Bijlage 1a - Buitengebied Erp, herziening Gerecht 2- 2a_Toelichting
Tekst van het document
Buitengebied Erp, herziening Gerecht 2- 2a
bestemmingsplan Buitengebied Erp, herziening Gerecht 2- 2a
Inhoudsopgave
Toelichting
2 echt 2- 2a" (ontwerp)
3
bestemmingsplan "Buitengebied Erp, herziening Ger
bestemmingsplan Buitengebied Erp, herziening Gerecht 2- 2a
Toelichting
bestemmingsplan "Buitengebied Erp, herziening Gerecht 2- 2a" (ontwerp) 3
Toelichting Bestemmingsplan ‘Buitengebied Erp, herziening Gerecht 2-2a’
Gemeente Meierijstad
Colofon
Plangebied: IMRO-code:
Gerecht 2-2a, Keldonk NL.IMRO.1948.BGV000BP0092023P-ON01
Datum:
18-12-2023
Opgesteld door:
Van Dun & Van Gerwen BV Heijtmorgen 10 5375 AN Reek T. 0486 450 160 E. info@vandun-vangerwen.nl I. www.vandun-vangerwen.nl
Projectnummer:
921126.003 / SL
2 van 45
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 8
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 9
3. Beleidskader................................................................................................... 10 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 10
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 10 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 10
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 15
3.2.1. 3.2.2.
Beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’ .......................................................... 15 Bestemmingsplan ..................................................................................... 16
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 19 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 19
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 19
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 23
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Provincie ................................................................................................. 19 Waterschap Aa en Maas ............................................................................ 20 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 22 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 23 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 23 Wet natuurbescherming ............................................................................ 24
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 26
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 26 Archeologie .............................................................................................. 27
4.5.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 27
4.6.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 28
4.7.
Spuitzones ..................................................................................................... 28
4.8.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 29
4.9.
Geur .............................................................................................................. 29
4.9.1. 4.9.2. 4.10.
Omgekeerde werking ................................................................................ 30 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 30 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 31
3 van 45
4.10.1. 4.10.2.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 31 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 33
4.11.
Geluid ......................................................................................................... 34
4.12.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 34
4.13.
Externe veiligheid ........................................................................................ 35
4.13.1. 4.13.2. 4.14.
Regelgeving ............................................................................................. 35 Toetsing aan beleid .................................................................................. 36 Volksgezondheid .......................................................................................... 40
4.14.1.
Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden................................... 40
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 41 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 41
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 41
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 42
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 43 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 43
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 43
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 43 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 43
7. Bijlagen .......................................................................................................... 44 Bijlage 1: Landschappelijke inpassing.......................................................................... 44 Bijlage 2: Kwaliteitsverbetering berekening ................................................................. 44 Bijlage 3: m.e.r.-aanmeldnotitie ................................................................................. 44 Bijlage 4: AERIUS gegevens ....................................................................................... 44 Bijlage 5: AERIUS toelichting...................................................................................... 44 Bijlage 6: Quickscan flora & fauna .............................................................................. 44 Bijlage 7: Bodemonderzoek Silt .................................................................................. 44 Bijlage 8: Historische toets vrijstelling ......................................................................... 44 Bijlage 9: Machtiging ................................................................................................. 44
4 van 45
1. Inleiding
In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Het plangebied, gelegen aan Gerecht 2-2A te Keldonk, is onlangs door de initiatiefnemer gekocht. In het verleden was een melkrundveebedrijf gevestigd op de locatie. Vanaf 2001 is de milieuvergunning voor het houden van rundvee ingetrokken en staan en zijn er 10 paarden vergund op de locatie. Op de locatie is een bouwvlak aanwezig van 4.214 m2 met daarbinnen een woning en een voormalige (melkrundvee)stal van ongeveer 600 m2. De woning heeft een eigen in- en uitrit. De initiatiefnemer exploiteert een hoveniersbedrijf/loonbedrijf met klein materiaal. Ten behoeve van de beoogde activiteiten, het exploiteren van agrarisch-technisch hulpbedrijf, wenst de initiatiefnemer de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ te laten wijzigen naar de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’. Eerst zal een omschakeling plaatsvinden in bestemming, waarna vervolgens de benodigde vergunningen worden aangevraagd ten behoeve van de sloop en bouw van een nieuwe loods voor het agrarisch-technisch hulpbedrijf. Daarnaast is reeds een vergunning verleend voor het exploiteren van een camping met 25 standplaatsen als nevenactiviteit.
