Bijlage 2: Regels Venushoek 38 - bijlage 4
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 2970
Tussen Aa-dal en Rooise Heide Herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Versie 6.9
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Schijndel Titel: Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel Status: eindversie Datum: 26 oktober 2015 Auteurs: ir. L.J. Keunen (RAAP), drs. C.J.B.P. Frank (MAB), S. van der Veen MA (RAAP) & drs. M.E.D. Lemmens (MAB) Projectcode: SCHLA2 Bestandsnaam: RA2970_SCHLA2 Projectleider: ir. L.J. Keunen Projectmedewerkers: S. van der Veen MA, drs. C.J.B.P. Frank & drs. M.E.D. Lemmens Bevoegd gezag: Gemeente Schijndel ISSN: 0925-6229
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b
telefoon: 0294-491 500
1382 LV W eesp
telefax: 0294-491 519
Postbus 5069
E-mail: raap@raap.nl
1380 GB W eesp
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2015 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Versie 6.9
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Samenvatting De gemeente Schijndel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau en het Monumenten Advies Bureau via Buro Waalbrug gevraagd het erfgoedbeleid te herijken. Belangrijkste doel was het inzichtelijk krijgen van de precieze redenen waarom specifieke gebieden, elementen of objecten hoog, gemiddeld of laag gewaardeerd werden. Aanleiding voor deze herijking was het actualiseren van het bestemmingsplan waarin deze cultuurhistorische waarden dienden te worden vastgelegd. Basis voor het uit te voeren werk vormde een cultuurhistorische waardenkaart die was opgesteld door het SRE, voorloper van de huidige Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. RAAP en MAB hebben in antwoord op deze vraag een projectaanpak geformuleerd die uitgaat van een gedeeltelijke herziening van de bestaande inventarisatie- en waarderingskaart op het gebied van de landschapstypen, een aanvullende inventarisatie en een beargumenteerde herwaardering van landschapselementen/-structuren en van het gebouwd erfgoed.
Een belangrijk resultaat van het onderzoek met het oog op de toepassing is een waardering van cultuurlandschappen, waaruit blijkt dat de belangrijkste waarden (hoog en zeer hoog) geconcentreerd zijn in de bosgebieden ten noorden van de kern, de heide- en broekontginningen Oude Molenheide, Vlagheide en Rooische Heide alsmede een verspreid aantal gebieden in het kampenlandschap ten westen en zuiden van de bebouwde kom. Hoog en zeer hoog gewaardeerde elementen, met name wegen maar ook groen en kleinere elementen als poelen, vinden we verspreid over de gehele gemeenten. Langs de oude wegen van het kampenlandschap en in mindere mate in de jonge ontginningen vinden we de waardevolle historische bouwkunst, waarvan alles vanaf een middelmatige waarde op de waarderingskaart is aangegeven. Geconcentreerd zijn zij in een aantal stedenbouwkundige ensembles. Voor landschapselementen, bouwkunst en stedenbouw is het belangrijk op te merken dat alleen die objecten op de kaarten zijn opgenomen, die in het bestemmingsplangebied (buitengebied) vallen. Wij adviseren om de planologische borging te richten op de afzonderlijke onderdelen landschappen, landschapselementen, bouwkunst en bouwkunstensembles. Hiervoor kunnen passende dubbelbestemmingen worden opgenomen, en per dubbelbestemming dient nagegaan te worden welke waarderingsklassen geborgd zouden moeten worden.
In het rapport hebben we ons advies dienaangaand nader uitgewerkt.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[3]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Inhoudsopgave Samenvatting ........................................................................................................................................ 3
Inhoudsopgave ........................................................................................................................ 4 1
Inleiding ............................................................................................................................. 5 1.1
Aanleiding en aanpak .............................................................................................................. 5
1.2 Onderzoeksgebied ..................................................................................................................... 5
2 Methoden en bronnen ........................................................................................................... 6 2.1
Algemene uitgangspunten ........................................................................................................ 6
2.2
Historisch cultuurlandschap ..................................................................................................... 7
2.3 Landschapselementen.............................................................................................................. 12 2.4
Historische bouwkunde .......................................................................................................... 15
3 Toelichting op de kaarten .................................................................................................... 21 3.1 Historisch cultuurlandschap ...................................................................................................... 21 3.2 Landschapselementen.............................................................................................................. 33 3.3 Bouwkunst en stedenbouw ....................................................................................................... 35
4 Adviezen ............................................................................................................................ 45 4.1 Inleiding .................................................................................................................................. 45 4.2 Historisch cultuurlandschap ...................................................................................................... 45 4.3 Landschapselementen.............................................................................................................. 46 4.4 Historische bouwkunst en stedenbouw ...................................................................................... 47
Literatuur .............................................................................................................................. 53 Overzicht van figuren, tabellen en kaartbijlagen ..................................................................... 54
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[4]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en aanpak De gemeente Schijndel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau en het Monumenten Advies Bureau via Buro Waalbrug gevraagd het erfgoedbeleid te herijken. Belangrijkste doel was het inzichtelijk krijgen van de precieze redenen waarom specifieke gebieden, elementen of objecten hoog, gemiddeld of laag gewaardeerd werden. RAAP en MAB hebben in antwoord op deze vraag een projectaanpak geformuleerd die uitgaat van een gedeeltelijke herziening van de inventarisatie- en waarderingskaart op het gebied van de landschapstypen en een aanvullende inventarisatie en beargumenteerde herwaardering van landschapselementen/-structuren en van het gebouwd erfgoed. De kartering en waardering van landschapstypen werd uitgevoerd door ir. Luuk Keunen (RAAP), die tevens als projectleider van de herijking vanuit RAAP optrad. Herwaardering van de landschapselementen en –structuren vond plaats door Frank van Bakel, Wim Bekkers, Peter Smulders, Joop Verhagen, Tim Verhagen en Erik Verkuijlen van de gemeente Schijndel, waarbij Steven van der Veen MA (RAAP) de instruering, inhoudelijke begeleiding en uitwerking verzorgde. Cees-Jan Frank en Miranda Lemmens (MAB) voerden de aanvullende inventarisatie en de waardering van het onderdeel ‘bouwkunst en stedenbouw’ uit.
De klankbordgroep, bestaande uit Joop Steenbakkers (Stichting Brabantse Boerderij), Jan Aalders, Frans Abrahams, Ruud Hemelaar en Gerard van Kaathoven (Heemkundekring Schijndel), Leo Telgenkamp en Karina Tribels (NMC Schijndel) en Anton van den Broek (ZLTO Schijndel), leverde tijdens twee bijeenkomsten waardevolle opmerkingen aan.
1.2 Onderzoeksgebied De herijking van het erfgoedbeleid is primair gericht op het bestemmingsplangebied ‘Agrarisch Buitengebied’ van de gemeente Schijndel. De landschapstypologische kartering werd uitgevoerd voor het totale grondgebied van de gemeente Schijndel, zodat ook de prestedelijke landschappen zichtbaar werden. De aanvullende inventarisatie en de waardering van landschapselementen en bouwkunst hebben zich beperkt tot het buitengebied.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[5]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
2 Methoden en bronnen 2.1 Algemene uitgangspunten Voornaamste doel van dit rapport en de bijbehorende kaartbijlagen is het inzichtelijk maken van de aanwezige cultuurhistorische waarden op het grondgebied van de gemeente Schijndel en de feitelijke karakteristieken/kenmerken die tot deze waarden leiden. Onder cultuurhistorische waarden verstaan we binnen deze context bovengrondse ruimtelijke structuren, sporen, objecten en relicten uit het verleden, waaraan een wetenschappelijke, politieke en/of maatschappelijke waarde als erfgoed wordt toegekend. Het eindproduct van het onderzoek bestaat uit uitgewerkte kaartbeelden gekoppeld aan een geografisch informatiesysteem (GIS met databases) met exacte gegevens over de geografische ligging en aard van waardevolle cultuurlandschappelijke en historisch-bouwkundige elementen. De presentatieschaal van de cultuurhistorische waardenkaart, bestaande uit twee kaartbladen, is 1:10.000. Ten behoeve van de kartering zijn de volgende bronnen gebruikt: - Tiendkaart Schijndel, 1757; - kadastrale minuutplans, ca. 1832; - Topografisch-Militaire Kaart (TMK), ca 1840 en ca 1850, als veldminuut, in nettekening en steendruk; - Chromotopografische Kaart des Rijks (bonneblaadjes), ca. 1910 en ca.
