Bijlage 1. Verordening Sociaal domein
Tekst van het document
23
5. WONEN IN EEN VEILIGE EN GEZONDE OMGEVING (Wmo) Inwoners met een beperking en/of met (langdurige) psychosociale problemen hebben soms ondersteuning nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te ondersteunen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de ondersteuning die de gemeente aan deze inwoners kan geven.
KERNDOELEN: • Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven. • De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner.
PARAGRAAF 5.1 ALGEMEEN Artikel 5.1.1 Uitgangspunten 1. De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
2. De gemeente kan in nadere regels vaststellen op welke manier dit hoofdstuk wordt uitgevoerd. PARAGRAAF 5.2 ZELFSTANDIG EN VEILIG WONEN Artikel 5.2.1 Geschikte woning: aanpassen of verhuizen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat krijgt als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt.
24
2. Als na de eerste melding blijkt dat de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aange past kan worden, onderzoekt de gemeente of verhuizen naar een geschikte(re) woning een meer passende oplossing is voor de inwoner. Zeer hoge kosten zijn kosten van meer dan € 18.000 in de periode van de komende 5 jaar. In dit onderzoek wordt gekeken naar o.a. de beperkingen van de inwoner en de beschik baarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen. Daarnaast wordt rekening gehouden met andere relevante feiten en omstandigheden. De gemeente kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belan genafweging die gemaakt moet worden. Als wordt geconcludeerd dat verhuizen naar een geschikte(re) woning de meest passende oplossing is voor de inwoner, dan kan de gemeente de aanvraag om aanpassing van de woning afwijzen. 3. De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. De hoogte van deze vergoeding is vastgelegd in de Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning Meierijstad en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de consumenten prijsindex van het CBS. Artikel 5.2.2 Wanneer geen aanpassing De gemeente geeft geen ondersteuning-op-maat in de volgende situaties: a.
De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; b. Er is sprake van een niet-zelfstandige woonruimte, een tweede woning of een recreatiewoning; c. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropener, stalling voor vervoersvoorzieningen, etc.;
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
d. Het gaat om voorzieningen die bij nieuw bouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden; e. De inwoner is, zonder dringende reden, verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning naar een andere woning waar wel ondersteuning nodig is; f. De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg; g. De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de belemmeringen bij het normale gebruik van zijn woning weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven; h. De inwoner heeft niet zijn hoofdverblijf in de woning waar de woonvoorziening voor wordt aangevraagd. Uitgezonderd hier van is het bezoekbaar maken van één woning binnen de gemeente voor een inwoner verblijvende in een Wlz-instelling, indien dit noodzakelijk is om in aan vaardbare mate te kunnen deelnemen aan het sociaal leven. Artikel 5.2.3 Vervanging eerder verstrekte voorziening Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of c. de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.
Artikel 5.2.4 Onderhoud, keuring, reparatie en verzekering De hoogte van de vergoeding voor de kosten van onderhoud, keuring, reparatie en verzekering van de woonvoorzieningen is gelijk aan de werkelijke kosten. De aanbieder en de gemeente bepalen hoeveel onderhoud en welke keuring er nodig is.
25
Artikel 5.2.5 Overlijden Na het overlijden van de inwoner, kan de voorziening worden toegekend aan de inwonende partner of huisgenoot, als deze door zijn beperking hier ook al gebruik van maakte. PARAGRAAF 5.3 EEN SCHONE EN LEEFBARE WONING Artikel 5.3.1 Hulp bij Huishouden 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. 2. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de inwoner de volgende voorziening kan krijgen: a. Algemene voorziening Hulp bij Huishouden (HbH) b. Maatwerkvoorziening Hulp bij Huishouden (HbH) 3. Bij de algemene voorziening Hulp bij Huishouden ligt de regie bij de inwoner zelf. De inwoner maakt met de aanbieder zelf afspraken over wat en wanneer er wordt schoongemaakt. De algemene voorziening Hulp bij huishouden kent een maximale inzet van ondersteuning van 52 uur per kalenderjaar. 4. De maatwerkvoorziening HbH bestaat uit: a. Ondersteuning bij een schoon huis. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaak hulp. Deze hulp maakt alleen schoon, waarbij vooral het zware schoonmaak werk wordt gedaan en/of b. Regie op het huishouden.
Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding waarbij uiteindelijk de regie ook weer bij de inwoner komt en/of het aanleren van schoonmaakvaardigheden. 5. Voor de maatwerkvoorziening HbH stelt de gemeente in overleg met de inwoner en de door hem gekozen zorgaanbieder vast hoeveel uur nodig zijn om de woning schoon en leefbaar te houden. 6. De gemeente kan ook besluiten om een collectieve voorziening hulp bij huishouden toe te kennen als er sprake is van meerdere inwoners die woon- en gebruiksruimtes delen. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
7. Hulp bij huishouden wordt alleen ingezet als de inwoner geen mogelijkheden heeft om het gewenst resultaat op eigen kracht te bereiken en hij dit resultaat ook niet kan bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten. 8. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. PARAGRAAF 5.4 BESCHERMD WONEN Artikel 5.4.1 Beschermd wonen 1. Beschermd wonen is ondersteuning-op-maat waarbij inwoners daar wonen waar 24 uurs toezicht en/of begeleiding aanwezig is. Dit wonen gebeurt zelfstandig, geclusterd of binnen een instelling. 2. Beschermd wonen is bestemd voor: a. volwassenen met psychiatrische problemen met beperkt psychische of psycho sociale functioneren eventueel gecombineerd met beperkt intellectueel vermogen en/of gedragsproblemen en tijdelijk niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; b. volwassenen met licht verstandelijke beperking met beperkt psychisch of psychosociaal functioneren en/of gedragsproblemen die tijdelijk niet in staat zijn zich op eigen kracht te hand haven in de samenleving. 3. Bij beschermd wonen wordt een veilige leefom geving geboden door vormen van toezicht en begeleiding. De gemeente kan nadere regels stellen voor de verschillende vormen van beschermd wonen. 4.
De ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie (meedoen in de samenleving) maar is ook gericht op het psychisch en sociaal functioneren, het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of van gevaar voor de inwoner zelf en anderen. 5. Binnen beschermd wonen worden zes pakketten onderscheiden. Dit zijn: · Intramuraal Beschermd wonen Intensief · Intramuraal Beschermd wonen basis 26
· Kleinschalig Thuis intensief · Kleinschalig Thuis basis · Zelfstandig Thuis intensief · Zelfstandig Thuis basis 6. Deze pakketten kunnen aangevuld worden met één van de drie bestaande modules Dagbesteding Beschermd wonen. Dit zijn: · 1 t/m 3 dagdelen · 4 t/m 6 dagdelen · 7 t/m 9 dagdelen 7. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert de afspraken voor Beschermd wonen, in man daat, uit voor de zeven gemeenten: Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, ’s-Hertogenbosch, Vught en Zaltbommel. Artikel 5.4.2 Toe- en afwijzingsgronden 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. de inwoner een geldende psychiatrische diagnose heeft van een arts (BIG-geregistreerde artikel 14-functionaris);of b. het nodig is om de inwoner of directe omgeving te beschermen als gevolg van deze gediagnosticeerde psychiatrische aandoening; en c. de regio Meierij en Bommelerwaard de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is. 2. De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen als: a. de inwoner zelfstandig kan wonen zonder dat specifieke ondersteuning nood- zakelijk is, die 24 uur en 7 dagen per week beschikbare ondersteuning en/of begeleiding vereist; of b. de inwoner geen medisch toetsbare psychiatrische diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt of c.
de inwoner wel een aantoonbare diag nostische behoefte tot beschermd verblijf heeft, maar hiervoor nog onder behandeling staat; d. de regio Meierij en Bommelerwaard niet de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is. In dat geval wordt de aanvraag ter behandeling doorgezonden naar de regio die het meest kansrijk is. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
PARAGRAAF 5.5 MAATSCHAPPELIJKE OPVANG Artikel 5.5.1 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner van 18 jaar en ouder, ondersteuning-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. 2. Onder maatschappelijke opvang worden de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang, kleinschalige opvang, vrouwenopvang en woon-werktrajecten verstaan. 3. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang, in mandaat, uit voor de zeven gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, ’s-Hertogenbosch, Vught en Zaltbommel. 4. De kleinschalige opvang (inclusief intake) in Meierijstad is een lokale verantwoordelijkheid. De gemeente voert deze zelf uit in afstemming met de gemeente ’s-Hertogenbosch. Artikel 5.5.2 Toe en afwijzingsgronden 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor opvang als: a. hij dak- of thuisloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; en b. hij beperkt zelfredzaam is waardoor hij zich niet op eigen kracht kan handhaven in de maatschappij; en c. hij niet beschikt over alternatieven die de situatie van dak- of thuisloosheid op kunnen heffen. 2. Een inwoner komt niet in aanmerking voor opvang als: a. hij ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en hulp bij huishouden. b.
hij een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is. c. er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en/of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening. Of als er sprake is van veiligheidsrisico’s voor de inwoner zelf of diens omgeving. 27
d. hij ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden. e. hij niet akkoord gaat met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling, waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de bijdrage. Artikel 5.6 Vrouwenopvang 1. Een inwoner komt in aanmerking voor de vrouwenopvang als: a. deze slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, dan wel slachtoffer is van mensenhandel, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten; of b. er sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is; en c. deze 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen; en d. geen mogelijkheid heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden, een veilige situatie te creëren of in alternatieve huisvesting te voorzien. 2. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang uit voor de 12 gemeenten Bernheze, Boekel, Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Oss, Sint-Michielsgestel, ’s-Hertogenbosch, Vught, Zaltbommel, Maashorst en Land van Cuijk.
PARAGRAAF 5.7 MANTELZORG Een mantelzorger zorgt langdurig, intensief en onbetaald voor iemand in de thuissituatie of in een instelling, die een beperking, chronische of levensbedreigende ziekte heeft en met wie hij al een persoonlijke band heeft. Mantelzorgers vervullen een belangrijke rol. Daarom investeert de gemeente in de ondersteuning van mantelzorgers om overbelasting te voorkomen. Ook heeft de gemeente aandacht voor erkenning en waardering van deze groep, via een jaarlijkse mantelzorgwaardering.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
Artikel 5.7.1 Ondersteuning mantelzorger 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven informatie en advies kunnen krijgen. 2. De gemeente kan ook ondersteuning-op-maat geven zodat de mantelzorg voor een korte periode (deels) wordt overgenomen om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten. Artikel 5.7.2 Voorwaarden mantelzorgwaardering 1. De gemeente kent jaarlijks een mantelzorgwaardering toe. 2. Een mantelzorgwaardering kan worden aange vraagd door degene die mantelzorg ontvangt. De volgende voorwaarden gelden: a. Degene die mantelzorg ontvangt moet inwoner zijn van de gemeente; b. De mantelzorg wordt over een langere periode verleend; minimaal 3 maanden, gemiddeld 8 uur per week; en c. De mantelzorg wordt verleend door iemand die geen betaalde hulp aan de inwoner geeft. 3. De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd voor 30 november van het betreffende jaar. Na toekenning wordt deze in december van hetzelfde kalenderjaar uitbetaald. 4. De inwoner kan de mantelzorgwaardering verdelen over meerdere betrokken mantelzorgers. Artikel 5.7.3 Kortdurend verblijf Met Kortdurend verblijf bedoelen we het logeren elders (van de inwoner met beperking). 1. De gemeente kan op aanvraag van de inwoner met een beperking ter ontlasting van de mantelzorger een vergoeding toekennen voor kort verblijf van die inwoner op een ander adres.
