CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Rapport Monitor Regiovisie BW en MO

Raadsinformatiebrieven 31 december 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Uitkomsten ETHOS-telling, update aanpak dakloosheid en stand van zaken transformatie maatschappelijke opvang, d.d. 17-10-202319.864 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Herhaalde dakloosheid In het onderzoek door de UvA komt naar voren dat er een relatief grote groep cliënten is waarbij sprake is van onderbroken trajecten/herhaalde dakloosheid. Een aanbeveling die voor deze groep wordt aangedragen betreft een soort levensloop begeleiding, welke instelling overstijgend aangeboden zou moeten worden. Dit komt overeen met zogenaamde trajectregie, zoals in Amsterdam sinds de jaren 80 wordt toegepast. Ook wordt als voorbeeld het 10-punten plan genoemd dat in Utrecht wordt toegepast als aanpak voor terugval in dakloosheid. Het plan gaat o.a. over 1.) de cliënt heeft de regie; 2) op tijd voorbereiden; 3) gesprek met een ervaringsdeskundige; 4) maken van een preventie actieplan; 5) stabiele financiën; 6) goede afspraken over overdracht; 7) direct aandacht voor activering; 8) activering die past bij de vraag van de cliënt; 9) ruimte voor sociale activiteiten; 10) ontwikkelen van het Schakelpunt. Doelgroepenbeleid Met de overheveling van de toegang naar de gemeenten, komt meer zicht op de situatie en achtergronden van de groep die zich meldt voor de opvang. Het ETHOS-onderzoek dat in oktober beschikbaar komt, levert hier verdiepende informatie over. Ook over de dreigend dakloze groep. In beleid en toegang wordt soms impliciet en soms expliciet ingespeeld op de vraag en behoefte van de groepen die een beroep doen op de opvang.

Dat moet nog verder uitgewerkt. Pregnant komt de groep jongvolwassenen naar voren. Hier is sprake van een grote woonvraag en beperkt beschikbaar aanbod. Er is een aparte jongerenopvang, omdat de regio er naar streeft dat jongeren niet opgevangen worden in de grootschalige opvang. Voor vrouwen, al dan niet met kinderen, is het streven ook om ze niet in de grootschalige opvang onder te brengen. Er is één gezinsopvang in Meierijstad. Uitbreiding op de locatie van de vrouwenopvang kon niet gerealiseerd worden en vraagt dus nog aandacht. Met Housing first, hostels en VLV2 wordt gewerkt aan woon-zorgplekken voor de inwoners met een complexe zorgvraag. In de pilot Wonen eerst wordt in ’s-Hertogenbosch onderzocht hoe juist inwoners met een lichte woon-zorgvraag (weer) direct gehuisvest kunnen worden met begeleiding, in plaats van een plek in de opvang.

2 Voorziening langdurig verblijf

24

4.3

Gebruik maatschappelijke opvang

De maatschappelijke opvang in de regio wordt geboden door de volgende zorgaanbieders: • Maatschappelijke Opvang Den Bosch • Novadic-Kentron (vanaf 1 januari 2023 geen contract meer voor maatschappelijke opvang) • Verdihuis • Springplank073 Naar de toekomst toe wil de regio dat er een verschuiving plaats vindt naar gebruik van meer kleinschalige opvangvoorzieningen en minder grootschalige voorzieningen. Ook is het streven om de gemiddelde verblijfsduur in de opvang terug te brengen tot uiteindelijk 3 maanden. 4.3.1

Maatschappelijke Opvang Den Bosch

Samenvoeging grootschalige opvanglocaties Per 1 januari 2023 zijn de twee grootschalige opvanglocaties in ’s-Hertogenbosch samengevoegd op de Oranje Nassaulaan. De dag- en nachtopvang (Inloopschip) aan de Hinthamerstraat is vanaf dan gesloten. En MO Den Bosch heeft het beheer over de dag- en nachtopvang aan de Oranje Nassaulaan overgenomen. De samenvoeging cq sluiting van één grootschalige opvang betekent een wijziging in het zorgaanbod en heeft tot grote druk in en om de locatie Oranje Nassaulaan geleid. Er wordt volop gewerkt aan het op orde krijgen en het maken van nieuwe afspraken. Naast dag- en nachtopvang biedt MO Den Bosch ook jongerenopvang en 24-uurs opvang. Bij de 24-uurs opvang gaat het om opvang met intensieve zelfstandigheidstraining. Daarnaast biedt MO Den Bosch ook kleinschalige opvang verspreid over de regio. Omdat er voor MO Den Bosch geen betrouwbare cijfers beschikbaar zijn van het aantal cliënten over het kalenderjaar 2022, worden hierna veelal dezelfde cijfers gepresenteerd als in het vorige rapport van 2022. Het gaat om de aantallen van 1ste helft 2021 en 1ste helft 2022. Figuur 5 Aantal cliënten MO Den Bosch3 120

100

98 93

80

62

60

42

40

40

28

22 25

25

19 22

10 13

20

7

0 totaal

gemiddeld per maand**

dag- en nachtopvang*

totaal

gemiddeld per maand

jongerenopvang 1e helft 2021

totaal

gemiddeld per maand

opvang met intensieve zelfstandigheidstraining 1e helft 2022

totaal kleinschalige opvang

Bron: halfjaarrapportages MO Den Bosch; * Exclusief passanten. De cijfers van 1e helft 2021 wijken af van de cijfers in het rapport van 2021, omdat toen de passanten wel zijn meegeteld. ** Vanwege verbeterde registratie is het gemiddeld aantal per maand in 1e helft 2022 betrouwbaarder dan cijfers over voorgaande periodes.

Gebruik dag- en nachtopvang weinig veranderd; gemiddelde verblijfsduur zo’n 6 maanden In het eerste half jaar van 2022 maakten 93 mensen gebruik van de dag- en nachtopvang van MO Den Bosch. Dat is vergelijkbaar met 1ste helft 2021. Het gaat om trajecten, exclusief passanten en 3 Omdat geen cijfers over 2020 beschikbaar zijn, worden de cijfers van 1 e helft 2021 en 1e helft 2022 vergeleken.

25

gebruik van de winteropvang. Er is sprake van een passant als iemand maximaal een week in de opvang verblijft. Wordt dit langer, dan is er sprake van een traject. In 2022 maakten per maand gemiddeld 27 mensen gebruik van de dag- en nachtopvang. De gemiddelde verblijfsduur was 194 dagen, oftewel ruim 6 maanden. 93% van de cliënten verbleef langer dan 3 maanden in de dagen nachtopvang. Op de locatie Oranje Nassaulaan is sprake van een combinatie van een groep die relatief kort in de opvang verblijft en een groep die een aanzienlijke zorgvraag heeft. Deze laatste groep is beter op zijn plek op een locatie waar meer zorg beschikbaar is, maar verblijft toch al meer dan een jaar in de opvang aan de Oranje Nassaulaan. Lichte toename gebruik jongerenopvang; gemiddelde verblijfsduur bijna 5 maanden In eerste helft 2022 maakten 25 jongeren gebruik van de jongerenopvang. Dat waren er enkele meer dan een jaar eerder. In 2022 maakten per maand gemiddeld 17 jongeren gebruik van de jongerenopvang. De gemiddelde verblijfsduur in de jongerenopvang was 143 dagen, oftewel bijna 5 maanden. Zo’n kwart verbleef er langer dan 9 maanden. Uitbreiding jongerenopvang Voor 2024 was er een taakstelling voor uitbreiding van het aantal plekken voor jongerenopvang. Dit is op dit moment nog niet gerealiseerd.

Er is voor jongeren in de hele regio een groot tekort aan betaalbare jongerenhuisvesting, al dan niet met ondersteuning. Hier ligt een grote gemeentelijke huisvestingsopgave. In meerdere gemeenten wordt deze jongerenhuisvesting (al dan niet met begeleiding) onderzocht. In het verlengde van die gemeentelijke inspanningen zal worden onderzocht wat dan nog de regionale opgave voor jongerenopvang is. Toename kleinschalige opvang Het aantal cliënten dat gebruik maakt van kleinschalige opvang nam toe. In de eerste helft van 2021 maakten 7 mensen er gebruik van, een jaar later waren dat er 25. In 2022 was de gemiddelde verblijfsduur in de kleinschalige opvang 245 dagen, oftewel zo’n 8 maanden. Zo’n driekwart verbleef er langer dan 6 maanden. Toename opvang met intensieve zelfstandigheidstraining Ook bij de opvang met intensieve zelfstandigheidstraining was er een toename. In het eerste half jaar 2022 waren er 62 cliënten in zorg (waarvan 17 kinderen), een jaar eerder waren dat er nog 42. De gemiddelde verblijfsduur in de opvang met intensieve zelfstandigheidstraining was in eerste helft 2022 86 dagen. Dat is minder dan een jaar eerder (183 dagen). Voor 2025 is er een taakstelling om meer plekken te realiseren voor opvang met intensieve zelfstandigheidstraining. In de nieuwe Vrouwenopvang zou plaats voor 5 gezinsplekken uit de maatschappelijke opvang komen.

