Bijlage 2: Toelichting Venushoek 38 - bijlage 6
Tekst van het document
Watertoets ter plaatse van de Venushoek 38 te Schijndel
Pagina 3 van 24
Titel Opdrachtgever Adviesbureau
Watertoets ter plaatse van de Venushoek 38 te Schijndel
Beheermaatschappij Van Kasteren Schijndel b.v. Meijgraaf 2 5481 GB Schijndel
MILON bv Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel
Pagina 4 van 24
Titel:
Watertoets ter plaatse van de Venushoek 38 te Schijndel
Status:
Concept
Datum:
24 december 2020
Opdrachtgever:
Beheermaatschappij Van Kasteren Schijndel b.v. Meijgraaf 2 5481 GB Schijndel
Contactpersoon: Bureau: Telefoonnummer: E-mail:
David Wintraecken Wintraecken Advies (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl
Projectnummer:
20203945
Auteur: Projectleider: Telefoonnummer: E-mail: Website:
Job Tijssen Job Tijssen 073-5477253 info@milon.nl/ job@milon.nl www.milon.nl
Handtekening Projectleider:
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of MILON bv. Op al onze leveringen en diensten zijn de RVOI-2001 en de algemene aanvullende voorwaarden van MILON bv van toepassing. Beide sets algemene voorwaarden zijn te raadplegen en te downloaden via www.milon.nl/algemenevoorwaarden. MILON bv is gecertificeerd conform ISO 9001 en VCA**, voldoet aan niveau 3 op de CO2 prestatieladder en is erkend door het ministerie van IenW voor: ▪ BRL SIKB 1000 “Monsterneming voor partijkeuringen”, protocol 1001, 1002 en 1003; ▪ BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”, protocol 2001, 2002, 2003 en 2018; ▪ BRL SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg” en protocol 6001 (processturing en verificatie).
Pagina 5 van 24
Inhoudsopgave 1. Inleiding .................................................................................... 7 1.1. Opdrachtverlening .............................................................. 7 1.2. Aanleiding ......................................................................... 7 1.3. Doel .................................................................................. 7 1.4. Betrouwbaarheid ................................................................ 7 2.1. Locatiegegevens ................................................................. 8 3.1. Rijksoverheid ................................................................... 11 3.2. Provinciaal beleid .............................................................. 12 3.3. Waterschapsbeleid ............................................................ 13 3.4. Gemeentelijk beleid .......................................................... 15 4. Waterhuishouding ..................................................................... 16 4.1. Geohydrologie .................................................................. 16 4.2 Overige aspecten .............................................................. 18 5. Wateradvies ............................................................................. 19 5.1 Bevoegd gezag .................................................................
19 5.2 Dimensionering infiltratie of bergingsvoorziening .................. 19 6. Uitgangspunten en randvoorwaarden .......................................... 20 7. Samenvatting en conclusies ....................................................... 22
Bijlage 1. Topografische overzichtskaart
Pagina 6 van 24
1.
Inleiding
1.1.
Opdrachtverlening
Op 13 december 2020 heeft MILON bv te Veghel schriftelijk opdracht gekregen van David Wintraecken, namens Beheermaatschappij Van Kasteren Schijndel b.v. te Schijndel, voor het uitvoeren van een watertoets. De onderzoekslocatie is gelegen ter plaatse van de Venushoek 38 te Schijndel. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden.
1.2.
Aanleiding
De aanleiding voor het uitvoeren van de watertoets wordt gevormd door de voorgenomen herontwikkelingen op de onderzoekslocatie.
1.3.
Doel
De watertoets heeft als doel om water als ordenend principe een rol te laten spelen bij ruimtelijke plannen en besluiten, door alle relevante waterhuishoudkundige aspecten vroegtijdig te betrekken bij de planvorming.
1.4.
Betrouwbaarheid
Het onderzoek is onafhankelijk uitgevoerd. MILON bv is geen eigenaar van de onderzoekslocatie en financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. MILON bv acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.