Kortdurend verblijf is bedoeld ter ontlasting van de mantelzorger en uitdrukkelijk preventief bedoeld. Met kortdurend verblijf wil de gemeente bereiken dat de mantelzorger de zorg thuis vol kan houden zodat opname in een intramurale instelling wordt voorkomen of uitgesteld.
28
2. Voor kortdurend verblijf gelden de volgende voorwaarden: a. De inwoner heeft een somatische, psychiatrische, psycho-geriatrische beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking; b. De ontlasting van de persoon die mantelzorg aan de inwoner levert, is noodzakelijk; c. De inwoner is, gezien de ondersteuningsen zorgbehoefte aangewezen op permanent toezicht; d. De inwoner kan geen beroep doen op de Wet langdurige zorg of zijn aanvullende zorgverzekering. 3. Bij Kortdurend verblijf kan de gemeente een indicatie voor vervoer geven als de inwoner niet zelfstandig, of met behulp van het netwerk of met behulp van een algemene voorziening zich van de woning van de inwoner naar de locatie voor Kortdurend verblijf kan verplaatsen. Artikel 5.7.4 Mantelzorgwoning De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor het plaatsen van een mantelzorgwoning: a. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de mantelzorgwoning; b. De mantelzorgwoning wordt uit eigen middelen betaald; c. De mantelzorgwoning kan vergunnings vrij gerealiseerd worden binnen de bestaande (hoofd)bebouwing of geplaatst worden binnen het bouwvlak op het achtererfgebied; d. De mantelzorgwoning kan betrokken worden door de mantelzorger of de mantelzorgontvanger; e.
Het gaat om huisvesting in of bij een woning van maximaal één huishouden van maximaal twee personen, waarvan ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; f. Voor het realiseren van een mantelzorg woning is een mantelzorgverklaring nodig waarin de mantelzorgbehoefte van de inwoner wordt aangetoond;
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
g. De mantelzorgverklaring kan worden afgegeven door de huisarts, de wijkverpleegkundige of een door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur; h. De inwoner betaalt de kosten van de mantelzorgverklaring. Artikel 5.7.5 Mantelzorgverklaring voor een mantelzorgwoning 1. De inwoner komt in aanmerking voor een daarvoor benodigde mantelzorgverklaring, als: a. de mantelzorg voor een periode langer dan 3 maanden gaat plaatsvinden; en b. minimaal 8 uur per week mantelzorg wordt geleverd. 2. In de mantelzorgverklaring neemt de adviseur een programma van eisen op voor de mantelzorgwoning. De inwoner is zelf verantwoordelijk dat de mantelzorgwoning aan deze eisen voldoet en kan daartoe geen aanspraak maken op woningaanpassingen in het kader van de Wmo. Artikel 5.7.6 Mantelwonen Mantelwonen is een woonvorm die te vergelijken is met een mantelzorgwoning. De belangrijkste verschillen zijn: · Voor een mantelwoning is geen medische verklaring nodig. Het gaat bij mantelwonen veel meer om sociale ondersteuning dan om medische zorg. · Voor een mantelwoning is een vergunning nodig, deze geldt maximaal 15 jaar. · Een mantelwoning mag door één huishouden worden bewoond. Het mantelwonen-beleid vervangt het pré-mantelzorgbeleid omdat met een ruimere regeling wordt bereikt dat men elkaar kan ondersteunen zonder dat er direct sprake is van een medische noodzaak.
Aan het realiseren van een mantelwoning zijn voorwaarden verbonden. Deze is terug te vinden op www.meierijstad.nl/mantelwonen.
29
6. VERVOER NAAR SCHOOL (Verordening bekostiging leerlingenvervoer of tegemoetkoming leerlingenvervoer) Ieder kind heeft recht op onderwijs. Onderwijs dat past bij de mogelijkheden van het kind of aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouder. Soms is de afstand van huis naar school te groot voor het kind of kan het vanwege een beperking niet zelfstandig naar school reizen. In dit hoofdstuk staat hoe wij ouders ondersteunen bij het vervoer van het kind naar school.
KERNDOELEN: • Ieder kind heeft recht op onderwijs dat bij zijn mogelijkheden past. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de ouders en kinderen.
PARAGRAAF 6.1 UITGANGSPUNTEN Artikel 6.1.1 Algemene voorwaarden De gemeente kent aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe onder de voorwaarden genoemd in deze verordening. 1. Ouders zijn er zelf voor verantwoordelijk dat hun kind naar school gaat. 2. De gemeente kijkt naar de leeftijd van het kind op 1 augustus van het schooljaar waarvoor de ouder een tegemoetkoming aanvraagt. 3. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. 4. De gemeente maakt bij het aangepast vervoer gebruik van opstapplaatsen. De ouder is er zelf voor verantwoordelijk dat het kind naar de opstapplaats gaat en zo nodig begeleid wordt.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
Alleen als het kind om medische redenen geen gebruik kan maken van een opstapplaats, wordt het thuis opgehaald. 5. Aangepast vervoer rijdt op de vaste schooldagen en schooltijden, zoals opgenomen in de schoolgids van de school waar het kind ingeschreven staat. 6. Als de school van het kind verschillende les roosters gebruikt binnen de vaste schooltijden, kan het zijn dat het kind maximaal twee lesuren moet wachten op de taxibus. 7. Als het kind door een structurele handicap op afwijkende schooltijden vervoerd moet worden, moet dit in het ontwikkelingsperspectiefplan opgenomen zijn. 8. In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente. Artikel 6.1.2 Samenwerking De gemeente werkt samen met de samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs voor primair 30
en voortgezet onderwijs en de regiogemeenten. Met hen maakt zij afspraken om het onderwijs zo thuisnabij mogelijk te organiseren. Daarbij is leerlingenvervoer ook een thema. Dit wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, dat na overleg met de regiogemeenten wordt vastgesteld. De gemeente betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan. PARAGRAAF 6.2 DOELGROEPEN
2. De gemeente verstrekt aan ouders een voorziening voor stagevervoer: a. als het kind naar een school voor voortgezet (speciaal) onderwijs gaat met een arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel, en al in aanmerking komt voor een tegemoetkoming; en b. de stagetijden overeenkomen met de schooltijden; en c. de stage op één adres plaatsvindt; en d. de stage binnen een maximale afstand van 20 kilometer van de woning ligt.