Dit bleek niet de realiseren, maar de vraag naar gezinsplekken blijft. In het ETHOS-onderzoek zal de omvang van deze opgave meer concreet in beeld komen.

4.3.2

Novadic-Kentron

Vanaf 1 januari 2023 heeft de regio geen contract meer met Novadic-Kentron voor maatschappelijke opvang. Er zijn over het jaar 2022 maar in beperkte mate cijfers beschikbaar over het gebruik van de dag- en nachtopvang van Novadic-Kentron. In deze paragraaf staan daarom veelal dezelfde cijfers als in het vorige rapport van 2022. Het gaat om cijfers van 1ste helft 2021 en 1ste helft 2022. Dag- en nachtopvang voor mensen met drugsverslaving Novadic-Kentron bood tot 31 december 2022 dag- en nachtopvang aan mensen die dak- en thuisloos zijn en een zware verslavingsproblematiek hebben. Het was een doorstroomlocatie waarbij medewerkers samen met de cliënt op zoek gingen naar de meest passende vervolgplek,

26

maar mensen ook langdurig bleken te verblijven. Daarnaast werd de locatie door andere zorgaanbieders gebruikt als time-out-plek. Naast de reguliere opvang was er een mogelijkheid om als passant te verblijven binnen de dag- en nachtopvang. Ook werd er tijdens het winterscenario gehoor gegeven aan het verzoek om alle dak- en thuislozen op te vangen en was er een optie om een postadres aan te vragen. Bezetting dag- en nachtopvang De dag- en nachtopvang bood 32 dag- en nachtopvang plaatsen, 1 crisisbed en 1 politiebed. Gemiddeld waren er op jaarbasis 17-20 bedden gevuld. Het kwam afgelopen jaren nauwelijks voor dat de volledige capaciteit van de opvang werd benut. In eerste helft 2022 maakten per week gemiddeld 138 personen gebruik van de dagopvang en 119 van de nachtopvang. Per dag waren dat er respectievelijk 20 en 17. Novadic-Kentron heeft in eerste helft 2022 ook enkele cliënten uit centrumgemeente Oss opgevangen voor de maximale duur van 3 maanden. Figuur 6 Bezetting aantal personen dag- en nachtopvang Novadic-Kentron 160 140 120 100 80 60 40 20 0

130

138

132 119

18

dagopvang

nachtopvang

20

dagopvang

gemiddeld per week

19

17

nachtopvang

gemiddeld per dag

1e helft 2021

1e helft 2022

Bron: halfjaarrapportages Novadic-Kentron

6 op de 10 cliënten verbleven langer dan 3 maanden in dag- en nachtopvang In 2022 was de gemiddelde verblijfsduur in de dag- en nachtopvang van Novadic-Kentron 291 dagen, oftewel bijna 10 maanden. 59% verbleef er langer dan 3 maanden. 4.3.3

Verdihuis

Het Verdihuis heeft in Veghel twee kleinschalige opvanglocaties voor individuen en gezinnen. Deze zijn in 2021 geopend. In 2022 maakten in totaal 19 volwassenen en 12 kinderen gebruik van deze opvangplekken. De gemiddelde verblijfsduur in deze opvang was in dat jaar 142 dagen. Een kwart van de cliënten verblijft er langer dan 6 maanden. Aandachtspunt hierbij is welke groep hier gebruik van kan maken, qua zwaarte van de problematiek. 4.3.4

Springplank073

Springplank073 biedt in de regio woon-werktrajecten aan inwoners zonder werk en woning volgens het principe ‘work first’. De trajecten zijn gericht op mensen met problemen op diverse leefgebieden. De doelgroep van Springplank is in staat om te werken en is hiervoor ook gemotiveerd of kan gemotiveerd worden. Zij krijgen specialistische begeleiding op verschillende leefgebieden en ondersteuning richting een betaalde baan. Werk/dagbesteding is een belangrijke schakel richting herstel. Het aantal aanmeldingen is in 2022 (43) groter dan in 2021 (26). In 2021 waren er nog te weinig panden beschikbaar om de geplande instroom te realiseren. Van de 43 aanmeldingen in 2022 stroomden er 29 personen in. De 14 personen die niet zijn ingestroomd bleken niet/onvoldoende tot de doelgroep te horen. Er zijn een aantal positieve resultaten te melden. Zo zijn 13 personen een half jaar na instroom niet meer afhankelijk van een uitkering en 11 personen zijn succesvol doorgestroomd naar een woning.

27

4.3.5

Winteropvang

In 2022/2023 heeft het winterscenario 123 dagen geduurd. Dit is iets langer dan het jaar daarvoor (101 dagen). Bij Novadic-Kentron maakten 13 mensen gebruik van de winteropvang. Dat waren er minder dan in 2021/2022 (18) en in 2020/2021 (30). Bij de dag- en nachtopvang van MO Den Bosch maakten in 2021/2022 62 mensen gebruik van de winteropvang. Een jaar eerder waren dat er 58. De cijfers voor 2022/2023 zijn niet bekend. Door het sluiten van één grootschalige opvanglocatie (Hinthamerstraat) kunnen de huidige opvangvoorzieningen de winteropvang niet erbij nemen. Er komt voor de winter van 2023/2024 een nieuwe locatie voor winteropvang.

4.4

Ervaringen kleinschalige opvang

De UvA heeft een aanvullende analyse uitgevoerd naar de ervaringen in de kleinschalige opvang. Het betreft een verdiepende analyse van de interviews die in de periode 2018-2022 zijn gehouden onder cliënten die gebruik hebben gemaakt van kleinschalige opvang. Het gaat om 27 interviews met in totaal negen cliënten. Toegang is verbeterd Uit de analyse komt indicatief naar voren dat de toegang tot kleinschalige opvang de afgelopen jaren is verbeterd. De kleinschalige voorzieningen zijn sneller toegankelijk en er zijn minder wisselingen in verblijfplekken voorafgaand aan het verblijf in de kleinschalige opvang. Verbeterpunten zijn het aantal plekken dat beschikbaar is en een passend aanbod voor mensen met complexe problematiek. Cliënten vinden begeleiding tijdens verblijf over het algemeen positief De begeleiding tijdens het verblijf in de kleinschalige opvang wordt als positief ervaren. Sommige cliënten die in de regio worden opgevangen, zouden liever in ’s-Hertogenbosch worden opgevangen. Maar ook andersom komt voor. Het verblijf met medebewoners wordt wisselend gewaardeerd. Doorstroom verloopt niet altijd soepel Wat betreft de doorstroom blijkt dat het traject van vier van de negen cliëntparticipanten wordt gekenmerkt door meer discontinuïteit.

Het gebrek aan continuïteit in deze trajecten wordt enerzijds veroorzaakt door begeleidings- en behandelvragen van deze cliënten en anderzijds doordat het bestaande aanbod niet passend is. Uitstroom De ervaring van de gevolgde cliëntparticipanten is dat door de begeleiding goed op uitstroom wordt ingezet. Echter, via urgentieplus blijkt soms toch nog een wachttijd van een jaar te gelden, welke lastig samenvalt met het uitgangspunt dat men op een kleinschalige opvangplek maximaal zes maanden verblijft. Begeleiding na uitstroom Ambulante begeleiding na uitstroom wordt wisselend ingeregeld. In een aantal casussen is te zien dat afschaling van begeleiding soms te snel gaat. Dit kan worden veroorzaakt door miscommunicatie tussen gemeente, inwoner en / of begeleidende instantie. Ook kan het onvoldoende oplossen van een burenconflict stabiliteit in wonen in gevaar brengen. Bij een zwaardere hulpvraag is het van belang om hoog in te kunnen zetten op ambulante begeleiding zolang iemand de woning nog heeft.

28

5.

Beschermd wonen Samenvatting: • In 2022 maken 527 inwoners uit de regio gebruik van beschermd wonen. Dat is vergelijkbaar met 2021. De meeste cliënten wonen in ’s-Hertogenbosch (75%) en Meierijstad (16%). • De regio streeft naar een verschuiving richting lichtere vormen van beschermd wonen. In 2022 zien we deze verschuiving doorzetten. Hoewel het aandeel cliënten met een intramurale voorziening niet is veranderd vergeleken met 2021, is het aandeel kleinschalig thuis toegenomen. Kleinschalig thuis is een lichtere vorm van ondersteuning dan zelfstandig thuis. • De regio vindt flexibiliteit in het op- en afschalen van zorg belangrijk, zodat inwoners altijd de juiste en passende hulp ontvangen. Om dat mogelijk te maken is dit onderdeel van de nieuwe inkoop BW per 1-1-2022. Een groot aantal aanbieders is zowel gecontracteerd voor Wmo-BW als Wmo-licht. • Verslavingsproblematiek speelt een grote rol in instabiliteit in trajecten en langdurig verblijf binnen voorzieningen. Cliënten geven aan dat er aanbod wordt gemist in de verslavingszorg. In 2023 is een pilot gestart om verslavingsexpertise van Novadic-Kentron in te brengen in de begeleiding bij reguliere BW-aanbieders. Om een duurzame plaatsing te bevorderen en escalatie en uitzetting te voorkomen. • Een zekere continuïteit van ambulante ondersteuning is ook bij cliënten die zijn uitgestroomd passend.

