Bijlage 1. Verordening Sociaal Domein
Tekst van het document
VERORDENING SOCIAAL DOMEIN MEIERIJSTAD 2026
De raad van de gemeente Meierijstad wil voor de inwoners van zijn gemeente in één verordening en in begrijpelijke taal aangeven welke regels gelden voor: · · · · · ·
werken en participeren; uitkeringen; schuldhulpverlening; gezond en veilig opgroeien; vervoer naar school; wonen in een veilige en gezonde omgeving.
Daarom stelt de raad hierbij vast de:
VERORDENING SOCIAAL DOMEIN MEIERIJSTAD 2026
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
2
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING�������������������������������������������4 2. DE HULPVRAAG��������������������������������������6 3. WERK EN PARTICIPATIE������������������������������� 11 4. GEZOND EN VEILIG OPGROEIEN������������������������ 19 5. WONEN IN EEN VEILIGE EN GEZONDE OMGEVING ��������� 24 6. VERVOER NAAR SCHOOL ���������������������������� 30 7. INKOMEN EN SCHULDEN������������������������������ 34 8. DE VORM VAN ONDERSTEUNING����������������������� 38 9. AFSPRAKEN TUSSEN INWONER EN GEMEENTE ������������ 43 10. INWONERSPARTICIPATIE����������������������������� 51 11. KRITIEK OP DE UITVOERING��������������������������� 54 12. KWALITEIT, INKOOP EN AANBESTEDING����������������� 56 13. VAN OUD NAAR NIEUW������������������������������� 58 14. BEGRIPPENLIJST������������������������������������ 60
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
3
1. INLEIDING 1.1 Waar gaat deze verordening over? Deze Verordening Sociaal Domein Meierijstad geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: · werken en participeren; · uitkeringen; · schuldhulpverlening; · gezond en veilig opgroeien; · vervoer naar school; · wonen in een veilige en gezonde omgeving. 1.2 Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: · mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; · mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; · mensen hun financiën op orde hebben; · mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; · mensen een geschikte en schone woon ruimte hebben waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en · kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
1.3 Taak van de gemeente Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: · Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); · Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); · Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) · Jeugdwet; · Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; · Wet publieke gezondheid (Wpg). De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hierboven benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
4
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. De gemeente is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld. 1.4 Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. Zijn bedoeld om de doelen onder punt 1.5 te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; 2. zijn goed leesbaar; 3. regelen niet meer dan nodig is; 4. houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor inwoners; 6. zijn onderling afgestemd op elkaar; 7. respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen; 8. passen bij de werkwijze van de gemeente om samen met de inwoner te kijken wat er nodig is en of dit past binnen de grondwaarden (doe len) van (een van de) verschillende wetten (‘werken volgens de bedoeling’). In hoofdstuk 9 staat uitgebreid beschreven hoe de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. 1.5 Kerndoelen Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten.
De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kerndoelen: 1. De inwoner staat centraal. 2. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren. 3. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoners.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
4. De gemeente ondersteunt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). 5. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te kunnen doen aan de samenleving. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14. 1.6 Leeswijzer Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ gelezen worden. Als in deze verordening het woord ‘ouders’ staat dan vallen daar onder: pleegouders/ouders en/of hun vertegenwoordigers die in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden. Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten. 1.7 Verband tussen verordening en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel.
Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd.
5
2. DE HULPVRAAG Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de gemeente ondersteuning kan geven en wat de gemeente van de inwoner verwacht.
KERNDOELEN: • De gemeente maakt ondersteuning makkelijk bereikbaar. • De hulpvraag van de inwoner staat centraal. • De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. • De gemeente geeft geen ondersteuning als er al een andere regeling geldt waarop de inwoner een beroep kan doen.