Ook is er een vergunning verleend voor het verplaatsen van de inrit ten behoeve van de beoogde bedrijfsactiviteiten van de camping en het bedrijfsgebouw. Op de onderstaande afbeelding is het plangebied rood omlijnd.
Afbeelding 1 het plangebied Gerecht 2-2A
1.2. Geldend planologisch regime De geldende bestemmingsplannen betreffen: - Buitengebied Veghel (vastgesteld 22-10-2015) - Paraplubestemming parkeren Gemeente Meierijstad (vastgesteld 31-01-2019) - Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit Gemeente Meierijstad (vastgesteld 2701-2021) In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel’ is aan een gedeelte van het perceel een bouwvlak toegekend met daarnaast de volgende bestemmingen en aanduidingen:
5 van 45
-
Enkelbestemming: Agrarisch met waarden, Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4, Gebiedsaanduiding: Landschapsbouw, Gebiedsaanduiding: Struweel, Gebiedsaanduiding: Reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1, Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – radar.
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. Het plangebied is rood omlijnd.
Afbeelding 1: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De beoogde ontwikkeling past niet direct binnen het geldend ruimtelijk beleid omdat de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ niet is opgenomen als bestemming op het plangebied. 1.3. Procedure Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ onder de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen onder artikel 4.8.9, wijziging in de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’. Uit de toelichting behorend bij het bestemmingsplan dient te blijken dat het beoogde plan voldoet aan de gestelde voorwaarden. Er is geen bevoegdheid opgenomen voor nevenactiviteiten bij een agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf. Er zal dus een herziening van het bestemmingsplan plaatsvinden. Uit het principebesluit is er akkoord gegeven met de wijziging naar de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ met een camping als nevenactiviteit. Voor het beoogde plan dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het plan voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke
6 van 45
ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan eenieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt deze opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan eenieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde plan worden aangevraagd. 1.4.
Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het plan gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
7 van 45
2. Planbeschrijving
In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen het plangebied. 2.1. Bestaande situatie Het plangebied, gelegen aan Gerecht 2-2A, is kadastraal bekend als gemeente Erp sectie N, nummers 181, 334 en 335. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Keldonk van de gemeente Meierijstad. De locatie is 1,3 kilometer ten zuiden gelegen van de kern van Keldonk. In de directe omgeving bevinden zich agrarische percelen, agrarische bedrijven, woningen, bos en de ZuidWillemsvaart. Op de navolgende afbeelding is het plangebied (rood omkaderd) en haar directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 2 weergave plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De locatie is gelegen ter plaatse van het gebiedstype ‘Agrarisch kerngebied’. Landbouw en veeteelt zijn hiervoor leidend. Kenmerkend voor het landschap zijn clusters (bedrijfs)bebouwing ten behoeve van agrarische activiteiten (deels) omzoomd met landschapselementen. Op de locatie zijn 10 vergunde paarden aanwezig. Op de onderstaande afbeelding is de gesitueerde bebouwing weergeven:
Woonhuis Gerecht 22A, 265 m2
(Rundvee)stal, 600 m2
Afbeelding 3 weergave bebouwing huidige situatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
8 van 45
2.2. Beoogde situatie Zoals in voorgaande beschreven is het plangebied onlangs door de initiatiefnemer aangekocht. De initiatiefnemer exploiteert een hoveniersbedrijf/loonbedrijf met klein materieel. Ten behoeve van de beoogde activiteiten, het exploiteren van agrarisch-technisch hulpbedrijf, wenst de initiatiefnemer de bestemming te wijzigen naar ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ bestemming. De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande (melkrundvee)stal af te breken en een nieuwe loods op te richten ten behoeve van het agrarisch-technisch hulpbedrijf. Deze loods heeft een omvang van ongeveer 30 meter bij 20 meter (oppervlakte 600 m2) en wordt gebruikt voor het stallen van klein materieel. De paarden zullen in de beoogde situatie niet meer aanwezig zijn. Daarnaast is reeds al een vergunning verleend voor het exploiteren van een camping van 25 standplaatsen als nevenactiviteit. Er zullen 10 staanplaatsen zijn voor campers, 8 plaatsen voor caravans en 7 plaatsen voor een glamping. Om het agrarische karakter te behouden is de initiatiefnemer voornemens het geheel landschappelijk in te passen door het realiseren van een dierenweide met een retentievijver en enkele solitaire bomen, een schuilhut en een hooiberg van 64 m2.
