Bijlage 2: Toelichting
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Veghel Herziening Groothees 7, Erp
Kadastrale gegevens
: : :
Erp ERP00R717+R718+M2023+M2133
Opgesteld door
:
Arvalis
Referentie
:
2023000561
: :
17 november 2023 Klik of tik om tekst in te voeren.
Datum
Ontwerp: Vastgesteld:
Gemeente Sectie Nummer
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 6 1.1.
Aanleiding en doel ..................................................................................... 6
1.2.
Ligging en begrenzing ................................................................................ 6
1.3.
Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 7
1.4.
Leeswijzer ................................................................................................ 9
Planbeschrijving .............................................................................................10 2.1.
Huidige situatie ........................................................................................10
2.2.
Beoogde situatie ......................................................................................11
Beleidskader ..................................................................................................13 3.1.
Inleiding..................................................................................................13
3.2.
Rijksbeleid ...............................................................................................13
3.2.1.
Nationale omgevingsvisie ....................................................................13
3.2.2.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................14
3.2.3.
Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................14
3.2.4.
Besluit m.e.r. .....................................................................................15
3.3.
3.3.1.
Brabantse Omgevingsvisie ...................................................................15
3.3.2.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant .......................................16
3.3.2.1.
Inleiding ........................................................................................16
3.3.2.2.
Beleidskader ...................................................................................16
3.3.2.1.
Toets .............................................................................................18
3.4.
4.
Provinciaal beleid .....................................................................................15
Gemeentelijk beleid ..................................................................................19
3.4.1.
Omgevingsvisie ..................................................................................20
3.4.2.
Structuurvisie ....................................................................................20
Omgevingsaspecten ........................................................................................22 4.1.
Bodem ....................................................................................................22
4.2.
Bedrijven en milieuzonering .......................................................................22
4.3.
Geur .......................................................................................................24
4.4.
Luchtkwaliteit ..........................................................................................24
4.5.
Gezondheid .............................................................................................27
4.6.
Geluid .....................................................................................................28
4.7.
Externe veiligheid .....................................................................................28
4.8.
Cultuurhistorie en archeologie ....................................................................31
4.8.1.
Cultuurhistorie ...................................................................................31
4.8.2.
Archeologie .......................................................................................32
4.9.
Flora en Fauna .........................................................................................33
5.
4.9.1.
Gebiedsbescherming ...........................................................................33
4.9.2.
Soortenbescherming ...........................................................................34
4.10.
Landschappelijke inpassing .....................................................................35
4.11.
Waterparagraaf .....................................................................................35
4.11.1.
Europees beleid ..............................................................................35
4.11.2.
Provinciaal beleid ............................................................................36
4.11.3.
Waterbeheerplan Aa en Maas ...........................................................36
4.11.4.
Keur 2015 en Legger .......................................................................37
4.11.5.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie .......................................38
4.12.
Spuitzone .............................................................................................38
4.13.
Mobiliteit en parkeren ............................................................................41
Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................42 5.1.
Economische haalbaarheid.........................................................................42
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................42
5.2.1.
6.
Omgevingsdialoog ..............................................................................42
5.3.
Procedure ................................................................................................42
5.4.
Vooroverleg en inzage ..............................................................................42
Juridische planopzet .......................................................................................44 6.1.
Inleiding..................................................................................................44
6.2.
Toelichting op de verbeelding ....................................................................44
6.3.
Toelichting op de regels ............................................................................44
Bijlage(n) 1. Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit 2. Quickscan Flora en Fauna 3. A. Landschappelijke inpassing B. Plankaart met groenstrook 4. Rapport goed woon en leefklimaat 5. Verkennend bodemonderzoek 6. Omgevingsdialoog 7. Omgevingsadvies GGD Luchtkwaliteit 8. Verantwoording groepsrisico (beperkt) BLEVE 9. AERIUS-projectberekening 10. AERIUS extra beoordeling
1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.
Aanleiding en doel
Aan de Groothees 7 te Erp is het agrarische bedrijf van initiatiefnemer gelegen. Initiatiefnemer exploiteert hier een glastuinbouwbedrijf. Ze zijn voornemens om het glastuinbouwbedrijf te beëindigen. Initiatiefnemer is daarbij voornemens om de overtollige glasopstanden, teeltondersteunende voorzieningen, verhardingen en bedrijfsbebouwing te slopen. In ruil voor de sloop beoogt men om via de beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit van de provincie Noord-Brabant 2 ruimte-voor-ruimtekavels te ontwikkelen en de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar burgerwoning.
