebruikers

%

Tripmiddelen %

gebruikers

Lachgas

niet-gebruikers

Xtc

gebruikers

Cannabis

Vmbo

98

45

73

16

52

18

54

12

47

10

48

10

41

9

Mbo

96

57

76

15

44

16

60

10

46

7

47

6

42

6

Havo/vwo

96

51

61

14

50

18

56

10

36

7

32

5

32

5

Hbo/universiteit

97

65

86

27

51

18

71

12

51

7

46

5

51

5

Als het gaat om de culturele accommodatie blijkt dat vier op de tien jongvolwassenen denken dat drugs (helemaal) geaccepteerd zijn binnen de Nederlandse samenleving, waarbij het percentage voor gebruikers hoger uitvalt dan voor niet-gebruikers (nooit of laatste jaar niet gebruikt) (respectievelijk 43% en 37%). Ruim een kwart denkt dat drugs (helemaal) geaccepteerd zijn in de media, waarbij geen verschil is tussen de groepen gebruikers en nietgebruikers.

5.3.2 Hoe normaal vinden jongvolwassenen drugsgebruik?

Tabel 5.4 Percentage jongvolwassenen per subgroep voor opleiding dat gebruik van middel normaal vindt, uitgesplitst naar gebruik (laatste jaar) Opleiding Ook voor opleiding wordt onderscheid gemaakt in vier groepen (tabel 5.4). Van de niet-gebruikers (laatste jaar) vinden bij cannabis en xtc meer jongvolwassenen met een hbo- of universitaire opleiding het gebruik ervan normaal. Bij de overige drugssoorten is dit verschil niet aanwezig. Bij cocaïne valt op dat juist significant minder jongvolwassenen van de hbo- en universiteitgroep het gebruik hiervan normaal vinden in vergelijking met jongvolwassenen die vmbo volgen of hebben gevolgd. Tussen de overige opleidingscategorieën is geen (significant) verschil aanwezig. Van de groep die wel eens drugs gebruikt (laatste jaar) blijken (significant) meer jongvolwassenen met een hbo- of universitaire opleiding het gebruik van xtc, amfetamine, tripmiddelen en NPS normaal te vinden. Bij cocaïne vinden juist minder jongvolwassenen die wel eens drugs gebruiken (laatste jaar) met (ten hoogste) havo/vwo het normaal om dit te gebruiken ten opzichte van de overige categorieën. Vrijetijdsbesteding Voor vrijetijdsbesteding is gekeken naar vijf verschillende activiteiten, waarbij als criterium geldt dat de jongvolwassene de betreffende activiteit in het laatste jaar tenminste maandelijks heeft gedaan.

Belangrijk hierbij te melden is dat de jongvolwassenen meerdere activiteiten konden aangeven, waardoor er overlap bestaat tussen de categorieën. Voor de verschillende categorieën is gekeken of er een verschil is tussen de groep die de betreffende activiteit tenminste maandelijks doet en de groep waarbij dit niet het geval is en is daarbij uitgesplitst naar gebruik.

34

Voor de groep niet-gebruikers (laatste jaar) is te zien dat bij de drugssoorten cannabis, xtc en lachgas, uitgaanders het gebruik ervan vaker normaal vinden dan niet-uitgaanders. Opvallend is dat hetzelfde te zien is bij de groep nietgebruikers (laatste jaar) die regelmatig tijd met vrienden doorbrengt; zij vinden cannabis-, xtc en lachgasgebruik eveneens vaker normaal dan hun leeftijdgenoten die niet regelmatig tijd met vrienden doorbrengen. Daarnaast blijkt ook een verschil te bestaan bij gamers: niet-gebruikende gamers vinden het gebruik van cannabis en tripmiddelen vaker normaal dan de niet-gamers. Voor de overige drugssoorten en vrijetijdsactiviteiten zijn er geen (significante) verschillen. Kijkend naar de groep gebruikers (laatste jaar), blijken er voor de meeste vrijetijdsactiviteiten verschillen te bestaan tussen de groep die deze activiteit regelmatig doet en de groep waarvoor dit niet geldt. Bij de jongvolwassenen die regelmatig buiten hangen en wel eens drugs gebruiken (laatste jaar) is te zien dat zij het gebruik van cannabis, lachgas en tripmiddelen vaker normaal vinden dan degenen die dat niet (regelmatig) doen. Voor gamers die wel eens drugs gebruiken (laatste jaar) blijkt dat zij het gebruik van tripmiddelen vaker normaal vinden dan de niet-gamers.

Verder is het beeld voor jongvolwassen uitgaanders en jongvolwassenen die regelmatig tijd met vrienden doorbrengen en wel eens gebruiken (laatste jaar) enigszins gelijk: meer van hen vinden het gebruik van lachgas, xtc, cocaïne en NPS normaal. Voor de uitgaanders geldt daarnaast nog dat zij amfetaminegebruik vaker normaal vinden.