1935; - Topografische Kaart van Nederland, 1954-heden; - Bodemkaart en geomorfologische kaart als GIS; - algemene literatuur over Noord-Brabant en bijzondere literatuur over (delen van) de gemeente Schijndel (zie literatuurlijst); - databases behorend tot de erfgoedkaart van de gemeente Schijndel (SRE) 1; - Actueel Hoogtebestand Nederland 0,5 meter grid (AHN2). De landschapstypering is volledig nieuw opgesteld ter vervanging van de analyse van historisch grondgebruik op de erfgoedkaart, waarvan de vertaling in het bestemmingsplan problematisch bleek te zijn. De nieuwe kartering maakt het mogelijk meer op hoofdlijnen waardevolle karakteristieken van specifieke deelgebieden/landschappen te borgen. Het betreft dan bijvoorbeeld de algemene beplantings- en bebouwingskarakteristiek van bepaalde landschappen in historisch perspectief, onafhankelijk van het exacte perceel waar zich die bevindt. De inventarisatie van landschapselementen, waarbij het vooral om wegen gaat, is op onderdelen aangevuld en geïntegreerd op basis van de erfgoedkaart. De elementen in de categorieën reliëf en historische verka-
1
Berkvens & Leenders, 2013
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[6]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
veling zijn volledig aanvullend geïnventariseerd aan de hand van het AHN2 en vergelijking met historische kaarten. Alle elementen zijn aanvullend gewaardeerd. De database van historische bouwkunst is op onderdelen herzien en uitgebreid, en vervolgens zijn ook deze objecten (opnieuw) gewaardeerd.
2.2 Historisch cultuurlandschap 2.2.1 Achtergrond en uitgangspunten Het landschap van de gemeente Schijndel is een complex geheel dat is ontstaan onder invloed van natuurlijke en menselijke factoren. Bij de typering van het historisch cultuurlandschap beschrijven we de wijze waarop de mens haar invloed heeft laten gelden in het landschap (en daarmee het natuurlijk landschap geleidelijk heeft omgevormd) en welke elementen daarmee samenhangen. Landschap in lagen De genese van het landschap kan op verschillende manieren worden ontrafeld. 2 Eén van de manieren om inzicht te krijgen in deze complexe materie is de ontleding ervan middels een zogenaamd lagenmodel. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe opeenvolgende fasen in de landschapsontwikkeling zich ten opzichte van elkaar verhouden. 3 Het model biedt ruimte voor uiteenlopende invalshoeken, zoals infrastructuur, landgebruik, occupatie, territoria, etc., en biedt daarnaast ruimte om de ontwikkelingen van deze lagen door de tijd inzichtelijk te maken. Een voorbeeld is hoe de vroeg-20e-eeuwse bebossing zich verhoudt ten opzichte van de situatie aan het einde van de 20ste eeuw, of hoe het areaal akkerland van de 19e eeuw zich verhoudt tot de hedendaagse situatie. In de landschapstypering en –beschrijving hebben we aspecten van deze lagenbenadering meegenomen.
Landschapstypologie De TMK is de vroegste landsdekkende topografische kaart waarbij op perceelsniveau bebouwing, landgebruik èn landschapselementen zijn gekarteerd. Deze kaart vormt ook inhoudelijk de meest complete en geografisch meest correcte laag waarop het landschap uit de 19e eeuw van de gemeente Schijndel zichtbaar is. De TMK, en wel in zijn vroege versie van omstreeks 1840, vormt dan ook het uitgangspunt bij het inzichtelijk maken van de landschapsontwikkeling in de gemeente. Vooral met behulp van deze kaart is een landschapstypologie opgesteld. Bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten (AHN2) hebben we ter ondersteuning gebruikt. Voor ons zicht op eerdere tijdslagen zijn we afhankelijk van archeologische en schriftelijke bronnen. Deze leveren echter zowel ruimtelijk als in temporeel opzicht een versnipperd beeld dat lastig toepasbaar is op het gewenste schaalniveau. Dit probleem is deels ondervangen door aan
2
Hidding, e.a., 2001. p.12
3
Hidding, e.a., 2001. p.8
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[7]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
de hand van de landschapstypologie niet alleen het 19e-eeuwse landschap maar ook de ontwikkelingen daarvoor te bekijken. Het 19e-eeuwse landschap is dus slechts een hulpmiddel om de voorgaande perioden en de periode daarna te beschrijven en mag niet als eindstadium of hoogtepunt van het historisch cultuurlandschap worden gezien. Jongere landschappen In de 20e en vroege 21e eeuw heeft zich een aantal grootschalige ruimtelijke transformaties voorgedaan, zoals heideontginningen, ruilverkavelingen en natuurontwikkeling. Hierbij zijn nieuwe lagen aan het landschap toegevoegd, waarbij soms wel en soms niet rekening is gehouden met de toen aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten in het landschap. De mate waarop deze cultuurhistorische kwaliteiten zijn opgenomen in deze nieuwe laag blijkt wanneer we het kaartbeeld van 1850 vergelijken met het huidige landschap en met kaartbeelden uit de tussenliggende periode. Vooral het kaartbeeld van omstreeks 1955 is daarbij relevant, omdat hierbij duidelijk voor het eerst de landschappelijke patronen na de heideontginningen te zien zijn, nog vóór de transformatie door de ruilverkavelingen. Wat uit deze kaartvergelijking niet noodzakelijkerwijs naar voren komt is de cultuurhistorische kwaliteit van wat er na 1850 in het landschap is veranderd.
Veel meer dan in de periode hiervoor gaat het om ontworpen landschap, en is derhalve de kwaliteit en doordachtheid van het ontwerp een waarderingscriterium. We kunnen vaststellen dat de ontginning van de heide en de ruilverkavelingen zeer kenmerkend zijn geworden voor het Schijndelse landschap, maar helaas is het instrumentarium om tot een onderbouwde waardestelling van deze 'recente' landschappen te komen heel beperkt. Naarmate de periode waarin deze ontwikkelingen zich voordeden verder van ons af komt te liggen en we de ontwikkelingen in een historisch kader kunnen plaatsen, zullen we beter in staat zijn de cultuurhistorische waarde ervan te duiden. Begrenzingen Een systematische opbouw van de kaart is de basis voor zijn betrouwbaarheid. Dat betekent, dat we op basis van een vergelijking tussen de historische en hedendaagse situatie grenzen tussen verschillende landschappen trekken. Van elke plek in het huidige landschap is dan te traceren welk historisch cultuurlandschap hier in het verleden te vinden was en in hoeverre dit nog herkenbaar is. Zou je huidige perceelsgrenzen aanhouden, dan koppel je in feite een verkeerd historisch landschapstype aan een bepaald perceel. De vlakken die hierdoor getekend worden, zijn in het waarderingsstadium de vlakken die als geheel gewaardeerd worden en slechts in incidentele gevallen verder worden opgeknipt.
Inventarisatie en waardering hebben dus in principe steeds op hetzelfde vlak betrekking. Het aanhouden van historische grenzen heeft als voordeel dat exact inzichtelijk is waar de historische contouren van landschappen in de huidige verkaveling nog zichtbaar zijn (zoals de grens tussen het oudste en jongste deel van de Rooische Heide). Daar staat tegenover dat we ook herkennen waar de verkaveling dusdanig gewijzigd is, dat de overgang tussen historische landschappen in het huidige landschapsbeeld niet meer te zien is. Een voorbeeld daarvan is het
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[8]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
gebied ten oosten van Houterd. Verschillende waarderingen kunnen hier binnen één huidig perceel bij elkaar komen als de gebieden als geheel een afzonderlijke waardering hebben gekregen. Dat de grens van beide dan binnen één perceel komt te liggen, is door de keuze voor historische grenzen (zoals hierboven onderbouwd) niet te vermijden.
2.2.2 Kartering Bij de kartering van het cultuurlandschap is onderscheid gemaakt tussen landschapstypen en nederzettingstypen. De nederzettingstypen die in deze fase gekarteerd en beschreven worden, vormen de 19e-eeuwse kernen die onlosmakelijk verbonden waren met het historisch cultuurlandschap. Wanneer de bebouwing sterk verspreid gesitueerd is, hebben we deze binnen de landschapstypering niet meer als afzonderlijk nederzettingstype – los van het landschap – beschouwd, maar bekeken als onderdeel van een groter landschap. Centraal in de gekozen methodiek voor de cultuurhistorische landschapstypering staat het landschaps- of dorpstype zoals dat historisch te typeren is in relatie tot wat daarvan in het tegenwoordige landschap nog terug te vinden is. Daarmee biedt de gedetailleerde typering, bruikbaar op perceelsniveau een goede basis om de historische kwaliteiten van het agrarisch cultuurlandschap te monitoren, te stimuleren en op andere wijzen te gebruiken voor gemeentelijk beleid. Het zorgvuldig karteren van landschapstypen is daarnaast een goede manier om cultuurhistorische waarden niet alleen te inventariseren, maar vooral ook planologisch te verankeren. Daarbij biedt deze manier goede mogelijkheden om cultureel erfgoed niet alleen te beschermen, maar ook op een positieve manier te ontwikkelen.
Door middel van het helder krijgen van de essentiële en gedetailleerde kenmerken van de verschillende landschapstypen kan het landschap ook inspirerend werken en kunnen kansen en mogelijkheden optimaal benut worden. Historische contrasten tussen verschillende landschapstypen, zowel de hoofdlijnen als subtiele verschillen, kunnen versterkt worden. Daarvan profiteert niet alleen het landschap zelf, maar ook bijvoorbeeld de gebruikers, bewoners en recreanten die elk op hun eigen manier met het landschap te maken hebben. Het karteren van landschaps- en dorpstypen dient systematisch en consequent plaats te vinden. Binnen elk landschaps- en dorpstype zou de variatie zo gering mogelijk moeten zijn. Uiteraard is dat nooit volledig te bereiken, omdat het landschap per definitie veelvormig is en je altijd zult moeten generaliseren. Desondanks zijn de afgelopen jaren met succes classificatiesystemen voor het historisch cultuurlandschap ontwikkeld, passend in een Wageningse traditie van landschapstypologie bij de Stichting voor Bodemkartering en zijn opvolgers. 4
4
Baas & Brand, 2011; W ageningen is één van de fundamenten van de historische geografie in Nederland, achtereenvolgens onder leiding van dr. A.W . Edelman-Vlam (1909-1999), A.D.M. Veldhorst, prof. drs. J.A.J. Vervloet en hun medewerkers aan de Stichting voor Bodemkartering, DLO-Staring Centrum, Alterra en de W ageningen Universiteit. Toepassing van kennis in beleidsvorming is altijd een pijler geweest binnen de W ageningse instituten. Daarom wordt er wel gesproken over W ageningse tradities binnen de historische geografie. Zie bijvoorbeeld ook de regionale studie van Chris de Bont (1993) over Midden- en Oost-Brabant.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[9]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
De manier van classificeren die we voor het landschap van de gemeente Schijndel hebben toegepast, sluit dus aan op deze Wageningse methode. In de kern komt het erop neer dat we op basis van de kenmerken van het landschap in de 19e en 20e eeuw het landschap in een aantal hoofdtypen indelen, die vervolgens weer onderverdeeld zijn in subtypen. Bij de verdeling van de hoofdlandschappen in kleinere gebieden (subtypen) werd als stelregel gehanteerd dat een belangrijk deel van de ruimtelijke variatie binnen deze subtypen gevangen moest worden. De onderverdeling in subtypen is gemaakt op basis van een aantal criteria: 1.
verschil in vorm, regelmaat en positionering;
2.
verschil in historisch en hedendaags grondgebruik;
3.
verschil in genese;
4.
verschil in natte/droge omgeving;
5.
verschil in openheid/geslotenheid voor wat betreft opgaand groen.
Sommige landschapstypen laten zich in slechts één of enkele subtypen onderverdelen vanwege de relatief grote eenvormigheid, andere zijn zo divers dat er meerdere subtypen onderscheiden moesten worden. In vrijwel alle gevallen werd gezocht naar landschappelijke diversiteit binnen de landschappen zoals deze zich tussen omstreeks 1840 en heden manifesteerden – en deels ook al daarvoor. Dat laat onverlet dat het mogelijk is dat er landschapsontwikkelingen plaats hebben gevonden die niet in een classificatiesysteem te vangen zijn. kampontginningen met plaatselijk essen open akker
ke1
droge, halfopen kampontginning met bebouwing
kd1
droge, halfopen kampontginning
kd2
droge en onregelmatige, halfopen kampontginning met bebouwing
kd3
vochtige, halfopen kampontginning
kn2
beekdalen en broeken halfopen, regelmatige broekontginning
bh1
oude heideontginningen halfopen, regelmatige heideontginning
oh1
regelmatige heideontginning met bos
oh2
jonge heide- en broekontginningen open, regelmatige jonge heideontginning
hr1
stuifzandbebossing
hs1
voormalige stuifzandbebossing
hs2
open, regelmatige jonge broekontginning
hb1
halfopen, regelmatige jonge broekontginning
hb2
jonge broekbebossing
hb3
nederzettingen straatdorp
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
sd1
[10]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
keuterij
sd2
Tabel 1. De onderscheiden landschaps- en nederzettingsstypen, met de onderscheiden hoofd- en subtypen.