Pagina 7 van 24
2.
Onderzoekslocatie
2.1.
Locatiegegevens
De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied ten zuidwesten van de kern van Schijndel. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Schijndel sectie M met nummer 70. De oppervlakte van de gehele locatie bedraagt circa 17.465 m2. Op locatie is in de huidige situatie bedrijfsbebouwing aanwezig maar het perceel is voor het grootste gedeelte onbebouwd. In figuur 1 en 2 zijn overzichtsfoto’s van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuren 1 en 2. Overzichtsfoto’s onderzoekslocatie (Bron: MILON).
In onderstaande afbeelding wordt een luchtfoto van de onderzoekslocatie getoond.
Figuur 3. Ligging onderzoekslocatie (Bron: Google Maps)
Pagina 8 van 24
Overig terrein en omgeving De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied. De omgeving wordt rondom gekenmerkt door met name graslanden en agrarische bedrijvigheid. Voormalig gebruik Volgens historisch kaartmateriaal was ter plaatse van de huidige Venushoek reeds in 1900 een weg aanwezig. De omgeving van de huidige onderzoekslocatie was destijds in agrarisch gebruik. Volgens kadastrale gegevens (bagviewer.kadaster.nl) is in 1964 het woonhuis aan de noordwestelijke kant van het terrein gebouwd. Het gebouw oostelijk op de locatie is in 1971 gebouwd. Verder is volgens historisch kaartmateriaal in de jaren 70 van het vorige eeuw de bebouwing op de locatie uitgebreid. Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt. De locatie heeft een hoge archeologische verwachting.
2.2. Ruimtelijk plan of voornemen Initiatiefnemer is voornemens een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en elders op het perceel 3 woningen te realiseren. Een impressie van de mogelijke verkaveling is weergeven in figuur 4. Binnen de rode stippellijnen zijn thans bedrijfsgebouwen aanwezig welke gesloopt worden. Het gebied tussen de blauwe en de rode stippellijnen betreft de aanwezige erfverharding. Deze verharding wordt voor een groot deel verwijderd.
Figuur 4. Onderzoekslocatie met schets bouwplan
Pagina 9 van 24
In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet. De grootte en locatie van de nieuwe woningen is bij het opstellen van de watertoets nog niet bekend. Derhalve is voor de bepaling van het toekomstig verhard oppervlak deels gebruik wordt gemaakt van gemiddelde maatvoeringen. Het RVO rekent in het rapport: Referentiewoning EPC 0,4 gemiddeld 164 m2 bebouwd oppervlak voor een vrijstaande woning. Daarnaast wordt ingeschat dat 50% van de overgebleven uitgeefbare grond van de woonpercelen verhard wordt voor de aanleg van inritten, wegen en eventuele terrassen en bijgebouwen. Tabel 1. Verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie Huidige m2 (circa)
Toekomstig m2 (circa)
Bebouwing
2.270
900
Verhard (klinkers/tegels)
3.730
2.750
Totaal perceel
17.465
17.465
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte afneemt met 2350 m2.
Pagina 10 van 24
3.
Beleid watertoets
De wetgeving en het beleidskader spelen een belangrijke rol in het doorlopen van de watertoetsprocedure. Uit de beleidsstukken van de overheden blijkt welke eisen en wensen ze hebben en welk belang ze hebben bij een goed beheersbaar watersysteem.
3.1.
Rijksoverheid
Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningenprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet.
In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: • Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; • Het doelmatig nemen van maatregelen in openbaar gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen transporteren van stedelijk afvalwater. Wet ruimtelijke ordening en de watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant.
In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies.
Pagina 11 van 24
Nationaal Waterplan 2016-2021 In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn: • Eerst vasthouden, dan bergen en dan pas afvoeren; • Hemelwater zo veel mogelijk afkoppelen, mits schoon (anders eerst zuiveren); • Uitbreiding van verhard oppervlak zo veel mogelijk compenseren met hectares oppervlaktewater. Met deze punten zal rekening gehouden worden bij de uitvoering van de plannen. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's.
Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering. Het NBW is een uitwerking van de uitvoering van waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; • verbetering van de waterkwaliteit.
3.2.
Provinciaal beleid
Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2020 (PMWP) is de strategische basis voor het Brabantse milieu- en waterbeleid en -beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 integreert de milieuen de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het is een breed gedragen, integraal beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met talloze belanghebbende (water)partijen in Brabant. Het PMWP staat voor: − voldoende water voor mens, plant en dier; − schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); − bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; − verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Interim Omgevingsverordening De Interim Omgevingsverordening vervangt onder meer de Verordening ruimte, Verordening water en Provinciale milieuverordening. In de Interim Omgevingsverordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Zo zijn er de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden in opgenomen en worden gebieden aangewezen als reserveringsgebied voor waterberging.
Pagina 12 van 24
Deze gebieden worden ingezet om wateroverlast uit regionale watersystemen (beken, waterlopen) tegen te gaan. Voorts zijn normen opgenomen voor regionale waterkeringen, wateroverlast, de beoordeling van de waterveiligheid, afspraken over het beheer van wateren, waterwegen en waterkeringen, peilbesluiten en planvorming. Ook zijn milieuregels opgenomen die het drinkwater moeten beschermen. Het grondwater rond de Brabantse drinkwaterwinningen worden beschermd met speciale zones, waarbinnen bepaalde activiteiten beperkt of niet zijn toegestaan zonder vergunning. Verordening water Noord-Brabant In de Provinciale verordening water Noord-Brabant heeft de provincie normen opgenomen voor regionale waterkeringen, wateroverlast, de beoordeling van de waterveiligheid, afspraken over het beheer van wateren, waterwegen en waterkeringen, peilbesluiten en planvorming. Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (PMV) In de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010 (PMV) zijn milieuregels opgenomen die het drinkwater moeten beschermen. Het grondwater rond de Brabantse drinkwaterwinningen wordt beschermd met speciale zones, waarbinnen bepaalde activiteiten beperkt of niet zijn toegestaan zonder vergunning.
3.3.
Waterschapsbeleid
Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan ‘Werken met water voor nu en later’ beschrijft de doelen van Waterschap Aa en Maas voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: − droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); − voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; − natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; − mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen.
Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode? − voldoende water voor landbouw en natuur; − wateroverlast en hittestress; Pagina 13 van 24
− kringloop denken; − steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; − vergroten waterbewustzijn. Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap. Keur Waterschap Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel 2015 De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben nieuwe waterregels vastgesteld. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder Keurontheffing geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een ontheffing bij het waterschap moet worden gevraagd. De Keur van het waterschap is enkel van toepassing wanneer direct wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam in beheer en eigendom van het waterschap. De Keur is een verordening waarin staat wat wel en niet mag rond watergangen, dijken en grondwater. Voor veel zaken hoeven burgers en bedrijven geen vergunning meer aan te vragen. Een melding aan het waterschap volstaat.
Alle ingrepen welke een grote impact hebben op belangrijke watergangen en keringen blijven vergunningplichtig. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe keur in de drie waterschappen. Het doel van de regels is om de wateraanvoer en waterafvoer te waarborgen, Noord-Brabant te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van droogte te beperken. In de Keur is een Algemene Regel is een gevoeligheidsfactor opgenomen. Afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied wordt een gevoeligheidsfactor toegepast. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼, ½ en 1. Het is gezien het globale karakter van de toets niet zinvol hier meer detail in aan te brengen. Welke gevoeligheidsfactor van toepassing is, kan worden afgelezen van de Kaart Algemene Regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 (De gevoeligheidsfactoren worden alleen bij de Algemene Regel toegepast. Bij de toepassing van de Beleidsregel (vergunningen) wordt niet gewerkt met een gevoeligheidsfactor maar wordt maatwerk geleverd om de retentie-eis te bepalen.). Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater.