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

5.3.1 Vijf dimensies Voor de vijf dimensies van normalisering vallen een aantal dingen op. Bij het gebruik zien we dat cannabis de meest gebruikte drug is. Dit geldt voor zowel ooit gebruik als voor recent en regelmatig gebruik. Het percentage jongvolwassenen dat ooit cannabis heeft gebruikt is bijna net zo hoog als het percentage dat rookt (inclusief waterpijp en e-sigaret). Na cannabis wordt xtc door veel jongvolwassenen gebruikt. Hierbij ligt overigens het regelmatig gebruik fors lager dan het recent gebruik. De toegankelijkheid tot drugs is gemeten voor cannabis, xtc en lachgas. Jongvolwassenen die zelf nooit drugs hebben gebruikt gaan ervan uit dat ze het makkelijkst aan cannabis kunnen komen en het moeilijkst aan lachgas. Voor het meten van de sociale accommodatie zijn de attitudes van de jongvolwassenen ten opzichte van drugs (gebruik) vergeleken met de door de jongvolwassene veronderstelde attitudes van hun directe omgeving (ouders/ verzorgers en vrienden). Wat hierbij opvalt is dat de attitudes van de eigen vrienden een stuk positiever worden ingeschat dan de eigen attitude. De attitude van de ouders/verzorgers wordt daarentegen fors minder positief ingeschat.

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Zoals al eerder is genoemd, blijkt dat het percentage jongvolwassenen dat het gebruik van een bepaald middel normaal vindt voor een groot deel wordt bepaald door wel of geen eigen gebruik. Samenvattend kunnen we concluderen dat de meerderheid van de jongvolwassenen het laatste jaar geen drugs heeft gebruikt, het normaal vindt als iemand af en toe of regelmatig drugs gebruikt. De grootste groep vindt het gebruik van cannabis normaal. Het gebruik van andere middelen wordt minder normaal gevonden. Het gebruik met of bij vrienden thuis wordt het vaakst normaal gevonden als setting om te gebruiken (m.n. cannabis en tripmiddelen), gevolgd door het gebruik op een festival (m.n. xtc en cannabis). Ook is gekeken naar verschillende subgroepen jongvolwassenen en de mate waarin zij het gebruik van drugs normaal vinden (tabel 5.6). Er is uitgesplitst naar geslacht, leeftijd, opleiding, woonsituatie en vrijetijdsbesteding. Onder niet-gebruikers (laatste jaar) vinden meer mannen het gebruik van amfetamine, cocaïne en tripmiddelen normaal dan vrouwen. Daarnaast blijkt dat bij xtc het percentage jongvolwassenen dat het gebruik normaal vindt significant stijgt bij een toename van de leeftijd. Bij opleiding blijkt dat meer niet-gebruikers (laatste jaar) met een hbo- of universitaire opleiding het gebruik van cannabis en xtc normaal vinden dan de overige opleidingen.

Verder valt op dat voor cocaïne juist minder jongvolwassenen binnen de hbo- en universiteitgroep het gebruik normaal lijken te vinden ten opzichte van de overige opleidingen. Het verschil met de vmbo-groep is significant.

35

6. Discussie en conclusies

Bij de woonsituatie blijkt dat niet-gebruikende jongvolwassenen (laatste jaar) wonend in een studentenhuis het gebruik van cannabis en xtc vaker normaal vinden dan jongvolwassenen in een andere woonsituatie. Bij cannabis is eveneens sprake van een verhoogde mate van ‘normaal vinden’ van gebruik door alleenwonenden; bij xtc geldt dit ook voor jongvolwassenen die met een partner (en eventuele kinderen) wonen.

Om drugsgebruik in de toekomst te verminderen is het van belang om meer zicht te krijgen op de factoren die het huidige drugsgebruik beïnvloeden. De resultaten van de monitor die in dit rapport beschreven zijn bevatten kenmerken van drugsgebruikers en niet-gebruikers, de hoeveelheden en setting waarin drugs wordt gebruikt, en gaan daarnaast over de relatie tussen determinanten, intentie tot gebruik en normalisatie. Elk hoofdstuk beschrijft de belangrijkste resultaten in een afsluitende samenvatting. In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag of het gebruik van drugs genormaliseerd is. Door deze vraag te beantwoorden bespreken we de meest opvallende resultaten die de monitor heeft opgeleverd. Maar eerst zullen we een korte beschrijving geven van de doelgroep en we sluiten af met aanbevelingen voor preventie.

Als laatste is gekeken naar de vrijetijdsactiviteiten die jongvolwassenen regelmatig doen. Cannabis-, xtc- en lachgasgebruik blijkt onder niet-gebruikers (laatste jaar) vaker normaal te worden gevonden door jongvolwassenen die regelmatig uitgaan of tijd doorbrengen met hun vrienden dan jongvolwassenen die deze activiteiten niet (regelmatig) doen in hun vrije tijd. Gamers vinden daarnaast het gebruik van cannabis en tripmiddelen vaker normaal dan de groep niet-gamers. Vindt het gebruik van middel vaker normaal (af en toe of regelmatig) Cannabis

Xtc

Geslacht

mannen

Leeftijd

18 t/m 22 jaar

18 t/m 22 jaar

23 t/m 27 jaar

23 t/m 27 jaar

Woonsituatie

Lachgas

Amfetamine

Cocaïne

Tripmiddelen

mannen

mannen

mannen

NPS

woont in woont in studenten- studentenhuis huis woont alleen

woont met partner

Opleiding

hbo/ universiteit

hbo/ universiteit

Vrijetijdsbesteding (tenminste maandelijks)

uitgaan

uitgaan

uitgaan

tijd doorbrengen met vrienden

tijd doorbrengen met vrienden

tijd doorbrengen met vrienden

gamen

gamen

Tabel 5.6 Kenmerken van niet gebruikende jongvolwassenen (laatste jaar) die het gebruik van een middel vaker normaal vinden (significant verschil) 36

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

6.1 Beschrijving doelgroep in relatie tot drugsgebruik Er is een duidelijke relatie tussen drugsgebruik en geslacht, leeftijd en woonsituatie. Voor bijna alle drugs geldt dat meer mannen dan vrouwen gebruiken. Vanaf 18 jaar neemt het drugsgebruik toe, al varieert de piek per drugs. Vooral bij jongvolwassenen die in een studentenhuis of alleen wonen is het drugsgebruik significant hoger. Opleiding, subjectieve etniciteit en werksituatie hebben naast deze kenmerken geen significant effect op drugsgebruik. Wel zien we dat jongvolwassenen die zich niet Nederlands voelen vaker recent lachgas hebben gebruikt. Wat opvalt is dat gebruikers meer buiten hangen, vaker op stap gaan en veel tijd doorbrengen met vrienden. Niet-gebruikers van drugs hebben meer hobby’s thuis (ten opzichte van gebruikers van cannabis, xtc, tripmiddelen), gaan regelmatig naar een club of vereniging (ten opzichte van cannabisgebruikers) of gamen meer (ten opzichte van xtc-gebruikers). In vergelijking met niet-gebruikers gaan drugsgebruikers vaker naar huisfeesten, een café, festivals, een club of discotheek. Toch vindt gebruik opvallend veel plaats in de huissetting (huisfeest, feest bij vrienden, thuis met/bij vrienden en alleen thuis), al zien we per drug dat de setting verschilt: cannabis wordt het meest thuis of bij vrienden gebruikt, xtc op festivals.

De frequentie van cannabisgebruik is hoger dan van andere drugs als we kijken naar maandelijks, wekelijks en dagelijks gebruik. Cannabis wordt gevolgd door xtc en tripmiddelen. Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Het recent gebruik van cannabis en cocaïne is het laagst bij jongeren op de havo/vwo. Xtc is het meest recent gebruikt door jongvolwassenen op hbo/universiteit.

Interpretatie van bereikte doelgroep en gebruikscijfers Het is niet vast te stellen of onze onderzoekspopulatie representatief is voor de populatie 16- t/m 27-jarigen in Oost-Brabant, aangezien er geen accurate referentiegegevens voorhanden zijn. Op basis van de achtergrondkenmerken lijkt de groep jongvolwassenen echter niet helemaal representatief te zijn. Voor leeftijd en geslacht is daarom in het databestand gecorrigeerd op basis van de verdeling van de populatie 16- t/m 27-jarigen in de afzonderlijke gemeenten. In verhouding zijn er meer jongvolwassenen met een hbo- of wo opleiding ten opzichte van de referentiegroep uit de GGD Gezondheidsmonitor (2020). Dit kan (gedeeltelijk) verklaard worden doordat op een andere manier gemeten is. In deze monitor zien we ten opzichte van de jongvolwassenen in de Gezondheidsmonitor ook een groter aandeel dat (nog) bij de ouders woont. Dit verschil is waarschijnlijk grotendeels te verklaren door het feit dat het een jongere doelgroep betreft. Tot slot ligt het gebruik van drugs onder de deelnemers die via social media zijn geworven, significant hoger dan de groep die op andere manieren geworven zijn. Dit kan invloed hebben op de totale gebruikscijfers die in dit rapport weergegeven worden.

Het heeft geen invloed op de vergelijkingen die we presenteren als het gaat om verschillen tussen gebruikers en niet-gebruikers, en de verbanden met determinanten van gebruik. Wel zien we dat het drugsgebruik normalisatie versterkt (zie bijlage 1 voor een uitgebreidere toelichting) en de wervingsmethode heeft daarom invloed op de resultaten van de mate van normalisering. 37

De coronacrisis heeft een uitwerking op het drugsgebruik die zich op verschillende manieren manifesteert. In deze monitor zien we op totaalniveau geen verschillen, maar wel een verschuiving op individu-niveau: van de jongvolwassenen geeft 16% aan minder vaak drugs te gebruiken, 18% vaker en 17% even vaak. De soort drugs is nauwelijks veranderd. Op basis van de resultaten uit de monitor Trippen of Skippen kunnen de resultaten niet helemaal gegeneraliseerd worden naar de totale groep 16- t/m 27-jarigen in Oost-Brabant, omdat niet is vast te stellen of de onderzoekspopulatie hiervoor voldoende representatief is. Ondanks dit gegeven leveren de onderzoeksresultaten voldoende zinvolle en bruikbare inzichten om interventies en communicatieboodschappen te ontwikkelen.