Het zelfstandig wonen kan voor cliënten op momenten nog onvoorspelbaar verlopen en kwetsbaar zijn. Een goede signaleringsfunctie over hoe het met iemand gaat, bijvoorbeeld vanuit de ggz, is dan ook belangrijk.

5.1

Ambitie

In de regiovisie staat de volgende ambitie voor ‘beschermd wonen’: Mensen die een beroep moeten doen op beschermd wonen, wonen zo zelfstandig mogelijk ‘Thuis in de Wijk’. Dit betekent: • Transformatie van beschermd wonen om inwoners zo passend, licht en dichtbij mogelijk te ondersteunen. • Ontwikkelen en stimuleren van flexibiliteit in het op- en afschalen van zorg. • Een eenduidige en transparante bekostigingssystematiek die bijdraagt aan de ambitie voor beschermd wonen. • Regionale afspraken over regievoering PGB (zowel PGB vaardige cliënten als zorgaanbieders die de gevraagde kwaliteit zorg leveren).

5.2

Aantal cliënten beschermd wonen

Aantal cliënten beschermd wonen in 2022 vergelijkbaar met een jaar eerder In 2022 maken 5274 inwoners uit de regio gebruik van beschermd wonen. Dat is vergelijkbaar met een jaar eerder. Tussen 2020 en 2021 nam het aantal cliënten af. Deze afname was voorzien en komt vooral omdat ongeveer een derde van de cliënten toen is overgegaan naar de verruimde Wlz. Driekwart van alle BW-cliënten woont in ’s-Hertogenbosch en 16% in Meierijstad. Een relatief klein

4 Cijfer is exclusief Maasdriel en Zaltbommel

29

deel woont in de andere regiogemeenten: Boxtel, Sint-Michielsgestel, Vught, Zaltbommel en Maasdriel. Figuur 7 Aantal cliënten beschermd wonen, regio totaal, excl. PGB en excl. Maasdriel en Zaltbommel 5

Figuur 8 Aantal cliënten beschermd wonen per gemeente, 2022, excl. PGB

's-Hertogenbosch

1000

Meierijstad

800

Sint-Michielsgestel 600

651 530

400

Vught

527

Zaltbommel

200

Maasdriel

0

Boxtel 2020

2021

2022

Bron: RIOZ jaarrapportage 2022

Bron: RIOZ

Tabel 1 Ontwikkeling aantal cliënten beschermd wonen per gemeente Gemeente

2020

2021

2022

Boxtel

19

13

10

’s-Hertogenbosch

484

396

409

Meierijstad

117

91

85

Sint-Michielsgestel

7

13

8

Vught

26

20

16

Zaltbommel

25

15

12

Maasdriel

5

8

8

Bron: RIOZ

In 2022 verdere verschuiving naar lichtere vormen van beschermd wonen Er zijn drie vormen van beschermd wonen: intramuraal, kleinschalig thuis en zelfstandig thuis6. Met name voor intramurale voorzieningen was er tussen 2020 en 2021 een afname. Het aantal cliënten met deze voorziening halveerde toen. Een afname van intramurale voorzieningen is ook het streven. In 2022 zien we hierin geen verdere afname. Het aantal cliënten met een intramurale voorziening is dan ongeveer gelijk aan een jaar eerder. Voor zelfstandig thuis was er afgelopen jaren ook een afname. Voor kleinschalig thuis nam het aantal cliënten in 2022 juist toe ten opzichte van 2021. Bij kleinschalig thuis krijgen de inwoners ambulante hulp aan huis. Datzelfde geldt voor zelfstandig thuis, alleen gaat het dan om intensievere begeleiding. Geconcludeerd kan worden dat er afgelopen jaren een verschuiving is naar meer lichte vormen van beschermd wonen.

5 Het gaat om unieke cliënten. Cliënten die verschillende BW-producten in hetzelfde jaar hebben ontvangen,

tellen maar één keer mee. De cijfers wijken daarom af van de vorige rapportage. Toen werd iemand die in één kalenderjaar meerdere producten ontving in het totaal nog meer dan één keer werd meegeteld. 6 De productnamen zijn vanaf 2022 veranderd, maar wel grotendeels vergelijkbaar met de producten van voorgaande jaren (intramuraal = all inclusive; kleinschalig thuis = BW begeleid; zelfstandig thuis = BW thuis)

30

Figuur 9 Aantal cliënten naar soort voorziening BW Figuur 10 Aandeel cliënten naar soort voorziening BW

400

100% 309

300

285

209

208

200

60%

192 198

100

20%

0

0%

2020

zelfstandig thuis

2021

kleinschalig thuis

48%

44%

40%

107 102

intramuraal

18%

29%

80%

265

27%

34%

2020

2021

kleinschalig thuis

2022

18% 36%

46% 2022

zelfstandig thuis

intramuraal

Bron: RIOZ

Bron: RIOZ

In 2022 maken 51 cliënten gebruik van dagbesteding Een cliënt kan in combinatie met één van bovenstaande voorzieningen ook gebruik maken van dagbesteding beschermd wonen. In 2022 maakten 51 cliënten hier gebruik van. Dat waren vooral cliënten uit ’s-Hertogenbosch (31) en Meierijstad (15). En daarnaast 2 uit Sint-Michielsgestel, 2 uit Vught en 1 uit Zaltbommel. Deze cijfers geven geen volledig beeld van de mate van participatie van cliënten BW. Omdat er daarnaast ook cliënten zijn met werk, dagbesteding Wmo-specialistisch of cliënten die op een andere wijze een dagprogramma volgen (herstelacademie, safe house e.d.). Uit het UvA-onderzoek blijkt dat er ook een aanzienlijk deel van de cliënten BW geen of nog geen zinvolle dagbesteding heeft. Instroom in 2022 hoger dan voorgaande jaren In 2022 stroomden 245 cliënten in bij beschermd wonen. Dat is meer dan in voorgaande jaren. Ook de uitstroom is in 2022 hoger dan in 2021 en 2020. In 2022 stroomden 309 cliënten uit. Bij de instroom gaat om cliënten die op 1 januari van het betreffende jaar nog geen BW-voorziening hadden. Zij kunnen eventueel wel in de jaren daarvoor al eerder gebruik hebben gemaakt van beschermd wonen. Bij de uitstroom gaat het om cliënten die zijn uitgestroomd uit een BWvoorziening. Dat betekent niet dat zij allemaal helemaal geen gebruik meer maken van beschermd wonen.

Zij kunnen aansluitend op de uitstroom of op een later moment zijn ingestroomd bij een andere BW-voorziening. Figuur 11 Aantal cliënten in- en uitstroom BW7 245

instroom

137 190 309

uitstroom

221 317 0

50

100

150 2022

2021

200

250

300

350

2020

Bron: RIOZ

7 Deze cijfers zijn exclusief Zaltbommel en Maasdriel; De cijfers over in- en uitstroom wijken af van de cijfers in

eerdere rapportages, omdat er sprake is van overgang naar andere producten en er een verbetering is van de kwaliteit van de data omdat declaraties vanaf 2022 via het GGK berichtenverkeer verlopen.

31

In – en uitstroom naar soort voorziening De instroom is het laagst bij de intramurale voorzieningen. In 2022 ging het om 66 cliënten. Deze instroom is wel hoger dan voorgaande jaren. Dit zou te maken kunnen hebben met de opening van het tweede hostel in ’s-Hertogenbosch. De uitstroom is voor de intramurale voorzieningen in 2022 vergelijkbaar met het jaar daarvoor. Met name in 2020 was deze uitstroom fors hoger, omdat de cliënten die vanaf 2021 overgingen naar de Wlz eind 2020 zijn uitgestroomd bij de Wmo. Voor de voorziening kleinschalig thuis zien we de afgelopen jaren een toename van de instroom. In 2022 stroomden 132 cliënten in bij kleinschalig thuis. De uitstroom is voor deze voorziening in 2022 ook hoger dan voorgaande jaren. Voor zelfstandig thuis is de instroom in 2022 en 2021 lager dan in 2020. Voor deze voorziening was in de afgelopen jaren de uitstroom hoger dan de instroom. Figuur 12 In- en uitstroom per BW voorziening8 200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 2020

2021

2022

intramuraal

2020

2021

2022

kleinschalig thuis

instroom

2020

2021

2022

zelfstandig thuis

uitstroom

Bron: RIOZ; uitstroom wil in deze figuur niet altijd zeggen dat iemand helemaal is uitgestroomd uit beschermd wonen. Iemand kan bijvoorbeeld uitstromen bij beschermd wonen intramuraal en daarna instromen bij beschermd wonen zelfstandig thuis.

5.3

Juiste en passende hulp

Cliënten over het algemeen tevreden over BW verblijf Uit de vijfde meting door de UvA blijkt dat cliënten die met een meer permanent karakter verblijven in BW over het algemeen tevreden zijn over de ondersteuning. Het verschilt wel per locatie wat als meest passend wordt ervaren. Maar de meeste cliënten onderkennen dat zij een vraag hebben waarop de bij BW passende structuur een oplossing kan bieden. Verslavingsproblematiek speelt grote rol in instabiliteit trajecten Wat opvalt is dat verslavingsproblematiek een grote rol speelt in instabiliteit in trajecten en langdurig verblijf binnen voorzieningen. Dit blijkt uit het onderzoek door de UvA. Zo is bij 6 op de 10 personen die al meer dan twee jaar in BW-voorzieningen verblijven, sprake van zelf gerapporteerde verslavingsproblematiek. Zeven van de acht onderbroken trajecten/herhaalde dakloosheid trajecten kennen ook een verslavingscomponent. Uit uitspraken van cliënten blijkt dat er aanbod wordt gemist in de verslavingszorg, met name wanneer het aanbod dat vergoed wordt niet aansluit. In 2023 is een pilot gestart om verslavingsexpertise van Novadic-Kentron in te brengen in de begeleiding bij reguliere BW-aanbieders. Dit wordt gedaan bij drie BW-aanbieders,

8 Deze cijfers zijn exclusief Zaltbommel, Maasdriel en Boxtel. De cijfers over in- en uitstroom per product wijken af

van de cijfers in eerdere rapportages, omdat er sprake is van overgang naar andere producten en er een verbetering is van de kwaliteit van de data omdat declaraties vanaf 2022 via het GGK berichtenverkeer verlopen.

32

rondom de begeleiding van een cliënt waar verslaving een rol speelt. Het doel hiervan is een duurzame plaatsing te bevorderen en escalatie en uitzetting te voorkomen. Flexibel op- en afschalen opgenomen in nieuwe contracten De regio vindt het belangrijk dat er flexibiliteit is in het op- en afschalen van zorg, zodat de inwoners altijd de juiste en passende hulp ontvangen. Flexibel op- en afschalen is onderdeel van de nieuwe inkoop BW per 1-1-2022. Een groot aantal aanbieders is zowel gecontracteerd voor Wmo-BW (intramuraal, kleinschalig, ambulant, dagbesteding) als Wmo-licht (individuele begeleiding, groepsbegeleiding, etc.). Flexibel op- en afschalen binnen de producten van BW is mogelijk, maar blijkt wel arbeidsintensief voor de regisseurs van de toegang. Er is een start gemaakt om het werkproces te verbeteren en flexibel op- en afschalen binnen de beschikkingsduur te vereenvoudigen. Meeste cliënten zijn voorstander van ambulantisering Het merendeel van de cliëntparticipanten uit het onderzoek door de UvA is voorstander van ambulantisering. Veelal zien zij dit vooral zitten onder voorwaarden. De meeste voorstanders van ambulantisering zijn te vinden onder cliëntparticipanten met onderbroken trajecten.

De meeste voorstanders van ambulantisering onder voorwaarden zijn te vinden onder de groep die de meeste ervaring heeft met ambulantisering, namelijk degenen die zijn uitgestroomd uit MO of BW. De meeste tegenstanders van ambulantisering zijn te vinden onder de groep die langdurig in een BW voorziening verblijft. Genoemde voorwaarden om ambulantisering te laten slagen gaan over afstemming op de individuele begeleidingsvraag en voldoende geld voor gemeenten om dit uit te voeren. Degenen die tegen ambulantisering zijn, hebben argumenten als ‘de hulpverlening kan het niet aan of is onvoldoende op orde’ of ‘het is niet reëel qua aantal beschikbare woningen’. Of ze hebben bijvoorbeeld zelf eerder negatieve ervaringen gehad met uitstroom en zelfstandig wonen. Een enkele cliëntparticipant is gedurende de jaren veranderd van mening, van vóór naar tégen. Deze cliënt was na uitstroom tot de conclusie gekomen dat de hulpverlening niet goed genoeg op orde is om ambulantisering in goede banen te leiden. Continuïteit ambulante ondersteuning na uitstroom Wanneer ambulante ondersteuning wordt afgebouwd, komt de verantwoordelijkheid bij de (ex)cliënt te liggen om, wanneer dat weer nodig blijkt, een beroep te doen op de beschikbare vraaggerichte zorg.

In het onderzoek door de UvA komt naar voren dat het vanuit de cliëntparticipanten in deze situatie vaak zoeken is in de balans tussen zelfredzaamheid en het stellen van een vraag. Het vraagt van hen dat zij hun vraag zelfstandig kunnen formuleren. Dit blijkt nog regelmatig zoeken, hetgeen gepaard kan gaan met terugval in ggz-problematiek, sociale participatie en uitval uit werk. Het blijkt dat een zekere continuïteit van ambulante ondersteuning ook bij cliënten die zijn uitgestroomd passend is. Het zelfstandig wonen kan voor cliënten op momenten nog onvoorspelbaar verlopen en kwetsbaar zijn, zoals ziekenhuisopname of detox. Een goede signaleringsfunctie over hoe het met iemand gaat, bijvoorbeeld vanuit de ggz, is belangrijk.

33

6.

Wonen Samenvatting: • Om lokaal beschermd wonen en opvang te kunnen bieden, is het belangrijk dat er voldoende plekken beschikbaar zijn in de verschillende gemeenten. Voor beschermd wonen zijn er nu 49 plekken lokaal beschikbaar. Dat zijn er minder dan vorig jaar (67), omdat op een aantal locaties de Wmo-plekken Wlz-plekken zijn geworden. Het aantal plekken voor kleinschalige opvang is verder uitgebreid. Het is de bedoeling dat er eind 2023 in elke gemeente een kleinschalige opvang is. Op dit moment zijn er zo’n 62 kleinschalige opvangplekken beschikbaar, waarvan zo’n 38 in ’s-Hertogenbosch en 24 in de regiogemeenten. • Onder cliënten uit het onderzoek door de UvA zijn voor- en tegenstanders als het gaat om regionalisering. Plaatsing vraagt dan ook om maatwerk. • Er is veel variëteit in de duur die cliënten in een BW/MO-instelling verblijven voordat zij een eigen woning betrekken. De gemiddelde verblijfsduur in BW is aanzienlijk langer dan in MO. Voor MO is er de afgelopen vijf jaar een ontwikkeling te zien naar kortere trajecten. • Door de urgentiepluscommissie in ’s-Hertogenbosch is in 2022 130 keer urgentieplus toegekend voor een huurwoning. Dat is iets meer dan voorgaande jaren. Er kwamen 17 aanvragen vanuit een andere gemeente in de regio. Opvallend is dat deze bijna allemaal een woning toegekend hebben gekregen in ’s-Hertogenbosch.

Terwijl er beleidsmatig juist op wordt ingezet dat een cliënt gaat wonen in de plaats van herkomst. Inmiddels hebben ook de andere gemeenten in de regio een urgentiepluscommissie waardoor uitstroom in de eigen gemeente beter kan worden gefaciliteerd. • In 2023 is er volgens prognose behoefte aan zo’n 290 urgentiepluswoningen in de regio. Er wordt in 2023 minder uitstroom naar de regiogemeenten verwacht dan in de prognose van 2022. In ’s-Hertogenbosch hebben toekenningen van woningen via de nieuwe aanpak ‘Wonen eerst’ waarschijnlijk een verminderend effect op uitstroom via urgentieplus. • Gemeenten stemmen met woningcorporaties af over het aandeel beschikbare woningen voor uitstroom BW en MO. In regiogemeenten is dat zo’n 20-25% van het aantal vrijkomende sociale huurwoningen, in ’s-Hertogenbosch 33%. • Uit het onderzoek door de UvA komt naar voren dat uitstroom soms lang duurt, omdat er bij begeleiders veel behoedzaamheid is om iemand te laten uitstromen. Daartegenover ervaren sommige cliënten juist druk om uit te stromen.

6.1

Ambitie

In de regiovisie staat de volgende ambitie voor ‘wonen’: Kwetsbare mensen die een woonvraag hebben, worden zo snel mogelijk naar een passende woonruimte geholpen met zo min mogelijk verhuisbewegingen. Dat betekent: • Regionale afspraken over het aantal woningen dat beschikbaar is voor uitstroom uit zorg en afspraken over de toegang tot deze woningen. • Extra inzet en creatieve oplossingen om een gevarieerd woonaanbod te hebben. • Beter inzicht hebben in de uitstroom van beschermd wonen en maatschappelijke opvang en bij de instroom al aandacht hebben voor de uit- of doorstroom. • Aanbod ontwikkelen voor groep kwetsbare mensen die niet (goed) in de wijk passen. • Scheiden van wonen en zorg: geen verhuur door zorgaanbieder, tenzij… • Binnen de passende woonruimte zijn (waar nodig) duidelijke afspraken over wonen en zorg.

34

6.2

Regionalisering

Regionalisering is maatwerk Bij regionalisering gaat het erom dat MO- en BW-plekken ook beschikbaar zijn in regiogemeenten, zodat inwoners in hun eigen gemeente hulp kunnen krijgen en niet alleen zijn aangewezen op de centrumgemeente ’s-Hertogenbosch. Ongeveer de helft van de cliëntparticipanten uit het UvAonderzoek is vóór regionalisering of is voorstander onder voorwaarden. Zo’n 1 op de 6 is tegen en de rest heeft er geen mening over. Argumenten vóór zijn met name gerelateerd aan hechting aan een bepaalde omgeving (een specifieke regiogemeente) waar men bekend is en een netwerk heeft. Bij ‘voorstander onder voorwaarden’ wordt meestal toegelicht dat het wel moet passen bij iemand en dat er voldoende begeleiding beschikbaar is en voldoende financiële middelen voor kleinere gemeenten. Argumenten tegen zijn bijvoorbeeld de veronderstelling dat er in kleinere gemeenten mogelijk onvoldoende expertise aanwezig is om in te schatten of iemand hulp nodig heeft of dakloos is. Ook vindt men dat het vooral aan de persoon zelf gevraagd moet worden waar degene wil worden opgevangen of in BW wil verblijven. Bijvoorbeeld om weg te kunnen uit een negatief netwerk. Lokaal aanbod kleinschalige voorzieningen Om lokaal beschermd wonen en opvang te kunnen bieden, is het belangrijk dat er voldoende plekken beschikbaar zijn in de verschillende gemeenten.

In juli 2023 zijn er lokaal voor beschermd wonen 49 plekken beschikbaar. Dat zijn er iets minder dan vorig jaar, toen ging het om 67 plekken. Het verschil wordt veroorzaakt doordat op een aantal locaties in Sint Oedenrode en Boxtel de Wmo-plekken Wlz-plekken zijn geworden. In Zaltbommel is er een nieuwe locatie met 5 kleinschalige Wmo-plekken bijgekomen ten opzichte van 2022. Het aantal plekken voor kleinschalige opvang is verder uitgebreid. Het is de bedoeling dat er eind 2023 in elke gemeente een kleinschalige opvang is. Er zijn in juli 2023 in totaal circa 62 kleinschalige opvangplekken beschikbaar, waarvan zo’n 38 in ’s-Hertogenbosch en 24 in de regiogemeenten. Er zijn nog tenminste 8 plekken voor kleinschalige opvang in ontwikkeling/aanvraag in Vught en Maasdriel. Daarnaast zijn er nog 29 kleinschalige opvangplekken voor woon-werktrajecten van Springplank in ’s-Hertogenbosch beschikbaar. Er is maandelijks overleg met de zorgaanbieders of er genoeg plekken zijn voor kleinschalige opvang. Als er niet genoeg plekken zijn, dan kan een zorgaanbieder een aanvraag doen voor uitbreiding.

6.3

Verhuizingen in zorg

Aantal verhuizingen in zorg Het streven is dat cliënten zo min mogelijk verhuisbewegingen maken terwijl ze in zorg zijn. Gedurende de vijfjarige looptijd van het onderzoek door de UvA verhuisde een kwart van de cliëntparticipanten 1 keer en een derde verhuisde 2 of 3 keer. Zo’n 1 op de 10 verhuisde 4 keer of vaker. Cliënten die langdurig in BW verblijven verhuizen het minst vaak. De meeste cliënten zijn tevreden over de begeleiding rondom verhuizingen. In de vijfde meting komen als aandachtspunten naar voren: • De tussentijdse verhuizingen binnen de zorg die cliënten meemaken voordat zij uitstromen. Soms gaat het om meerdere verhuizingen na elkaar. De ervaringen hiermee zijn wisselend. • De mogelijk ervaren druk om uit te stromen. Soms ervaren cliënten druk vanuit de begeleiding om uit te stromen, terwijl zij zelf vinden dat ze er nog niet klaar voor zijn. Frequente verhuizingen komen ook veel voor bij onderbroken trajecten / herhaalde dakloosheid. Bij MO-cliënten zijn het met name degenen die te maken hebben met verslavingsproblematiek die het meest verhuizen. Hierbij spelen ook een rol het schenden van de gestelde regels rondom middelengebruik en het afslaan van hulpverlening vanwege conflicten met begeleiding.

35

Gemiddelde verblijfsduur in BW een stuk langer dan in MO Onder de cliëntparticipanten van het onderzoek door de UvA is er een grote variëteit in de duur in een MO/BW-instelling voorafgaand aan het betrekken van een eigen woning. Soms gaat het om een periode van 3-9 maanden, maar er zijn ook casussen waarbij dit wel 10 of 14 jaar is. Voor de meerderheid van de cliënten binnen MO is dit echter binnen twee jaar en in BW binnen drie jaar. De gemiddelde verblijfsduur in BW is aanzienlijk langer dan in MO. Voor degenen die tijdens de vijfde meting door de UvA in MO verbleven, is de gemiddelde verblijfsduur 6 maanden, voor BW is dat 49 maanden. In deze regio is de gemiddelde verblijfsduur in BW korter dan van de door de UvA gevolgde cliënten in de regio Utrecht. Voor MO wordt geconstateerd dat er de afgelopen vijf jaar een ontwikkeling is te zien naar kortere trajecten binnen MO. Zo is het streven dat inwoners niet langer dan zes maanden in de kleinschalige opvang hoeven te verblijven, in afwachting van een permanente woonplek. Ook is in ’s-Hertogenbosch per 2023 één van de locaties voor dag- en nachtopvang gesloten. En er is gestart met een op ‘wonen eerst’ gestoelde werkwijze waarbij het de bedoeling is dat dakloze personen binnen drie weken zicht hebben op het zelfstandig huren van een corporatiewoning.

Tot slot blijkt uit de interviews bijvoorbeeld dat urgentieplus sneller wordt opgepakt en de toekenning sneller verloopt. Hierdoor is de wachttijd tot een beschikbare woning korter geworden. In afwachting op toekenning daarvan wordt de benodigde hulpverlening zoals financiële ondersteuning opgestart. Afspraken over tijdelijk onderbreken verblijfsduur in BW De verblijfsduur in BW kan tijdelijk onderbroken worden door een opname in een verslavingskliniek of kortdurende detentie. Passende afspraken met zorgaanbieders over de termijn waarop een kamer van de gemeente in zo’n geval leeg mag staan zijn daarbij belangrijk. In de regionale ontwikkeltafel is daarom door de regio een voorstel ontwikkeld om tijdelijke afwezigheid vanwege detox of detentie tot 8 weken toe te staan. Het voornemen is om deze regeling in 2023 te evalueren. Scheiden wonen en zorg lastig bij geclusterde woonvormen Eén van de ambities voor beschermd wonen is het scheiden van wonen en zorg. De regio wil dat cliënten die niet in een intramurale voorziening verblijven bij voorkeur niet huren van de zorgaanbieder, maar bijvoorbeeld van een woningcorporatie. Zodat de cliënt niet van de zorgaanbieder afhankelijk is voor het wonen en ook na uitstroom uit zorg op dezelfde plek kan blijven wonen. In het onderzoek door de UvA blijkt dat bij sommige zorgaanbieders het scheiden van wonen en zorg al ver is doorontwikkeld.

Maar voor geclusterde woonvormen blijkt dit lastig te realiseren. Dat komt door bedrijfstechnische redenen, zoals inzet van personeel en het gebruik van gezamenlijke ruimtes. Als er binnen een geclusterde woonvorm één of meer mensen uitstromen uit zorg, maar wel daar blijven wonen, kan op deze plekken geen andere cliënt worden geplaatst. Er zouden dan op een andere locatie nieuwe plekken gerealiseerd moeten worden. Deze plekken (met gezamenlijke leefruimten) zijn er niet zomaar en ook voor inzet van het personeel is het lastig om meerdere locaties te hebben.

6.4

Zoektocht naar passende woning

Uitstroom duurt soms lang In de vijfde meting van het onderzoek door de UvA komt naar voren dat aandachtspunten in het proces naar ambulantisering zijn: • de tijd die men in een voorziening ervaart nodig te hebben, soms gepaard met behoedzaamheid vanuit de begeleiding om iemand uit te laten stromen. • anderen ervaren juist druk vanuit de Wmo-medewerker om uit te stromen. Wat betreft behoedzaamheid om mensen uit te laten stromen wordt aangegeven dat er sprake zou zijn van een heel hoge norm voordat men mensen laat uitstromen. De begeleidende medewerkers zouden willen dat iemand echt helemaal stabiel en financieel stabiel is voordat deze uitstroomt. En

36

soms speelt hierbij ook de benodigde ondersteuning op het gebied van verslaving een rol. Deze behoedzaamheid gaat echter gepaard met meerdere verhuizingen. In het onderzoek worden ook enkele casussen besproken waarbij er druk wordt ervaren om uit te stromen. De uitstroom wordt in die gevallen niet als eigen keuze ervaren en roept veel weerstand en eenzaamheid op. Weinig uitstroom via particuliere huur In de vorige meting door de UvA werd genoemd dat er ook een inspanningsverplichting is bij de cliënten zelf en dat de urgentieplus niet de enige manier van uitstroom is. Uit de vijfde meting komt naar voren dat sommige cliënten wel zelf initiatief nemen, bijvoorbeeld door te reageren op loting woningen. Al deze situaties betreffen uiteindelijk wel gebruik van corporatiewoningen. Onder cliëntparticipanten van het UvA-onderzoek komt het niet voor dat een kamer via een particuliere verhuurder of via antikraak is gezocht.

6.5

Urgentieplus en Housing first

Urgentiepluscommissie ’s-Hertogenbosch als bemiddeling naar woning In ’s-Hertogenbosch is er vanaf september 20199 een urgentiepluscommissie voor uitstroom naar een huurwoning. Deze commissie toetst casussen met een complexe zorgvraag en ook bijvoorbeeld casussen waarbij sprake is van uitstroom uit de vrouwenopvang na huiselijk geweld. De commissie neemt besluiten over de toekenning van urgentie voor een huurwoning bij een woningcorporatie. Diverse organisaties en zorgaanbieders kunnen een casus inbrengen. De commissie verzamelt vervolgens de benodigde informatie en neemt op basis daarvan een besluit. De woningcorporatie heeft na toekenning van de urgentie maximaal 3 maanden de tijd om een woning beschikbaar te stellen. De urgentiepluscommissie behandelt zowel aanvragen voor cliënten die uitstromen uit een instelling als cliënten die niet in een instelling verblijven. Bij de laatste groep gaat het om het voorkómen van instroom bij een instelling voor BW/MO. In 2022 180 aanvragen voor urgentieplus In 2022 was de prognose van het aantal aanvragen voor uitstroom via urgentieplus in ’s-Hertogenbosch 188. In werkelijkheid werden er 180 aanvragen ingediend. Daarvan kwamen er 143 vanuit de prognose en 37 vanuit instellingen die niet in de prognose zijn opgenomen, zoals Farent, Humanitas en Amarant en instellingen van buiten ’s-Hertogenbosch.

Bij driekwart van de aanvragen voor uitstroom via urgentieplus gaat het om een alleenstaande, 30% is een eenoudergezin. Het verschil tussen de prognose van uitstroom en de daadwerkelijke uitstroom10 ligt in 2022 (-45) aanzienlijk lager dan in 2021 (-136). Het aantal aanvragen dat werd behandeld van instellingen die niet in de prognose waren opgenomen is in 2022 (37) ongeveer gelijk aan 2021 (39). Volgens de urgentiepluscommissie zou het goed zijn om in de prognose in de toekomst ook met dit soort aanvragen rekening te houden zodat er een realistisch beeld gevormd wordt van de opgave voor de corporaties. In 2022 130 keer urgentieplus toegekend De 180 aanvragen hebben geleid tot 130 toekenningen van urgentieplus. 31 aanvragen werden afgewezen, 7 werden ingetrokken en 12 waren in 2023 nog in behandeling. Het aantal toekenningen lag in 2022 iets hoger dan in 2021 en 2020. Het aandeel aanvragen dat is afgewezen lag in 2022 met 19% iets lager dan de jaren daarvoor (21%).

9 Daarvóór werden aanvragen voor urgentieplus door de reguliere urgentiecommissie behandeld en was er

vanwege de werkwijze geen sprake van afwijzingen, intrekkingen en dossiers die doorgaan naar het opvolgende jaar. 10 Uitstroom vanuit instellingen die zijn meegenomen in de prognose

37

Tabel 2 Aantal aanvragen urgentiepluscommissie, stand 31 december

toekenning

2020

2021

2022

120

117

130

in behandeling

7

9

12

afwijzing

32

32

31

ingetrokken

14

8

7

totaal aantal aanvragen

173

166

180

21%

21%

19%

% behandelde aanvragen dat is afgewezen Bron: Urgentiepluscommissie ’s-Hertogenbosch

Figuur 13 Aantal beoordeelde aanvragen door urgentiepluscommissie 200 152

149

2020

2021

161

150 100

50 0 toegekend

2022

afgewezen

Bron: Urgentiepluscommissie ‘s-Hertogenbosch

Herkomstgemeente van aanvragers urgentieplus Van de 130 toekenningen komen 80 cliënten van oorsprong vanuit de gemeente ’s-Hertogenbosch, 17 vanuit een andere gemeente in de regio en 23 van buiten de regio. Het aantal aanvragen van cliënten afkomstig uit een andere gemeente in de regio of van buiten de regio is in 2022 lager dan een jaar eerder. De 23 toekenningen van buiten de regio hebben een woning toegekend gekregen in ’s-Hertogenbosch. Van de toekenningen aan cliënten uit de regio, hebben er 15 een woning gekregen in ’s-Hertogenbosch en 2 in Schijndel. De 15 die een woning kregen in ’s-Hertogenbosch kwamen van oorsprong uit Sint-Michielsgestel (2), Meierijstad (4), Boxtel (2), Zaltbommel (4x) en Maasdriel (3x). Opvallend is dat het aantal toekenningen voor de gemeente ’s-Hertogenbosch voor cliënten met een (oorspronkelijke) herkomst in de regio is toegenomen van 14 naar 15, terwijl er beleidsmatig juist op wordt ingezet dat een cliënt gaat wonen in de plaats van herkomst. In 2 gevallen kwam de cliënt oorspronkelijk uit ’s-Hertogenbosch en is uitgestroomd naar een woning in een regiogemeente, omdat hier de kans op herstel het grootst was. Vervallen urgenties en afwijzingen Na toekenning zijn er nog 4 urgenties komen te vervallen. Bijvoorbeeld omdat het gedrag van de cliënt is omgeslagen of de cliënt de aangeboden woning niet heeft geaccepteerd.

De meest voorkomende reden waarom aanvragen in 2022 werden afgewezen was dat zelfstandig wonen geen passende volgende stap bleek. Doorlooptijden urgentieplus Over 2022 was de gemiddelde doorlooptijd van ontvangst van de aanvraag t/m verzending van het besluit 38 dagen. De afspraak is dat er vervolgens maximaal 3 maanden mag zitten tussen het afgeven van de urgentie en het aanbieden van een geschikte woning door de woningcorporatie. Deze termijn mag eventueel eenmalig met 3 maanden verlengd worden. De gemiddelde tijd tussen besluit urgentie en woningaanbod was in 2022 89 dagen. Voor 22 urgenties is er een reden opgevoerd door de corporatie waarom het aanbieden van een woning zo

38

lang duurde. Na aftrek van deze 22 urgenties, is de gemiddelde duur 69 dagen. Redenen waarom het langer duurde waren o.a.: lastig zoekprofiel, hack bij corporatie, meerdere aangeboden woningen geweigerd. Het duurt gemiddeld 32 dagen voordat iemand de sleutel ontvangt nadat er een woningaanbod is gedaan. In 2022 7 toekenningen via Housing first In ’s-Hertogenbosch is in 2020 gestart met Housing first trajecten. In 2020 en 2021 zijn er in totaal 28 toekenningen gedaan en zijn er 19 inwoners ingestroomd in een woning via Housing first11. In 2022 zijn er 7 woningen toegekend via Housing first. Dat is minder dan het aantal dat vooraf was beoogd (zo’n 20-25). Housing first is er voor mensen met een BW-indicatie en wordt uitgevoerd door MO Den Bosch. Het is bedoeld om dak- en thuislozen direct te begeleiden naar een eigen huurhuis. Een eigen huis is de start van het herstelproces. Terwijl dat bij andere opvang en begeleiding vaak andersom is. Na toekenning van een huurhuis worden deze mensen intensief begeleid in het zelfstandig wonen en functioneren. De trajecten zijn bedoeld voor personen met een complexe ondersteuningsaanvraag, waar een combinatie van een permanente woonplek en de voorwaarde van huurbetaling, accepteren van begeleiding en het niet veroorzaken van overlast effectief kunnen zijn. In het najaar van 2023 wordt Housing first geëvalueerd.

Aan te bieden woningen in ’s-Hertogenbosch In totaal dienden de corporaties in ’s-Hertogenbosch (Zayaz, BrabantWonen en JOOST) in 2022 129 woningen aan te bieden. 130 toekenningen urgentieplus – 4 vervallen urgenties – 4 uitstroom naar de regio + 7 woningen Housing first. Lokale urgentiepluscommissies Inmiddels hebben naast ’s-Hertogenbosch ook alle andere regiogemeenten een urgentiepluscommissie of iets soortgelijks in gebruik. Voor dit rapport zijn cijfers ontvangen van het aantal aanvragen van de urgentiepluscommissie van gemeenten Boxtel/Sint-Michielsgestel. Zij hebben in 2022 in totaal 20 aanvragen behandeld, waarvan er 15 zijn toegewezen. Er kwamen twee aanvragen van buiten het werkgebied. Deze zijn ingetrokken of afgewezen. De urgentiepluscommissies in Bommelerwaard en Vught zijn pas in 2023 gestart, dus hiervan zijn geen cijfers over 2022 beschikbaar. Aanbeveling UvA voor langdurige BW-trajecten In het onderzoek door de UvA is sprake van zowel langdurige BW-trajecten als personen die over langere tijd richting zelfstandigheid zijn gegaan en tussentijds steeds zijn verhuisd. De UvA doet de aanbeveling om aandacht te hebben voor de optie om studio’s binnen BW met een permanent huurcontract aan te bieden, naar Fins model. In Finland zijn tijdelijke opvangplekken afgebouwd.

Tegelijkertijd heeft er een opbouw plaatsgevonden van zelfstandige (geclusterde) woningen in de wijk met housing first begeleiding. Er is sprake van een eigen huurcontract zonder aanvullende gedrag- of zorgbepalingen. Dit betekent dat de huurder niet verplicht is tot het accepteren van begeleiding of zorg. Het werkzame personeel kreeg een opleidingstraject op de housing first methodiek. En de huurders kregen een training die betrekking had op belangrijke elementen in de nieuwe werkwijze, zoals de verantwoordelijkheid voor ‘het eigen deurbeleid’. Uit de ervaringen met de Finse werkwijze komt naar voren dat de doorontwikkeling van geïntegreerde ggz-wijkteams nog een aandachtspunt is.

11 Het kan soms even duren voordat een toekenning leidt tot daadwerkelijke instroom in een woning. Vandaar dat

het aantal toekenningen groter is dan het aantal mensen dat is ingestroomd in een woning.

39

6.6

Prognose benodigde urgentiepluswoningen 2023

In 2023 zijn er volgens prognose 292 urgentiepluswoningen nodig Een deel van de uitstroom verloopt via urgentieplus en een deel van de cliënten vindt via andere wegen een woning om naar uit te stromen. In totaal zijn er voor de regio volgens prognose in 2023 292 urgentiepluswoningen nodig. In tabel 2 staat de prognose per gemeente. De prognose is gebaseerd op de door de gecontracteerde aanbieders opgegeven benodigde wooneenheden op basis van de verwachte uitstroom. Dit zijn er 360. Dit is meer dan de prognose voor 2022. Omdat de prognose van MO Den Bosch is vermengd met in ’s-Hertogenbosch te maken afspraken over woningen voor ‘Wonen eerst’, heeft de regio de prognose voor urgentiepluswoningen voor deze gemeente naar beneden bijgesteld, waardoor de prognose voor de totale regio uitkomt op 292 wooneenheden in plaats van 360. Minder uitstroom verwacht naar regiogemeenten De regio wil graag sturen op een mogelijke terugkeer van cliënten naar de gemeente van herkomst. Maar voor uitstroom naar de regiogemeenten is de trend tegenovergesteld aan de bedoeling: in plaats van meer uitstroom naar de regiogemeenten, zien we in de prognose minder uitstroom naar regiogemeenten. Zo vraagt MO Den Bosch in de prognose voor 2023 zo’n 35 minder woningen aan in de regiogemeenten, zodat zij dichter bij de realisatie van 2022 blijven.

Voor ’s-Hertogenbosch zien we juist een stijging in de prognose, hetgeen met name verband houdt met de ambitie ‘Wonen eerst’. De urgentieplustafels zullen kritisch kijken naar herkomstgemeente. Tabel 3 Prognose huisvestingsopgave urgentieplus gemeente

2022

2023

's-Hertogenbosch

188

186

Boxtel

25

27

Meierijstad

46

40

Sint-Michielsgestel

15

7

Vught

18

10

Zaltbommel

21

13

Maasdriel

17

9

Totaal 330 Bron: prognose huisvestingsopgave urgentieplus

292

Tabel 4 prognose urgentieplus 2023, naar woningtype

Verwachte uitstroom via urgentieplus - waarvan kamer - waarvan studio

Vught

Meierijstad

’sHertogenbosch

7

10

40

186

2

0

2

3

19

20

5

7

23

133

2

1

14

34

Boxtel

SintMichielsgestel

27

0 7

5

Zaltbommel

Maasdriel

13

9

0 9

- waarvan eengezins4 2 woning Bron: prognose huisvestingsopgave urgentieplus

Afstemming met woningcorporaties over beschikbare woningen Om te zorgen dat er voldoende woningen beschikbaar zijn om naar uit te stromen, stemmen gemeenten met woningcorporaties via prestatieafspraken af over beschikbare woningen voor uitstroom uit beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De druk op de sociale

40

woningvoorraad is groot, omdat ook voor andere doelgroepen zoals statushouders een beroep op directe bemiddeling voor sociale huurwoningen wordt gedaan. In veel regiogemeenten is er bovendien vaak sprake van een lage mutatiegraad, omdat mensen lang in een huurwoning blijven wonen. Vanwege deze ontwikkelingen maken woningcorporaties in percentages afspraken over welk deel van wat er vrijkomt aan woningen beschikbaar is voor uitstroom BW/MO. In regiogemeenten is dat zo’n 20-25% van de vrijkomende sociale huurwoningen en in ’s-Hertogenbosch 33%. Prestatieafspraken ’s-Hertogenbosch 2023 Bij de prognose urgentieplus 2023 is voor ’s-Hertogenbosch aangegeven dat de verhouding uitstroom via urgentieplus en de nieuwe aanpak dakloosheid ‘Wonen eerst’12 nader onderzoek vergde. In de prestatieafspraken met de woningcorporaties zijn voor 2023 voor de gemeente ’sHertogenbosch de volgende aantallen opgenomen: • MO “aanpak dakloosheid” (Wonen eerst): 100 woningen • Uitstroom uit zorg via urgentiepluis (incl. Housing first): 150 woningen Ontwikkelingen volkshuisvestingsbeleid Het Kabinet Rutte IV formuleerde een ambitieus volkshuisvestingsbeleid. De regie op wonen en woningbouw werd versterkt door middel van een Nationale Woon- en Bouwagenda.

Hierin komt onder andere terug: • Zes onderliggende programma’s waaronder “Een Thuis voor Iedereen” (huisvesting voor aandachtsgroepen en urgenten, verbinding met de Nationale Aanpak Dakloosheid “Eerst een Thuis”). • Wet versterking regie Volkshuisvesting (waaronder regionale woondeals, 30% sociale huur in woningbouwprogrammering, het opstellen van woonzorgvisies en volkshuisvestingsprogramma’s). • Wet betaalbare huur (regulering middenhuur). • Woningbouwimpuls (subsidie flexwoningen). Deze sterkere regie op volkshuisvesting moet leiden tot meer betaalbare huisvesting, onder andere voor de cliënten die uitstromen uit beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Het aandeel huur- en koopwoningen verschilt tussen gemeenten. In ’s-Hertogenbosch is in 2022 het aandeel sociale huurwoningen met 33% het hoogst in onze regio en in Sint-Michielsgestel met 15% het laagst. Tabel 5 Woningvoorraad en aandeel huurwoningen op 1 januari 2022

Woningvoorraad

Aantal huurwoningen corporaties

% huurwoningen corporaties

Boxtel

14.695

3.783

26%

‘s-Hertogenbosch

74.218

24.702

33%

Maasdriel

10.242

2.084

20%

Meierijstad

35.845

6.983

19%

Sint-Michielsgestel

12.529

1.892

15%

Vught

13.967

3.338

24%

Zaltbommel

11.987

2.806

23%

Gemeente

Bron: regionale woningmarktmonitor ’s-Hertogenbosch en CBS

12 Wonen Eerst is een preventieve aanpak voor het voorkomen van opvang in de MO. Het gaat hier om een groep

dakloze inwoners die relatief lichte problematiek heeft. De ‘Wonen eerst’ methodiek is iets anders dan Housing first, waarbij het juist gaat om een groep met een zeer complexe zorgvraag die al op allerlei plekken heeft gezeten. Zij krijgen een woning met zeer zware begeleiding.

41

7.

Bemoeizorg / zorg & veiligheid

Samenvatting: • Het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg (CvTB) biedt een integraal hulpaanbod voor mensen met complexe problemen. Farent, Reinier van Arkel, Cello, Novadic-Kentron en Maatschappelijke Opvang werken hierin samen. Het CvTB heeft een meldfunctie voor inwoners, hulpverleners en instanties. Ook voeren zij consultaties uit en indien nodig zorgtrajecten. • Het CvTB heeft in 2022 in totaal 734 inwoners geholpen. Dat zijn er minder dan voorgaande jaren. In 2022 waren er 517 nieuwe aanmeldingen. Ook de instroom van cliënten neemt de afgelopen jaren af en is lager dan verwacht. Volgens de prognose zal het aantal aanmeldingen voor het jaar 2023 weer hoger uitkomen. • Net als de instroom zien we ook dat de uitstroom van cliënten bij het CvTB in 2022 lager is dan voorgaande jaren. • Vanaf januari 2020 is er de Wet verplichte GGz (Wvggz). Het Crisis- en Interventie Team (CIT) van Farent voert hiervoor de meeste taken uit. De rol van het CvTB is het triageren en uitvoeren van verkennend onderzoek. En bijvoorbeeld advisering over mogelijke andere opties voor dwang en drang. In 2022 zijn er in de regio 46 meldingen Wvggz binnengekomen, waarvan er voor 34 een zorgmachtiging is aangevraagd. • Het CIT is 24/7 bereikbaar en inzetbaar voor mensen die (acuut) psychosociale ondersteuning nodig hebben.

Het CIT werkt veel samen met het CvTB en zij hebben vaak te maken met dezelfde cliënten. In 2022 deed het CIT in totaal 1.821 interventies. Dit aantal nam afgelopen jaren toe.

7.1

Ambitie

In de regiovisie staat de volgende ambitie voor ‘bemoeizorg/zorg & veiligheid’: We leiden mensen die het écht nodig hebben toe naar de juiste zorg en ondersteuning (bemoeizorg) en voeren regie op de snijvlakken van zorg en veiligheid. Dit betekent: • Er zijn afspraken gemaakt over de afstemming tussen bemoeizorg en de lokale teams. • De verantwoordelijkheid voor casuïstiek op het snijvlak van zorg en veiligheid is in elke regiogemeente belegd. • De expertise op het gebied van zorg en veiligheid is gebundeld.

7.2

Het CvTB

Organisatie en rol Het Centrum voor Trajecten en Bemoeizorg (CvTB) biedt een integraal hulpaanbod voor mensen met de meest complexe problemen. Medewerkers van Farent, Reinier van Arkel, Cello, NovadicKentron en Maatschappelijke Opvang werken hierin samen. Het CvTB werkt vanuit twee teams, een stadsteam voor gemeente ’s-Hertogenbosch en een regioteam voor de overige gemeenten. De teams bieden zelf hulp. Ook wordt hun expertise breder ingezet om vastgelopen cliëntsituaties weer in beweging te krijgen. En ze verzorgen en bewaken de toeleiding naar passende zorg en behandeling. Het CvTB biedt geen langdurende zorg of regie. Maar probeert met korte en soms zeer intensieve interventies cliënten weer op de rails krijgen. Ook ondersteunt het CvTB hulpverleners bij andere thema’s, zoals zorgmijding, cliënten die tussen wal en schip komen,

42

vastgelopen zorg, woonoverlast, woningvervuiling en het grensgebied van zorg met veiligheid. Het CvTB heeft een belangrijke signalerende en verbindende rol. Meldfunctie Inwoners, hulpverleners en instanties kunnen met zorgmeldingen bij het CvTB terecht. Bij het meldpunt wordt beoordeeld of het CvTB de aangewezen plek is om met de melding aan de slag te gaan. Als dat niet zo is, wordt altijd informatie en advies gegeven om de melder op weg te helpen. Het meldpunt werkt nauw samen met de meldpunten van Reinier van Arkel voor de GGzcrisisdienst en van Farent voor het CIT (Crisis- en Interventie Team). Crisisvragen van nieuwe cliënten pakt het CvTB meestal niet zelf als eerste op. Wel is het CvTB beschikbaar voor de andere crisisdiensten en gaat mee als hun expertise waarde toevoegt. Hierover zijn afspraken gemaakt tussen de verschillende diensten. Consultatie Het CvTB streeft ernaar dat in ongeveer de helft van de gevallen een aanmelding leidt tot een consult. In 2022 werd 49% van de casussen afgesloten als consult. Bij een consult wordt volgens een duidelijk omschreven werkproces een systematische, multidisciplinaire inventarisatie van de situatie gemaakt. Ook zet het CvTB stappen om te zorgen dat de juiste mensen en instellingen met de casus verder kunnen. En verzorgen zij zo nodig aanvullende consultatie om die inzet te ondersteunen.

De consultfunctie wordt toegepast bij casuïstiek die weliswaar hoogcomplex is maar die, met ondersteuning, ook door anderen kan worden opgepakt. Trajecten In situaties waar na onderzoek blijkt dat dit voor het realiseren van een sluitend en aansluitend zorgaanbod nodig is, zal een volledig CvTB-traject worden gestart. Dit was in 2022 het geval voor 51% van de casussen. Er wordt dan een integraal plan van aanpak opgesteld en uitgevoerd. In het trajectplan is aandacht voor het opheffen van zorgmijding, noodzakelijke interventies door het CvTB, toeleiding naar passende vervolg-hulpverlening op meerdere levensgebieden, en versterken van de eigen herstelmogelijkheden van cliënten en hun omgeving. Nazorg en monitoring Waar nodig wordt gevolgd of het uitgezette traject en de behaalde resultaten vastgehouden worden. Dit betekent enerzijds nazorg voor de cliënt en anderzijds monitoring van de vervolghulpverlening.

7.3

Cijfers 2022

Instroom neemt afgelopen jaren af In 2022 kreeg het CvTB 517 aanmeldingen binnen. Dat zijn er minder dan voorgaande jaren en minder dan de verwachte instroom van 580. Voorgaande jaren was de instroom juist hoger dan verwacht. Volgens prognose komt het aantal aanmeldingen in 2023 weer hoger uit, namelijk op zo’n 630. Tot 1 juli 2023 waren er al 318 aanmeldingen. Er zijn veel verschillende organisaties of personen die iemand kunnen aanmelden bij het CvTB. In 2022 kwamen, net als in 2020 en 2021, de meeste meldingen van wijk- en gebiedsteams (19%). Daarnaast zijn het ook vaak familie/vrienden/systeem (10%), Farent/AMW-organisatie (10%) en woningcorporaties (9%) die een melding doen. Maar ook veel andere instanties, zoals politie, GGD, Reinier van Arkel, huisartsen en Wmo-aanbieders melden mensen aan.

43

Figuur 14 Instroom cliënten CvTB

Figuur 15 Aantal cliënten CvTB

1200

1.200 1.021

1000

991

927

1.000

800

660

621

601

517

600

734

800

400

600

200

400

0 2019

2020

2021

2022

200

instroom (werkelijk)

0

instroom (verwacht)

2019

Bron: CvTB

2020

2021

2022

Bron: CvTB

In 2022 ruim 700 inwoners geholpen door het CvTB Het CvTB hielp in 2022 in totaal 734 cliënten. Het aantal cliënten neemt de laatste jaren af. In 2022 was 68% van de cliënten man en 32% vrouw. Dit komt redelijk overeen met voorgaande jaren. Ook zijn in 2022 net als de jaren daarvoor de meeste cliënten (66%) alleenstaand. Bij 17% gaat het om een huishouden met thuiswonende kinderen tot 23 jaar. Meeste cliënten komen uit ’s-Hertogenbosch In tabel 5 is te lezen hoe het aantal cliënten verdeeld is over de verschillende gemeenten. Het gaat om cliënten die op 31 december in zorg waren. In 2022 kwam zo’n twee derde van hen uit ’s-Hertogenbosch. Voor de andere gemeenten lag het aandeel tussen de 3% en 10%. In gemeente ’s-Hertogenbosch nam het aantal cliënten afgelopen jaren af, terwijl dit in de meeste regiogemeenten in 2022 hoger ligt dan in 2021, behalve in Zaltbommel en Sint-Michielsgestel. Tabel 6 Aantal cliënten per gemeente, 31 december Gemeente

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b2afb9db-d3cc-4f3c-998b-347993b9187a