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 Maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. De beleidsterm ‘hydrologisch neutraal’ heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg hebben: • Er is geen (onvertraagd) toename van de waterafvoer op de rand van het plangebied; • Er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn); • Er mag geen overlast optreden door extreme neerslag gebeurtenissen.
Pagina 14 van 24
De voorkeursvolgorde bij het nemen van maatregelen tegen wateroverlast gaan uit van het principe water vasthouden dan wel hergebruiken, water bergen en als laatste pas water afvoeren. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².
3.4.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Meierijstad heeft zijn speerpunten m.b.t. de waterhuishouding beschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan “Waardevol water in Meierijstad” (2017 t/m 2022). Deze speerpunten worden hieronder kort toegelicht: • Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied, onder andere door het lokaal afkoppelen van verharde oppervlak. • Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen, onder andere door de kennis over waterbeheer te integreren in het onderwijssysteem. • Verduurzamen afvalwaterketen, door gesloten watercirculatiesystemen aan te leggen, het energieverbruik te minimaliseren en energie uit stromend water en afvalwater te halen. • Behalen KRW-doelen, door verbetermaatregelen zo efficiënt mogelijk uit te voeren zonder dat de kwaliteit verloren gaat. • Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied, bijvoorbeeld door waar haalbaar dubbele riolen aan te leggen • Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie, bijvoorbeeld door de vuilbelasting op oppervlaktewateren te reduceren. • Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer, bijvoorbeeld door het integreren van meetnetten en het uitvoeren van stresstesten. • Samenwerken bijvoorbeeld door samenwerktingsactiviteiten te organiseren en continue te streven naar verbetering in de communicatie naar burgers.
Pagina 15 van 24
4.
Waterhuishouding
Om de waterbelangen in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld te hebben heeft het waterschap de Watertoets ontwikkeld. In het kader van het watertoetsproces worden hierbij de relevante en beschikbare wateraspecten bekeken.
4.1.
Geohydrologie
Regionale bodemopbouw De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van 9,1 m+NAP. Op figuur 5 is te zien dat er geen noemenswaardig hoogteverschil aanwezig is op de onderzoekslocatie. Het gedeelte van de onderzoekslocatie waar in de toekomst de bebouwing en verhardingen komt te liggen, ligt circa 1 á 2 meter hoger dan het noordwestelijk gelegen onverharde terrein. De hoogteverschillen zijn in het onderstaande figuur weergeven.
9,0 m
9,2 m
Figuur 5. Hoogteverschil onderzoekslocatie (bron: Ahn)
De gegevens van de bodemsamenstelling en de hydrologische gegevens zijn verkregen uit DINOloket. Vanaf maaiveld tot circa 28 m-mv is er een matig doorlatende deklaag aanwezig, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind (formatie van Boxtel). In de deklaag zit een kleiige eenheid (van circa 1,5 tot 3 m-mv), hoofdzakelijk bestaande uit leem (formatie van Boxtel met Laagpakket van Liempde). Onder de deklaag tot circa 35 m-mv bevindt zich een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken (formatie van Beegden).
Pagina 16 van 24
Geohydrologie Naar opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Op de onderzoekslocatie wordt voor zover bekend geen grondwater onttrokken. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten. Kwel en infiltratie In de klimaateffectatlas is te herleiden dat de locatie zich in een infiltratiegebied bevindt. Oppervlaktewater in de omgeving Uit de waterkaart van waterschap Aa en Maas is gebleken dat nabij de onderzoekslocatie een B watergang zijn gelegen.