6.2 Is het gebruik van drugs genormaliseerd? Wanneer het gaat over normalisering van drugsgebruik, dan zijn er vijf dimensies geformuleerd door Parker e.a. (2002) om de mate van normalisering te meten: toegang en beschikbaarheid, experimenteren, recent en regelmatig gebruik, sociale accommodatie en culturele accommodatie. Enerzijds zijn het factoren die bij kunnen dragen aan het ontstaan van normalisering, anderzijds geven de dimensies inzicht in de mate van normalisering. Er zijn geen afkappunten om te bepalen of een drug genormaliseerd is. Wat we wel zien is dat normalisatie verschilt per drug en setting, maar vooral ook of de jongvolwassene het laatste jaar drugs heeft gebruikt.

Belangrijke conclusies • De helft van de jongvolwassenen die zelf nooit drugs hebben gebruikt vindt het niet normaal als anderen wel drugs gebruiken. • Op basis van ooit-gebruik (experimenteren) zijn van de verschillende drugssoorten cannabis, xtc, lachgas en tripmiddelen het meest genormaliseerd. • Op basis van recent en regelmatig gebruik is eveneens cannabis het meest genormaliseerd, gevolgd door xtc. • Attitudes van de eigen vrienden worden een stuk positiever ingeschat dan hun eigen attitude (‘vindt het gebruik oké’). De attitude van de ouders/verzorgers wordt daarentegen fors minder positief ingeschat (sociale accommodatie). Ook hier de meest positieve attitudes bij cannabis, gevolgd door xtc, tripmiddelen (gebruikers) en lachgas (niet-gebruikers). • De acceptatie van drugs (culturele accommodatie) wordt hoog ingeschat: 40% in de algemene Nederlandse

38

samenleving en 25% in de media. Er is een verschil tussen gebruikers en niet-gebruikers (laatste jaar) hoe jongvolwassenen aankijken tegen de acceptatiegraad binnen de Nederlandse samenleving en de eigen studie/opleiding. Dit verschil zien we niet terug ten aanzien van media. • Op de vraag of jongvolwassenen het gebruik van cannabis normaal vinden geeft de meerderheid hier een bevestigend antwoord op, ongeacht of ze het laatste jaar zelf drugs gebruikt hadden. Alleen van de jongvolwassenen die het laatste jaar wel eens drugs hebben gebruikt, vindt het merendeel ook het gebruik van xtc en tripmiddelen normaal.l. Dit geldt niet voor amfetamine, cocaïne, lachgas en NPS. • Drugsgebruik in de thuissetting is door jongvolwassenen die het laatste jaar drugs gebruiken het meest genormaliseerd als het gaat om cannabis en tripmiddelen, op basis van de vraag hoe normaal het wordt gevonden. • Gebruik van xtc is genormaliseerd op festivals bij jongvolwassenen die het laatste jaar drugs hebben gebruikt, daarnaast vindt bijna één op de vijf jongvolwassenen die geen drugs hebben gebruikt dit normaal.

6.3 Aanbevelingen voor preventie De monitor heeft verschillende determinanten gevonden die een relatie hebben met drugsgebruik. De resultaten leiden tot de volgende aanbevelingen: • Het is belangrijk om aandacht te besteden aan specifieke groepen en locaties waar drugsgebruik vaker voorkomt. Het gebruik is hoger bij mannen (dan bij vrouwen) en vanaf 18 jaar neemt het gebruik sterk toe. Jongvolwassenen die in een studentenhuis of alleen wonen gebruiken vaker drugs dan jongvolwassenen die bij hun ouders of met een partner wonen. Locaties waar drugsgebruik vaker

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

voorkomt en normaler wordt gevonden zijn festivals, thuis met of bij vrienden en een huisfeest. • Jongvolwassenen die het laatste jaar geen drugs hebben gebruikt, hebben meer hobby’s thuis (waaronder gamen) en gaan regelmatig naar een club of vereniging. Investeren in georganiseerde vrijetijdsbesteding blijkt een positieve invloed te hebben om drugsgebruik te voorkomen. Dit is ook een belangrijke factor binnen het IJslands preventiemodel. • Nooit-gebruikers hebben een negatieve attitude ten aanzien van drugs (m.u.v. cannabis). Een negatieve attitude werkt preventief en vermindert de intentie drugs te gebruiken. Het is dus belangrijk om deze vast te houden en te versterken. Bij voorkeur voordat ze in aanraking komen met drugsgebruik. Een attitude kan veranderen wanneer ze leeftijdsgenoten treffen die drugs gebruiken, bijvoorbeeld op een festival waar drugsgebruik meer genormaliseerd is. Als ze drugs gaan gebruiken verandert hun attitude en worden eerdergenoemde redenen, zoals gezond willen leven, minder belangrijk. • Niet-gebruikers hebben minder positieve uitkomstverwachtingen en meer negatieve uitkomstverwachtingen in vergelijking met gebruikers. Gebruikers blijven gebruiken ondanks negatieve verwachtingen, doordat positieve verwachtingen meer dan zes keer sterker samenhangen met de intentie om te (blijven) gebruiken.

Door gebruik kunnen positieve verwachtingen toenemen en belangrijker worden, hierdoor kan het moeilijker worden om de intentie tot gebruik te verminderen. Preventie van initieel drugsgebruik en het ontstaan van positieve verwachtingen is daarom belangrijk. • De meest genoemde positieve effecten voor cannabis zijn rustig worden, gezellige tijd, een fijn gevoel, verminderen van stress en beter slapen. Voor xtc zijn dat een fijn gevoel, gezellige tijd, losser worden en langer door kunnen gaan. Het werkt preventief door in te zetten op alternatieven voor ‘redenen van gebruik’, zoals rustig worden, stress verminderen of beter slapen. Als jongvolwassenen een goed alternatief hebben, worden deze redenen om te gebruiken minder relevant en belangrijk. • Redenen van niet-gebruik zijn vooral van persoonlijke aard. De resultaten kunnen aanleiding zijn om bij voorlichting in te zetten op voordelen van niet-gebruik, zoals een gezonde leefstijl en het behoud van controle. • Jongvolwassenen vinden het belangrijk wat ouders en vrienden vinden. Als jongvolwassenen denken dat anderen een negatieve attitude hebben ten aanzien van drugs verkleint dit de intentie om te gebruiken.

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

• De meerderheid geeft aan dat ouders het gebruik van drugs door de jongvolwassenen zelf (helemaal) niet oké zouden vinden. De verwachte houding van ouders is minder negatief ten aanzien van cannabis. Het is belangrijk dat ouders praten en afspraken maken over drugs, maar nog belangrijker is dat ze daarbij ook echt duidelijk aangeven dat ze het gebruik van drugs niet oké vinden. Wat jongvolwassenen denken dat ouders vinden hangt sterker samen met de intentie om te gebruiken, dan het al dan niet praten en afspraken maken. Het is belangrijk ouders hierop te attenderen. • De meerderheid overschat het drugsgebruik door leeftijdsgenoten. Gebruikers schatten het gebruik door leeftijdsgenoten hoger in dan niet-gebruikers. Overschatting verhoogt de kans op gebruik. Als een norm wordt overschat werkt het preventief om de juiste norm van het gewenste gedrag te communiceren; dat er veel jongvolwassenen zijn die niet gebruiken. • Twee derde (67%) van de cannabisgebruikers (laatste jaar) heeft de intentie om komend jaar weer te gaan gebruiken. Bij xtc-gebruikers (laatste jaar) is zelfs 86% van plan om komend jaar weer te gaan gebruiken. 9% van de jongvolwassenen die het laatste jaar drugs heeft gebruikt, heeft de intentie komend jaar niet te gebruiken. Als jongvolwassenen nooit drugs hebben gebruikt, verwachten ze dat ze dit komend jaar ook niet zullen gaan doen (97%).

• De intentie om volgend jaar te blijven of gaan gebruiken hangt het sterkst samen met een positieve attitude, de verwachtte positieve effecten van het middel, het aantal beste vrienden dat drugs gebruikt, de inschatting dat ouders of vrienden het gebruik van drugs oké vindt en de afwezigheid van verwachtte negatieve effecten. Er is geen verband gevonden voor eigen effectiviteit en intentie om drugs te gebruiken. Dit heeft mogelijk te maken met de hoge eigen effectiviteit die gemeten is in het onderzoek. Eigen effectiviteit gaat over de inschatting van jongvolwassenen zelf of ze in staat zijn om drugs te weigeren. Dit staat niet gelijk aan het bezitten van vaardigheden om de verleiding daadwerkelijk te weerstaan. De mate van zelfregulatie en andere vaardigheden zijn niet gemeten in het onderzoek. Interventies om de intentie tot drugsgebruik te voorkomen kunnen zich richten op het versterken van een negatieve attitude ten aanzien van drugs, het verminderen van positieve uitkomstverwachtingen en het beïnvloeden van de injunctieve en descriptieve normen van vrienden, leeftijdsgenoten en ouders.

39

Bijlage 1

7. Bronnen Bahr, S. J., Hoffmann, J. P., & Yang, X. (2005). Parental and Peer Influences on the Risk of Adolescent Drug Use. The Journal of Primary Prevention, 529-551.

Möhle, M., van der Pol, P., van Goor, M., & Goossens, F. (2018). Strategische verkenning cannabispreventie. Utrecht: Trimbos-Instituut.

Barkin, S., Smith, K., & DuRant, R. (2002). Social Skills and Attitudes Associated With Substance Use Behaviors Among Young Adolescents. Journal of adolescent health, 448–454.

Parker, H., Williams, L., & Aldridge, J. (2002). The Normalization of ‘Sensible’ Recreational Drug Use: Further Evidence from the North West England Longitudinal Study. Sociology.

Bessie, N., Kaur, J., & Kalra-Ramjoo, S. (2018). Understanding the Determinants of Substance Misuse. Mississauga: Region of peel.

Perkins, H. W. (2002). Social Norms and the Prevention of Alcohol Misuse in Collegiate Contexts. Journal of studies on alcohol, 164-172.

Bilderbeek, B., & Spronk, D. (2021). Corona, middelengebruik en het nieuwe uitgaan. Utrecht: Trimbos-instituut.

Peters. (2019, 11 5). Is er sprake van 'normalisering van drugsgebruik?

Brabantse GGD-en. (2021). GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen (18-64 jaar) 2020. GGD Hart voor Brabant, GGD Brabant Zuidoost en GGD West-Brabant.

Peters, G. (2019). Normalisering van middelengebruik in Nederland.

Brug, J., van Assema, P., & Lechner, L. (2017). Gezondheidsvoorlichting en gedragsverandering: een planmatige aanpak. Assen: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum. Curvers, N. (2021). Resultaten Euroregional Health Survey (EHS). Doelgroep: jongeren 12-26 jaar. euPrevent SNA . De Wilde, E., Vercoulen, E., Jobse, G., Scholten, H., de Greeff, J., Monshouwer, K., . . . den Hollander, W. (2021). Het IJslandse preventiemodel in Nederland. Eindevaluatie van het beleidsvormend leertraject voor de aanpak van middelengebruik onder jongeren. Utrecht: Trimbos-instituut. Dijkstra, B., van Duijnhoven, M., Ketelaars, D., & van Tilburg, L. (2021). Monitor regioproject SKIP. Trippen of Skippen: Monitor van drugsgebruik en determinanten - Inventarisatie van literatuur en beschikbare informatie. Eisenberg, M., Toumbourou, J., Catalano, R., & Hemphill, S. (2014). Social Norms in the Development of Adolescent Substance Use: A Longitudinal Analysis of the International Youth Development Study. Journal of Youth and Adolescence, 43(9), 148. Fishbein, M., & Ajzen, I. (1975). Belief, Attitude, Intention and Behavior: An introduction to Theory and Research. Adison-Wesley Pub. Goossens, F. (2012). Verslaving: Maatschappelijke gevolgen. Utrecht: Trimbos-instituut.

Smeets, L., Monshouwer, K., Matyreva, I., de Wilde, E. J., & de Greeff, J. (2019). De IJslandse aanpak van middelengebruik onder jongeren: kansen van dit preventiemodel voor de Nederlandse situatie. Utrecht: Trimbos-instituut. Snoek, A., Wits, E., Stel, J., & Mheen, D. (2010). Kwetsbare groepen jeugdigen en (problematisch) middelengebruik: visie en interventiematrix. Amersfoort: Resultaten scoren. Spronk, D., van Gelder, B., Nabben, T., & de Jonge, M. (2020). Cocaïne: wie gebruikt het en waarom? Een verkennend onderzoek naar gebruikers van cocaïne in Nederland. Utrecht: Trimbos-Instituut. Taylor, D. (2000). The Word on the Street: Advertising, Youth Culture and Legitimate Speech in Drug Education. Journal of Youth Studies. Van Dorsselaer, S., & Goossens, F. (2015). Alcohol-, tabaksen drugsgebruik door studenten. Inventarisatie van (onderzoeken naar) prevalentieschattingen onder MBO-, HBO- en WO-studenten in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut. Van Laar, M., Beenakkers, E., Cruts, G., Ketelaars, T., Kuin, M., Meijer, R., . . . Strada, L. (2021). Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2020. Utrecht: Trimbos-instituut. Van Laar, M., Cruts, G., Van Miltenburg, C., Strada, L., Ketelaars, T., Croes, E., . . . Meijer, R. (2020). Nationale Drug Monitor Jaarbericht 2019. Utrecht: Trimbos-instituut.

Lombaert, G. (2010). Middelengebruik bij 12- tot 18-jarige. Gent: De Sleutel. 40

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Toelichting representativiteit respondenten Trippen of Skippen In de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2021 zijn 16 t/m 27-jarige inwoners van Oost-Brabant gevraagd om de vragenlijst in te vullen. De vragenlijst is (na opschoning) ingevuld door 11.067 personen. Er is geen steekproef getrokken, maar jongvolwassenen zijn actief geworven via verschillende methoden. Ten behoeve van de duiding van de resultaten is gekeken naar de representativiteit van de onderzoeksgroep.

Achtergrondkenmerken in relatie tot middelengebruik Om te kijken welke achtergrondkenmerken samenhangen met het gebruik van middelen, is een logistische regressieanalyse uitgevoerd. De kenmerken die zijn toegevoegd aan de analyse zijn geslacht, leeftijd, woonsituatie, (subjectieve) etniciteit, werksituatie en opleiding. Hieruit blijkt dat voor drugsgebruik een significante samenhang bestaat met leeftijd, geslacht en woonsituatie, maar anders dan verwacht vanuit de landelijke literatuur, niet met opleiding. Leeftijd en geslacht Voor leeftijd en geslacht is gecorrigeerd aan de hand van weegfactoren gebaseerd op de werkelijke verdeling binnen de afzonderlijke gemeenten. Op andere kenmerken dan leeftijd en geslacht kan niet gewogen worden, omdat we daarbij niet beschikken over accurate populatiegegevens. Opleiding Op basis van vergelijking van opleiding van de jongvolwassenen met de gegevens van de 18- t/m 27-jarigen uit de GGD Gezondheidsmonitor lijkt onze groep jongvolwassenen eveneens niet helemaal representatief voor de populatie 16- t/m 27-jarigen in de regio. In verhouding zijn er meer jongvolwassenen met een hbo- of wo opleiding ten opzichte van de referentiegroep uit de Gezondheidsmonitor.

Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze groepen niet goed met elkaar te vergelijken zijn, omdat het meten van opleiding binnen de monitor Trippen of Skippen op een andere wijze is gedaan dan binnen de Gezondheidsmonitor van de GGD; hierbij is (vanwege de jonge doelgroep) namelijk gekeken naar het hoogste huidige niveau in plaats van het hoogst afgeronde niveau (zoals bij de Gezondheidsmonitor).

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Woonsituatie Net als voor opleiding is geprobeerd de woonsituatie van de groep jongvolwassenen te vergelijken met de gegevens van 18- t/m 27-jarigen uit de GGD Gezondheidsmonitor. Ook hierbij is de vergelijking lastig te maken, omdat de antwoordcategorieën niet één op één overeenkomen met elkaar. Daarnaast is de leeftijdsgroep bij de Gezondheidsmonitor vanaf 18 jaar in plaats van 16 jaar, wat voor de woonsituatie van invloed is. De categorieën die overeenkomen (woont met ouders, woont alleen) zijn naast elkaar gelegd en daarbij zien we dat binnen de groep jongvolwassenen van Trippen of Skippen vooral een groter aandeel dat (nog) bij de ouders woont. Dit verschil is waarschijnlijk grotendeels te verklaren door het feit dat het een jongere doelgroep betreft. Manier van werving Binnen de logistische regressieanalyse is ook gekeken naar de manier van werven. Deze blijkt significant samen te hangen met middelengebruik. Er zijn op verschillende manieren deelnemers voor het onderzoek geworven. Zo is er een social mediacampagne geweest, maar zijn ook deelnemers geworven via scholen of bijvoorbeeld op basis van een uitnodiging via de post. Het is gebleken dat met elke afzonderlijke wervingsmethode een verschillende doelgroep bereikt wordt.

Onder de deelnemers die via social media zijn geworven, ligt het gebruik van drugs significant hoger dan de groep die op een andere manier geworven is. Deels is dit te verklaren doordat dit een wat oudere groep betreft. Daarnaast is het mogelijk dat gebruikers sneller getriggerd worden om een vragenlijst over drugs in te vullen dan de groep die niet gebruikt op het moment dat zij een advertentie tegenkomen op social media. Conclusie Het is niet vast te stellen of onze onderzoekspopulatie representatief is voor de populatie 16- t/m 27-jarigen in Oost-Brabant, aangezien er geen accurate referentiegegevens voorhanden zijn. Op basis van de achtergrondkenmerken lijkt de groep jongvolwassenen echter niet helemaal representatief te zijn. Voor leeftijd en geslacht is daarom in het databestand gecorrigeerd op basis van de verdeling van de populatie 16- t/m 27-jarigen in de afzonderlijke gemeenten. In verhouding zijn er meer 41

Bijlage 2 Tabellen drugsgebruik (%) jongvolwassenen met een hbo- of wo opleiding ten opzichte van de referentiegroep uit de GGD Gezondheidsmonitor. Dit kan (gedeeltelijk) verklaard worden doordat op een andere manier gemeten is. In deze monitor zien we ten opzichte van de voorgenoemde referentiegroep ook een groter aandeel dat (nog) bij de ouders woont. Dit verschil is waarschijnlijk grotendeels te verklaren door het feit dat het een jongere doelgroep betreft. Tot slot ligt het gebruik van drugs onder de deelnemers die via social media zijn geworven, significant hoger dan de groep die op een andere manier geworven is. Dit kan invloed hebben op de totale gebruikscijfers die in dit rapport weergegeven worden. Dit heeft geen invloed op de vergelijkingen die we presenteren als het gaat om verschillen tussen gebruikers en niet-gebruikers, en de verbanden met determinanten van gebruik. Wel zien we dat het drugsgebruik normalisatie versterkt.

Cannabis Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Op basis van de resultaten uit de monitor Trippen of Skippen kunnen de resultaten niet helemaal gegeneraliseerd worden naar de totale groep 16- t/m 27-jarigen in Oost-Brabant, omdat niet is vast te stellen of de onderzoekspopulatie hiervoor voldoende representatief is. Ondanks dit gegeven leveren de onderzoeksresultaten voldoende zinvolle en bruikbare inzichten om interventies en communicatieboodschappen te ontwikkelen.

Nooit-gebruikers 39

Laatste jaar 43

Laatste maand 24

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

53 65 20

27 27 60

12 12 36

Man Vrouw Leeftijd

32 46

51 35

31 16

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

71 35 31

25 52 41

14 30 21

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

47 40 62 32

38 42 32 47

28 25 18 24

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

39 40 48

43 50 40

23 34 31

Tabel 1 Cannabisgebruik naar achtergrondkenmerk

42

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

43

Xtc Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Nooit-gebruikers 61

Laatste jaar 29

Laatste maand 12

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

79 89 37

13 8 49

3 2 23

Man Vrouw Leeftijd

56 67

34 24

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

94 61 49

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

Nooit-gebruikers 94

Laatste jaar 3

Laatste maand 0,5

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

98 98 89

0,8 0,4 5

0,2 0,2 0,8

15 10

Man Vrouw Leeftijd

91 97

4 2

0,5 0,5

5 32 35

2 14 14

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

98 94 92

1 4 3

0,4 0,5 0,5

64 64 86 53

24 25 12 36

8 10 6 15

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

95 94 97 93

3 2 2 4

0,2 0,2 0,5 0,6

60 66 78

30 22 11

13 9 6

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

94 87 89

3 5 4

0,5 0,2 1

Nooit-gebruikers 79

Laatste jaar 10

Laatste maand 1

Tabel 2 xtc-gebruik naar achtergrondkenmerk Tripmiddelen Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

LSD Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Tabel 4 LSD - gebruik naar achtergrondkenmerk Nooit-gebruikers 68

Laatste jaar 23

Laatste maand 8

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

83 91 48

9 7 38

3 2 13

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

90 96 66

4 3 16

0,4 1 2

Man Vrouw Leeftijd

59 77

30 15

11 5

Man Vrouw Leeftijd

72 88

14 6

2 0,9

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

93 67 58

6 25 27

2 9 9

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

96 80 72

3 12 11

0,3 2 1

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

72 72 86 61

14 20 11 28

5 7 4 10

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

83 83 91 74

6 7 6 12

0,1 0,5 1 2

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

67 68 76

23 19 19

8 5 10

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

79 76 84

10 10 12

1 1 5

Tabel 3 Tripmiddelen (lsd, paddo’s, 2C-B, ketamine) gebruik naar achtergrondkenmerk

44

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Paddo's Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Tabel 5 Paddo’s – gebruik naar achtergrondkenmerk

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

45

2C-B Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Nooit-gebruikers 83

Laatste jaar 10

Laatste maand 1

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

93 95 72

3 2 17

0,6 0,5 2

Man Vrouw Leeftijd

78 88

13 7

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

97 83 78

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

Nooit-gebruikers 66

Laatste jaar 11

Laatste maand 2

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

78 86 50

5 6 17

0,8 1 3

2 0,8

Man Vrouw Leeftijd

61 71

13 9

2 2

2 11 12

0,2 1 2

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

92 65 57

6 13 10

2 3 1

87 83 95 80

5 9 3 13

2 1 1 2

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

71 67 85 60

11 12 7 11

3 3 1 1

83 83 90

10 10 5

1 2 3

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

66 67 69

11 14 18

2 3 7

Nooit-gebruikers 77

Laatste jaar 15

Laatste maand 6

Tabel 6 2C-B gebruik naar achtergrondkenmerk Ketamine Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Lachgas Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Tabel 8 Lachgasgebruik naar achtergrondkenmerk Nooit-gebruikers 78

Laatste jaar 15

Laatste maand 6

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

90 94 64

5 4 26

2 1 10

Alleen via brief Alleen via school Alleen via social media Geslacht

89 95 63

6 4 26

2 2 11

Man Vrouw Leeftijd

71 86

20 10

8 4

Man Vrouw Leeftijd

71 84

20 10

8 4

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

96 78 71

3 16 18

1 7 7

16 t/m 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig)

98 79 67

2 15 21

0,7 6 9

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

80 79 91 75

11 15 6 18

3 6 2 7

Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit Subjectieve etniciteit

76 76 91 74

15 15 6 18

8 8 3 6

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

78 80 91

16 12 5

6 4 4

Voelt zich alleen Nederlands Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands

77 78 92

16 13 4

6 6 3

Tabel 7 Ketaminegebruik naar achtergrondkenmerk

64

Cocaïne Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

Tabel 9 Cocaïnegebruik naar achtergrondkenmerk

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

Monitor regioproject SKIP - ‘Trippen of skippen?’

47

Amfetamine Jongvolwassenen (totale groep) Manier van werven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=66d8702c-f223-409d-bc99-6359306887aa