Artikel 6.2.1 Basisonderwijs (Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra) De gemeente kent op aanvraag van de ouders een vervoersvoorziening toe als het kind in de gemeente Meierijstad verblijft, een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs bezoekt en: a. de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan 6 kilometer bedraagt; en b. het kind op 1 augustus van het schooljaar minimaal 4 jaar oud is. Bij speciaal onderwijs voor kinderen met een beperking aan het gehoor geldt een leeftijd van minimaal 3 jaar.
Artikel 6.2.3 Tijdelijke vervoersvoorziening De gemeente verstrekt op aanvraag van de ouders een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal 6 weken als het kind als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Meierijstad verblijft. Er moet voldaan zijn aan de volgende punten: a. het kind blijft zijn eigen school bezoeken; en b. het kind krijgt al een tegemoetkoming voor het leerlingenvervoer; en c. de verwachting is dat het kind na deze periode van 6 weken weer in Meierijstad gaat verblijven.
Artikel 6.2.2 Voortgezet (speciaal) onderwijs (Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra) 1. De gemeente kent op aanvraag van de ouders een vervoersvoorziening toe als het kind in de gemeente Meierijstad verblijft, een school voor het voortgezet (speciaal) onderwijs bezoekt en: a. de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor voortgezet (speciaal) onderwijs meer dan 6 kilometer bedraagt; of b. het kind het voortgezet (speciaal) onderwijs bezoekt maar door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking niet in staat is – ook niet onder begeleiding – om gebruik te maken van de fiets of het openbaar vervoer.
Artikel 6.2.4 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie De gemeente verstrekt aan een in de gemeente wonende ouder een voorziening voor het vervoer in het weekeinde en de vakantie als het kind, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft. Het volgende vervoer wordt bekostigd: a. weekeindevervoer van het kind voor de, een maal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouder en terug. Behalve wanneer de weekeinden vallen in een schoolvakantie. b. vakantievervoer van het kind van het internaat of pleegezin naar de woning van de ouder en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids zijn genoemd.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
31
c. de regels uit de andere artikelen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekeinde- en vakantievervoer, behalve de bepaling dat de enkele reis naar school met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur duurt en de reistijd met aangepast vervoer wordt terugge bracht tot 50% of minder. PARAGRAAF 6.3 AANVRAAG VAN HET VERVOER Artikel 6.3.1 Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een tegemoetkoming wordt gedaan in de gemeente waar de leerling verblijft. Daarvoor gebruikt de ouder een (digitaal) formulier. 2. In geval van co-ouderschap moeten beide ouders een aanvraag doen in de gemeente waar de ouder woont. 3. De gemeente kan aanvullende gegevens vragen aan ouders als dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig is. Artikel 6.3.2 Beoordeling aanvraag 1. Op het moment dat de ouder een aanvraag indient, onderzoekt de gemeente of het kind voor een vervoersvoorziening in aanmerking komt, en welke voorziening passend is. Een gesprek met de consulent leerlingenvervoer kan onderdeel zijn van dat onderzoek. Ook kan een externe deskundige gevraagd worden om mee te kijken naar de best passende vervoersvoorziening. 2. De gemeente onderzoekt: a. of de dichtstbijzijnde toegankelijke school verder weg ligt dan de afstandsgrens van 6 kilometer. De gemeente berekent de kortste afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en waar plaats is.
Voor het bepalen van de kortste, veilige route wordt de actuele routeplanner van de ANWB gebruikt. b. of het kind naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school gaat. De toelaatbaarheidsverklaring of het arrangement dat het samenwerkingsver band heeft afgegeven is hierbij leidend. c. of er begeleiding nodig is bij het reizen. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
Artikel 6.3.3 Vorm en hoogte vervoersvoorziening 1. Als een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op basis van paragraaf 6.2, stemt de gemeente de tegemoetkoming af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen wordt een fietsvergoeding toegekend. Als fietsen naar school niet lukt (ook niet met begeleiding) is een vergoeding voor het openbaar vervoer de volgende mogelijkheid. Pas als het kind ook niet met openbaar vervoer kan reizen (ook niet met begeleiding) kan aangepast vervoer worden ingezet. Dit uitgangspunt is in de volgende leden nader uitgewerkt. 2. Het kind dat naar groep 8 van de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs gaat, krijgt een bekostiging voor de fiets (zo nodig met begeleiding), tenzij het door een structurele beperking niet in staat is te fietsen. 3. Het kind dat naar groep 8 van de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs gaat krijgt een bekostiging voor openbaar vervoer, zo nodig met begeleiding, als: a. het vervoer per fiets, ook met begeleiding, niet mogelijk is; en b. De afstand van een enkele reis op basis van de kortste fietsroute volgens de ANWB-Routeplanner verder is dan 10 kilometer voor het basisonderwijs en 15 kilometer voor het voortgezet onderwijs c.