Regenwater en overige neerslag Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Schijndel. Hemelwater dat in de huidige situatie op het verhard terrein valt watert af naar onverharde delen. Gemiddelde grondwaterstand In de digitale Wateratlas van provincie Noord-Brabant is de gemiddelde grondwaterstand aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen. De onderzoekslocatie bevindt zich in grondwatertrap VI, dat wil zeggen dat het grondwater zich voornamelijk bevindt tussen de 0,4-0,8 en 1,2 m-mv (conform indeling provincie Noord-Brabant).
Pagina 17 van 24
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) geeft een GHG aan van tussen de 0,8 en 1,0 m-mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich tussen de 1,6 en 2 m-mv.
4.2
Overige aspecten
Afvalwater Binnen het plangebied komt in de huidige situatie afvalwater vrij. Onderzocht dient te worden of de riolering voor de nieuw te bouwen woningen aangesloten kan worden op het aanwezige rioolstelsel. Bodem MILON bv heeft op 13 november 2020 een bodemonderzoek uitgevoerd op de onderzoekslocatie om de milieuhygiënische van de bodem en het grondwater te bepalen. In het grondwater zijn analytisch licht verhoogde concentraties barium aangetoond. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat er geen belemmeringen zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie
Pagina 18 van 24
5.
Wateradvies
5.1
Bevoegd gezag
Volgens het beleid van waterschap Aa en Maas dient, in bepaalde gevallen, de benodigde compensatie te worden berekend.
5.2
Dimensionering infiltratie of bergingsvoorziening
Initiatiefnemer is voornemens een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en op de vrijgekomen grond nieuwe woningen te realiseren. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen. In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet. De grootte en locatie van de nieuwe woningen is bij het opstellen van de watertoets nog niet bekend. Derhalve is voor de bepaling van het toekomstig verhard oppervlak deels gebruik wordt gemaakt van gemiddelde maatvoeringen. Het RVO rekent in het rapport: Referentiewoning EPC 0,4 gemiddeld 164 m2 bebouwd oppervlak voor een vrijstaande woning. Daarnaast wordt ingeschat dat 50% van de overgebleven uitgeefbare grond van de woonpercelen verhard wordt voor de aanleg van inritten, wegen en eventuele terrassen en bijgebouwen. Tabel 2. verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie Huidige m2 (circa)
Toekomstig m2 (circa)
Bebouwing
2.270
900
Verhard (klinkers/tegels)
3.730
2.750
Totaal perceel
17.465
17.465
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte afneemt met 2.350 m2. Door de afname in bebouwing en verharding in de toekomstige situatie zal de infiltratiecapaciteit binnen het plangebied toenemen. Het aanleggen van bergingsvoorzieningen wordt derhalve niet nodig geacht.
Pagina 19 van 24
6.
Uitgangspunten en randvoorwaarden
Hierna worden de overige uitgangspunten aangegeven voor de infiltratie- of bergingsvoorziening. Wateroverlast Om wateroverlast op de locatie en de omgeving te voorkomen moet men rekening houden met: ▪ het afstromende hemelwater wordt zoveel mogelijk oppervlakkig (bovengronds) naar de infiltratie- of bergingsvoorziening afgevoerd; ▪ wateroverlast ter plaatse van de toekomstige bebouwing wordt mede voorkomen door een drempelhoogte van enkele decimeters boven maaiveld. Hemelwater zal zo in geen geval de panden instromen; ▪ indien wenselijk dient een overstortvoorziening naar het riool of oppervlaktewater opgenomen te worden om overlast te voorkomen tijdens extreem weer. Milieuhygiënische voorwaarden Om neerslag die van de daken en overige verharde oppervlakken afstroomt te mogen infiltreren/bergen, dient onder meer aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: ▪ vereist is de toepassing van niet-uitloogbare bouwmaterialen als kunststoffen en geen zink, lood, koper of asfalt. Staal, aluminium en zink voorzien van een duurzame coating kan wel worden toegepast. Hierbij ontstaan geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen); ▪ neerslag van (afgekoppelde) verhardingen zoals opritten en/of terrassen bij woningen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Bij de communicatie met de toekomstige bewoners van het plangebied moet duidelijk worden gewezen op de risico’s van het toepassen van chemicaliën en dergelijke, en de gevolgen van het niet naleven van deze regels; ▪ het is nooit toegestaan afvalwater in de bodem te infiltreren of via infiltratievoorzieningen in de bodem te lozen. Onderhoud en vervuiling Om de werking van de infiltratie- of bergingsvoorziening in stand te houden dient men rekening te houden met: ▪ regelmatig onderhoud van de aanvoer- en afvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren; ▪ het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Het is niet wenselijk tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout en dergelijke gladheidbestrijdingsmiddelen op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan zand zijn; ▪ Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat bv.
