CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 - Vormvrije m.e.r. beoordeling

Raadsvergadering 11 december 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen tot verlening omgevingsvergunning voor woningbouwontwikkeling ter plaatse van Rooiseweg 8 in Schijndel2.942 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING HERONTWIKKELING Oprichting woningbouwlocatie aan de Rooiseweg te Schijndel

Datum:

09-09-2025

Projectnummer: 2024.138 (mer)

Adviesbureau:

Wintraecken Advies B.V.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies B.V.

1

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING ____________________________________________________________________3 2. KENMERKEN EN PLAATS VAN HET PROJECT ___________________________________3 3. FLORA EN FAUNA EN GEBIEDEN ______________________________________________12 4. CONCLUSIES _________________________________________________________________15

Bijlagen: Zie de betreffende bijlagen bij de BOPA ETFAL-ruimtelijke motivering, Oprichting woningbouwlocatie aan de Rooiseweg te Schijndel, 090925

2

1. INLEIDING Voor de locatie aan Rooiseweg 8 in Schijndel is een initiatief bij de gemeente Meierijstad ingediend voor een woningbouwontwikkeling. De aanwezige bebouwing op het perceel, met uitzondering van de boerderij/woning, wordt gesloopt en er worden 56 woningen gebouwd, inclusief bijbehorende infrastructurele (parkeer- en verkeers)voorzieningen en groen- en landschapsinrichting.

2. KENMERKEN EN PLAATS VAN HET PROJECT 2.1. Gegevens gebied / inrichting Onderhavige planlocatie is gelegen in het zuiden van de kern Schijndel. De woonfunctie met een enkele horecafunctie overheerst aan de noordzijde. De ligging in de kernrand zorgt verder voor een omgeving met agrarische functies en de bedrijfsfunctie op bedrijventerrein Rooiseheide (noordwest) en een bedrijfsvestiging aan de zuidzijde (overzijde Structuurweg). De planlocatie wordt begrensd door Het Hooghekke aan de noordzijde, agrarische gronden aan de oostzijde, de Structuurweg (N637) aan de zuidzijde en de Rooiseweg aan de westzijde. De globale begrenzing van de planlocatie is op navolgende luchtfoto rood omlijnd aangeduid.

2.2. Beschrijving activiteit 2.2.1. Huidige situatie Onderhavige planlocatie is gelegen in het zuiden van de kern Schijndel. In de directe omgeving bevinden zich diverse functies: wonen, bedrijvigheid en in agrarisch gebruik zijnde gronden. De Rooiseweg is een van de hoofdontsluitingswegen van Schijndel. Op navolgende afbeelding is de planlocatie in relatie tot haar omgeving weergegeven.

3

Navolgende foto’s betreffen een weergave van de huidige situatie. Achtereenvolgens is een weergave van het bestaande groene karakter in de vorm van houtwallen, de bestaande, te behouden boerderijwoning en de noordelijke grens van de planlocatie aan De Hooghekke (bron: Buro Lubbers).

4

2.2.2. Beschrijving van het project Vanwege de ligging van de planlocatie mag deze met recht een afronding van de kernrand worden genoemd. Hier gaan het landelijk gebied en stedelijk gebied in elkaar over. De locatie betreft een ruim opgezet stuk grond welke voldoende ruimte biedt voor de oprichting van de geplande woningen, inclusief bijbehorende infrastructurele (parkeeren verkeers)voorzieningen en groen- en landschapsinrichting. Bij de vormgeving van het bouwontwerp is een eerste opzet gemaakt voor de ontwikkeling van de woningen. Er is rekening gehouden met de wensen van initiatiefnemer en de voorwaarden gesteld door gemeente Meierijstad. 2.3. Locatie activiteit Ter plaatse van de planlocatie geldt vanaf 1 januari 2024 het tijdelijke deel omgevingsplan. Deze bestaat onder andere uit de ruimtelijke regels uit de vervallen omgevingsplannen.. Conform het vigerende omgevingsplan ‘Landelijk gebied’ gelden ter plaatse de functies ‘Agrarisch met waarden – Open landschap’ en ‘Wonen’ en conform ‘Parapluomgevingsplan Archeologie’ de dubbelfunctie ‘Waarde – Archeologie 2’. Voorts is de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ van kracht.

5

Op navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende omgevingsplan zijn de ligging en begrenzing van de planlocatie rood omlijnd aangegeven.

2.4. Tijdspad / procedure Initiatiefnemer kan de ontwikkeling realiseren middels een BOPA-ETFAL omgevingsvergunningprocedure. 2.5. Geurhinder en bedrijven en milieuzonering Zie bijlage 3 BOPA-ETFAL ruimtelijke motivering (Quickscan milieuaspecten 130525) Omgevingstype De directe omgeving van de planlocatie is een gebied waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is. Bovendien ligt de planlocatie direct aan de hoofdinfrastructuur. Daarom moet worden uitgegaan van een gemengd gebied met wonen. Uitwaartse milieuzonering De beoogde woningen vormen geen milieuhinderlijke activiteit. Een beoordeling van uitwaartse milieuzonering is niet nodig. Inwaartse milieuzonering De beoogde woningen vormen een milieugevoelige activiteit. Op basis van het Omgevingsplan zijn de milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving bepaald, zie tabel hierna.