1.2.
Ligging en begrenzing
Het plangebied aan Groothees 7 te Erp is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad op een afstand van circa 0,2 kilometer van de komgrens van Erp. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Erp, sectie ERP00-, nummers R717, R718, M2133 en M2023, en aan de overzijde van de straat 2029 en 2030.
Afbeelding 1. Topografische kaart
6
1.3.
Vigerend bestemmingsplan
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6. De initiatieflocatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel, vastgesteld op 22-10-2015. De locatie kent de volgende bestemmingen en aanduidingen:
Enkelbestemming Dubbelbestemming Functieaanduiding Gebiedsaanduiding “ “ “ “ “ “
: Agrarisch met waarden : Waarde – Archeologie 2 : glastuinbouw : dorpslandschap : oude akkers : reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2 : vrijwaringszone – radar
Verder heeft de locatie een gekoppeld bouwvlak van 3,17 + 0,35 ha. Het westelijk deel van het bouwvlak heeft de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – lage teeltondersteunende voorzieningen’. Ten zuiden van de locatie, aan de overzijde van de straat ligt het gekoppelde bouwvlak, het waterbassin is hier gelegen.
Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Door de beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit van de provincie Noord-Brabant is het mogelijk om bouwkavels te realiseren in ruil voor sloop van de kassen en
7
bedrijfsgebouwen en erfverharding en voorzieningen. De beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit is uitgewerkt in bijlage 1. In de notitie ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’ van de gemeente Meierijstad is in artikel B. Vergroten oppervlakte bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus) opgenomen dat wanneer alle voormalige agrarische bijgebouwen gesloopt worden, er tot een maximum van 300 m2 mag blijven staan. Het artikel luidt als volgt: Wanneer alle voormalige agrarische bijgebouwen worden gesloopt (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijgebouwen worden verruimde mogelijkheden geboden voor de oprichting van bijgebouwen. Er geldt dat voor elke m2 gesloopte vrijgekomen (agrarische) bedrijfsbebouwing 50% van de gesloopte oppervlakte mag worden teruggebouwd in de vorm van een nieuw bijgebouw (of uitbreiding van bestaande bijgebouwen), tot een maximale oppervlakte van 300 m2 (inclusief de oppervlakte van de reeds aanwezige bijgebouwen). In het kader van welstand kunnen nadere eisen worden gesteld aan het maximaal aantal op te richten bijgebouwen en de verschijningsvorm van de bijgebouwen. De regeling is bedoeld om ook op percelen met een relatief geringe oppervlakte aan vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing sloop van deze bebouwing te bevorderen.
In het bestemmingsplan nemen we een sloopbonusregeling op voor het vergroten van de maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij het omzetten van de bestemming 'Agrarisch' naar een bestemming 'Wonen' tot 300 m². De regeling stimuleert de sloop van bedrijfsbebouwing omdat initiatiefnemers voor sloop beloond worden. We hebben gezocht naar een goede verhouding van sloop versus extra ruimte waarbij we enerzijds rekening houden met de hoge sloopkosten en anderzijds er zorg voor dragen dat er sprake is van een significante kwaliteitsverbetering. We houden een verhouding aan van 1:2. In deze notitie is tevens de statische opslag bij wonen gedefinieerd, voor de beoogde 300 m2 bijgebouw. Dit artikel luidt als volgt, 4.4.7 Regels gebruik voor statische opslag bij wonen: Over het algemeen vindt herziening van de bestemming 'agrarisch' al dan niet met waarden alleen plaats op verzoek van een eigenaar/initiatiefnemer, als er plannen bestaan voor ander gebruik van woning en voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. In die gevallen is/wordt over het algemeen medewerking verleend voor hergebruik onder de voorwaarde van kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop van overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.
Echter bij het opstellen van integrale herzieningen van bestemmingsplannen zijn percelen met een flinke oppervlakte (vaak vele malen meer dan de in het bestemmingsplan toegestane maximale 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken) aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen bestemd tot 'wonen' mede vanwege het beginsel dat grond en gebouwen moeten worden bestemd overeenkomstig de bestaande functie. Gebruik van deze bestaande overmaat aan bijgebouwen bij een woning voor statische opslag van maximaal 1.000 m2 is een passend hergebruik. De toestemming voor dit gebruik gaat gepaard met sloop van de overtollige bebouwing op het perceel. Met het opnemen van een regeling daarvoor binnen de regels van de bestemming 'wonen' kan worden tegemoet gekomen aan veelal bestaand, maar niet gelegaliseerd gebruik van deze bebouwing. Op de locatie kan aan de voorwaarden worden voldaan voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar ‘Wonen’. De ontwikkeling van de ruimte-voorruimtekavel middels de beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit van de provincie Noord-Brabant is echter ook onderdeel van de ontwikkeling. De ontwikkeling past 8
hierdoor niet binnen de wijzigingsbevoegdheid waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is.