2.2.3 Waardering De waardering van het historisch cultuurlandschap heeft plaatsgevonden door elk gekarteerd deelgebied op drie criteria te beoordelen: 1. de gaafheid van de huidige topografie ten opzichte van de situatie omstreeks 1840 cq. de situatie ten tijde van de (heide)ontginning, d.w.z. type grondgebruik, verkaveling, percelering etc.; 2. de gaafheid van de huidige fysiognomie ten opzichte van de situatie omstreeks 1840 cq. de situatie ten tijde van de (heide)ontginning, d.w.z. de openheid of geslotenheid van het landschap (aan- of afwezigheid van opgaand groen), de aanwezigheid van bebouwing, etc.; 3. de aanwezigheid van bijzondere kenmerken, waardoor het gebied een hogere waardering zou moeten krijgen dan het op basis van andere twee criteria zou krijgen. Op elk criterium is een score van 0 tot 5 genoteerd. Voor de eerste twee criteria is dat op basis van een strakke definitie gebeurd (tabellen 2 en 3), voor de laatste op basis van ‘expert judgement’. Voor het derde criterium hebben we geen exacte omschrijving gegeven wat er onder welke score verstaan wordt, omdat dit per deelgebied kan verschillen en het afhangt van de bijzonderheid die in dat specifieke deelgebied aan de orde is. score
omschrijving
0
volledig gewijzigd
1
overbouwd
2
verkaveling sterk gewijzigd, grondgebruik sterk gewijzigd
3
hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik sterk gewijzigd óf hoofdstructuur in belangrijke mate gewijzigd, maar grondgebruik grotendeels intact
4
hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik merendeels intact
5
verkaveling grotendeels intact, grondgebruik grotendeels intact
Tabel 2. Waardering gaafheid van de historische situatie in de huidige topografie.
score
omschrijving
0
volledig gewijzigd
1
overbouwd
2
openheid/geslotenheid sterk gewijzigd, bebouwing grotendeels verplaatst
3
openheid/geslotenheid half intact, bebouwing deels origineel, deels gewijzigd
4
openheid/geslotenheid grotendeels intact, bebouwing merendeels origineel gesitueerd
5
openheid/geslotenheid grotendeels intact, bebouwing als origineel gesitueerd
Tabel 3. Waardering gaafheid van de fysiognomie ten opzichte van de historische situatie omstreek 1850.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[11]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Een totaalwaardering werd uiteindelijk berekend door de drie scores op te tellen en door drie te delen. Daardoor telt elk criterium even zwaar. De scores die uit deze berekening kwamen, zijn in zes waarderingscategorieën (van zeer laag tot zeer hoog) verdeeld (tabel 4). De waardering wordt inhoudelijk gemotiveerd in de GIS-tabellen. gemiddelde score
waardering
0-1,0
zeer laag
1,1-2,3
laag
2,4-3,6
gemiddeld
3,7-4,2
hoog
4,3-5,0
zeer hoog
Tabel 4. Scores en klassen van de waardering.
Hoewel op basis van bovenstaande criteria een vrij objectieve score berekend kan worden, blijft de waardering toch een bepaalde mate van subjectiviteit houden. Dat komt niet alleen door de nadruk op het criterium ‘gaafheid’ en de keuze voor het derde criterium (‘bijzondere kenmerken’), maar ook door de schaal van het te beoordelen gebied en de begrenzing ervan. Voor de waardering zijn de grotere gebieden, zoals gekarteerd bij de inventarisatie, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen verder opgeknipt om willekeur te voorkomen. Een lage waardering voor een gebied betekent daarmee niet dat er in het gebied geen enkele bijzondere individuele waarde kan voorkomen!
2.3 Landschapselementen 2.3.1
Achtergrond en uitgangspunten
Op de inventarisatiekaart (kaartbijlage 1) zijn de landschapselementen afgebeeld die zijn overgenomen uit het rapport Schijndels erfgoed 2013, opgesteld door de SRE Milieudienst. Op deze erfgoedkaart zijn in Kaartbijlage 7 onder de noemer Historisch landschap zowel bestaande als verdwenen historische bouwkunst, landschapselementen en het historisch cultuurlandschap opgenomen. In deze rapportage zijn deze elementen opgesplitst naar de drie disciplines. Onder landschapselementen worden in deze rapportage alleen elementen verstaan die bovengronds zichtbaar zijn en niet met een constructie zijn verankerd in de grond. Gebouwen, wegwijzers en bijvoorbeeld grenspalen zijn dus niet opgenomen in de inventarisatie van landschapselementen en vinden we, afhankelijk van hun waardering, terug in de laag met historische bouwkunst. Ontginningseenheden, zoals bosontginning, of broek- en hooiland zijn in de inventarisatie van historische cultuurlandschappen verwerkt.
2.3.2
Kartering
Uit de inventarisatie van SRE, kaartbijlage 7 zijn de volgende landschapselementen overgenomen:
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[12]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
- kanaal; - gegraven waterlopen; - railweg; - doorgaande weg; - lokale wegen; - lokale wegen CHW zeer hoog; - lokale wegen CHW hoog; - lokale wegen CHW redelijk hoog; - trekpad; - plein; - overig historisch groen; - militair complex; - park of tuin; - akkerwal. Hierbij werd evenwel het criterium aangehouden dat de bestanden voor het doel van deze studie, de planologische borging, bruikbaar moesten zijn. Zo bleek het bestand met waterlopen zodanig getekend te zijn, met tekenafwijkingen tot 80 meter, dat er geen relatie met het nog bestaande watersysteem ontdekt kon worden. 5 Pas na een zorgvuldige herkartering zou ook het opnemen en waarderen van een database met waterlopen zinvol zijn. De oorspronkelijke databasestructuur van de verschillende bestanden is zoveel mogelijk intact gehouden. Wel zijn hier kolommen aan toegevoegd waarin onder andere de typering, waardering en herkomst van het bestand zijn opgenomen. Ook zijn op basis van de informatie van de klankbordgroep nog elementen toegevoegd. Aan de lijst met elementen die uit het SRE-rapport werden overgenomen zijn twee elementgroepen toegevoegd: historische verkaveling en historisch reliëf. Het bestand met historische verkaveling is afkomstig van de gemeente Schijndel. Het bestand met historisch reliëf is gekarteerd door gebruik te maken van historisch kaartmateriaal en het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2).
Omdat alleen de bestaande elementen worden gewaardeerd is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en verdwenen elementen. Desniettemin zijn de verdwenen elementen wel op de kaartbijlage weergegeven, omdat zij ons in staat stellen de nog resterende elementen in hun context te kunnen plaatsen. Ze geven bijvoorbeeld antwoord op de vraag hoe een weg oorspronkelijk heeft gelopen.