het kind zelfstandig of met begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen. 4. Het kind komt in aanmerking voor aangepast vervoer als: a. het kind naar het basisonderwijs of speciaal basisonderwijs gaat t/m groep 7; of b. het kind naar het speciaal onderwijs gaat; c. het kind niet met het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, naar school kan of er geen openbaar vervoer naar school is; of d. de enkele reis naar school met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur duurt en de reistijd met aangepast vervoer wordt teruggebracht tot 50% of minder; of 32
e. als de ouders voldoende aantonen dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen onmogelijk is of dat begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of f. het kind een structurele beperking heeft waardoor hij niet met het openbaar vervoer kan reizen. 5. Bij het toekennen van aangepast vervoer onderzoekt de gemeente met de ouder, het kind, de school en het samenwerkingsverband of zelfstandig leren reizen met het openbaar vervoer of de fiets, al dan niet met begeleiding, in de toekomst mogelijk is. De gemeente biedt leerprojecten voor het gebruik van het openbaar vervoer aan. Artikel 6.3.4 Vergoeding kosten begeleiding 1. Als een kind een vervoersvoorziening krijgt en begeleiding nodig heeft bij het reizen naar school dan verstrekt de gemeente een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren van de begeleiding. Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk. 2. Als een begeleider één of meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van één begeleider. 3. Als een leerling begeleiding nodig heeft in het aangepast vervoer, dan vergoedt de gemeente alleen de kosten van de begeleiding van de leerling (beladen kilometers).
3. Als de ouder meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoert verstrekt de gemeente éénmaal de kilometervergoeding voor de auto volgens cao Rijk. 4. De ouder krijgt geen tegemoetkoming als zijn kind met een andere ouder meereist die van de gemeente een vergoeding ontvangt voor het vervoer van zijn eigen kind. 5. De gemeente kan toestemming verlenen voor een andere passende vervoersvoorziening die goedkoper is dan, of gelijk aan, de kosten van openbaar vervoer. 6. De kilometervergoeding voor het gebruik van de (brom)fiets sluit aan op cao Rijk. 7. Als de ouder op grond van een andere regeling een vervoersvergoeding ontvangt brengt de gemeente die in mindering. 8. Als de ouder een tegemoetkoming ontvangt voor leerlingenvervoer en daarnaast in aanmerking komt voor vervoer in het kader van de jeugdwet (zie hoofdstuk 4.3), wordt in samenspraak met de ouder gekeken naar een passende tegemoetkoming. Artikel 6.3.6 Ingangsdatum tegemoetkoming / vervoersvoorziening Een door de gemeente toegekende tegemoetkoming gaat in op de datum die de ouder aanvraagt. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de het vervoer zo snel mogelijk na het besluit ingaat.
Artikel 6.3.5 Eigen vervoer 1. Als de gemeente toestemming geeft aan de ouder om het kind zelf te vervoeren met de eigen auto, dan is de vergoeding nooit hoger dan die waar het kind recht op heeft. 2. Als het kind in aanmerking komt voor aange past vervoer bestaat de tegemoetkoming uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, zoals vastgesteld per 1 januari voorafgaand aan de start van het betreffende schooljaar.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
33
7. INKOMEN EN SCHULDEN De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt (kompas) bij het beoordelen van aanvragen. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een bijstandsuitkering, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.
KERNDOELEN: • De gemeente zet zich in voor het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden. • De gemeente zorgt voor een financieel vangnet. • De gemeente versterkt de (financiële) zelfredzaamheid van inwoner.
PARAGRAAF 7.1 UITGANGSPUNTEN ARMOEDEBELEID (PW, Gemeentewet) 1. De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen. 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben ondersteuning bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die ondersteuning is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
3. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. 4. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden. 5. De gemeente legt vast hoe het armoedebeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund. De gemeente richt het armoedebeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden.
34
6. De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid naast inkomen ook andere onderwerpen en leefdomeinen zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 7. De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt na afloop van die periode op een eenvoudige manier of zo mogelijk automatisch opnieuw aangevraagd of toegekend kunnen worden. PARAGRAAF 7.2 INKOMEN EN BIJSTANDSNORM 1. Bij de bepaling van het inkomen in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt aangesloten bij de wijze waarop het inkomen wordt vastgesteld in het kader van de bijzondere bijstand. Dit is geregeld in de Beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet Meierijstad 2025. 2. Bij de bepaling van de bijstandsnorm in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt uitgegaan van de bijstandsnorm die geldt volgens de Participatiewet, maar zonder toepassing te geven aan artikel 22a, 27 en 28 van de Participatiewet. 3. Als bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is vastgesteld dat een inwoner een draagkrachtloos inkomen heeft wordt die inwoner geacht te voldoen aan de voorwaarde van het hebben van een laag inkomen als bedoeld in artikel 7.4.1 en 7.5.1. PARAGRAAF 7.3 STUDIETOESLAG (PW) Studenten met een structurele medische beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is.
Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat de studiefinanciering wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan welk bedrag toegekend wordt en hoe dat wordt uitbetaald. Artikel 7.3.1 Hoogte en duur van de toeslag De studietoeslag is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, afgerond naar boven op een eenheid van € 10,00 en wordt elke maand uitbetaald. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
PARAGRAAF 7.4 INKOMENSTOESLAG (PW) De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet is bedoeld voor inwoners die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden verstrekt en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder ‘langdurig’, ‘laag inkomen’ verstaat en wat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is. Artikel 7.4.1 Doelgroep 1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die: a. in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm; b. geen goede financiële buffer heeft; en c. geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen; en d. niet eerder over dat kalenderjaar een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen. 2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. De aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan tevens de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken. 3.
Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan hem in het jaar dat vooraf gaat aan de aanvraagdatum een maatregel is opgelegd omdat hij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en/of Ioaw en/of Ioaz. 4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van de gemeente
35
perspectief heeft op verbetering van de inko menssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt. 5. Het vermogen wordt vastgesteld op de aan vraagdatum. 6. De individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt per kalenderjaar. 7. Bij een voor 1 januari 2026 toegekende individuele inkomenstoeslag wordt voor de toepassing van dit artikel de peildatum geacht te zijn bepaald op 1 januari van dat jaar. Artikel 7.4.2 Hoogte van de toeslag 1. De inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2025): a. € 513 voor een alleenstaande; b. € 656 voor een alleenstaande ouder; c. € 730 voor gehuwden of samen- wonenden. 2. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op grond van artikel 11 of 13 Participatiewet geen recht heeft op de inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. PARAGRAAF 7.5 MEEDOENREGELING (Gemeentewet) Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. En daarmee hun maatschappelijke participatie bevorderen. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.
Daarom wordt voor inwoners met minderjarige kinderen de Meedoenregeling verhoogd. Artikel 7.5.1 Doelgroep en aanvraag 1. De Meedoenregeling is bedoeld voor inwoners die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. 2. Een aanvraag moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
De aanvraag voor de Meedoenregeling kan worden gedaan gedurende het gehele kalender jaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan tevens de Meedoenregeling ambtshalve verstrekken. Artikel 7.5.2 Inhoud regeling 1. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten voor henzelf en hun kinderen. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed. De bijdrage is € 247 per jaar (bedrag 2025). 2. De bijdrage wordt verhoogd met € 332 per jaar per ten laste komend kind (bedrag 2025). 3. De gemeente kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage. PARAGRAAF 7.6 <<VERVALLEN>> PARAGRAAF 7.7 <<VERVALLEN>> PARAGRAAF 7.8 SCHULDHULPVERLENING (Wgs) De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor, deze staan vermeldt in de nadere regels. Artikel 7.8.1 Samenwerking en toegang 1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. 3.
De gemeente informeert inwoners over de ondersteuning die zij kan bieden en zorgt ervoor dat die ondersteuning ook echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van ondersteuning. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. 4. De gemeente kan nadere regels stellen over de manier waarop en de voorwaarden waaronder inwoners met schulden worden ondersteund. 36
Artikel 7.8.2 Schuldhulpverlening De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Een van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden, is hulp bij het regelen van inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner weer overzicht krijgt in de financiële huishouding.
Artikel 7.9 Indexering bedragen De bedragen genoemd in artikel 7.4.2 en 7.5.2 worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex (methode Schulinck) en worden naar boven afgerond op hele euro’s.
Artikel 7.8.3 Besluit 1. Na het eerste gesprek informeert de gemeente de inwoner die ondersteuning kan krijgen met een besluit over de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven. 2. De gemeente stuurt iedere inwoner die geen ondersteuning kan krijgen na het eerste gesprek een besluit waarin staat waarom er geen ondersteuning wordt gegeven. 3. Het besluit wordt genomen binnen 8 weken na het eerste gesprek.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
37
8. DE VORM VAN ONDERSTEUNING De ondersteuning die de gemeente biedt kan of in ‘natura’ of in geld of in de vorm van een persoonsgebonden budget gegeven worden. In natura betekent dat de ondersteuning ‘kant-en-klaar’ is. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de ondersteuning in de vorm van geld worden gegeven (bijvoorbeeld een inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget (Pgb). In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de ondersteuning geeft en wanneer de gemeente om een eigen bijdrage kan vragen voor Wmo-ondersteuning. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vervoer naar school (Zie daarvoor hoofdstuk 6).
KERNDOELEN: • Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passen bij de behoefte van de inwoner. • De gemeente kan de ondersteuning verlenen in natura, in geld of in de vorm van een Pgb.
PARAGRAAF 8.1 VORMEN VAN ONDERSTEUNING Artikel 8.1.1 Ondersteuning in natura (Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs,) bij llv is dat al uitgewerkt in het betreffende hoofdstuk 1. De inwoner kan ondersteuning van de gemeente in natura (een dienst of een product) ontvangen. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de aanbieder van een product de inwoner goed uitlegt en voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
3. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een product de regels in de wet over garantie naleeft. En de inwoner alle belangrijke informatie vertelt over de dienst of het product. Artikel 8.1.2 Ondersteuning in geld (Jeugdwet, PW, IOAW, IOAZ, Awb) 1. De inwoner kan ondersteuning van de gemeente in geld ontvangen. Ondersteuning in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en de persoonlijke situatie van de inwoner dit toelaat, moet het geld wel worden terugbetaald. 38
2. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen 4 weken, nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. 3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven. Soms kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. 4. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering) als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Artikel 8.1.3 Persoonsgebonden budget (Jeugdwet, Wmo) 1. In plaats van ondersteuning in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (Pgb) ontvangen. Dit kan alleen als het om Wmoondersteuning of jeugdhulp gaat en de inwoner voldoet aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. a. voor het Pgb als bedoeld in de Jeugdwet geldt als extra voorwaarde dat de per soon aan wie een Pgb wordt verstrekt de jeugdhulp alleen kan betrekken via informele hulp als er sprake is van persoonlijke verzorging of individuele begeleiding; b.