6

Uit afbeelding 3 blijkt dat de beoogde milieugevoelige gebouwen binnen de planlocatie buiten de zones rondom milieubelastende activiteiten liggen. Daarom is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Conclusie Vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen zijn voor onderhavig planvoornemen. 5.9 Geurhinder Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca,

7

rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag.

In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. De standaardnormen uit de voormalige Wgv zijn in navolgende tabel opgenomen.

De planlocatie maakt onderdeel uit van een bebouwde kom. De planlocatie ligt niet binnen een gebied waarvoor in een geurverordening aangepaste geurnormen of afstanden zijn vastgelegd. Daarom geldt de geurnorm van 3 ouE/m3 (voorgrondbelasting) en de afstandseis van 100 meter. Daarnaast moet een beoordeling worden gemaakt van de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting). Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen. De gemeente Meierijstad heeft geen geurbeleid. Per project wordt beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare situatie. Doorwerking plan(locatie) De veehouderijen in de omgeving van de planlocatie en de totale geuremissies zijn weergegeven op de afbeelding hierna. Op die afbeelding zijn ook de afstandscontouren en de emissiepunten en toetsingspunten voor de geurberekeningen aangegeven.

8

Afstanden De afstand tussen de planlocatie en het dichtstbij gelegen bouwvlak van een veehouderij bedraagt meer dan 100 meter, zie afbeelding hierboven. Er wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter. Voorgrondbelasting Gelet op de geuremissie in relatie tot de afstand tot de planlocatie kan op voorhand kan worden gesteld dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de achtergrondbelasting, zie hieronder. Omdat er bestaande geurgevoelige gebouwen tussen de veehouderij en de planlocatie liggen worden veehouderijen niet in de belangen geschaad. Achtergrondbelasting Voor de beoordeling van de achtergrondbelasting is gebruik gemaakt van de geurkaart van de ODZOB d.d. juni 2023, zie afbeelding hierna.

9

De achtergrondbelasting bedraagt minder dan drie ou E/m3. Hiermee kunnen we concluderen dat het woon- en leefklimaat ‘Zeer goed’ is bij de planlocatie. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende plan. Daarnaast levert het plan, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. 2.6. Luchtkwaliteit Gezien de beperkte omvang van het project is op voorhand duidelijk dat het project niet significant van invloed is op de luchtkwaliteit. De mogelijke emissiebronnen bij de beoogde woningen zijn voertuigbewegingen. Uit het onderzoek stikstofdepositie blijkt een verkeersgeneratie van 359 mvt/etmaal met licht verkeer en 8 mvt/etmaal met zwaar verkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat deze verkeersgeneratie niet significant van invloed is op de luchtkwaliteit:

10

Daarnaast blijkt uit de uitsnede van de Atlas Leefomgeving op de afbeelding hieronder dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is, aangezien ruimschoots wordt voldaan aan de omgevingswaarden.

11

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. 3. FLORA EN FAUNA EN GEBIEDEN Soortenbescherming Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke

12

ingreep daarop. Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Het onderzoeksrapport is al bijlage 5 aan de BOPA-ETFAL motivering toegevoegd. Navolgend zijn de conclusie en het vervolg zoals opgenomen in het onderzoeksrapport integraal overgenomen.

6. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan al leen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uit voeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt genomen: • Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; • Een NNB effectenanalyse dient te worden uitgevoerd om eventuele negatieve effecten in kaart te brengen en te compenseren; • Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort; • Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen dient de aanwezigheid van deze soorten aan te tonen dan wel uit te sluiten; • Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden tijdens de bouwfase en in de toe komst; • Met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de boerderij, dient nieuwbouw op minimaal 3 meter afstand te worden gerealiseerd; • Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen

uitsluiten; • In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijker wijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 6.1 Vervolgtraject en advies 6.1.1 Aerius-berekening AERIUS-berekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten kan een AERIUS-berekening uitgevoerd worden. Als uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanleg- en gebruiksfase niet meer dan 0,00 mol/ha/j aan depositie plaatsvindt op stikstofgevoelige habitatten, kunnen negatieve effecten uitgesloten worden en is voor het aspect stikstofdepositie geen aparte vergunning benodigd. Als uit de berekening een resultaat komt boven 0,00 dienen vervolgstappen ondernomen te worden. Om een AERIUS-berekening uit te voeren zijn verschillende gegevens nodig voor de aanlegfase en gebruiksfase. Voor de aanlegfase is het van belang dat in beeld wordt gebracht welke (mobiele) werktuigen (hijskraan, graafmachine etc.) er gebruikt gaan worden, want bij de verbranding van fossiele brandstoffen komt stikstof vrij, de totale gebruiksduur van deze werktuigen, het bouwjaar van de werktuigen is en het vermogen (kW).

Daarnaast dienen het aantal verwachte verkeersbewegingen in de aanleg fase (vrachtwagens die materiaal aan- en afvoeren, busjes, personen auto’s, enz.) ook meegenomen te worden. Als het gebouw gasgestookt wordt, is informatie nodig over de stikstofemissie die jaarlijks vrijkomt vanwege de verwarming en het overige gas verbruik tijdens de gebruiksfase. Als het gebouw gasloos is hoeft alleen gekeken te worden naar de verkeersgeneratie. Dat zijn alle vervoersbewegingen die samenhangen met het gebruik van het nieuwe gebouw. Er dient aangegeven te worden of het gaat om lichte voertuigen (personen auto’s en kleine busjes), middelzware vervoersbewegingen (kleine vracht wagens) of zware vervoersbewegingen (grote vrachtwagens). 6.1.2 Soortgericht onderzoek Het plangebied biedt (essentieel) leefgebied en verblijf- en/of rustplaatsen voor de kleine marterachtigen en steenuil. De werkzaamheden betreffen een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handeling. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Vervolgonderzoek naar steenuil loopt het hele jaar, maar is het meeste geschikt van half februari tot half april. Voor de kleine marterachtigen loopt het onderzoek van juni tot half november.

Voor het verwijderen van aanwezige verblijfplaatsen dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN). Een aanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het ver krijgen van de vergunning

13

kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de vergunning wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De ODBN neemt normaliter binnen 8 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn met 6 weken worden verlengd.

Aanvullend heeft initiatiefnemer door BRO een Effectenanalyse NNB (Natuur Netwerk Brabant) laten uitvoeren. De volledige rapportage is als bijlage 5.1 aan de BOPA-ETFAL toegevoegd. De resultaten van de berekening en de slotconclusie luiden zoals hieronder is weergegeven. Aantasting van het NNB conform de Interim Omgevingsverordening is redelijkerwijs op voorhand uitgesloten, mits het volgende in acht wordt genomen: Door middel van een verlichtingsplan dient voorkomen te worden dat er extra verlichting uitstraalt op het NNB. Als het lichtplan zodanig wordt aangepast dat een toename van licht gericht en uitschijnend op het NNB wordt voorkomen, zijn negatieve effecten door verlichting niet te verwachten. Veranderen van verlichting kan door de hoogte, locatie, armaturen en kleur te wijzigen. Uitgangspunt is dat de hoeveelheid verlichting op het NNB niet mag toenemen, óf niet meer is dan de sterkte bij volle maan (0,1 lux). Dit dient te worden afgestemd met een ter zaken kundige ecoloog. Bij twijfel dient de situatie berekend te worden.

Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is door Movares een vervolgonderzoek naar steenuil en marter uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 5.2 aan de BOPA-ETFAL motivering toegevoegd. De conclusies zijn hierna overgenomen. Binnen het plangebied zijn meerdere waarnemingen van de steenmarter gedaan. Hierdoor moet worden aangenomen dat al het geschikte leefgebied in de omgeving daadwerkelijk leefgebied van de steenmarter betreft. Hierbij behoort ook de aanwezige bebouwing, die mogelijk een verblijfplaats van de steenmarter herbergt. Aantasting van dit leefgebied betreft een vergunningsplichtige activiteit inzake artikel 11.54 van de Bal inzake het vernietigen van een verblijfplaats van de steenmarter. Hiervoor dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN). Deze dient vergezeld te zijn van een activiteitenplan, waarin conform 8.74l van het Besluit kwaliteiten leefomgeving (Bkl) onder andere staat omschreven hoe de staat van instandhouding wordt geborgd, welke alternatieven overwogen zijn, en onder welk belang de vergunning wordt aangevraagd. Daarnaast dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: • De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.

Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus; • Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied. Tabel : Overzicht aanwezigheid beschermde soorten en te nemen type maatregelen

Gebiedsbescherming In voorbereiding op de voorgenomen ontwikkeling is door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 6 aan de BOPA-ETFAL toegevoegd. De resultaten van de berekening en de slotconclusie luiden zoals hieronder is weergegeven.

14

In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van de ontwikkeling aan de Rooiseweg 8 in Schijndel de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.

Conclusie Vanuit het oogpunt van soorten- en gebiedsbescherming zijn er – gevolg gevende aan de onderzoeksbevindingen zoals opgenomen in de uitgevoerde quickscan en het vervolgonderzoek flora en fauna en de Effectenanalyse NNB – geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

4. CONCLUSIES Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (op grotere afstand dan 10 km van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=60072646-2e0b-47e5-aaca-dc078eb50244