5
Het lijkt erop dat deze afwijking deels te maken heeft met de georeferentie van het basismateriaal.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[13]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
2.3.3 Waardering Per element is een waardering uitgevoerd aan de hand van de Erfgoed Meetlat Schijndel. Dit houdt in dat er vanuit drie invalshoeken kwaliteiten aan elementen worden toegekend: beleefde kwaliteit, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Vervolgens zijn aan de kwaliteiten waarderingscriteria toegekend, waaronder zichtbaarheid, gaafheid, zeldzaamheid, informatiewaarde, samenhang en representativiteit (zie ook Erfgoed Meetlat Schijndel). Vervolgens zijn hier zogenaamde operationele paramaters aan toegekend, zoals bijvoorbeeld 'zichtbaarheid aan het maaiveld' of 'ouderdom'. Per operationele parameter kan een score worden behaald van 3 (hoog), naar 2 (midden), tot 1 (laag).Omdat de Erfgoed Meetlat Schijndel is opgezet om zowel historische bouwkunst, als historisch cultuurlandschap, als landschapselementen, als archeologie te waarderen, zijn niet alle operationele parameters van toepassing op de landschapselementen. Daarom heeft een selectie plaatsgevonden van relevante parameters. Ook zijn de parameters veder uitgewerkt, zodat nog meer duidelijk wordt waar de waarde van het element in schuilt. Dit heeft geresulteerd in de onderstaande waarderingstabel voor landschapselementen. De codes 'a1', 'a2', etc. verwijzen naar de waarderingskolommen in het GIS. Beleefde kwaliteit Zichtbaarheid (herkenbaarheid en schoonheid)
Score a1
a2
Herinneringswaarde
a3
a4
Zichtbaarheid:
Passend in omgeving:
Relatie met historische gebeurtenis (alleen bij militair complex en spoorweg):
Ouderdom:
1 element is niet zichtbaar 2 deels zichtbaar 3 geheel zichtbaar 1 2 3 1
niet passend deels passend zeer passend geen relatie
3 1 2 3
duidelijke relatie na 1900 tussen 1832-1900 voor 1832
1/2/3
1/2/3
1/2/3
1/2/3
Fysieke kwaliteit Aangezicht
Aangezicht
b1
b2
b3
Topografie
b4
b5
Gaafheid opgaand groen (niet bij historische kavelgrens en spoorweg):
1 verdwenen 2 deels intact/passend 3 intact/authentiek
Gaafheid bebouwing (alleen bij militair complex, historisch groen, park(of tuin)):
1 2 3 1 2 3
Gaafheid verharding (alleen bij wegen, pleinen, historisch groen, park(of tuin)): Gaafheid topografie (alleen bij militair complex, historisch groen, park (of tuin), plein, historische kavelgrens): Gaafheid profiel (alleen bij (spoor)wegen, waterlopen, kanalen):
verdwenen deels intact/passend intact/authentiek geasfalteerd bestraat intact/ongewijzigd
1 verdwenen 2 deel intact 3 1 2 3
intact sterk verbreed verbreed intact
1/2/3
1/2/3
1/2/3
1/2/3
1/2/3
Inhoudelijke kwaliteit Zeldzaamheid
c1
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
Aantal vergelijkbare elementen in de omgeving (Schijndel en aangrenzende gemeenten):
1 veel 2 weinig 3 geen
1/2/3
[14]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Informatiewaarde
c2
c3
Mate waarin het element bijdraagt aan de leesbaarheid van de geschiedenis van het landschapstype: Samenhang met andere elementen/patronen:
1 laag 2 middelmatig 3 1 2 3
hoog geen middelmatig hoog
1/2/3
1/2/3
Representativiteit d1
Kenmerkendheid voor ontwikkeling in een bepaalde periode:
1 niet 2 matig 3 zeer
1/2/3
Tabel 5. Waarderingstabel voor landschapselementen.
Een totaalwaardering werd uiteindelijk berekend door de scores op te tellen en door het aantal parameters te delen. Daardoor telt elk criterium per type element even zwaar. De scores die uit deze berekening kwamen, zijn in een aantal waarderingscategorieën verdeeld en weergegeven op de waarderingskaart (kaartbijlage 2).
2.4 Historische bouwkunde 2.4.1
Inventarisatie
Het onderzoeksgebied betreft het bestemmingsplangebied ‘buitengebied’ van de gemeente Schijndel. Als uitgangspunt dient de door SRE samengestelde objectenlijst. De inventarisatie richtte zich op buitenkant van panden (dus niet interieurs), en de tijdsgrens van de inventarisatie lag in principe bij 1970. Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn in de inventarisatielijst opgenomen, maar niet opnieuw gewaardeerd. Onder het begrip “historische bouwkunst en stedenbouw” wordt het beschermde en onbeschermde 'bovengrondse' gebouwde erfgoed verstaan: gebouwen (objecten, complexen en ensembles), stedenbouwkundige structuren, maar ook historisch straatmeubilair, herinneringsmonumenten, monumentale kunst in de openbare ruimte (dat wil zeggen: wandkunst, nagelvast verbonden met architectuur), etc. Tevens vallen beschermde dorpsgezichten, voor zover aanwezig, onder dit begrip, evenals andere bijzondere gezichten/ensembles, historische buitenplaatsen en gebieden. Voor het onderdeel (historisch)bouwkundige waarden zijn de thans onbeschermde objecten en ensembles geïnventariseerd, gewaardeerd en geselecteerd ten behoeve van de cultuurhistorische waardenkaart. De onderlinge samenhang, de ruimtelijke context en de historische gebiedskarakteristiek, speerpunten in het ruimtelijk erfgoedbeleid, kunnen zo optimaal worden vergeleken en gewogen.
In het overzicht zijn ook alle rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten opgenomen, maar verder niet gewaardeerd. Als uitgangspunt voor de inventarisatie dient de door SRE in 2012-2013 opgestelde database en de Quickscan buitengebied Schijndel, opgesteld door de Stichting de Brabantse Boerderij en de gemeente Schijndel (2007).
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[15]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Inventarisatieperiode In de inventarisatie is in principe de tijdsperiode tot 1965-1970 onderzocht, tot en met de wederopbouwperiode. Incidenteel kunnen jongere objecten in de inventarisatie zijn opgenomen, bijvoorbeeld wanneer de planvorming en het ontwerp van voor 1970 zijn of wanneer het betreffende item onlosmakelijk deel uitmaakt van een ouder ensemble. Met de toevoeging van de wederopbouwperiode is dus een verdiepingsslag gemaakt ten opzichte van de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst. Bureauonderzoek en veldwerk De inventarisatie is opgesplitst in een bureauonderzoeksfase en een veldwerkfase. In de bureauonderzoeksfase is kennis genomen van alle bestaande inventarisatielijsten, de redengevende beschrijvingen van de rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten en de in een eerdere inventarisatiefase in een database verzamelde lijst karakteristieke objecten, alsmede de resultaten van de bovengenoemde quickscan. Deze groslijst vormt de basis van nu samenstelde database. Ook de historische kringen en de Stichting de Brabantse Boerderij hebben nog enkele relevante suggesties voor aanvulling van de inventarisatielijst gedaan. Uiteraard is relevante literatuur bestudeerd (zie literatuurlijst).
De uit bovenstaande componenten samengestelde objectenlijst is zoveel mogelijk aan de hand van luchtfoto’s, google-streetview en door de gemeente en de Stichting de Brabantse Boerderij aangeleverd fotomateriaal (met korte omschrijvingen) gecontroleerd op juistheid van de aanhangende informatie, de waardering en op het eventueel ontbreken van items. Zo zijn de boerenerven gecheckt op de aanwezigheid van niet in de oude lijsten opgenomen waardevolle bijgebouwen. Zo nodig is gericht veldwerk uitgevoerd, waar bovenstaande input onvoldoende informatie opleverde. Deze objecten en ensembles zijn vanaf de openbare weg geïnventariseerd. Wanneer opgenomen in de inventarisatie? De geïnventariseerde objecten en complexen hebben normaliter gemeen, dat ze alle in meer of mindere mate een positieve bijdrage leveren aan de cultuurhistorische gebiedskarakteristiek. Ze zijn in eerste instantie geselecteerd aan de hand van algemeen gangbare architectuurhistorische, cultuurhistorische en historisch-ruimtelijke (ensemble) waarderingscriteria, zoals herkenbaarheid, een redelijke mate van gaafheid, authenticiteit en/of zeldzaamheidswaarde, zichtbaarheid en ensemblewaarde. De uit deze eerste schifting geselecteerde objecten zijn uiteindelijk ten behoeve van de cultuurhistorische waardenkaart opnieuw gewaardeerd. Zie het hoofdstuk over de waardering.
De lijst van SRE bleek overigens een aanzienlijk aantal objecten te bevatten, die eigenlijk niet aan de primaire selectiecriteria voldoen (door volledige herbouw, verregaande vernieuwing of sloop).
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[16]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
2.4.2
De database / legenda
Database met variabelen De via bovenstaande methodiek geïnventariseerde en geselecteerde historische bouwkunst is samengebracht in een uitgebreide database met een aantal variabelen. Deze database is gekoppeld aan de cultuurhistorische waardenkaart. De variabelen zijn: - Thema - Subthema - Straatnaam - Huisnummer - Woonplaats - Postcode - X- en Y-coördinaten - Bron - Monumentnummer - Relictstatus - Waardering (9 velden) - Waardering conclusie - Type - Datering, periode - Datering, exact - Beschrijving (2 velden) - Bouwhistorische verwachting Door de waarderingsinformatie te koppelen aan de database kan hieruit gemakkelijk de vertaling naar de cultuurhistorische waardenkaart plaats vinden. De database is tevens het uitgangspunt voor de analoge en digitale catalogus van de bekende cultuurhistorische waarden. In de exceldatabase zijn de gebouwen met een lage waarde wel opgenomen, in de GIS-database zijn ze verwijderd omdat ze niet relevant zijn voor de planologische borging. Bouwkundige eenheden In principe is ieder gebouwd object (bouwkundige eenheid met een zelfstandig adres) apart in de kaart gedefinieerd en in de database opgenomen. Dit geldt ook voor de vrijstaande bijgebouwen. Hierbij is zoveel mogelijk uitgegaan van de wijze waarop de bijgebouwen in de GBKN zijn gekarteerd. De x- en Y-coördinaten zijn in de database opgenomen.
Soms zijn oorspronkelijke bouwkundige eenheden naderhand gesplitst en van extra huisnummers voorzien. Dit is dan in de database vermeld. Indien relevant zijn ook losse onderdelen in tuinen en op erven in de inventarisatie meegenomen en in database en kaart afzonderlijk vermeld (bijvoorbeeld bakhuizen, vrijstaande schoppen, etc.).
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[17]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Categorieën In de inventarisatie wordt onder het hoofdthema “historische bouwkunst” een aantal subthema’s onderscheiden (Boerderij, Woonhuis). Binnen deze hoofdthema’s bestaan verschillende bouwtypen, als verfijning van de hoofdcategorie. Deze “bouwtypen” zijn in een aparte kolom van de bijbehorende database vermeld. In de categorie “boerderij” wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt in de bouwtypen “langgevelboerderij”, “kortgevelboerderij”, “hallehuisboerderij” en “koprompboerderij”. In een aparte kolom is aangegeven of het om een boerderij of woning uit de wederopbouwperiode gaat. De verschillende categorieën zijn in de aan de kaart gekoppelde database vermeld en ook met verschillende kleuren inzichtelijk gemaakt in de legenda. Datering De informatie over de exacte en geperiodiseerde datering is afkomstig uit verschillende bronnen: de quickscan buitengebiedvan de SRE (inventarisatie van waardevolle bebouwing, i.s.m. de Stichting de Brabantse Boerderij), inventarisatielijsten, lokale literatuur, opschriften op gevels, uiterlijke kenmerken en de bag-informatie, tenzij de datering aantoonbaar onjuist of discutabel blijkt te zijn. In dat geval is de datering gecorrigeerd. Overige informatieve variabelen in de database De overige informatie is in de eerste plaats afkomstig van de bestudering van de objecten vanaf fotomateriaal, streetview, luchtfoto’s en vanaf de openbare weg.
Deze informatie is bijeengebracht in de kolommen “beschrijving”. Hier wordt een beknopt beeld geschetst van de aard van het gebouw (hoofd- en kapvorm, materialen, belangrijkste details). Deze informatie is gecheckt aan de hand van gegevens uit eerdere inventarisatielijsten, redengevende beschrijvingen, (lokale) literatuur en input van de historische kringen en de Stichting de Brabantse Boerderij. Status en waarderingen Zie hiervoor de betreffende paragraaf in hoofdstuk 3.3. Ensembles Er is niet alleen gekeken naar de individuele objecten en complexen, maar ook naar de ensembles, met name die binnen de samenhangende historische structuren (de historische kernen van de gehuchten en de bebouwingslinten). De selectie van de “nieuwe” objecten en ensembles heeft plaats gevonden op basis van de ruimtelijke en cultuurhistorische selectiecriteria: stedenbouwkundige/landschappelijke en ensemblewaarden, lokaalhistorische waarden, architectuur- en bouwhistorische waarden, herkenbaarheid, gaafheid/authenticiteit en zeldzaamheidswaarde.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[18]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
2.4.3
Waardering historische bouwkunst en stedenbouw
Algemeen Bij de waardering van de objecten wordt uitgegaan van verschillende schaalniveaus, waaraan, naast regulier beschermingsbeleid via Monumentenwet of erf-goedverordening, specifiek beleid via het bestemmingsplan gekoppeld is of kan worden. De waardenkaart is daarmee ontwikkelingsgericht en geeft informatie over hoe om te gaan met de beschermde en onbeschermde waarden, wanneer ontwikkelingen plaats vinden of moeten worden getoetst (behoud, onderzoek, ontwikkelingsmogelijkheden, randvoorwaarden en aanbevelingen). De kaart kan als onderlegger worden gebruikt voor nieuwe bestemmingsplannen, maar ook als basis dienen voor de selectie van bijvoorbeeld gemeentelijke monumenten. De selectie van bijzondere bouwkundige ensembles geeft een overzicht van die gebieden, waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen vanuit cultuurhistorisch perspectief om speciale aandacht vragen. Objecten die reeds een beschermde (monumenten)status hebben, zijn niet opnieuw gewaardeerd omdat hun waarde reeds eerder is vastgesteld en daar in beleidsmatige zin ook reeds gevolgen aan verbonden zijn. Waarderingscriteria De selectie van de cultuurhistorisch waardevolle objecten en de uiteindelijke waardering heeft plaats gevonden via een toetsing aan de hand de erfgoedmeetlat Schijndel, zoals deze bij het opstellen van de op 27 juni 2013 vastgestelde Beleidsnota Erfgoed is gebruikt (zie bijlage).
De erfgoedmeetlat weegt de beleefde kwaliteit (zichtbaarheid, herinnerbaarheid), de fysieke kwaliteit (gaafheid, compleetheid, herkenbaarheid, technische staat) en de inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde, ensemble- en contextwaarde en de representativiteit). Het gaat dus om een aantal cultuurhistorische en architectuurhistorische, maar vooral contextuele, historisch-ruimtelijke criteria, die het object duiden als onderdeel van een specifieke lokale cultuurhistorische gebiedskarakteristiek. De gemeentelijk monumenten en de rijksmonumenten zijn buiten deze waardering gehouden. Alle in de inventarisatie opgenomen objecten zijn met behulp van de erfgoedmeetlat en met in achtneming van de verschillende gebiedskarakteristieken getoetst. De optelsom van de scores leidt tot het formuleren van een eindwaardering in vier klassen: 1.
zeer hoge cultuurhistorische waarde (> 20 punten)
2.
hoge cultuurhistorische waarde (15-20 punten)
3.
middelhoge cultuurhistorische waarde (10-15 punten)
4.
lage cultuurhistorische waarde (< 10 punten)
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[19]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
Stedenbouwkundige ensembles Op de waardenkaart zijn ook de belangrijke historische bouwkundige ensembles en ook stedenbouwkundige zones gewaardeerd in de volgende vijf categorieën, waardoor een schaal van 1 tot 5 ontstaat: - zeer hoge waarde; - hoge waarde; - middelmatige waarde; - basiswaarde; - geen bijzondere waarde. Deze schaalverdeling en de waardering sluiten aan bij de systematiek van de landschappelijke waardering. In de excel-database zijn alle ensembles opgenomen, in de GIS-database alleen die met een middelmatige waarde of hoger in verband met de relevantie voor de planologische borging. Panden met bouwhistorische kwaliteiten In de waarderingskaart zijn de panden met een bouwhistorische verwachting gemarkeerd. Het gaat om gebouwen, waarvan op basis van beschikbare informatie uit (bouw)historische rapportages, redengevende beschrijvingen en inventarisatiegegevens bekend is of verwacht wordt dat er (intern) historische bouwconstructies en bouwsporen van belang en daterend uit de periode voor circa 1850 bewaard zijn gebleven. Ook via waarnemingen vanaf de openbare weg kunnen bouwhistorische kwaliteiten worden verondersteld, bijvoorbeeld zichtbaar in de aanwezigheid van hoge, steile kappen, gevels met oude bouwsporen en specifieke locatiegebonden eigenaardigheden.