voor het Pgb zoals bedoeld in de Wmo geldt als extra voorwaarde dat het Pgb niet wordt verstrekt als er sprake is van intramuraal beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en/of verslavingszorg. En dat het tarief informeel niet van toepassing is bij vormen van groepsbegeleiding, dagbesteding BW, kortdurend verblijf, kleinschalig thuis en zelfstandig thuis. Tenzij de 1e- of 2e-graads ondersteuner beschikt over relevante diploma’s. 2. Een Pgb wordt toegekend aan de inwoner en verstrekt aan: a. de inwoner zelf; of b. de vertegenwoordiger van de inwoner. Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
3. Een vertegenwoordiger kan zijn: a. een wettelijke vertegenwoordiger (ouders, voogd, curator, bewindvoerder, mentor) De bewindvoerder heeft alleen een financiële rol, het beheer van het Pgb, en heeft geen bemoeienis met de zorgondersteuning van de budgethouder; of b. een gemachtigde. 4. Ook als de budgethouder het Pgb niet beheert blijft deze zelf verantwoordelijk en aansprakelijk voor het Pgb. 5. Een Pgb wordt pas toegekend als de gemeente na onderzoek heeft vastgesteld dat de inwoner in staat is zijn eigen belangen voldoende te behartigen zodat hij de taken die bij het Pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren. De gemeente gebruikt hierbij de toets op Pgb-vaardigheid. 6. Als de inwoner niet in staat is om de eigen Pgb te beheren, wordt de beoogde vertegenwoordiger samen met de inwoner uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek wordt de budget vaardigheid en passendheid van de vertegenwoordiger besproken en beoordeeld. 7. De vertegenwoordiger moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. moet Pgb vaardig zijn conform de toets op Pgb vaardigheid; b. moet het Pgb budget kunnen beheren; c. spreekt dezelfde taal als de inwoner; d. is goed op de hoogte van de situatie van de inwoner; e. mag geen familierelatie hebben met de hulpverlener of hulpverlenersorganisatie; f. mag geen financiële relatie hebben met de inwoner of hulpverlener; g.
mag vertegenwoordiger zijn van maximaal 5 inwoners. 8. De inwoner (of zijn vertegenwoordiger) maakt een Pgb-plan waarin in ieder geval opgenomen is: a. de motivatie waarom een Pgb gewenst is; b. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp of Wmo georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het Pgb wordt verstrekt; 39
d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief (budgetplan). 9. Het PGB is bedoeld voor ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het Pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor belangenbehartigers; b. het voeren van een Pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb-administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering of eenmalige uitkering aan de hulpverlener(s); e. overlijdensuitkering. 10. De gemeente verstrekt geen Pgb als: a. de kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het niet meer is na te gaan of die ondersteuning nodig was; b. uit het door de inwoner ingediende Pgb-plan niet blijkt dat de kwaliteit van de ondersteuning voldoende gewaar borgd is; c. het Pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor door gemeente toestemming is gegeven; d. door de inwoner of diens vertegenwoordigers surseance van betaling of faillissement is aangevraagd; e. er sprake is van schuldsanering bij de inwoner of diens vertegenwoordiging; f. de inwoner bij een eerder gekregen Pgb zich niet heeft gehouden aan de regels (verplichtingen); g. er sprake is van intramuraal beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en/of verslavingszorg. 11. Pgb en Vervoer a. Een Pgb voor vervoer is bij jeugd alleen mogelijk zoals omschreven in artikel 4.2. b.
Voor Pgb en vervoer bij Wmo, geldt dat de inwoner eerst zelf verantwoordelijk is voor vervoer, met ondersteuning van zijn netwerk. Als de inwoner niet in staat is zelf het vervoer te regelen, wordt dit door de zorgaanbieder verzorgd. Dat geldt niet bij Jeugd.
12. De gemeente kan nadere regels stellen over de aan het Pgb verbonden voorwaarden, kwaliteitseisen en verplichtingen. Artikel 8.1.4 Onderscheid formele en informele hulp De ondersteuning kan geboden worden door inhuur van formele of informele hulp. 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder. a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. personen die aangemerkt zijn als zelf standige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). 2.
Van informele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: a. een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder. b. iemand uit het sociaal netwerk van de budgethouder, ongeacht of hij of zij zorgprofessional is. c. een ander persoon dan beschreven in het eerste lid onder a, b of c. 3. De gemeente kan nadere regels stellen over het onderscheid tussen formele en informele hulp.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
40
Artikel 8.1.5 Hoogte en tarief Pgb 1. De hoogte van het Pgb voor een dienst wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (Pgb-plan). In het plan staat welke ondersteuning de inwoner vanuit het Pgb wil betalen en door wie de ondersteuning wordt gegeven. Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente. 2. Het Pgb voor een product wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van het product zijn (kostprijs). Hiervoor moet de inwoner veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede ondersteuning kunnen inkopen. De hoogte van het Pgb voor een product is gelijk aan de hoogte van de goed koopste, passende offerte. 3. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte en duur van het Pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met onderhouds- en verzekeringskosten. Als het product na afloop van de periode waarvoor het Pgb werd verstrekt nog adequaat is, wordt dit niet vervangen. In plaats daarvan kan een nieuw Pgb worden verstrekt voor de kosten van onderhoud en verzekering van het product. 4. De hoogte van het Pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het reguliere tarief voor gecontracteerde hulp in natura. Dit tarief is inclusief reiskosten en bijkomende kosten.