Afbeelding 4 beoogde situatie Gerecht 2-2A
9 van 45
3. Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het plan wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het plan dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het plam voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het plan past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd
10 van 45
in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin het plangebied ligt. In dit geval ligt het plangebied in de werkingsgebieden ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’, ‘Sanerings- en verplaatsingslocatie’ en ‘Stalderingsgebied’, zie afbeelding 7.
Gerecht 2-2A
Afbeelding 5 uitsnede kaart hoofstruk 3 van Iov (bron: Provincincie Noord-Brabant)
Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het plan wordt de bestemming gewijzigd naar ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.61 voor een vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf het landelijk gebied. Paragraaf 3.6.7 bevat de regels voor ontwikkeling van niet agrarische functies. Deze hebben betrekking tot de vestiging van het kampeerterrein en agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.73 en 3.75. Artikel 3.67 bevat regels voor het verbod voor het oprichting van bebouwing ten behoeve van een veehouderij of glastuinbouwbedrijf. Met het plan wordt er geen nieuwe veehouderij of glastuinbouwbedrijf opgericht. De regels zijn derhalve niet van toepassing. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het plan zijn er geen dierenverblijven meer aanwezig. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst.
11 van 45
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Dit plan betreft geen ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op dit plan. Er wordt op onderhavige plangebied gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel met camping als nevenactiviteit, tevens wordt de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en herbouwd. Er is derhalve sprake van een zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst.
De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het plan op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Bij dit plan zal er meerwaarde worden gecreëerd door de bestemmingswijziging van de locatie te combineren met een goede landschappelijk inpassing. Tevens heeft de vestiging van een agrarisch-
12 van 45
technisch hulpbedrijf en de camping een positieve impact op de lokale economie en bedrijvigheid van de omgeving. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Meierijstad is ‘Handreiking kwaliteitsverbetering’ van toepassing. De handreiking is nog in concept maar de getallen kunnen gebruikt worden voor het berekenen van de kwaliteitsverbetering. De ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling omdat het gaat om een omschakeling, zonder vergroting van het bouwvlak, van agrarisch bouwvlak naar Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf. De kwaliteitsverbetering is opgenomen in bijlage 2. Er is een kwaliteitsbijdrage nodig van € 20.266,00.
Deze wordt behaald door de kwaliteitsverbetering van het landschap, via het landschappelijk inpassingsplan (€ 21.489,74). De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Agrarisch gerelateerde bedrijven (paragraaf 3.6.5) Paragraaf 3.6.5 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van agrarische gerelateerde bedrijven in het landelijk gebied. Het plan moet getoetst worden aan artikel 3.61 ten aanzien van ‘Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf’. Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf (artikel 3.61) In artikel 3.61, eerste lid, van de Iov is vastgesteld dat een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf als:
1. De ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt er getoetst aan bovenstaande voorwaardes. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen hinder vormt.
2. De ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel;
De beoogde situatie leidt niet tot een splitsing van het bouwperceel, aan deze voorwaarde wordt voldaan.
3. Is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
Bij de beoogde situatie wordt de huidige stal gesloopt en herbouwd. Verder is er geen overtollige bebouwing.
4. Mestbewerking is uitgesloten;
Bij de beoogde situatie zal er geen mest worden bewerkt op het terrein. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Conform het tweede lid dient de binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf een bouwperceel ten hoogte van 1,5 hectare te hebben. Het bouwvlak heeft op het plangebied een oppervlakte van ongeveer 4.214 m2 en valt dus ruim onder de 1,5 hectare. Vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied (artikel 3.73) In artikel 3.73, eerste lid, van de Iov is vastgelegd dat op een bestaand bouwperceel binnen het landelijk gebied kan worden voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Daarbij dienen de volgende aspecten te worden betrokken:
13 van 45
1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
De beoogde ontwikkeling van het landelijke gebied betreft een gemengde plattelandseconomie met in hoofdzaak een agrarische economie met daarbij passende bestemmingen. Er is naast land- en tuinbouw in een gemengde plattelandseconomie ruimte voor de ontwikkeling van nietagrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Met de beoogde ontwikkeling wordt er hoveniers- en loonbedrijf gevestigd met een camping als nevenactiviteit. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de ontwikkeling van het landelijk gebied omdat het bijdraagt aan een gemengde plattelandseconomie.
2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de genoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing.
3. Hoe een ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied.
In de toetsing aan artikel 3.6 tot en met 3.9 van de Iov is reeds aangetoond dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit door de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing van het plangebied.