In het buitengebied betreft het vooral de oudere agrarische bebouwing, de grote historische boerderijen en de schuren, waarvan sommige belangwekkende houtconstructies uit de 17e en 18e eeuw bezitten (of ouder). De panden met een bouwhistorische verwachting zijn alle ook getoetst aan de hand van de waarderingscriteria en in één van de waarderingscategorieën ondergebracht. Het kan zowel beschermde als onbeschermde panden betreffen. Het betreft dus een extra gewaardeerde kwaliteit binnen de totale inventarisatie.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[20]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
3 Toelichting op de kaarten 3.1 Historisch cultuurlandschap 3.1.1 Kartering Ten geleide Op basis van historische en hedendaagse kenmerken hebben we elk onderscheiden cultuurlandschap gekarakteriseerd. Aan het einde van elke beschrijving vatten we kort samen welke positieve en minder positieve kenmerken relevant zijn in de verschillende cultuurlandschappen. Alhoewel we noodzakelijkerwijs op hoofdlijnen moeten blijven en niet tal van plekken individueel kunnen benoemen, schuilt de relevantie van deze paragraaf in de gelijkvormige manier van analyseren en beschrijven van het gehele gemeentelijk grondgebied. In de onderdelen ‘landschapselementen’ en ‘bouwkunst en stedenbouw’ zoomen we dieper in op karakteristieken van een aantal structuren en objecten. Voor een uitgebreidere ontwikkelingsgeschiedenis van Schijndel verwijzen we naar de toelichting op de erfgoedkaart uit 2013. 6 In dat rapport is ook de ‘archeologische kant van het erfgoed’ vertegenwoordigd. Binnen het kader van de herijking was geen ruimte voor nadere studie en beperkte ruimte voor het opnemen van aanvullingen of het herzien van de bestaande inventarisatie. Kampontginningen met plaatselijk essen
open akker (ke1) Open akkers zijn een internationaal bekend fenomeen: uitgestrekte open bouwlanden, veelal op de hoogste, droge en voedselrijkste gronden gelegen, waar de boeren uit de omgeving hun gewassen verbouwden. De open akker was verkaveld, maar de kavelgrenzen waren niet zichtbaar. Door afspraken over de teelten te maken voorkwam men, dat men op verschillende momenten zaaide of oogstte. Op die manier konden de boeren gelijktijdig het veld op en was een ontsluiting van elk individueel perceel via een netwerk van zandpaden niet noodzakelijk. Door bemesting met een mengsel van dierlijke mest en heideplaggen ontstond vanaf de late middeleeuwen een dik humeus dek, het zogenaamde plaggendek. 7 Dit dek nivelleerde eventuele oorspronkelijke reliëfverschillen binnen de open akker. De langgerekte open akker van Schijndel strekte zich grotendeels ten oosten van de dorpskom uit, en lag in westnoordwest-oostzuidoost-richting. De open akker lag op de helling van de heidevelden in het zuiden naar het dal van de Aa in het noorden. De wegen volgen veelal de hoog-
6
Berkvens & Leenders, 2013
7
Spek, 2004; Over de datering van het plaggendek en de plaggenlandbouw verschillen met name in Brabant de meningen (zie ook Vera, 2011), maar de theorie van Spek is binnen het vakgebied wel de meest algemeen aanvaarde.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[21]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
telijnen en liepen in de lengterichting over de open akker. Enkele wegen lagen daar haaks op gepositioneerd en verbonden de huizen ten zuiden van de open akker met het beekdal ten noorden ervan. Door zijn openheid was de open akker ook een ideale plek voor windmolens; omstreeks 1840 stonden er niet minder dan drie, twee ten zuidoosten en één ten noordwesten van het dorp. Traditioneel waren open akkers de beste bouwgrond voor de naoorlogse uitbreiding: droog en dicht bij de oude kern. Dat gold ook voor Schijndel. Het dorp breidde zich aanvankelijk in zuidoostelijke richting uit tussen Plein en Van Berghenstraat. Later volgden andere nieuwbouwprojecten. Van de open akker resteert daardoor op een niet meer herkenbare snipper tegen de Structuurweg niets meer. Waardevolle kenmerken: -
wegenstructuur als relict van de oorspronkelijke zandpadenstructuur.
Vertroebelde / verdwenen kenmerken: -
openheid van het akkercomplex
-
relatie tussen dorpskom en landelijk gebied
-
historisch grondgebruik
droge, halfopen kampontginning met bebouwing (kd1) Rondom de open akker lag een uitgestrekt gefragmenteerd dekzandlandschap met kleine terreinverheffingen. Hier ontwikkelde zich, secundair ten opzichte van de open akkers, een groot areaal akkerland. Er was hier echter geen sprake van open akkers, maar van een fijnmazige strokenverkaveling waarbij kavelgrenzen door middel van houtsingels of bomenrijen werden geaccentueerd. Vermoedelijk gaat het hier om iets lagere, wat vochtiger bodems. Het betreft bijvoorbeeld beekeerdgronden. Plaatselijk was hier de humeuze bovenlaag zo dik dat we ook hier, net als op de open akkers, spreken van een enkeerdgrond. Wat dit landschap nog meer kenmerkte waren de driehoekige wegaansluitingen, waardoor kleine ‘brinkjes’ of plaetsen ontstonden (zoals te Borne) en voorpootstroken: langgerekte kavels langs de weg waar de eigenaar van de aangrenzende gronden het recht had bomen op te kweken. Kenmerkend is dat daar de bebouwing vaak verder van de weg vandaan lag, achter de voorpootstroken (die als zodanig overigens meestal niet meer bestaan). Naast deze voorpootstroken lagen er ook kleine bosperceeltjes in het gebied. Het areaal akkerland was echter vele malen groter. De agrarische bebouwing lag verspreid in het gehele gebied, aan de vele wegen die – soms in een regelmatig grid, soms wat onregelmatiger – het gebied doorsneden.