het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het
Pagina 20 van 24
afvalwaterriool(DWA-riool) moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. ▪ het is aan te bevelen de kwaliteit van de te lozen neerslag (in de loop van de tijd) te monitoren. Communicatie Het is belangrijk om een grote betrokkenheid van de (aanstaande) gebruikers/eigenaren op te bouwen ten aanzien van de waterhuishouding en het milieu. Zo zal uitgelegd moeten worden waarom geen auto’s mogen worden gewassen op de parkeerplaatsen (ook privé plaatsen), geen chemische onkruidbestrijdingsmiddelen mogen worden toegepast en geen zout gebruikt wordt bij gladheidbestrijding etc.. Ook het in stand houden en onderhoud van de voorzieningen zijn essentiële aandachtspunten, in het bijzonder voor de eigenaren/gebruikers van het plangebied. Een en ander zal in een zo vroeg mogelijk stadium met de eigenaren/gebruikers moeten worden besproken. Ook de juridische aspecten van afkoppelen en wat erbij komt kijken, moeten helder naar eigenaren en gebruikers worden gecommuniceerd en op schrift worden gesteld. Verantwoordelijkheden moeten vooraf worden vastgelegd.
Pagina 21 van 24
7.
Samenvatting en conclusies
Op 13 december 2020 heeft MILON bv te Veghel schriftelijk opdracht gekregen van David Wintraecken, namens Beheermaatschappij Van Kasteren Schijndel b.v. te Schijndel, voor het uitvoeren van een watertoets. De onderzoekslocatie is gelegen ter plaatse van de Venushoek 38 te Schijndel. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied ten zuidwesten van de kern van Schijndel. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Schijndel sectie M met nummers 70. De oppervlakte van de gehele locatie bedraagt circa 17.465 m2. Op locatie is in de huidige situatie bedrijfsbebouwing aanwezig maar het perceel is voor het grootste gedeelte onbebouwd. Watertoets Initiatiefnemer is voornemens een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en elders op het perceel 3 woningen te realiseren. In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet. De grootte en locatie van de nieuwe woningen is bij het opstellen van de watertoets nog niet bekend. Derhalve is voor de bepaling van het toekomstig verhard oppervlak deels gebruik wordt gemaakt van gemiddelde maatvoeringen. Het RVO rekent in het rapport: Referentiewoning EPC 0,4 gemiddeld 164 m2 bebouwd oppervlak voor een vrijstaande woning.
Daarnaast wordt ingeschat dat 50% van de overgebleven uitgeefbare grond van de woonpercelen verhard wordt voor de aanleg van inritten, wegen en eventuele terrassen en bijgebouwen. Tabel 3. verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie Huidige m2 (circa)
Toekomstig m2 (circa)
Bebouwing
2.270
900
Verhard (klinkers/tegels)
3.730
2.750
Totaal perceel
17.465
17.465
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte afneemt met 2.350 m2. Door de afname in bebouwing en verharding in de toekomstige situatie zal de infiltratiecapaciteit binnen het plangebied toenemen. Het aanleggen van bergingsvoorzieningen wordt derhalve niet nodig geacht.
Pagina 22 van 24
Bijlage 1