1.4.
Leeswijzer
Het onderhavige wijzigingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • •
• • •
9
plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.
2.1.
Huidige situatie
In de huidige situatie is in het plangebied een glastuinbouw gevestigd. Op de locatie zijn een bedrijfswoning en verschillende bedrijfsgebouwen aanwezig. Met blauw is de bedrijfswoning aangeduid. Met rood zijn de glasopstanden aangeduid. In oranje is de teeltondersteunende voorzieningen, verharding paden/waterbassin geduid en in groen het bedrijfsgebouw. Voor het bedrijfsgebouw ligt erfverharding.
Afbeelding 3. Luchtfoto huidige situatie plangebied.
10
Afbeelding 4 . Ligging waterbassin ten z uiden van het bedrijf.
2.2.
Beoogde situatie
In de beoogde situatie wordt op de locatie aan Groothees 7 de bedrijfswoning behouden. Deze is in afbeelding 3 in blauw geduid. De overtollige bebouwing wordt gesloopt. In totaal wordt er 15.155 m2 aan glasopstanden gesloopt. Er wordt 3.500 m2 aan paden en waterbassin met hekwerk en verharding gesloopt en er wordt 480 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt en er worden 11.300 m2 teeltbedden verwijderd. In ruil voor de sloop van deze bebouwing en andere maatregelen ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt op onderliggende locatie 2 ruimtevoor-ruimte kavels ontwikkeld. De 2 kavels en de bestaande bedrijfswoning worden in de beoogde situatie de bestemming ‘Wonen’ toegekend. De bestaande bedrijfswoning beoogd een bijgebouw van 300 m2. De ruimte-voorruimte kavels kunnen een bijgebouw van 150 m2 plaatsen. De bestemmingsvlakken ‘Wonen’ hebben in de beoogde situatie een oppervlakte van 1.800 m2.
11
Afbeelding 5: globale situering beoogde bestemmingsvlakken
12
3. Beleidskader 3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2.
Rijksbeleid
3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •
•
•
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI.
13
3.2.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Noord-Brabant is de EHS vastgelegd in het Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 3.2.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt de begrenzing van de Natuur Netwerk Brabant bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro. 3.2.3. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.
Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op 14
grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Op de voorgenomen ontwikkeling is de ladder duurzame verstedelijking niet van toepassing omdat er minder dan 11 woningen gerealiseerd worden.
3.2.4. Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht).
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is de ontwikkeling van een woning aangemerkt als D11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar aangezien het gaat om het realiseren van slechts 2 nieuwe woningen wordt dit op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een nadere beschouwing hiertoe niet nodig.
3.3.
Provinciaal beleid
3.3.1. Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven: 15
1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Hier moet mee worden omgegaan. 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vindt een vertaalslag van de hoofdopgaven in concreet bindende regels plaats. De ontwikkeling wordt in navolgende paragraaf getoetst aan deze verordening. 3.3.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.2.1. Inleiding Op 21 maart 2023 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. Op termijn treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen.
Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. 3.3.2.2. Beleidskader De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.
16
Afbeelding 5. Uitsnede plangebied IOV
Afbeelding 6. Uitsnede plangebied IOV
Het plangebied ligt binnen het ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd Landelijk gebied’, zie afbeelding 5 en 6. Tevens is de locatie gelegen in een gebied met stedelijke ontwikkeling. 17
De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. De ontwikkeling van een agrarisch bedrijf naar burgerwoning is op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) aan te merken als een ontwikkeling van niet agrarische functies. Voor de wijziging naar burgerwoning is artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied van de IOV van toepassing. 3.3.2.1. Toets De toets aan Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied is hieronder in cursief uitgewerkt. Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; De bestaande bedrijfswoning wordt beoogd een burgerwoning, het toevoegen van 2 burgerwoningen wordt in de beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit toegestaan in landelijk gebied. b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Niet van toepassing. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; niet van toepassing b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt.
De beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit zorgt voor een gelijkwaardige sanering. In bijlage 1 wordt artikel 3.78 verduidelijkt. De IOV wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de IOV aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse Omgevingsvisie en worden mogelijkheden geboden voor maatwerk. Hiertoe zijn in de IOV in plaats van middelvoorschriften, doelvoorschriften opgenomen en wordt uitgegaan van een ‘ja, mits – benadering’. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 3.8: Meerwaardecreatie; - Artikel 3.9: Kwaliteitsverbetering landschap. Hieronder wordt nader ingegaan op enkele verschillende aspecten. In paragraaf 3.3.2 wordt het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap en Nota Kostenverhaal 2018 nader toegelicht. Een toelichting op het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie blijkt uit voorliggend bestemmingsplan . Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd.
Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de IOV de ‘zorgplicht’ opgenomen. Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen. Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op 18
de omgeving. Toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Daarnaast speelt de factor tijd een belangrijke rol. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie omvat daarnaast een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
Kwaliteitsverbetering van het landschap Naast de zorgplicht is in de IOV tevens het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. In het bestemmingsplan kan ontwikkelingsruimte worden geboden aan functies, mits dit gepaard gaat met maatregelen die het landschap versterken. Dit kan onder andere door landschapselementen aan te leggen maar ook door behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en/of sloop van overtollige bebouwing. De regio Zuidoost-Brabant heeft geen nadere regionale afspraken gemaakt. Voor de doorwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Meierijstad derhalve een eigen gemeentelijk beleidskader ontwikkeld, waarin is beschreven, nader uitgewerkt en vastgelegd op welke wijze de gemeente de kwaliteitsverbetering van het buitengebied wenst vorm te geven als tegenprestatie voor het kunnen bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor functies in het buitengebied in het bestemmingsplan. Onderhavig initiatief heeft betrekking op de wijziging van de agrarische bestemming naar burgerwoningen. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
Daarnaast worden in hoofdstuk 4 de verschillende ruimtelijke en milieuaspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant.
3.4. 19
Gemeentelijk beleid
3.4.1. Omgevingsvisie In december 2020 heeft de gemeente Meierijstad het voorontwerp van de Omgevingsvisie gepubliceerd. De Omgevingsvisie beschrijft hoe de gemeente en belanghebbenden willen dat Meierijstad er in 2030 uitziet en waar samen aan gewerkt moet worden om dit uit te laten komen. Volgens de ontwerp Omgevingsvisie zijn er drie maatschappelijke ontwikkelingen die ruimteclaims leggen op het landelijk gebied. • • •
Natuurbescherming en -ontwikkeling Opwekking van duurzame energie Verstedelijking
Ook is er een toename in het aantal agrarische bedrijfsbeëindigingen. Bij het beëindigen van het bedrijf blijft de bebouwing staan. Hierdoor ontstaat vrijkomende agrarische bebouwing (VABs). De voormalige boer woont dan meestal nog in een huis dat als bedrijfswoning bestemd is. Dat betekent een grote opgave van saneren en herbestemmen. Onderhavige ontwikkeling is een voormalig agrarisch bedrijf. De herbestemming van de locatie naar een woonbestemming past binnen de omgevingsvisie.
3.4.2. Structuurvisie Op 19-12-2013 heeft de voormalige gemeente Veghel de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ vastgesteld. In de structuurvisie schetst de gemeente haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Het beleid is vooral gericht op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. De structuurvisie bestaat uit twee delen. Deel 1 richt zich op de (ruimtelijke) visie op de toekomst tot circa 2030. In deel 2 wordt die visie op een aantal punten wat verder uitgewerkt. Volgens de structuurvisie is het plangebied gelegen in de oude ontginningen. De oude ontginningen hebben een kleinschalige structuur met een spinnenweb van wegen en zandpaden.
Daarnaast ligt het plangebied dat op de kaart is aangeduid voor het ontwikkelen van een afwisselend ‘buitenlandschap’ met landbouw, wonen, werken, recreatie en landschap. Onderhavige ontwikkeling vindt daarmee aansluiting bij de structuurvisie.
20
Afbeelding 4: uits nede structuurvisie Veghel 2030
21
4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.
4.1.
Bodem
De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit het geval. Met de ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar burgerwoning. Met het initiatief worden nieuwe bijgebouwen opgericht waar langer dan 2 uur per dag mensen verblijven. De gebouwen, glasopstanden en verhardingen worden gesloopt. Tevens wordt een bijgebouw gesloopt.