PARAGRAAF 2.1 MELDING HULPVRAAG BIJ DE GEMEENTE (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs) Artikel 2.1.1 Hulpvraag melden Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Toegang. Voor jeugd kunnen inwoners zich zowel melden bij Toegang als bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen: · schriftelijk, met een brief · mondeling, persoonlijk (bijvoorbeeld via het spreekuur) · telefonisch · digitaal (via de website) of een e-mail Artikel 2.1.2 Uitnodiging gesprek 1. Na de melding neemt de gemeente de hulp vraag van de inwoner in behandeling. De
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
gemeente neemt binnen twee werkdagen na de melding contact op met inwoner voor een intakegesprek. 2. Na het intakegesprek kan de inwoner uitgeno digd worden voor een vervolggesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek gaat. 3. Het gesprek kan telefonisch of digitaal plaats vinden als dat voldoende is. 4. Ook geeft de gemeente in de uitnodiging aan dat de inwoner iemand mee mag nemen naar het gesprek om hem te ondersteunen. Dit kan een familielid, vriend of bekende zijn, maar ook een (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). 5. De gemeente wijst ook op de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
6
Artikel 2.1.3 Gegevens De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en de beoordeling van de melding. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. In de uitnodiging voor het gesprek staat welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Hiervoor gelden dan dezelfde voorwaarden. PARAGRAAF 2.2 GESPREK NA DE MELDING (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb) Artikel 2.2.1 Doel en inhoud gesprek 1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. 2. In het gesprek onderzoekt een medewerker van de Toegang a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de (on)mogelijkheden van de inwoner. c. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat? d. wat heeft de inwoner nodig aan ondersteuning en in welke omvang? e. in hoeverre de ondersteuning geleverd kan worden via de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene en/of voorliggende voorzieningen. De gemeente stelt nadere regels vast over algemene voorzieningen en gebruikelijke hulp. f.
of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd. g. of een extern onafhankelijke adviseur ingeschakeld wordt voor het onderzoek; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als hen daarom gevraagd wordt, medewerking te verlenen aan het onderzoek naar aanwezigheid van gebruikelijke hulp die hiervoor redelijkerwijs nodig is. 4. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden die de gemeente biedt om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. 5. Bij dit gesprek kan ook iemand aanwezig zijn om de inwoner te ondersteunen, zoals een familielid, vriend of bekende of (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).
Artikel 2.2.2 Verslag en/of plan 1. Zo snel mogelijk na het gesprek maakt de medewerker een verslag en/of plan van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd. 2. Als het gesprek telefonisch heeft plaats- gevonden kan er een verkort verslag worden gemaakt. 3. Als het gaat om Wmo-ondersteuning, jeugd hulp en Participatiewet stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat hij dat niet wil. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit terug naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven. Als de inwoner ondersteuning -op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag als een aanvraag. 4. Als het om jeugdondersteuning en Wmo gaat, kan de medewerker ook tijdens het gesprek een verslag maken en daarin aangeven wat er nodig is voor de inwoner. Als de inwoner en de medewerker tijdens het gesprek samen vaststellen welke ondersteuning er nodig is, dan wordt het door de inwoner ondertekende verslag gezien als een aanvraag.
7
PARAGRAAF 2.3 AANVRAAG (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) Niet elke aanvraag gaat op precies dezelfde manier. Verschillen per soort ondersteuning of wet staan hieronder beschreven in artikel 2.3.1. Artikel 2.3.1 Aanvraag 1. Na de melding en het gesprek met een medewerker van de gemeentelijke Toegang, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk (per brief) of digitaal (via de website of e-mail) worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, in welke vorm. 2. Een aanvraag kan zonder melding vooraf worden gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder of om vervoer van kinderen naar school. Het gesprek met een medewerker vindt, indien nodig, plaats nadat de aanvraag is ingediend. 3. De aanvragen voor financiële tegemoetkomingen kunnen direct schriftelijk en digitaal worden gedaan. De gemeente kan besluiten dat een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag niet nodig zijn. De aanvraag wordt dan direct afgehandeld. Alleen als er aanleiding voor is, of op verzoek van de inwoner, volgt een gesprek. 4. De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. Voor Wmo en jeugdhulp geldt dat een door de inwoner ondertekend verslag van het gesprek kan worden gezien als een aanvraagformulier voor ondersteuning. 5.
De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Artikel 2.3.2 Voorwaarden voor ondersteuning 1. Als een inwoner ondersteuning aanvraagt, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
a. de ondersteuning is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. de inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit resultaat ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en c. de ondersteuning past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Voor sommige vormen van ondersteuning zijn in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen in de verschillende hoofdstukken. 3. De ondersteuning is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4. De gemeente kan ondersteuning weigeren als een inwoner de gevraagde ondersteuning zelf al heeft ingeroepen of gekocht, voordat de gemeente heeft besloten op een aanvraag of voordat een melding is gedaan, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. 5. De inwoner is verplicht mee te werken aan regiegesprekken als deze voor de voortgang van de ondersteuning door Toegang nodig worden gevonden Artikel 2.3.3 Advisering De gemeente kan een externe deskundige vragen om een advies.
Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of aanvraag. Artikel 2.3.4 Beslistermijn 1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag of melding is ontvangen.
8
2. De gemeente kan de termijn voor ten hoogste 8 weken verdagen. 3. In spoedeisende gevallen treft de gemeente zo snel mogelijk een passende voorziening. De gemeente legt vervolgens de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking (besluit). PARAGRAAF 2.4 BESLISSING (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb) Artikel 2.4.1 Inhoud besluit 1. In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura (product of dienst), in de vorm van een Pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. (Zie voor meer uitleg hoofdstuk 8) 2. Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de ondersteuning inhoudt en waar voor de ondersteuning bedoeld is; b. wanneer de ondersteuning ingaat en hoe lang de ondersteuning duurt; c. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden. 3. Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van een Pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: a. waarvoor het Pgb bedoeld is; b. hoe hoog het Pgb is en hoe dit berekend is; c. wanneer het Pgb ingaat en wanneer het Pgb eindigt; d. hoe de besteding van het Pgb verant woord moet worden; e.
welke voorwaarden en verplichtingen er voor het Pgb gelden. 4. Geeft de gemeente ondersteuning in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van het geld.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
5. Voor Jeugd en Wmo geldt dat het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 6 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen. PARAGRAAF 2.5 UITZONDERINGEN Artikel 2.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen (Jeugdwet, Awb) 1. De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. Voor deze ondersteuning gelden dezelfde voorwaarden en kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders die opgenomen zijn in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. 2. Als een jeugdige zich bij een jeugdhulp- aanbieder meldt met een verwijzing, niet via de gemeentelijke toegang, dan beoordeelt de jeugdhulpaanbieder in lijn met deze verwijzing inhoudelijk welke product(en) de jeugdige precies nodig heeft, met welke frequentie en voor hoe lang (de duur en de omvang). De jeugdhulpaanbieder past bij de genoemde beoordeling en bepaling van de inhoud van het product de werkwijze toe zoals de gemeentelijke toegang deze toepast zoals beschreven in het bovengenoemde productenboek en de bijbehorende werkinstructie. 3.
Als de jongere of zijn ouders daar om vragen, stuurt de gemeente hem/hen een brief met daarin het besluit over de jeugdhulp. Voor dit besluit gelden dezelfde rechten en plichten als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
9
Artikel 2.5.2 Spoedeisende gevallen (Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs) 1. In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de ondersteuning krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) ondersteuning in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a. het bieden van ondersteuning en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor uithuisplaatsing of gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; d. schuldhulpverlening; e. vervoer van en naar school (vervoersvoorziening gaat op zijn vroegst in op de dag van de aanvraag); f. het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
2. Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om ondersteuning niet afgewacht kan worden. 3. Voor Jeugd geldt dat deze hulp buiten kantoortijden loopt via de Crisisdienst van Jeugdbescherming Brabant of GGZ en een maximale termijn heeft van 4 weken. Na deze 4 weken of zoveel eerder als mogelijk volgt dan alsnog een ‘gewoon’ besluit.
10
3. WERK EN PARTICIPATIE De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners die een uitkering hebben en kunnen werken, worden geholpen bij het vinden van een duurzaam en passend werk, bij voorkeur in een reguliere en betaalde baan. Als betaald werk niet haalbaar is, dan wordt gekeken op welke wijze participeren aan de samenleving mogelijk is. De gemeente kan helpen door het inzetten van zogenaamde voorzieningen. Welke ondersteuning dat kan zijn, staat in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.
KERNDOELEN: • De inwoner wordt zo goed mogelijk naar duurzaam, passend werk of participatie geleid. • Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente. • Iedereen doet mee aan de samenleving.
PARAGRAAF 3.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 3.1.1 Doelgroepen (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk en maatschappellijke participatie: 1. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; 2. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning kan worden gegeven; 3. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben (startkwalificatie). De Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
gemeente helpt hen een passende opleiding, traject of duurzame arbeid te vinden of leidt hen naar hulpverlening of zorg. Artikel 3.1.2 Samenwerking (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente werkt samen met UWV, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te ondersteunen bij het vinden van passend werk of werk. 2. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners, die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk aanbieden. Artikel 3.1.3 Budget De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening 11
uitgeeft. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vastgesteld. Artikel 3.1.4 Voorzieningen (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op zijn positie op de arbeidsmarkt. 2. De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk of participatie. 3. De gemeente beoordeelt per persoon welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal zaken, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en of er bij de gemeente voldoende budget beschikbaar is. 4. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en wat van belang is voor die ondersteuning. Ook wordt vastgelegd welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt over de ondersteuning en over wat de inwoner zelf doet om eerder aan werk te komen. PARAGRAAF 3.2 VOORZIENINGEN ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 3.2.1 Beschut werk (PW) 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als deze behoort tot de doelgroep van beschut werk. Dit gebeurt op basis van een door het UWV afgegeven advies waaruit blijkt dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aange past aan de mogelijkheden van die inwoner.
Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken een veilige werkplek te bieden. 3. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren,
4. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werk omgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding. 5. De gemeente kan inwoners, die in aanmerking komen voor beschut werk, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a. Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding; b. Maatschappelijke participatie; c. scholing; d. Persoonlijke ondersteuning; e. schuldhulpverlening. Artikel 3.2.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep persoonlijke ondersteuning aanbieden die nodig is om de stap te zetten naar betaald werk. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk worden de volgende voorwaarden gehanteerd: a. De inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en: i. is minimaal achttien jaar oud, of; ii. heeft VSO/PRO onderwijs gevolgd; b. De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; d. De kosten van de voorzieningen (en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten. 3.
Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner of zijn werkgever. 4. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de persoonlijke ondersteuning.
gerealiseerd wordt.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
12
Artikel 3.2.3 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1. De gemeente kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 3. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeids overeenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereen komst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn. 4. Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5. Het doel van de jobcoach of de interne werk begeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6. De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak. 7.
De gemeente stemt met de werkgever en werknemer de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren af en legt dit vast in een beschikking. Artikel 3.2.4 Loonkostensubsidie (PW, IOAW, IOAZ, Awb) 1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren kwetsbare inwoners in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3. De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
productief de inwoner op de werkplek zal zijn loonwaarde worden vastgesteld. Dit wordt gedaan door een landelijk erkende methodiek op de werkplek. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd op basis van het wettelijk minimumloon. 4. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient , voor wettelijke loonkosten subsidie bevestigt de medewerker de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aan vraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Dit moet aangevraagd worden binnen 6 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst. 5. Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door de medewerker en die bepaald of het middel praktijkroute van toepassing is. . 6. De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loon kostensubsidie wordt toegekend. Hierbij geldt dat opname in het doelgroepenregister pas van toepassing is na een vaststellen van de loonwaarde inclusief de no-riskpolis. 7.
De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie (zie begrippenlijst). Artikel 3.2.5 Proefplaats (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. 2. Het doel van de proefplaats is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk, maar ook om te kijken of de functie kan worden aangepast zodat deze goed bij de inwoner past. 3. Een voorwaarde is dat de proefplaats leidt tot een dienstverband van minimaal 6 maanden zonder proeftijd als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. 13
4. De proefplaats is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaats niet wordt omgezet in een dienstverband legt de werkgever uit wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden en waarom de inwoner geen dienstverband krijgt. 5. Een proefplaats duurt maximaal 2 maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal 4 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner. 6. De proefplaats wordt vastgelegd in een over eenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin worden het doel van de proefplaatsing opgenomen, hoe lang de proefplaats duurt, wat de werkzaamheden en de werktijden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt. 7. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 8. De werkgever zorgt voor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering. 9. Een proefplaats kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde inwoner bij de dezelfde werkgever een werkstage is ingezet. 10. De gemeente kan tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting uitvoeren. 11. De proefplaats wordt vastgelegd in een proef plaatsovereenkomst met daarin het doel en de duur van de proefplaats.
Artikel 3.2.7 Scholing (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente kan een inwoner, die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd. 3. Het scholingstraject wordt vastgelegd in een plan van aanpak met daarin het doel en de duur van het scholingstraject.
Artikel 3.2.6 Werkstage (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeen komst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij
Artikel 3.2.8 Indienstnemingssubsidie (PW, IOAW, IOAZ, Awb) 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner, die behoort tot de doelgroep, in dienst neemt een subsidie geven. Er is geen recht op indienstnemingssubsidie wanneer er sprake is van recht op loonkostensubsidie. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3. De indienstnemingssubsidie bedraagt eenmalig
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. De werkstage wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt in een overeenkomst vastgelegd welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin- en einddatum, afspraken over onkosten vergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. Ook wordt vastgelegd waarom er geen sprake is van verdringing / oneerlijke concurrentie. 6. Het aantal gewerkte uren in een werkstage bedraagt niet meer dan 40 uur per week. Een werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan éénmalig met 3 maanden worden verlengd.
€ 500 per kalenderjaar. 14
4. De werkgever moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt minimaal 6 maanden; b. de werknemer ontvangt loon hoger dan de bijstandsnorm. Artikel 3.2.9 Maatschappelijke participatie (PW, IOAW, IOAZ) 1. De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die hem dichter bij werk brengen. Dit heet maatschappelijke participatie. 2. Het doel van maatschappelijke participatie is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3. De gemeente biedt de activiteiten aan als hierdoor er geen verdringing op de arbeids markt plaatsvindt. 4. De activiteiten worden vastgelegd in een plan van aanpak met een doel en duur van de activiteit. Artikel 3.2.10 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal (PW, IOAW, IOAZ) 1. Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren (referentieniveau 1F, niveau basisonderwijs). 2. Deze voorziening wordt vastgelegd in een taalplan. In het taalplan wordt in ieder geval beschreven: a. welke vorm van ondersteuning wordt aangeboden; en b. hoe de voortgang wordt beoordeeld.
Artikel 3.2.11 Kinderopvang (PW, Wet kinderopvang) 1. De gemeente verleent op aanvraag een bijdrage in de kosten van kinderopvang als de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Algemene nabestaan-
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
denwet (Anw) uitkering en de kinderopvang is nodig om deel te kunnen nemen aan een activiteit van de gemeente op weg naar werk (een voorziening); of b. de inwoner volgt een voltijd hbo- of universitaire opleiding, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs; of c. er is sprake van een sociaal medische indicatie, als gevolg van lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen van de ouder of om een dreigende ernstige ontwikkelingsachterstand van het kind op te heffen of te verminderen; d. de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau. 2. De gemeente legt in nadere regels vast welke aanvullende voorwaarden gelden en wat de hoogte van de vergoeding is. Op de kosten wordt de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt verstrekt in mindering gebracht. PARAGRAAF 3.3 <<VERVALLEN>> PARAGRAAF 3.4 ANDERE VOORZIENINGEN EN VERGOEDINGEN Artikel 3.4.1 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie. Artikel 3.4.2 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen (PW, IOAW, IOAZ) 1.
De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
15
Artikel 3.4.3 Nazorg (PW, IOAW, IOAZ) De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen en behouden. PARAGRAAF 3.5 <<VERVALLEN>> PARAGRAAF 3.6 MEEDOEN IN DE SAMENLEVING MET EEN BEPERKING OF EEN PSYCHISCH OF PSYCHOSOCIAAL PROBLEEM (Wmo) Een inwoner die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig heeft om mee te doen in de samenleving (participatie), kan op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen. Hij moet wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 (voorwaarde voor ondersteuning) van deze verordening. De gemeente kijkt altijd of de inwoner mogelijkheden heeft om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. En of het resultaat bereikt kan worden met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties. Bij het onderzoeken of sprake is van gebruikelijke hulp door huisgenoten wordt rekening gehouden met de volgende factoren: a. de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbe hoefte van de inwoner; d.
de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
e. de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. Ook moet de ondersteuning-op-maat een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoner, zodat hij in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van ondersteuning die de gemeente in ieder geval kan geven: · Groepsbegeleiding · Individuele begeleiding · Vervoer op Maat · Hulpmiddelen voor vervoer Artikel 3.6.1 Uitgangspunten a. De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. b.
De gemeente kan in nadere regels vaststellen op welke manier dit artikel wordt uitgevoerd. Artikel 3.6.2 Groepsbegeleiding De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de dag goed in te vullen, ondersteuning-op-maat kan krijgen (geïndiceerde dagbesteding). De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner onder begeleiding één of meer dagdelen per week mee kan doen aan
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
16
arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Meierijstad heeft in haar wijken en dorpen veel algemene voorzieningen voor dagbesteding. De gemeente kijkt daarom altijd eerst of deze algemene voorzieningen voor dagbesteding passend zijn voor de vraag van de inwoner. Groepsbegeleiding is voorliggend aan individuele begeleiding. Bij groepsbegeleiding kan een indicatie voor vervoer gegeven worden. Dat kan alleen als de inwoner niet zelfstandig, of met behulp van het netwerk of met behulp van een algemene voorziening zich van de woning van de inwoner naar de locatie voor groepsbegeleiding kan verplaatsen. Artikel 3.6.3 Individuele begeleiding De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de normale dagelijkse activiteiten te doen, ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner in meerdere of mindere mate individueel begeleid wordt bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent dat de begeleider ondersteunt bij de dagelijkse gang van zaken en dat hij de inwoner ondersteunt om op een goede manier met zijn omgeving en netwerk om te gaan. De begeleider kan ook ondersteunen bij vaak terugkerende activiteiten. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar kan als dat nodig is wel de regie overnemen. Artikel 3.6.4 Vervoer op Maat 1.
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking onvoldoende kan verplaatsen ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner geholpen wordt met vervoer dicht bij huis zodat hij zelfstandig kan blijven en mee kan doen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Bij het vervoer op maat gaat het om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen. Uitgesloten zijn activiteiten zoals benoemd in
2. De gemeente kent de volgende mogelijkheden voor Vervoer op Maat: Het collectief maatwerkvervoer: het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het collectief maatwerkvervoer. De inwoner komt alleen in aanmerking voor collectief maatwerk vervoer als men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, men het openbaar vervoer niet kan bereiken of als lokale andere vervoersmogelijkheden niet mogelijk zijn. Voor collectief maatwerkvervoer geldt het volgende: a. Er is een kilometergrens van 3000 kilometer per jaar. Daarboven wordt niet meer vergoed; b. Als een inwoner later in het jaar gebruik gaat maken van het collectief vervoer, wordt het aantal kilometers berekend voor de resterende dagen van het kalenderjaar (3000/ 365 x resterende aantal dagen tot en met 31 december); c. De gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio en de vastgestelde puntbestemmingen. De gemeente kan daarvoor nadere regels vaststellen; d. De gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers; e. Voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage. De gemeente kan daarvoor nadere regels vaststellen; f. Het vervoer is niet bedoeld voor woon-werkverkeer en vervoer naar geïndiceerde dagbesteding; g. Het vervoer is niet bedoeld voor zieken vervoer dat vergoed wordt vanuit de zorgverzekering; h.
Het vervoer is alleen bedoeld voor vervoer voor sociale doeleinden als de inwoner ook WLZ-indicatie heeft. 3. Een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding: hier mee kan de inwoner de werkelijke kosten tot maximaal 3000 kilometer per jaar declareren. 4. Het geschikt maken van de eigen auto door een autoaanpassing: een autoaanpassing is alleen mogelijk als dit de meest goedkope en passende oplossing is. Voor een auto- aanpassing geldt het volgende:
artikel 3.6.4 lid 2 sub f en g. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
17
a. Een aanpassing wordt alleen vergoed als de auto(bus) in goede staat verkeert en in beginsel niet ouder dan vijf jaar is of naar verwachting nog zeven jaar mee kan. b. De aanpassingen kunnen betrekking hebben op: bediening en besturing; in en uit de auto(bus) komen; inrijden van een rolstoel; vergrendeling van een rolstoel. c. Aanpassingen aan de auto(bus) moeten functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking en niet algemeen gebruikelijk of standaard ingebouwd zijn, zoals rem- of stuurbekrachtiging, airconditioning, airbags, etc.. 5. Om Vervoer op Maat beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met een lokale vervoersvoorziening, daarna naar collectief maatwerkvervoer, daarna naar een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding en als laatste naar het geschikt maken van de eigen auto. De goedkoopst mogelijke passende voorziening wordt toegekend.
2. Hiervoor kent de gemeente de volgende ondersteuning: a. Voor dagelijks zittend gebruik wordt een hiervoor geschikte rolstoel toegekend. b. Voor verplaatsen dichtbij huis wordt een hulpmiddel voor vervoer toegekend. Artikel 3.6.6 Vervanging hulpmiddelen voor vervoer Als de gemeente eerder een hulpmiddel voor vervoer heeft verstrekt en deze moet worden vervangen, doet de gemeente dit alleen als het hulpmiddel voor vervoer: 1. technisch is afgeschreven; 2. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of 3. geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het verplaatsen dichtbij huis. Artikel 3.6.7 sportvoorzieningen De gemeente kan een Pgb voor een sportvoorziening verstrekken als blijkt dat de voorziening noodzakelijk is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.
Artikel 3.6.5 Hulpmiddelen voor vervoer 1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking niet kan verplaatsen in en om de woning, ondersteu- ning-op-maat kan krijgen. Die ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van een rolstoel of ander hulpmiddel voor vervoer om zich te verplaatsen in en om de woning.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
18
4. GEZOND EN VEILIG OPGROEIEN (Jeugdwet)
Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de jongeren zelf, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij op aanvraag een beroep doen op ondersteuning van de gemeente. Deze ondersteuning wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde ondersteuning te verminderen. Daarbij staan het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Voor deze laatste groep van 18 tot 23 jaar is onder bepaalde wettelijke voorwaarden verlengde jeugdhulp mogelijk. Pleegzorg geldt standaard tot 21 jaar en is verlengd mogelijk tot 23 jaar.
KERNDOELEN: • De jongere moet gezond en veilig kunnen opgroeien. • De gemeente stemt de ondersteuning af op de ouder(s) en jongeren en zorgt voor goede aansluiting op andere hulp. • Vrij toegankelijke ondersteuning gaat voor ondersteuning-op-maat.
ARTIKEL 4.1 UITGANGSPUNTEN BIJ HET BIEDEN VAN ONDERSTEUNING 1. Bij het bieden van ondersteuning houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging, maatschappelijke opvattingen en de culturele achtergrond van de jongere en de ouder(s).
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
2. Alle ondersteuning is gericht op het bereiken van persoonlijke stabiliteit of het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouder(s) en hun sociale netwerk. 3. De gemeente betrekt de wensen van de jongere en zijn ouder(s) bij de keuze voor de vorm van jeugdhulp.
19
4. Pleegouders kunnen voor ondersteuning in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra ondersteuning vragen aan de gemeente. 5. Als het gewenste resultaat van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met ondersteuning die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om ondersteuning door het Centrum voor Jeugd en Gezin. Kan het gewenste resultaat niet bereikt worden met die ondersteuning, dan wordt ondersteuning-op-maat ingezet. ARTIKEL 4.2 EIGEN KRACHT 1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulp vraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: · gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders · bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan · de ondersteuning vanuit het sociale netwerk · het aanspreken van een aanvullende zorg verzekering die is afgesloten 2.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt de gemeente of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. De gemeente houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige d. de mate van planbaarheid van de hulp e. de mate van planbaarheid van de hulp f. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. De gemeente beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven.
De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: · Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samen hangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneen gesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. · Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalender jaar. De gemeente verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
20
niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 6. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige b. de mate van planbaarheid van de hulp c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen i. de woonsituatie j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht 7.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. De gemeente verstrekt dan
8. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: · Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. · Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. · Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt de gemeente wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. · Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. · Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. · Een Pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. De gemeente verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
10.Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. De gemeente verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 11. Vanuit het oogpunt van medicaliseren/normaliseren en benutten van eigen kracht, vinden we dat het vervoer van een jeugdige naar een jeugdhulpvoorziening in de basis de verant woordelijkheid is van ouders/verzorgers/net
geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
werk als onderdeel van gebruikelijke hulp. Het
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
21
gaat hierbij nadrukkelijk om vervoer van de jeugdige en niet om vervoer van ouders of verzorgers naar een jeugdhulplocatie zonder de jeugdige. Hierbij wordt twee keer rijden (heen en terug) per week als gebruikelijke hulp beschouwd. Indien uit onderzoek blijkt dat ouders/verzorgers/netwerk niet in staat zijn zelf het vervoer te organiseren, kan men in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening op grond van de jeugdwet. Daar waar vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulpvoorziening, is dit opgenomen in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. Vervoer kan ingezet worden in de vorm van taxivervoer, Pgb of een vergoeding. De vergoeding is gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding die de Belastingdienst hanteert (voor 2025: € 0,23). 12.Dit artikel is van toepassing op alle nieuwe aanvragen en verlengingen. ARTIKEL 4.3 VRIJ TOEGANKELIJKE VOORZIENINGEN 1. De gemeente zorgt ervoor dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken, ondersteunt de gemeente jongeren en hun ouders in ieder geval met de onderstaande vrij toegankelijke voorzieningen: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken of kernen, scholen en kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen; b.
ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van informatie, persoonlijk advies en specifieke cursussen of trainingen; c. jeugdgezondheidszorg (GGD); d. het jongerenwerk en jongerencentra; e. generalistische basiszorg van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG); f. een vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning; g. voorzieningen voor spoedeisende situaties.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
2. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen door bovengenoemde instanties en dat daar ook zo vroeg mogelijk ondersteuning wordt geboden. 3. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 4. De gemeente kan nadere regels vaststellen over de aan de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen verbonden voorwaarden. ARTIKEL 4.4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN (ONDERSTEUNING-OP-MAAT) 1. De gemeente kan in ieder geval de volgende ondersteuning-op-maat aanbieden: a. consultatie en advies; b. respijtzorg (verblijf licht, logeeropvang); c. begeleiding (basis en specialistisch); d. daghulp (basis, specialistisch en intensief); e. orthopedagogische behandeling (basis en specialistisch); f. generalistische Basis GGZ; g. specialistische GGZ; h. dyslexiezorg; i. medicatie consultatie; j. vaktherapie; k. intensieve specialistische jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige; l. pleegzorg; m. verblijf (gezinsvervangend, basis, specialistisch en intensief); n. gesloten jeugdhulp; o. crisishulp; p. vervoer in het kader van de jeugdwet. 2. Deze ondersteuning is niet vrij toegankelijk.
De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente of een verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering nodig.
22
3. Voor deze ondersteuning gelden de voorwaarden voor jeugdhulpaanbieders die opgenomen zijn in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar. ARTIKEL 4.5 OVERGANG VAN 18- NAAR 18+ 1. De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat jongeren, die jeugdhulp krijgen, ondersteund blijven als die ondersteuning nog nodig is als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente samen met de jongere en jeugdhul paanbieder zorgt voor een toekomstplan voor de jongere op alle belangrijke onderwerpen. 2. Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: a. scholing, werk en/of participatie; b. wonen; c. inkomen; d. zorg en ondersteuning; e. vrije tijd; f. het netwerk van de jongere.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
3. Het is onder bepaalde wettelijke voorwaarden mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het toekomstplan. 4. Als een jeugdige ouder dan 18 jaar niet in aanmerking komt voor verlengde jeugdhulp en ondersteuning nog wel wenselijk is, kan de jeugdige een aanvraag indienen voor ondersteuning vanuit de Wmo. 5. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. De jeugdhulp kan zo nodig onder bepaalde wettelijke voorwaarden worden verlengd totdat de jongere 23 jaar wordt.