In de tarieven wordt een onderscheid gemaakt tussen reguliere en micro ondernemingen. Een micro aanbieder heeft minder dan tien fte in dienst. 5. Het tarief is lager als op basis van het ingediende Pgb-plan passende en toereikende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Wanneer het tarief van hulp hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. 6. Als door de inkoop van producten door de gemeente het tarief van Zorg in Natura door korting of voordeel lager is dan de reële markt prijs, wordt de marktprijs vergoed zoals opgegeven in de goedkoopste, passende offerte.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
7. Jaarlijks vindt indexering van de tarieven plaats conform de indexering van de tarieven voor Zorg In Natura. 8. De hoogte van het informele Pgb tarief voor individuele begeleiding en hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op basis van de cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep op 16 augustus 2023. 9. De hoogte van het Pgb voor informele hulp vanuit de jeugdwet is bij het bestaan van een overeenkomst van opdracht of dienst- betrekking gelijk aan het minimumuurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 10. Het Pgb tarief Beschermd wonen voor Kleinschalig Thuis, Zelfstandig thuis en Dagbesteding bij Beschermd wonen bedraagt voor de formele reguliere aanbieder maximaal 100% van het ZIN tarief. 11. Het Pgb tarief Beschermd wonen voor Kleinschalig Thuis, Zelfstandig thuis en Dagbesteding bij Beschermd wonen bedraagt voor de formele micro aanbieder maximaal 90% van het ZIN tarief 12.Het Pgb tarief voor Beschermd wonen Kleinschalig Thuis, Zelfstandig Thuis en Dagbesteding bij Beschermd wonen bedraagt voor de informele aanbieder maximaal 50% van het ZIN tarief voor de formele micro aanbieder. Artikel 8.1.6 Verantwoording en uitbetaling Pgb 1.
De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het Pgb is besteed en welke resultaten de ondersteuning voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen. 2. Als een inwoner ondersteuning-op-maat in de vorm van een Pgb krijgt, wordt alleen de ondersteuning uitbetaald die feitelijk geleverd is. 3. Het Pgb wordt niet op de eigen bankrekening van de inwoner gestort. In plaats daarvan betaalt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in opdracht van de inwoner de zorgverleners.
41
PARAGRAAF 8.2 BIJDRAGE IN DE KOSTEN (Wmo) Artikel 8.2.1 De bijdrage 1. De inwoner betaalt een vaste bijdrage in de kosten voor Wmo ondersteuning-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die ondersteuning of voor de periode waarvoor een Pgb is verstrekt. De bijdrage die de inwoner betaalt voor een Pgb voor een product, bedraagt maximaal de hoogte van het Pgb. 2. De bijdrage zoals bedoeld in lid 1 is ook van toepassing op de algemene voorziening Hulp bij huishouden. 3. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het landelijk vastgestelde bedrag. 4. De gemeente mag een eigen bijdrage vaststellen voor inwoners van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. 5. Een eigen bijdrage voor Wmo opvang is ver schuldigd als een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van de volgende voorzieningen: a. voltijd vrouwenopvang (waaronder crisisopvang); b. voltijd jongerenopvang; c. voltijd opvang met intensieve zelfstandigheidstraining. 6. De eigen bijdrage is verschuldigd vanaf de tweede dag, voor iedere dag dan wel nacht waarop de inwoner verblijft in de voltijd opvang. De eigen bijdrage wordt bepaald per maand. 7. De gemeente mandateert de instelling, die voltijd maatschappelijke opvang en vrouwen opvang verzorgt, om de eigen bijdrage bij de inwoner te innen.
Voor de dag- en nacht- opvang is geen eigen bijdrage verschuldigd. Wel mag de instelling om een vergoeding vragen voor verblijf en voeding. 8. Voor de kleinschalige opvang en woon-werk trajecten betalen inwoners zelf de huur. Hiertoe wordt een overeenkomst gesloten. 9. Voor de dag- en nachtopvang is geen eigen bijdrage verschuldigd. Wel mag de instelling om een vergoeding vragen voor verblijf en voeding.
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
10. De gemeente vraagt geen bijdrage als er: a. een (sport)rolstoel wordt verstrekt; b. sprake is van een (echt)paar waarvan tenminste één van de partners de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; c. door cliënt of diens partner al een eigen bijdrage voor beschermd wonen (intramuraal) of voor de Wet langdurige zorg wordt betaald; d. een specifieke ondersteuning-op-maat is verstrekt in de vorm van een collectief besluit hulp bij huishouden. Deze specifieke ondersteuning-op-maat wordt in de nadere regels die de gemeente daarover kan stellen genoemd; e. sprake is van een aanvraag waarop het regresrecht van toepassing is. 11. De inwoner betaalt geen vaste eigen bijdrage voor de Wmo-ondersteuning collectief maat werkvervoer. Hiervoor geldt een reizigers- bijdrage op basis van gereden kilometers. Deze bijdragen staan vermeldt in de nadere regels die de gemeente daarover kan stellen. 12.Een eigen bijdrage in de kosten wordt niet opgelegd, als de verstrekte voorziening (hulpmiddel of aanpassing) bestaat uit een gemeenschappelijke voorziening. Onder een gemeenschappelijke voorziening valt een (woon)voorziening in/aan een gemeenschappelijke ruimte, die niet alleen wordt gebruikt door de persoon tot wie de toekenningsbeschikking gericht is. 13.
De bijdrage voor maatwerkwerkvoorzieningen hoeft niet betaald te worden door inwoners die op basis van de hoogte van hun inkomen deel kunnen nemen aan de collectieve zorgverzekering. Dit geldt niet als gebruik wordt gemaakt van de maatwerk voorzieningen Beschermd Wonen (intramuraal) of opvang. Dan moet wel een eigen bijdrage worden betaald.
42
9. AFSPRAKEN TUSSEN INWONER EN GEMEENTE Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
KERNDOELEN: • De gemeente ziet de inwoner als volwaardig partner. • De gemeente en de inwoner gaan respectvol met elkaar om. • De inwoner geeft de informatie die nodig is. • De gemeente vraagt niet meer informatie dan nodig is.
PARAGRAAF 9.1 HOE GAAN WE MET ELKAAR OM? (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv,
3. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te
Gemeentewet, Awb, AVG)
bespreken als het bieden van ondersteuning bij dit probleem een taak is van die organisatie. 4. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. 5. Er zijn aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die deze wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraag formulieren verkrijgbaar zijn. 6. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.