In verband met het voormalig gebruik zijn er mogelijk nog asbestverdachte locaties in het plangebied. Op de verdachte locaties in het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, de conclusie van het onderzoek is dat er geen directe belemmeringen zijn tegen de nieuwbouw van de woningen uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid. Het gehele onderzoek is te lezen in bijlage 5.
4.2.
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •
22
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Onderhavige ontwikkeling omvat de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar burgerwoningen. Voor woonbestemmingen geldt geen milieucategorie. In het plangebied worden geen agrarische activiteiten uitgevoerd. Op basis van de kleinschaligheid van deze activiteiten is een koppeling aan de richtafstanden in de VNGbrochure niet passend. Aangenomen kan worden dat het woon- en leefklimaat bij nabijgelegen functies niet wijzigt. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd.
Groothees 7 valt binnen het omgevingstype ‘gemengd gebied’ omdat er andere functies voorkomen, zoals; Nutsvoorziening, Bedrijf, Wonen, Agrarisch met waarden. Zie tabel 1. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Deze richtafstanden zijn getoetst aan lijst 1 van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.
Bedrijven en milieuzonering Locatie
Functie
Milieucategorie
Afstanden (m) en 1 stap minder
Feitelijke afstand tot plangebied(m)
Groothees 5
Nutsvoorzieningriool
3.1
80
Groothees 6
Agrarisch met waarden – Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) Agrarisch met waarden Glastuinbouw
2
Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 30 Gevaar: 10 Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0 Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0
10
Groothees 11
2
30
Tabel 1. Uitwerking richtafstanden bedrijven en milieuzonering beoogde bedrijf
Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof, geur en gevaar. Voor het aspect geluid wordt gemotiveerd afgeweken, zie uitleg hieronder en de toelichting in paragraaf 4.6. De toelichting in paragraaf 4.3 bespreekt de geurhinder vanuit omliggende veehouderijen. Het plangebied ligt in gemengd landelijk gebied waardoor de richtafstanden met een stap verlaagd kunnen worden. De milieucategorie voor Groothees 6 en 11 wordt verlaagd van 23
2 naar 1. De richtafstand voor geluid wordt 10 meter. De feitelijke afstand tot aan het plangebied is 12 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand geluid. Zoals blijkt uit de toelichting op de tabel, is het plangebied buiten de richtafstanden gelegen voor de aspecten stof, geur, geluid en gevaar. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3.
Geur
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Meierijstad van toepassing is. Op een afstand van 300 meter van het plangebied is de intensieve veehouderij aan Looieind 20 gelegen. Op een grotere afstand zijn tevens een veehouderijen gelegen, Boekelseweg 1, Boekelseweg 2 en Heesakker 14. Met het initiatief worden nieuwe gevoelige objecten opgericht, namelijk 2 woonhuizen en de bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning.
Omdat het plangebied met de beoogde ontwikkeling de bestemming ‘Wonen’ krijgt is het wel noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de locatie. Voor de locatie is dan ook een onderzoek gedaan naar het woon- en leefklimaat ter plaatse. In de rapportage is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting in het plangebied berekend. Zie bijlage 4 rapportage goed woonen leefklimaat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan medewerking verleend worden indien voldaan wordt aan twee voorwaarden: • • •
Door de bestemmingswijziging worden andere veehouderijen niet benadeeld in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Op basis van de geurberekeningen, kan op de locatie van het projectplan worden gerealiseerd zonder de omliggende veehouderijen te belemmeren. Ter plaatse van nieuw op te richten geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en verblijfklimaat. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- en voorgrondbelasting.
Gebaseerd op de berekende resultaten in het rapport goed leef en woonklimaat voor geur, fijn stof en endotoxine voldoet de locatie aan de gestelde eisen van de ruimtelijke ordening voor een acceptabel woon- en verblijfklimaat.
4.4. 24
Luchtkwaliteit
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm).
Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen toenemen. Voor de worst-case berekeningen zijn de verkeersbewegingen ten behoeve van twee vrijstaande koopwoningen volgens CROW-publicatie 381 opgenomen in de NIBM-tool.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
16
Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m3
0,03
3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 7. NIBM-tool
25
1,2
Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Bijlage 7 is het omgevingsadvies van GGD met betrekking tot de luchtkwaliteit. Dit betreft een positief resultaat. Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 16-18μg/m³ en de PM2,5 op 8-10 μg/m³, zie afbeelding 8 en 9 Daarnaast ligt de concentratie NOX ter plaatse op 15-20 μg/m³, zie afbeelding 10. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.
Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
Afbeelding 9. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)
26
Afbeelding 10. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NOx)
4.5.
Gezondheid
Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Meierijstad worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit.
Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan Groothees 7 bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van meer dan 5 kilometer. Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief.
27
In het rapport Goed woon en leefklimaat (zie bijlage 4) is het aspect gezondheid uitgewerkt. Er is een acceptabel woon en verblijfklimaat op onderliggende locatie. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6.
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Met de ontwikkeling van het agrarische bedrijf naar een burgerwoning wordt een nieuw gevoelig object opgericht. De locatie ligt in gemengd gebied waardoor de milieucategorie met 1 stap verlaagd mag worden. Het is dan ook niet noodzakelijk om de akoestische situatie ter plaatse te onderzoeken. Er worden echter ook 2 nieuwe ruimte-voorruimtewoningen gerealiseerd. De Groothees is een 60 km/uur weg. Het is een smalle straat die naar het gebied ‘Looieind’ leidt en die uitkomt in het verdere buitengebied. Het is geen verbindingsweg of route richting een provinciale weg of snelweg.
Hierdoor dient geen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.
28
Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen gelegen. De dichtstbijzijnde risicobron is een tankopslag waarbij in geel omcirkeld het explosiegevaar is aangeduid. Dit ligt op ruime afstand van het plangebied. Daarnaast is een buisleiding op circa 2,2 kilometer van het plangebied gelegen. Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden door een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. In onderstaande afbeelding is het risico voor de buisleidingen weergegeven. Het risico ter plaatse van de 2 nieuw op te richten woningen is nihil.
29
Afbeelding 12. Uitsnede risicokaart plaatsgebonden risico ( plangebied rood omcirkeld )
Groepsgebonden risico: Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. In de nieuwe situatie gaan er activiteiten op de locatie plaatsvinden die zorgen voor een toename van de aanwezige populatie binnen het plangebied. Vanwege deze toename moet er getoetst worden wat de kans is dat er slachtoffers vallen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij aanwezigheid van een buisleiding in de omgeving mag de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar zijn en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar zijn. De locatie ligt buiten het risicogebied van de aanwezige buisleiding. De buisleiding ligt op meer dan 2 kilometer afstand van het plangebied. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat kans op een ongeval met een dergelijk aantal slachtoffers groter is dan de gestelde maximale kans. Ten zuiden van het plangebied ligt de lokale weg Heesakker. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen uit de stofcategorie GF3 vervoerd. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter2. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, heeft het geen invloed op BLEVE.
Het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) BLEVE opgesteld. Ter verantwoording van het scenario BLVE is dit document toegevoegd in bijlage 8. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) In de omgeving van het plangebied is een LPG inrichtingen gelegen die voor een verhoogd risiconiveau kan zorgen. Het explosiegevaar hiervan is ver buiten het plangebied waardoor het geen risico vormt voor onderliggend plan. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
30
De locatie is gelegen op een afstand van meer dan 4,5 kilometer van de A50. Zoals op de uitsnede van de risicokaart te zien is de locatie gelegen buiten de risicocontour van de weg. Het Bevt vormt dan ook geen belemmeringen voor het initiatief. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het plangebied is op ruim 2,2 kilometer van een buisleiding gelegen. Zoals op de uitsnede van de risicokaart te zien is de locatie gelegen buiten de risicocontour van de buisleiding. Het Bevb vormt dan ook geen belemmeringen voor het initiatief. Er worden met het initiatief geen activiteiten ontwikkeld die zorgen voor een verandering van het groepsrisico in het plangebied. De gasdrukregel- en meetstation worden gelijktijdig met de sanering van het glastuinbouwbedrijf verwijderd. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt op een ruimte afstand van meer dan 2,3 kilometer van de dichtstbij gelegen hoogspanningslijn. De magneetveldzone van deze hoogspanningslijn is 60 meter aan weerszijden. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.8.
Cultuurhistorie en archeologie
4.8.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd.
31
Afbeelding 13. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant
De locatie is gelegen in cultuurhistorische regio ‘Meierij’. Daarnaast kent de weg Bolst de waarde ‘redelijk hoog’ volgens de historische geografie. Met het initiatief worden er geen activiteiten uitgevoerd die van enige invloed zijn op de historische geografie of regio. Vanuit cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen voor het initiatief. 4.8.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •