CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Buitengebied Erp herziening Hool 41_Bijlagen bij de toelichting, met dialoog (4)

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Erp herziening Hool 41'16.586 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BUITENGEBIED ERP, HERZIENING HOOL 41 bestemmingsplan

Buitengebied Erp, herziening Hool 41 bestemmingsplan NL.IMRO.1948.BGV000BP0022023P-ON01 Ontwerp

Functie Projectleider(s)/Adviseur(s) F.C.J.L. Klomp-Pullens Adviseur ROM in collegiale samenwerking met: De Omgevingsadviseurs

Datum: 9 maart 2023

2

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Stedenbouwkundig plan Landschappelijk inrichtingsplan Quickscan flora en fauna Verslag omgevingsdialoog Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek AERIUS berekeningen

5 6 9 20 59 84 97 137

3

4

Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Stedenbouwkundig plan

6

82

Hool

278-N-82

BEDRIJFSWONING 615M3 OVERKAPPING 69M2 BIJGEBOUW 58M2

83

VELDSCHUUR 87M2 MEETRAPPORT DLV 13-11-2020

278-N-83

STALLEN 2027M2 MEETRAPPORT DLV 13-11-2020 AGRA 36

RISCH

BOUW V

LAK IN

TENSIE

VE VE

EHOU

DERIJ

69 278-N-69

192 278-N-192

N

152 278-N-152

38

SITUATIE

OPSLAG 8M2

KELDONK GEMEENTE MEIERIJSTAD

SCHAAL 1/500 0m

5m

10m

15m

20m

SIEVE V

EEHO

UDER

IJ

SECTIE N NUMMER 152

VEEHO

VLAK

UDERIJ

BESTAANDE SITUATIE

BOUW

U WVL AK IN TENSIE VE

INTEN

AGRA RISCH BO

Hool

AGRA

RISCH

Cruijgenstraat 21 5469 BS Erp T 0413 211758 E info@vanhoutumarchitecten.nl I www.vanhoutumarchitecten.nl

AANVRAGER

85

blad 1

PLAN

Van Schaijck V.O.F. Hool 41 5469 KC Erp

franja1@kpnplanet.nl jan_gert@hotmail.com / 06 43029404

Herbestemming varkenshouderij aan Hool 41 Erp

getekend :

schaal

:

1/500

datum

:

4 oktober 2021

werknr.

:

2183

278-N-85

Alle opdrachten worden uitsluitend uitgevoerd onder toepasselijkheid van de Standaardvoorwaarden De Nieuwe Regeling 2011 Rechtsverhouding opdrachtgever - architect, ingenieur en adviseur (DNR 2011). DNR 2011 is gedeponeerd ter griffie bij de rechtbank te Amsterdam onder nummer 78/2011/nummer 56/2013. Deze tekening mag zonder onze toestemming niet worden vermenigvuldigd of aan derden ter inzage worden gelegd.

153 278-N-153

82 278-N-82

WONING 1000M3 750M3 REGULIER + 250M3 SLOOPBONUS (DOOR SLOOP 500M2)

TOTALE SLOOP INZET VOOR SLOOP-BONUS REGELING

2122M2 800M2

RESTANT 1322M2 INBRENG VOOR RvR TITEL 1,32RvR TITEL

1322M2

83 278-N-83

Hool

BIJGEBOUW 300M2 150M2 REGULIER + 150M2 SLOOPBONUS (DOOR SLOOP 300M2)

BESTE M

36

INKOR

TEN

MING SVLAK WONE N

145M 3

240M3

615M 3

69 278-N-69

192 278-N-192

BESTE M

SVLAK

SLOOP 87M2

WONE

N

N

BESTE MMIN GSVLA

MING

152

K WO

278-N-152

NEN

SLOOP 2027M 2

SLOOP 8M2 38

SITUATIE KELDONK GEMEENTE MEIERIJSTAD SECTIE N NUMMER 152 SCHAAL 1/500 0m

5m

10m

15m

20m

VOORLOPIG ONTWERP

blad 2

Hool

Cruijgenstraat 21 5469 BS Erp T 0413 211758 E info@vanhoutumarchitecten.nl I www.vanhoutumarchitecten.nl

AANVRAGER

85

PLAN

Van Schaijck V.O.F. Hool 41 5469 KC Erp

franja1@kpnplanet.nl jan_gert@hotmail.com / 06 43029404

Herbestemming varkenshouderij aan Hool 41 Erp

getekend :

schaal

:

1/500

datum

:

4 oktober 2021

werknr.

:

2183

278-N-85

Alle opdrachten worden uitsluitend uitgevoerd onder toepasselijkheid van de Standaardvoorwaarden De Nieuwe Regeling 2011 Rechtsverhouding opdrachtgever - architect, ingenieur en adviseur (DNR 2011). DNR 2011 is gedeponeerd ter griffie bij de rechtbank te Amsterdam onder nummer 78/2011/nummer 56/2013. Deze tekening mag zonder onze toestemming niet worden vermenigvuldigd of aan derden ter inzage worden gelegd.

153 278-N-153

Bijlage 2

Landschappelijk inrichtingsplan

9

Hool 41 Erp Toelichting landschapsplan DOEL

Landschappelijke verantwoording

DATUM

31 januari 2022

BESTAANDE SITUATIE Het perceel aan Hool 41 te Erp betreft een bedrijfswoning uit de jaren 90 met achter de woning op enige afstand van de weg Hool de schuren voor het houden van varkens. Via één inrit ten noorden van de woning zijn de schuren en het bijgebouw achter de bedrijfswoning te bereiken. De inrit wordt begeleid door houtsingel van inheemse beplanting.

Beeld vanuit noord op plangebied

Beeld vanuit zuid op plangebied

De tuin rondom de bedrijfswoning is groen met inheemse hagen van liguster. Naast de woning liggen enkele weides voor kleindieren. De straat Hool is een rustige smalle landweg met laanbomen van eiken.

Derpt 15, 5476 VW Vorstenbosch – T: (06) 26949922 – info@vandoorenlandschap.nl NL26 KNAB 0257 6373 54 – KvK-nr 72334843 – www.vandoorenlandschap.nl -1-

Luchtfoto huidige situatie met kadastrale ondergrond (bron: PDOK.nl)

UITGANGSPUNTEN • Overtollige bebouwing en verharding wordt gesloopt en afgevoerd; • De bedrijfswoning op het agrarisch bouwblok wordt burgerwoning met tuin; • Een nieuw bijgebouw van 300m² voor ZZP-werken, opslag van hooi, het houden van kleindieren en het stallen van aanhangers.

-2-

LANDSCHAPSPLAN De schuren en overtollige verharding wordt gesloopt. Het maaiveld wordt hersteld en aangesloten op de naaste omgeving. De noordelijke bestaande houtsingel vormt de nieuwe drager van het plan. Parallel aan de singel ligt de verharding naar de bestaande woning en het nieuwe bijgebouw. Het nieuwe bijgebouw staat achter op het perceel. Door in de diepte van het perceel te werken, beleeft men vanaf de straat Hool zoveel mogelijk zicht op het open landschap. De randen van de tuin worden afgeschermd met hagen. Deels is dit een bestaande haag (voorzijde) en deels wordt dit een nieuwe. Achter de woning mag de haag hoger worden, indien privacy gewenst is. Het nieuwe bijgebouw wordt aan de achterzijde groen omkaderd door een nieuwe houtsingel. Dit is de beëindiging van de kavel. Drie landschapsbomen staan strategisch rondom het bijgebouw, om het dakvlak vanuit het landschap te verachten. Rondom het bijgebouw is voldoende ruimte om met agrarisch werktuig het achterliggende weiland te bereiken.

Landschapsplan, zie Bijlage I voor maatvast ondergrond

-3-

Referentie houtsingel

Referentie haag

BEPLANTINGSPLAN Voor de nieuwe en bestaande beplanting is een beplantings- en beheerplan opgesteld.

Beplantingsplan, zie Bijlage II voor maatvast ondergrond

-4-

Lage haag 40x0,5m 160st Aanleg: In de bestaande situatie staat een ligusterhaag. Deze kan gehandhaafd blijven. Indien de haag vervangen wordt/aangevuld wordt kan men kiezen uit de volgende soorten: Groene beuk (Fagus sylvatica), Haagbeuk (Carpinus betulus) of Liguster (Ligustrum vulgare). De haag aanplanten in grootte 60/80, in 1 rij en met onderlinge afstand van 0,25m. Beheer • Knip- en/of scheerwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart; • De beheereenheid wordt in een cyclus van minimaal eenmaal per 2 jaar en maximaal tweemaal per jaar gesnoeid (geknipt/geschoren). Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,7 meter en maximale hoogte van 1,2m; • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop; • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element; • Het element mag niet worden beschadigd door vee; • Niet branden in of in de directe omgeving van het element. Hoge haag 57x1,0m 228st Aanleg: Aanleg van een nieuwe haag. Men kan kiezen uit de soorten Groene beuk (Fagus sylvatica), Haagbeuk (Carpinus betulus), Liguster (Ligustrum vulgare) of Hulst (Ilex aquifolium) als solitair of gemengd. De haag aanplanten in minimale grootte 120/140, in 1 rij en met onderlinge afstand van 0,25m.

Beheer • Knip- en/of scheerwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart; • De beheereenheid wordt in een cyclus van minimaal eenmaal per 2 jaar en maximaal tweemaal per jaar gesnoeid (geknipt/geschoren). Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,7 meter en maximale hoogte van 2,0m; • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop; • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element; • Het element mag niet worden beschadigd door vee; • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

-5-

Nieuwe landschapsboom 3st Aanplant • Boom planten in ruim plantvak en goed verankeren. Keuze uit de soorten op aangewezen locatie landschapsplan: - Quercus robur (Zomereik) 16-18 - Prunus avium (Kers) 16-18 - Carpinus betulus (Haagbeuk) 16-18 - Tilia vulgaris (Hollandse linde) 16-18 - Castanea sativa (Tamme kastanje) 16-18 Beheer • Zieke en beschadigde takken verwijderen en afvoeren; • Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart; • Het element mag niet worden beschadigd door vee; • Bij versnipperen van het takhout worden de snippers niet in het element verwerkt. Deels nieuwe houtsingel 80x2m bestaande houtsingel 26x5m nieuwe houtsingel Minimaal 83st Aanleg • De nieuwe houtsingel is te realiseren middels de aanplant van 2- jarig bosplantsoen, groepsgewijs in kruiselings plantverband van 1,25 x 1,25m. De bestaande houtsingel wordt daar waar nodig aangevuld met nieuw bosplantsoen 15% Crataegus monogyna (Gewone meidoorn) 15% Viburnum opulus (Gelderse roos) 15% Rhamnus frangula (Vuilboom) 15% Corylus avellana (Hazelaar) 10% Cornus mas (Gele Kornoelje) 15% Cornus sanguinea (Rode Kornoelje) 15% Amelanchier lamarckii (Amerikaanse krent) Beheer: • Het element kan vrij uitgroeien en wordt 1x per 7 jaar, voor 40% teruggezet (hakhoutbeheer). • Overhangende takken aan de zijkanten mogen teruggesnoeid worden.

• Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart. • Bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaats vinden. • Bij versnipperen van het takhout worden de snippers niet in het element verwerkt. • Chemische bestrijdingsmiddelen worden niet gebruikt. • Bij schade aan het landschapselement wordt de schade hersteld.

-6-

Bijlage I Landschapsplan Hool 41 Erp

-7-

Bijlage II Beplantingsplan Hool 41 Erp

-8-

Bijlage 3

Quickscan flora en fauna

20

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Locatie: Hool 41 Erp Rapportnummer: 2022-BE-0242 In opdracht van: van Schaijk V.O.F. Hool 41 5469 KC Erp

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2022-BE-0242 Opdrachtgever Van Schaijk V.O.F. Contactpersoon De heer F. van Schaijk Mevrouw F. Klomp (DLV-advies) Locatie Hool 41 5469 KC Erp Auteur Frenk van de Wal

Opleverdatum 11 februari 2022

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.

INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4

2.

BELEIDSKADER .............................................................................................................. 5 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 5 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 7 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 7

3.

PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 8 3.1 Huidige situatie ..................................................................................................................... 8 3.2 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 9

4.

PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 12 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 12 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 13 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 13

5.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 15 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 15 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 17

6.

RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 24 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 24 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 24

7.

BRONNEN ................................................................................................................... 25

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

SAMENVATTING

Opdrachtgever is voornemens om de intensieve varkenshouderij aan de Hool 41 te Erp te beëindigen. Daardoor zullen de aanwezige varkensstallen worden gesloopt en zal het huidige bestemmingsplan worden omgezet. De bedrijfswoning zal worden omgezet naar een burgerwoning. De veldschuur en varkensstallen worden gesloopt, waarna er een nieuwe schuur voor teruggebouwd zal worden. De op het perceel gevestigde intensive varkenshouderij zal volledig verdwijnen waardoor er een verbetering van de milieukwaliteit zal plaatsvinden door het definitief vervallen van geurhinder, ammoniakemissie en uitstoot van stikstof. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.

Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. De te slopen bedrijfsgebouwen zijn volledig afgesloten voor eventuele toegang voor beschermde diersoorten. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief verbeteren wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco Februari 2022

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

1. INLEIDING EN ONDERZOEK

1.1 Aanleiding Opdrachtgever van Schaijk V.O.F. is voornemens om de aan Hool 41 te Erp gevestigde intensieve varkenshouderij te beëindigen. Er zullen ter plaatse geen dieren meer gehouden gaan worden en geen agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. De huidige bedrijfswoning zal worden herbestemd als een burgerwoning, daarnaast zal de intensieve varkenshouderij verdwijnen en zullen de stallen worden gesloopt. Op een nader te bepalen plaats zal een ruimte-voor ruimte kavel worden gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.

1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?

1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

2. BELEIDSKADER

De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.

2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.

2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.

2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

o

o

Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.

2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).

Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.

2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.

2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming

2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.

2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

7

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING

3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan Hool 41 te Erp in het buitengebied van de gemeente Meijerijstad. Meijerijstad is ontstaan door het samenvoegen van de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel en heeft ongeveer 80.000 inwoners. Naast de hoofdplaats Veghel bestaat de gemeente uit de kerngebieden: Schijndel, Sint-Oedenrode, Erp, Nijnsel, Zijtaart, Boskant, Mariaheide, Eerde, Wijbosch, Keldonk, Olland en Boerdonk. Het plangebied bind zich op 3,2 kilometer ten zuidoosten van de kern van Veghel, op 3,3 kilometer ten zuidwesten van Erp en op 5.9 kilometer ten noordoosten van Sint-Oedenrode. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit burgerwoningen, agrarische percelen en bedrijfsbestemmingen. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Veghel Erp

Sint-Oedenrode Beek en Donk Mariahout Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.

Het plangebied bestaat uit agrarische bebouwing met een bedrijfswoning omgeven door een gecultiveerde tuin. Aan de noordzijde van het plangebied is een houtsingel naast een verharding om de stallen te bereiken. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

8

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.

3.2 Voorgenomen ontwikkeling Het intensieve varkenshouderijbedrijf op de locatie zal in zijn geheel worden beëindigd. Er zullen ter plaatse geen dieren meer gehouden gaan worden en geen agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. De intensieve varkenshouderij zal volledig verdwijnen. De stallen en overtollige erfverharding zullen worden gesloopt. Het maaiveld zal worden hersteld en aangesloten op de naaste omgeving. Met het ontmantelen van de intensieve veehouderij op deze locatie wordt er door de sloop van de bedrijfsbebouwing en verharding een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst geboekt. Ook zal er een verbetering van de milieukwaliteit optreden door het definitief vervallen van geurhinder, ammoniakemissie en uitstoot fijn stof. In de beoogde situatie zal de huidige bedrijfswoning worden herbestemd als een burgerwoning. De overkapping en het bijgebouw worden bij de woning betrokken. De aanwezige veldschuur en de varkensstallen zullen volledig worden gesloopt, waarna een nieuwe schuur zal worden gebouwd met een oppervlakte van 300m2 voor ZZP-werken, opslag van hooi, het houden van kleinvee en het stallen van aanhangers. Ter plaatse zal worden voorzien in een goede en bij het gebied passende landschappelijke inpassing.

Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande elementen op het perceel en in de omgeving en wordt zo goed mogelijk aangesloten op de huidige in het gebied en het landschap voorkomende structuren. In onderstaande afbeeldingen worden de bestaande en beoogde situatie schematisch voorgesteld.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

9

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

Bestaande situatie. Bron: van Houtum architecten

Beoogde situatie. Bron: van Houtum architecten

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

10

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 Het nieuwe bijgebouw wordt aan de achterzijde groen omkaderd door een nieuwe houtsingel. Dit is de beëindiging van de kavel. Rondom het bijgebouw is voldoende ruimte om met agrarisch werktuig het achterliggende weiland te bereiken.

Landschappelijk inpassingsplan. Bron: van Dooren landschap

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

11

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN

Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.

Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl, zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.

gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

12

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

4.2 Veldonderzoek Op maandag 7 februari 2022 in de voormiddag heeft ecoloog Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren licht bewolkt met een westenwind met windkracht 4 en droog in een regenachtige periode. De gemiddelde temperatuur lag rond de 5 graden Celsius. Het onderzoek vond dus onder winterse omstandigheden plaats, waarin veel natuurwaarden teruggetrokken zijn. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.

Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bebouwing is zowel aan de binnenzijde als buitenzijde uitgebreid visueel onderzocht.

4.3 Beschrijving plangebied Het perceel aan Hool 41 te Erp betreft een bedrijfswoning uit de jaren 90 met achter de woning op enige afstand van de weg Hool de stallen voor het houden van varkens. Via één inrit ten noorden van de woning zijn de stallen en het ervoor staande bijgebouw achter de bedrijfswoning te bereiken. Ook rondom de loods is een verharding van betonklinkers. De inrit aan de noordgrens van het plangebied, welke doorloopt tot achter naast de stallen, is aangeplant met een houtsingel van inheemse beplanting, met vooral eik, els en berk. De tuin rondom de bedrijfswoning is groen met inheemse hagen van liguster. Naast de woning liggen enkele weides. De straat Hool is een rustige smalle landweg met laanbomen van eiken. De varkensstallen zijn uitbreidend gebouwd tussen 1983 en 2000 en zijn sinds januari 2020 niet meer in gebruik voor het intensief houden van varkens.

Voorzijde (oosten) stallen

Achterzijde stallen (westen)

De twee stallen zijn gebouwd met een muur van steen en een, deels asbesthoudend, dak van golfplaten in zadeldakvorm. De spouwmuren zijn volledig gesloten en zonder stootvoegen, naden of kieren. In de kopgevels van de stallen bevind zich de luchtinlaat, welke gesloten zijn met vogelgaas. De dak overstekken zijn strak tegen de gevels geplaatst. Alle golven van de golfplaten zijn afgesloten met vogelschroot. Aan de zuidzijde is een niet geïsoleerde overkapping aangebouwd voor de uitloop van guste zeugen. Voor de stallen staat een kleine opslagplaats van 8 m2 met halfsteense muren en een golfplaten dak.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

13

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

De stallen zijn volledig leeg, de inventaris is grotendeels verwijderd en de stallen worden bezemschoon gehouden.

Tussen stallen in

Binnenzijde stal

Tussen de bedrijfswoning en de stallen bevind zich een open loods, welke gebruikt wordt voor de opslag van landbouwmachines en voeders voor kleinvee. De kopgevels zijn van een spouwmuur welke geheel gesloten is en verder bestaat de loods uit een halfsteense muur met een dak van golfplaten op stalen spanten en houten gordingen. De loods heeft de vorm van een kapschuur, is niet geïsoleerd en aan de westzijde volledig open. Aan de noordelijke kopgevel is een kleine overkapping gebouwd. De bedrijfswoning met bijgebouw en overkapping, welke niet gesloopt gaan worden, maar behouden blijven, hebben een stenen spouwmuur met een in zadel- en wolfsdak vorm pannen dak. In de tuin hangen enkele nestkasten voor algemene kleine tuinvogels, die dagelijks gevoerd worden. Er zijn huismussen waargenomen die nesten hebben onder het pannendak van de woning en schuilmogelijkheden in de tuin met diverse struiken en beukenhagen.

Loods

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Achterzijde woning, met links loods

14

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN

Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.

5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 17.3 kilometer afstand van gronden die tot Natura 2000 gebied Strabrechtse Heide & Beuven behoren. Op 18,2 kilometer naar het westen bevind zich natura 2.000 gebied Kampina & Oisterwijkse vennen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in groen en geel aangegeven.

Minimaal 17,3 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000

Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Atlasleefomgeving.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

15

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius berekening kan dit staven.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied grenst nagenoeg direct aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Aan de achterzijde van het perceel, waarin het plangebied gelegen is, bevindt zich een bos met enkele poelen. Daarom heen ligt een beheertype droog bos met productie. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN gebieden in de kleuren groen, rood, blauw, geel en bruin.

Minimaal 280 meter afstand tussen te slopen stallen en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland

Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant.

In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt aangrenzend aan NNN gebied. De werkzaamheden zijn echter van een zodanige aard en altijd op minimaal 280 meter afstand van het NNN gebied zodat er waarschijnlijk geen deel van het NNN gebied wordt aangetast. Met een compensatietoets kan bepaald worden of en welke aanvullende maatregelen getroffen moeten worden wegens de verstoring van het NNN gebied maar de significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

16

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242

5.2 Soortenbescherming 5.2.1 Flora Volgens de NDFF, project Hool met nummer BE-0242 d.d. 01-02-2022 zijn er geen binnen een straal van 1 kilometer en 3 beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal 5 kilometer van het plangebied. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Kartuizer anjer Kruipend moerasscherm Ruw parelzaad

Afstand plangebied 5 km 5 km

5 km

Habitat Grasland, in bermen en op rotsachtige plaatsen zonnige, open plekken op natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, zwak zure veen- of kleibodems, die ’s winters ondiep overstroomd worden. Akkers, op omgewerkte en braakliggende grond, in bermen en op spoorwegterreinen, op oeverwallen en stroomruggen langs rivieren

5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er 19 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 6 vleermuissoorten, 5 marterachtigen en 8 overige soorten. Binnen een straal van 1 kilometer betreft dit enkel de das en de egel. Vleermuizen De NDFF-gegevens melden binnen de 1 km-straal geen vleermuizen. Binnen de 1-5 km worden meerdere vleermuissoorten vermeld. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer zijn te vinden in de onderstaande tabel.

Vleermuis soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis

Afstand plangebied 5 km

Habitat en bescherming

1 km

Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd

1 km 1 km 1 km 1 km

Vooral bebouwing, soms bomen, strikt beschermd Vaak bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd

Vooral bebouwing, strikt beschermd

Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied zijn geen bomen met geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

17

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De stallen bevatten geen potentiële invliegopeningen voor vleermuizen. De spouwmuren bevatten geen stootvoegen of andere openingen en zijn aan de bovenzijde afgesloten met een muurplaat, waardoor geen gaten en kieren aanwezig die vleermuizen de kans bieden de spouw te betreden. Ook zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals een holle ruimte achter loodslab, windveer of boeiboord, in het plangebied waargenomen. De ruimte achter de windveren van het golfplaten dak is afgesloten met een extra lat. Het woonhuis toont alleen geschikte verblijfsmogelijkheden onder de dakpannen die aanvliegbaar zijn via overhangende zijgevelpannen. Echter de dakpannen hangen over op glad houtwerk waarop vleermuizen moeilijk grip kunnen krijgen bij aanlanding. Omdat het woonhuis behouden blijft zullen deze eventuele verblijfplaatsen ook behouden blijven. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Het is niet uitgesloten dat de eikenbomenlaan aan Hool fungeert als vaste vliegroute voor vleermuizen.

Het plangebied vormt aan de randen foerageergebied van redelijke kwaliteit voor vleermuizen. Met de beoogde herontwikkeling blijven alle groenstructuren behouden en worden nadien versterkt door de landschappelijke inpassing. De foerageermogelijkheden voor vleermuizen zullen daarmee verbeteren. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens het NDFF aanwezig kunnen zijn binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Boommarter Bunzing Das Steenmarter Wezel

Afstand plangebied 5 km 5 km 1 km 5 km 5 km

Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd

Boommarter De schuilplaats van de boommarter bestaat meestal uit een holle boom, de nestplek evenzeer en hun leefgebied bestaat doorgaans uit bos. Zowel loof- als naaldbos en gemengd bos, jong en oud. Toch wagen ze zich ook buiten bosgebieden, maar bomen zijn nooit ver weg. De dieren leven solitair en kunnen goed zwemmen. ’s Nachts legt een boommarter 2 tot 20 kilometer af. Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

18

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. Het plangebied is te opgeruimd en de stallen worden bezemschoon gehouden. Daardoor zijn er voor marterachtigen geen ruigtehoekjes aanwezig om te schuilen.

De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van deze. Er zijn geen geschikte ingangen voor marterachtigen om de stallen te betreden, waardoor er geen schuilplaatsen voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn in de stallen. Zodoende is het uitgesloten dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het leefgebied van marterachtigen. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied.

Overige soort Bever Damhert Eekhoorn Egel Haas Konijn Rosse Woelmuis

Afstand plangebied 5 km 5 km 5 km 1 km 5 km 5 km 5 km

Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld

Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever of het damhert. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

19

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De bomen blijven behouden waardoor vleermuizen in het plangebied kunnen blijven foerageren en dit zal met het slopen van de stallen verbeteren. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen geen marterachtigen voor. Daarnaast is het uit te sluiten het plangebied onderdeel is van de essentiële leefomgeving van bevers, damherten en eekhoorns. Het is mogelijke dat er een enkel individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.

5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.

Soort Afstand Bescherming categorie* en habitat plangebied Boomvalk 5 km 4, boom bewonend Buizerd 1 km 4, boom bewonend Gierzwaluw 5 km 2, gebouw bewonend Grote gele kwikstaart 1 km 3, boom of gebouw bewonend Havik 5 km 4, boom bewonend Huismus 1 km 2, gebouw bewonend Kerkuil 5 km 3, gebouw bewonend Ooievaar 5 km 3, boom of gebouw bewonend Ransuil 5 km 4, boom bewonend Roek 1 km 2, boom bewonend Slechtvalk 1 km 3, gebouw bewonend Sperwer 1 km 4, boom bewonend Steenuil 1 km 1, gebouw bewonend Wespendief 1 km 4, boom bewonend Zwarte wouw 5 km 4, boom bewonend * Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4.

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

20

Ecologische quickscan Hool 41 Erp BE-0242 Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Op de planlocatie zou de bedrijfswoning de enige plaats kunnen zijn waar een gierzwaluw zich eventueel zou kunnen nestelen als deze in een meer bebouwde omgeving zou staan. De woning blijft zoals deze is dus blijft ook deze eventuele biotoop bestaan. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Tevens is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen.

Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek huismussen waargenomen in de tuin achter het woonhuis. Deze huismussen hebben schuilmogelijkheden in de struiken en hagen in de tuin en het pannendak van het woonhuis is geschikt voor nestelende huismussen. In de te slopen gebouwen zijn geen mogelijkheden voor huismussen om nesten te maken. De bedrijfsgebouwen hebben dienst gedaan in het professioneel en intensief huisvesten van varkens. Zodoende zijn er altijd afdoende maatregelen genomen om andere dieren buiten te sluiten van deze varkensstallen. Om de bio-security van het bedrijf te waarborgen zijn alle stallen rondom voorzien van vogelschroot en zijn alle luchtinlaten ook afgeschermd voor dieren. De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van de gebouwen. Het woonhuis met tuin en hagen zullen immers geschikt blijven voor de huismussen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=6da38d63-66e4-4abc-9942-18c39e9fe74e