Verder moet worden aangetoond dat:
1. Er geen splitsing van het bouwperceel plaatsvindt;
Er is geen sprake van splitsing van het bouwperceel. Het bestaande bouwvlak wordt volledig herbestemd tot bedrijfsbestemming.
2. Overtollige bebouwing wordt gesloopt; Zoals reeds uiteen is gezet is er binnen het plangebied geen sprake van overtollige bebouwing. Alle vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen worden hergebruikt ten behoeve van de bedrijfsfunctie.
3. De vestiging geen betrekking heeft op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking.
Met de beoogde ontwikkeling wordt geen kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking gerealiseerd.
Conform artikel 3.73, tweede lid, dient een bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt te borgen dat de functie, ook op lagere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting. Er dienen daartoe regels te worden gesteld:
1. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;
Als een binnen de omgeving passende omvang en bijbehorende publieksaantrekkende werking geldt op grond van artikel 3.73, derde lid, sub c, voor voorzieningen ten dienste van vrijetijd/zorg een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. In de beoogde situatie heeft de bebouwing een omvang van 664 m2. Hiermee wordt dus voldaan aan de maximale omvang van de vrije-tijdsvoorziening.
2. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
In de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt vastgelegd dat ter plaatse uitsluitend een kampeerterrein is toegestaan met een maximale omvang van 5.000 m 2.
3. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
In de voorwaarden van dit bestemmingsplan wordt buitenopslag als strijdig met de bestemming aangemerkt.
14 van 45
4. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de
maximaal toegestane omvang.
In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor het kampeerterrein waardoor het bedrijf bij uitbreiding genoodzaakt is om elders op een passende locatie te vestigen. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’ en het bestemmingsplan.
3.2.1. Beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’
De gemeente Meierijstad heeft op 24-01-2020 de notitie ‘Kansen voor kwaliteit’ opgesteld. Deze notitie is opgesteld naar aanleiding van een merkbare toename in vrijkomende (agrarische) bebouwing, leegstand, verrommeling, botsende belangen en oprukkende verstedelijking. Er is binnen de gemeente behoefte aan beleid op dit vlak. De notitie geeft een afwegingskader om deze initiatieven te beoordelen. Er wordt hierbij gekeken naar o.a. de functietype en het gebiedstype ter plaatse. Op navolgende afbeelding is het plangebied gelegen in het buitengebied van Keldonk, binnen het gebiedstypologieën ‘Landelijk gebied, verweving van functies’.
Gerecht 2-2A
Afbeelding 6 uitsnede kaart gebiedsconcentraties, gebiedtypologie, landschapstypen (bron: gemeente Meierijstad)
Binnen het gebiedstype ‘Landelijk gebied, verweving van functies’ is er, zoals de naam al zegt, een verweving van functies mogelijk. In dit gebied zijn de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers. Door de tijd hebben agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In principe zijn alle functies hier mogelijk. Of een functie ook daadwerkelijk haalbaar, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. Hierbij zijn bedrijven die zich op een bedrijventerrein horen te vestigingen vanwege optredende milieubelasting uitgesloten. De vestiging is uitsluitend bedoelt voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken. Hierbij is geen omvang opgenomen van het bouwperceel. Als
15 van 45
algemeen uitgangspunt is een omvang vastgelegd van 1 hectare aan bebouwing. Binnen het bouwperceel is het mogelijk dat er meerdere bedrijven gevestigd zijn, bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw, of meerdere (kleinschalige) functies. Als algemene voorwaarden is opgenomen dat de overtollige bebouwing wordt gesloopt en dat de ruimtelijke ontwikkeling verplaats naar een passende locatie als deze niet past binnen de gemaximeerde toegestane omvang. Agrarisch verwante bedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven zijn bedrijven die diensten leveren aan- of een nauwe relatie hebben met de agrarische sector en daarom passen in het buitengebied. Een hoveniers- en loonbedrijf is een voorbeeld van een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Het beleid voor recreatie is opgenomen in de ‘Visie recreatie en toerisme Meierijstad’. Het beleid biedt kansen voor versterking van recreatieve functies in het buitengebied. Daarbij gaat het om kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie. Belangrijk uitgangspunt voor recreatie is het verantwoord (door)ontwikkelen van bestaande bedrijven en nieuwe initiatieven die onderscheidend en vernieuwend zijn. Met de beoogde ontwikkeling wordt een voormalig agrarisch bedrijf gewijzigd naar een agrarischtechnisch hulpbedrijf ten behoeve van een hoveniers- en loonbedrijf in combinatie met nevenactiviteiten.
Hierdoor wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen. In het buitengebied van Keldonk is er een mix van bedrijf, (hobbymatig) agrarisch en wonen aanwezig. In de directe omgeving bevinden zich daarnaast bos en andere groene landschapselementen. Binnen het plangebied worden deze functies gecombineerd binnen één bouwvlak. De loonwerkzaamheden vinden elders op locatie plaats, waardoor het loonbedrijf geen verkeer aantrekkende werking heeft. De camping zal wel voor extra verkeersaantrekking zorgen. De beoogde bedrijfsfunctie in combinatie met recreatieve nevenactiviteiten zijn passend binnen de omgeving, waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein. Door het wijzigen van de ter plaatse agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming wordt een agrarische locatie op een passende wijze herbestemd zonder dat andere (agrarische) bedrijven hierdoor beperkt worden. Door dit plan wordt op deze wijze zowel een gemengde plattelandseconomie als een agrarische economie nagestreefd. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat het plan passend is binnen de beleidsnotitie ‘Kansen voor Kwaliteit’.
3.2.2. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden, - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4, - Gebiedsaanduiding: Landschapsbouw, - Gebiedsaanduiding: Struweel, - Gebiedsaanduiding: Reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1, - Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – radar. Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. Het plangebied is rood omlijnd.
16 van 45
Gerecht 2-2A
Afbeelding 7 uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 4.8.9 voor een wijzing ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ in de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ mits er voldaan wordt aan een aantal voorwaarden, er is cursief aangegeven hoe dit wordt voldaan.
a. er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is;
Vanaf 2001 is de milieuvergunning voor het houden van rundvee ingetrokken. Het is daarom niet reëel om het agrarisch bedrijf voort te zetten.
b. wijziging ten behoeve van een agrarisch technisch hulpbedrijf is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen: 'dagrecreatie', 'beekdalontwikkeling', 'landschapsbouw', 'landbouw' en 'landbouwontwikkeling'; het plangebied valt binnen de aanduiding ‘landschapsbouw’, dit vormt daarom geen hinder.
c. wijziging ten behoeve van een agrarisch verwant bedrijf is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen: 'dorpslandschap', 'dagrecreatie', 'beekdalontwikkeling', 'landschapsbouw' en 'landbouw'; het plangebied valt binnen de aanduiding ‘landschapsbouw’, dit vormt daarom geen hinder.
d. op basis van een bedrijfsplan dient aangetoond te worden welke oppervlakte het bestemmingsvlak ten behoeve van het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf dient te hebben, waarbij de oppervlakte van het bestemmingsvlak na wijziging niet meer mag bedragen dan 1,5 hectare, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'groenblauwe mantel' waar de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 0,5 hectare;
Het oppervlakte van het bestemmingsvlak op het plangebied bedraagt 4.214 m2. Dit voldoet ruim aan het maximale oppervlakte van 1,5 hectare.
e. op basis van een bedrijfsplan dient aangetoond te worden welke oppervlakte aan bedrijfsbebouwing noodzakelijk is voor de uitoefening van het agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf, waarbij de oppervlakte in ieder geval niet meer mag bedragen dan in de bij deze regels behorende bijlage 2 is aangegeven;
17 van 45
f.
In bijlage 2 geldt het maximale oppervlakte voor agrarisch-technische hulpbedrijven het bestaande oppervlakte. Bij de beoogde situatie zal de nieuwe loods dezelfde oppervlakte bevatten als de huidige stal, namelijk 600 m2. Aan de voorwaarde wordt voldaan.
de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mag, indien deze kleiner is dan de, in de bij deze regels behorende bijlage 2, aangegeven oppervlakte, niet worden vergroot;
In bijlage 2 geldt het maximale oppervlakte voor agrarisch-technische hulpbedrijven het bestaande oppervlakte. De bouw van de nieuwe loods wordt hetzelfde oppervlakte als de bestaande loods, namelijk 600 m2. Aan de voorwaarde wordt voldaan.
g. indien de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing groter is dan de oppervlakte die is aangegeven in de bij deze regels behorende bijlage 2, dient de overmaat volledig afgebroken te worden, tenzij; 1. de bedrijfsgebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben of; 2. het gedeeltelijk afbreken van een bedrijfsgebouw bouwkundig niet verantwoord is;
Het maximale oppervlakte bij een functieverandering ‘Agrarisch-technisch hulpbedrijf’ betreft het bestaande oppervlakte. Er is geen sprake van een verplichte sloop van overtollige bebouwing.
h. de wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar; i.
j.
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing worden de relevante aspecten benoemd en toegelicht. Aan de voorwaardes zal voldaan worden.
de wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing worden de relevante aspecten benoemd en toegelicht. Aan de voorwaardes zal voldaan worden.
parkeren ten behoeve van het bedrijf vindt plaats binnen het bestemmingsvlak;
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt het aspect parkeren benoemd en toegelicht. De voorwaarde zal geen hinder vormen.
k. de wijziging leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en); l.
De wijziging leidt meer bedrijfsmatige activiteiten en bezoekers van de camping. De vervoersbewegingen zullen stijgen.
er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken;
De landschappelijke inpassing is in bijlage 1 te vinden. Hierbij is afgestemd met specifieke omgevingskenmerken.
m. de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft; In voorliggende ruimtelijke onderbouwing worden de relevante aspecten benoemd en toegelicht.
n. de wijziging leidt niet tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;
Volgens de VNG-handleiding behoort de wijziging naar een ‘hoveniersbedrijf’ en ‘algemene dienstverlening (loonbedrijf)’ met een bedrijfsoppervlakte groter dan 500 m2 tot een milieucategorie 3.1.
o. de wijziging leidt niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven.
De wijziging van bestemming leidt niet tot meerdere zelfstandige bedrijven op de locatie. Er is een bedrijf aanwezig.
Uit bovenstaande punten blijkt dat er aan bijna alle voorwaarden wordt voldaan. De wijziging naar een ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ valt grotendeels binnen de regels van het bestemmingsplan. Een camping als nevenactiviteit bij een bedrijfsfunctie is binnen het bestemmingsplan niet mogelijk. In het principebesluit is er akkoord gegeven voor het uitvoeren van de nevenactiviteit in de vorm van 25 kampeerplaatsen bij de wijziging naar een ‘Bedrijf – Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ bestemming. Om dit planologisch te borgen is een herziening van het bestemmingsplan benodigd.
18 van 45
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het plan sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Een agrarisch-technische hulpbedrijf komt in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. niet voor. Een kampeer- en caravanterrein valt onder categorie D.10 van het besluit m.e.r., echter heeft de activiteit geen betrekking tot de randvoorwaardes van; • 250.000 bezoekers of meer per jaar, • Een oppervlakte van 25 hectare of meer, • 100 ligplaatsen of meer, • Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Er geldt voor het plan derhalve geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht.
Omdat er onder de drempelwaarde van een kampeer- en caravanterrein wordt gebleven is er voor dergelijke plannen een vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie een vereiste. De aanmeldnotitie is als separaat document opgesteld en bijgevoegd als bijlage 3 aan deze ruimtelijke onderbouwing. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het plan op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt.
Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
4.2.1. Provincie
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
19 van 45
De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water, ▪ Schoon water, ▪ Veilig water, ▪ Vitale bodem, ▪ Klimaatadaptatie. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt.
De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
4.2.2. Waterschap Aa en Maas
Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterschap Aa en Maas hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerplan 2022-2027, de Keur 2015, de legger en de uitgangspunten van de watertoets. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3.
Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status
20 van 45
en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven: 1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. 2.
Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening.
Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. 5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m 2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc. 6. Meervoudig ruimtegebruik “Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m 2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken.
Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds
21 van 45
geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is).
7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. 8. Waterschapsbelangen Er zijn “waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. ruimteclaims voor waterberging b. ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel c. aanwezigheid en ligging watersysteem d. aanwezigheid en ligging waterkeringen e. aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
4.2.3. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de directe nabijheid van het plangebied is een watergang aanwezig. Ten oosten en zuiden van het plangebied is een A-watergang gelegen, zie onderstaande uitsnede van de legger. Gerecht 2-2A
Afbeelding 8 uitsnede ‘Vastgestelde Legger Oppervlaktewater’ (bron: Waterschap Aa en Maas)
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
22 van 45
4.2.4. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie wijzigt de waterhuishoudkundige situatie niet. Ook in de beoogde situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Bij de nieuwbouw van de loods zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door de aanleg van de hooiberg en de camping zal er een toename zijn in verhard oppervlakte. Dit water zal via het grondoppervlakte geïnfiltreerd worden in de bodem. De hydrologische situatie zal in de beoogde situatie hierdoor niet veranderen. Ook zal er bij de landschappelijk inpassing een vijver worden aangelegd. Dit zal zorgen voor meervoudig ruimtegebruik en meer oppervlaktewater in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het plan. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.