Van uitgesproken clustering was geen sprake, met die kanttekening dat naarmate we dichter bij het dorp – de kern van het Schijndelse cultuurland –komen, de dichtheid aan bebouwing wel wat toenam. Ook tegen de open akker lag bebouwing. Schijndel was in vijf gehuchten verdeeld, die allemaal een hap uit het
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[22]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
kampenlandschap hadden: Borne, Elde, Elschot, Wijbosch en Lutteleinde. In laatstgenoemd gehucht bevonden zich niet alleen boerderijen, maar ook een klein slotje. 8 Binnen die gehuchten bevonden zich weer kleine buurten, zoals Keur en Hermalen. 9 Bij de boerderijen lagen kleine perceeltjes, zoals boomgaarden, bochten en drieslanden. 10 De hoofdstructuur van het gebied – de bebouwingsverdeling, de wegen – is nog goed herkenbaar, maar de verkaveling is flink opgeschaald en van de beplanting zijn maar hier en daar wat snippers over. 11 Onder meer aan weerszijden van de weg Borne ten zuiden van de Gemondseweg herkennen we nog iets van dit landschap dat tot enkele decennia geleden grote delen van Schijndel kenmerkte. We vinden daar nog boomrijen op kavelgrenzen, een kleine ‘plaetse’ met brandkuil en bomen langs de weg. De voorpootstrook is hier echter sinds de 19e eeuw een berm geworden 12; veel van de oorspronkelijke voorpootstroken zijn bij het erf gevoegd of de boerderij is dichter bij de weg herbouwd. Langs veel wegen vinden we nu nog laanbeplanting in de vorm van populieren ofwel ‘kanidassen’. 13 In een enkel geval zijn kleine perceeltjes met opgaand hout bewaard gebleven. Belangrijk is verder dat het oorspronkelijke gebruik als akkerland nu veranderd is in gemengd grondgebruik: akkerland, grasland en boomteelt. Waardevolle kenmerken: -
wegen- en watergangenstructuur 14
-
pleintjes
-
bebouwingspatroon
-
hoofdstructuur van de (stroken)verkaveling
-
sporadisch voorkomende kavelrandbeplanting
-
populierenbeplanting langs wegen, deels als relict van voorpootstroken
-
open ruimte tussen oude wegen en historische bebouwing, de voormalige voorpootstroken
Vertroebelde / verdwenen kenmerken: -
percelen zijn groter geworden
-
groot deel van de kavelrandbeplanting verdwenen
-
grondgebruik van akkerland naar gemengd
8
Beijers (red.) 2003, p. 28-29, 33
9
Beijers (red.) 2003, p. 34
10
Beijers (red.) 2003, p. 79, 104-105
11
De meest ter zake doende snippers hebben we om die reden hoger gewaardeerd.
12
Beijers (red.) 2003, p. 113-114
13
Beijers (red.) 2003, p. 141-142; tot in de 18e eeuw was vooral sprake van Zwarte Populieren, daarna vooral van Cana-
14
Voor wat betreft de watergangen zijn we niet nagegaan, of elke individuele watergang waardevol is. Relevant is het feit
dese Populieren ofwel ‘Kanidassen’. dat kavels in dit gebied in het verleden door sloten met beplanting van elkaar werden gescheiden en dat ook de wegen door bermsloten werden begeleid. Hiervan is een deel nog bewaard gebleven.
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[23]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
droge, halfopen kampontginning (kd2) We gaven hiervoor al aan dat hoe verder we van de dorpskom vandaan komen, hoe lager de bewoningsdichtheid in het kampenlandschap werd. Aan de randen vinden we enkele akkercomplexen, zoals hiervoor met strokenverkaveling en perceelsrandbeplanting, waar geen bebouwing voorkwam. Dit zijn, naar we aannemen, de jongste uitbreidingen van het kampenlandschap die door bewoners van het hiervoor genoemde kampenlandschap in gebruik werden genomen. Evenals het overige kampenlandschap is ook hier sprake van een forse opschaling van de verkaveling en het verdwijnen van veel kavelbeplanting. Daardoor is het contrast met aangrenzende heideontginning aanzienlijk geringer geworden. Dat komt ook door het plaatsen van bebouwing in het gebied (alhoewel niet in grote mate) en het niet meer exclusieve gebruik als akkerland. Ook hier hebben grasland en boomteelt hun intrede gedaan. Waardevolle kenmerken: -
wegenstructuur
-
hoofdstructuur van de (stroken)verkaveling
-
populierenbeplanting langs wegen, deels als relict van voorpootstroken
Vertroebelde / verdwenen kenmerken: -
percelen zijn groter geworden
-
kavelrandbeplanting verdwenen
-
grondgebruik van akkerland naar gemengd
-
bebouwing in het gebied geplaatst
droge en onregelmatige, halfopen kampontginning met bebouwing (kd3) Een bijzondere uitzondering op het eerstgenoemde kampenlandschap zijn de onregelmatige kernen daarvan. Mogelijk hebben we hier, zo kunnen we uit hun onregelmatigheid afleiden, te maken met de oudste kernen van akkerland buiten de grote open akker. Evenals in het voornoemde kampenlandschap was er sprake van bouwland met kavelrandbeplanting en bebouwing langs de wegen daaromheen, maar de geografische vorm was anders. De kavels waren onregelmatig van vorm en vormden samen een ronde of ovale structuur. Door de agrarische ontwikkelingen zijn grondgebruik en kavelbeplanting aangepast cq. verdwenen, maar in de weliswaar opgeschaalde verkaveling is het oorspronkelijke, van de omgeving afwijkende onregelmatige patroon nog altijd herkenbaar. Zoals voorheen worden de ronde kampontginningen door bebouwing omringd, al steekt nu de agrarische bebouwing daarbij soms relatief ver de kampontginning in. Waardevolle kenmerken: -
wegenstructuur
-
bebouwingspatroon
-
hoofdstructuur van de onregelmatige verkaveling
RAAP-rapport 2970 / eindversie, 26 oktober 2015
[24]
Tussen Aa-dal en Rooise Heide; herijking van het erfgoedbeleid van de gemeente Schijndel
-
populierenbeplanting langs wegen, deels als relict van voorpootstroken
Vertroebelde / verdwenen kenmerken: -
percelen zijn groter geworden
-
groot deel van de kavelrandbeplanting verdwenen
-
grondgebruik van akkerland naar gemengd
-
bebouwing steekt soms erg ver de ronde structuur in
vochtige, halfopen kampontginning (kn2) Aan de randen van de droge kampontginningen vinden we, op de iets lagere gronden richting het dal van de Aa, de vochtige kampontginningen met een halfopen karakter. De bodem bestond er deels uit lemige beekeerdgronden, deels uit zandig-lemige leek- of woudeerdgronden. Het gaat duidelijk om nattere bodems. Dat zien we ook terug aan het historisch landgebruik: het gebied kende een zeer kleinschalige verkaveling met percelen grasland en enkele bosjes, vooral in het noordoostelijk deel richting de Zuid-Willemsvaart. Alle kavels kenden randbeplanting. Met name in het westelijk deel, richting de dekzandrug van Houterd, werd de verkaveling wat onregelmatiger en de percelen wat groter. Grosso modo was het patroon met percelen grasland, randbeplanting en bosjes hier echter hetzelfde, zij het in een wat afwijkend patroon. Het landschap is in de afgelopen 200 jaar ingrijpend veranderd. De hoofdstructuur van de verkaveling en het wegenpatroon lijken in hoofdlijnen hetzelfde gebleven te zijn, maar de houtteelt is veel grootschaliger geworden. Waar er in de vroege 19e eeuw nog slechts enkele bosjes in een verder halfopen landschap stonden, kunnen we nu spreken van een vrij gesloten landschap met juist aan de westelijke rand een open landschap waar alle randbeplanting verdwenen is.
Daardoor zijn feitelijk de twee uitersten (gesloten en open landschap) sterker geworden en is de 19eeeuwse structuur nauwelijks nog terug te vinden. Daar moeten we wel een kanttekening bij plaatsen. De grootschalige houtteelt in de Prekers is niet iets van de laatste decennia. Waar de populierenbossen nog ontbreken op de topografische kaart uit omstreeks 1840, laat de topografische kaart uit omstreeks 1900 ze wel heel duidelijk zien in vrijwel dezelfde omgeving als tegenwoordig. We hebben daarom met een agrarische ontwikkeling uit de tweede helft van de 19e eeuw te maken, die vanwege de regionale context, de klompenindustrie, als waardevol aangemerkt kan worden. Daar komt bij dat het reliëf dat samenhing met de populierenteelt (bossen op rabatten) nog zeer gaaf aanwezig is. Ook vanuit vegetatiekundig oogpunt (en waarschijnlijk tevens historisch-ecologisch) kan dit gebied als zeer belangrijk worden gekenmerkt. 15 Waardevolle kenmerken: