Bijlage 2. Verordening BIZ Vastgoedeigenaren Centrum Veghel 2026-2030
Tekst van het document
Verordening
Bedrijveninvesteringszone
Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel 2026-2030
De raad van de gemeente Meierijstad,
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 mei 2025; gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones
gezien de uitvoeringsovereenkomst gesloten met Stichting Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel;
besluit vast te stellen de volgende:
“Verordening Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel 2026-2030
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: •
bedrijveninvesteringszone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente
waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende gebiedskaart; • •
college: college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Meierijstad;
uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente Meierijstad en Stichting Bedrijveninvesteringszone
Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet;
•
wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones.
Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting 1.
2.
Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone, of de ruimtelijke kwaliteit, of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.
Artikel 3 Belastbaar feit
Belastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Belastingplicht
De BIZ-bijdrage wordt geheven van de eigenaar , zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar hert genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject.
Voor de toepassing van dit artikel wordt als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het
kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 5 Maatstaf van heffing 1.
2.
De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze geldt voor het kalenderjaar.
Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject
bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6 Vrijstellingen 1.
In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten
aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede
begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig
aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen,
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst of voor het
d.
voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd
in artikel 8, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van e.
de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van f. g.
h.
natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
waterverdedigingswerken en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden
beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat
j.
belastingobjecten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst
k.
straatmeubilair, waaronder worden begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; van de gemeente,
niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente zoals lichtmasten,
l.
verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken, palen;
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de
gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige n.
o. 2.
onroerende zaken die dienen als woning;
belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige
hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid; belastingobjecten die naar hun aard niet toegankelijk zijn voor publiek zoals transformatiehuisjes en reclamezuilen.
In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZbijdrage buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen, dan wel dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 7 Tarief BIZ-bijdrage
Het tarief van de jaarlijkse BIZ-bijdrage voor de eigenaar bedraagt voor de belastingjaren 2026 tot en met 2030: 0,141% van de heffingsmaatstaf met dien verstande dat minimaal € 150,00 en maximaal € 425,00 per belastingobject wordt geheven.
Artikel 8 Wijze van heffing
De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand
volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee 2.
maanden later.
In afwijking van het gestelde onder 1, moet(en), indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden
afgeschreven, de aanslag(en) worden betaald in tien gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening van het 3.
aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand later.
In afwijking van het tweede lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor zover het
totaalbedrag van de op 1 aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen meer bedraagt dan € 100,00 doch minder is dan € 3.500,00.
4.
De algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 10 Looptijd belastingheffing
De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van vijf jaar (2026-2030).
Artikel 11 Nadere regels door het dagelijks bestuur
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage.
Artikel 12 Aanwijzing stichting
De Stichting Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel wordt aangewezen als de
stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moet worden verricht.
Artikel 13 Subsidieverlening 1.
2.
De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de Stichting Bedrijveninvesteringszone
Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.
De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen, nadat daarop de perceptiekosten in mindering zijn gebracht.
Artikel 14 Subsidieverplichtingen
Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de Stichting Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de Stichting
Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel gesloten uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 15 Subsidievaststelling 1.
2.
De Stichting Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel is verplicht om binnen drie maanden na afloop van het subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen.
Voor zover dit niet reeds is geschied in de uitvoeringsovereenkomst, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de verplichtingen van de subsidieontvanger.
Artikel 16 Melding van relevante wijzigingen
De Stichting Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van: a.
b. c.
meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie;
een wijziging van de statuten;
verandering of beëindiging van activiteiten.
Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel
1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag nadat het college heeft
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
3.
bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken. Deze verordening kan worden aangehaald als de Verordening Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel 2026-2030.
Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 26 juni 2025 De raad voornoemd, De griffier, drs. K.J.H.A. van Oort De voorzitter, ir. C.H.C. van Rooij
Gebiedskaart behorend bij de Verordening
Bedrijveninvesteringszone Vastgoedeigenaren Centrum-Veghel 2026-2030: