Bijlage 1 Toelichting BP Schootsestraat 50, Schijndel.pdf
Tekst van het document
Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd voor sloop- en bouwwerkzaamheden aan de Schootsestraat 50 te Schijndel. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische waarden bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. In het kader van het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. De beoogde ingreep bestaat uit de sloop van de huidige bebouwing en de de nieuwbouw van een woonhuis en schuur. Details over de diepte van de nieuwe fundering zijn nog niet bekend, er wordt uitgegaan van ca. 80 cm -mv. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Roerdalslenk'. De ondergrond bestaat uit glaciale afzettingen uit de laatste IJstijd. In de top van het bodemprofiel liggen windafzettingen (dekzand). Door eeuwenlang gebruik als bouwlandgrond en het gebruik van het systeem van potstalbemesting is op de gronden een antropogeen dek ontstaan, bestaande uit een mengsel van heide- of grasplaggen vermengd met potstal mest. In de basis van, en onder dit antropogeen dek kunnen archeologische resten aanwezig zijn, indien het antropogene dek nog intact is.
Daarnaast is in of nabij het plangebied zeker vanaf de 18e eeuw bebouwing aanwezig. Deze bebouwing kan een oorsprong hebben in de Late Middeleeuwen. Mogelijk bevinden zich in en onder het antropogene dek resten gerelateerd aan bewoning op deze plek. In het plangebied zijn vijf boringen gezet tot maximaal 200 cm -mv. Hieruit blijkt dat de ondergrond voornamelijk bestaat uit dekzand. In één boorprofiel is in de top van het dekzand een B-horizont aanwezig. Op het dekzand ligt een antropogeen dek. In drie boorprofielen is de bovenste 30 tot 60 cm recentelijk omgewerkt. De bijmenging met veelal hardgebakken baksteenfragmenten wijzen erop dat het antropogeen pakket in de Nieuwe tijd is omgewerkt. Omdat bij het booronderzoek een antropogeen dek is aangetroffen kan niet worden uitgesloten dat in het plangebied intact grondsporen aanwezig zijn. Indien de verstoring dieper gaat dan 80 cm -mv (onderkant antropogeen dek) dient aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit kan in de vorm van een
28
proefsleuvenonderzoek. De strategie dient te worden beschreven in een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen. Gezien de geringe omvang van de ontwikkeling kan er ook voor worden gekozen om de sloop en graafwerkzaamheden te laten begeleiden door de lokale heemkundekring (Heemkundekring Schijndel). Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat toch archeologische resten worden aangetroffen bij de graafwerkzaamheden. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Meierijstad.
Voorlopig uitgangspunt is dat bouw- en graafwerkzaamheden niet dieper gaan dan de genoemde 80 cm –mv. Mocht dit in een later stadium wel het geval zijn, dan zullen adviezen en voorwaarden voortkomende uit de rapportage van Bureau voor Archeologie ter harte worden genomen. Cultuurhistorie Op het plangebied rusten tevens de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’. De met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden. De met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De voor ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden van gebouwen.
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2’ – binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ – geldt verder dat het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor slopen) gebouwen ter plaatse van deze bouwaanduiding geheel of gedeeltelijk te slopen. Als een boerderij verandert van functie of wordt aangepast aan de eisen van de moderne tijd, komt doorgaans een ingrijpende verbouwing om de hoek kijken. Indien de boerderij cultuurhistorische waarde heeft, is het bovendien belangrijk om het gebouw van tevoren nauwkeurig te beschrijven en te documenteren. Men kan dan vastleggen wat waard is om te behouden, wat eventueel gewijzigd kan worden en wat kan worden geamoveerd. Een bouwhistorische verkenning met waardestelling is hiertoe het geëigende middel. Aan de hand van documenten uit het verleden, mondelinge overlevering, oude foto’s en vooral datgene wat het gebouw zelf nog te vertellen heeft, is de boerderij nauwkeurig beschreven, globaal uitgetekend en uitvoerig gedocumenteerd. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van oude landmeterskaarten van het kadaster en gegevens van het BHIC in ’s-Hertogenbosch.
29
Onderstaand is het advies dat uit deze rapportage volgt integraal opgenomen. De volledige rapportage is als bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd.
Bij de waardestelling moet de vraag worden gesteld of behoud van de hoog gewaardeerde onderdelen in verhouding is met de waarde van de rest van de boerderij. Het geheel overziende mag geconcludeerd worden dat de monumentale waarde van de boerderij niet groot is. De grootste monumentale waarde wordt gevormd door de oorspronkelijke buitenmuur en de A-spanten. Deze hebben er voor gezorgd dat de boerderij in bouwmassa, dakhelling en gevelindeling nagenoeg onveranderd is gebleven. Hoewel de monumentale waarde gering is, heeft de boerderij wel een hoge landschappelijke waarde. De positie van de ramen in de voorgevel en westgevel, de blinde eindgevel met hooiluik en de getoogde deeldeuren zijn de afgeleiden van een bepaald moment in de historie van de boerderij. Samen met de schuur, de oude bomen en de twee naastgelegen boerderijen vormt Schootsestraat 50 een onderdeel van een aantrekkelijk landelijkensemble. De gemeente Schijndel wil graag antwoord op de volgende vraag: “Wat betekent sloop en (her)bouw onder voorwaarden voor de aanwezige cultuurhistorische waarden?” Bij sloop gaan alle aanwezige waarden per definitie verloren.
Aangezien de onderdelen met een hoge waarde een zeer gering deel van de boerderij beslaan en het grootste deel van deze waarden zelfs niet waarneembaar zijn (de originele muur die zich tussen de nieuwe spouwmuur bevindt), kan geconcludeerd worden dat er weinig waarden verloren gaan bij sloop van zowel de boerderij als de schuur. De hoge landschappelijke en ensemblewaarden kunnen met herbouw blijven bestaan.
De bouwkundige rapportage in bijlage 6 (onderzoek bouwkundige elementen) gaat in op de technische staat van zowel de boerderij als het bijbehorende opstal c.q. de schuur. Navolgend betreft de conclusie van deze rapportage, welke 1:1 is overgenomen.
Nieuwbouw is gezien de staat van de bouwwerken en de intentie om een bouwwerk op te splitsen in twee wooneenheden een punt van overweging. Bij een renovatie zijn meer kosten gemoeid dan bij sloop en vervolgens nieuwbouw. Dit omdat bij de nu geldende regelgeving aan isolatiewaarden, geluidsoverdracht en brandveiligheid hogere eisen moet worden voldaan. In de MJOP is inzichtelijk gemaakt wat de kosten zijn voor het herstellen van verschillende tekortkomingen. Daarnaast zijn de standaard investeringen als keuken, badkamer en installatie toegevoegd. Er kan gesteld worden dat renovatie in deze situatie een kostenverhogende factor is van € 50-100/m3. Dat neerkomt op: • Meerkosten woning (1150 m3) € 57.500,00 - 15.000,00 • Meerkosten opstal (1000 m3) € 50.000,00
Concluderend kan worden gesteld dat, ondanks dat de boerderij er op het oog aan de buitenzijde goed uitziet, de technische staat erg slecht is. Het overgrote deel van de boerderij verkeert in een dusdanig verslechterd stadium dat de enige oplossing vervanging is. Dit geldt onder andere voor de vloeren en de gevels. Daarnaast zal de rieten kap binnen vijf jaar vervangen dienen te worden. Bij de schuur wordt opgemerkt dat er met
30
klem geadviseerd wordt deze zo snel mogelijk te verwijderen vanwege de ondeugdelijke constructie. In de loop der tijd heeft men delen van de hoofddraagconstructie verwijderd en hiervoor zijn geen vervangende voorzieningen getroffen waardoor de draagconstructie alles behalve voldoet. De rapportage sluit af met een meerjarenonderhoudsplan en een conclusie. Hierin zijn de kosten voor renovatie af te lezen. De kosten bedragen in de eerste 5 jaar al ruim € 450.000,00. Hiermee zijn slechts de bouwkundige onderdelen gerenoveerd. De interne verbouwing om een leefklimaat van deze tijd te creëren en de splitsing tot stand te brengen is hier nog niet bij opgenomen. Hierdoor zal renovatie veel kostbaarder zijn dan vervangende nieuwbouw (een meerprijs van € 50,00 - € 100,00 / m3). Conclusie Algehele conclusie is dat er vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie, na het treffen van de geadviseerde maatregelen en voorzieningen, geen belemmeringen zijn voor de verdere planontwikkeling. Vanuit bouwtechnisch oogpunt wordt onder meer geconcludeerd dat de kosten voor onderhoud/renovatie van het bestaande pand op korte termijn hoger uitpakken dan nieuwbouw. Zolang bouw- en graafwerkzaamheden niet dieper gaan dan 80 cm –mv blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ook in de nieuwe bestemmingssituatie van kracht.
Daarnaast is overeengekomen dat de nieuwbouw ook wordt voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorische ensembles’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. Hieraan wordt voor de nieuwbouw de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ toegevoegd.
31
6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving Toetsingskader Vanaf 1 januari 2017 gaat de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in. In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, wordt vervangen door deze wet. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is door Buro Maerlant een ecologische quickscan naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies van en adviezen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 7 opgenomen.
Conclusie Soorten In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: • Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Effecten en ontheffingen Door conform het advies rekening te houden met eventueel broedende vogels, worden effecten eenvoudig voorkomen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor de plannen niet noodzakelijk. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op bescherm- de gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn. Advies Aanbevolen wordt bij de werkzaamheden rekening te houden met broedende vogels. Het betreft zowel de sloop als de eventuele verwijdering van beplantingen. Tussen circa half - eind maart tot medio juli (soms tot in augustus) is de kans op de aanwezigheid van broedende vogels het grootst. Het verstoren van in gebruik zijnde nesten is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Conclusie Slotconclusie is dat ecologische waarden niet aan de beoogde planontwikkeling in de weg staan.
32
7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is door MILON een watertoets uitgevoerd. Hierna zijn de onderzoeksresultaten uit de watertoets letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 8 opgenomen.
33
Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Schootsestraat 50 ten zuidwesten van Schijndel. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Schijndel, sectie M met nummers 577 en 578. De oppervlakte van de gehele locatie bedraagt circa 2.800 m 2. De locatie is gedeeltelijk bebouwd met een woonboerderij, één grote vervallen schuur (circa 400 m2) en twee kleine schuurtjes. Het terrein is gedeeltelijk verhard met klinkers en stoeptegels. Op de onderzoekslocatie wordt in de toekomst de bestaande bebouwing en bijgebouwen gesloopt en herbouwd met een nieuwe woning en bijgebouw Watertoets Op basis van het beleid van het waterschap mag de bestaande verharding van de toekomstige verharding afgetrokken worden, echter het beleid van de gemeente Meierijstad staat dit niet toe. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt door het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Op de onderzoekslocatie dient respectievelijk 63 m³ hemelwater geïnfiltreerd te worden. Ter plaatse van de percelen is afdoende ruimte beschikbaar om door middel van zaksloten, grindkoffers of infiltratiekratten de benodigde infiltratie te realiseren.
Aangezien de grondwaterstand uit eerder uitgevoerde onderzoeken de grondwaterstand gelegen is op 1,75 mmv, kan het hemelwater voldoende infiltreren. Door zaksloten, grindkoffers of infiltratiekratten te realiseren en het feit dat het plangebied wordt aangesloten op het gemeentelijk riool, is het niet te verwachten dat er wateroverlast zal ontstaan op het plangebied in dagen van extreme regenval. Gezien het plangebied hoger is gelegen dan de Schootsestraat loopt een gedeelte van het water naar de straat toe. Op basis van het beleid van waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad is, in het kader van de watertoets, voor het plangebied berging noodzakelijk. Door de aanleg van de infiltratie- en bergingsvoorziening ter plaatse van de wegen en parkeerplaat op het toekomstige terrein wordt tegemoet gekomen aan de uitgangspunten van waterschap Aa en Maas en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Door infiltratiekratten te realiseren en het feit dat het plangebied wordt aangesloten op het gemeentelijk riool, is het niet te verwachten dat er wateroverlast zal ontstaan op het plangebied in dagen van extreme regenval.
Conclusie Conclusie is dat het aspect water, na het treffen van de geadviseerde bergings/infiltratievoorzieningen, de beoogde planontwikkeling niet in de weg staat. Verder geldt dat het verboden is om regenwater te lozen op het aanwezige drukriolering.
34
8. Fysieke belemmeringen 8.1 Kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich een (hoge druk) gasleiding niet al te grote afstand van het plangebied. De risicobronnen zijn weergegeven op onderstaande afbeelding. Kaartmateriaal en conclusies zijn ontleend aan de ‘Quickscan milieuaspecten’ van De Roever Omgevingsadvies (bijlage 9).
35
Afbeelding 10: risicokaart Noord-Brabant (www.risicokaart.nl)
Op ongeveer 150 meter van het plangebied ligt een hogedruk-aardgasleiding met de eigenschappen zoals opgesomd in tabel 1. Tabel 1: eigenschappen hogedruk-aardgasleiding Z-544-04
Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de hogedruk-aardgasleiding en van overige risicobronnen in de omgeving. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij het plangebied verder geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied.
36
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
37
9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Schootsestraat 50 te Schijndel. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
9.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig.
38
In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt de sloop en herbouw van een extra woning mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.
39
Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
9.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Woningwet bepaalt dat alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen, een bodemtoets uitgevoerd moet worden. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te wonen en werken, onderwijs te geven of te genieten. Voorbeelden van bouwwerken waar sprake is van structureel verblijf door mensen zijn woningen, scholen, kantoren maar ook recreatiewoningen en sportkantines. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen is door MILON een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 10 bij de plantoelichting opgenomen.
Vooronderzoek Uit het vooronderzoek blijkt dat op de onderzoekslocatie een gescheiden woonboerderij met een (sier)tuin en enkele schuren gelegen zijn. De opdrachtgever is voornemens de aanwezige bebouwing te slopen voor de realisatie van een nieuwe woonboerderij met schuur. De locatie ligt in de Schootsche hoek ten zuidwesten van Schijndel en wordt vanaf 1900 getypeerd door akkerland en weilanden. Er zijn geen bodemonderzoeken op de locatie of in de directe omgeving uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek wordt er op de locatie geen geval van ernstige bodemverontreiniging verwacht. Op basis van een asbestinventarisatie, uitgevoerd door Jagers Asbestinventarisatie (rapportnummer 2016302), is asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen op het dak van de boerderij, de schuur met aanbouw en wandpanelen van de aanbouw. De hemelwaterafvoer bij de asbesthoudende daken watert af op het terrein en de verweerde asbesthoudende wandpanelen staan in de grond. Op basis van deze informatie is de locatie rondom de schuur met aanbouw verdacht op het voorkomen van asbest in de grond. In over-
40
leg de opdrachtgever is besloten tijdens onderhavig onderzoek geen verkennend asbest in bodemonderzoek uit te voeren. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater is niet afdoende bekend. Hierom dient conform de NEN 5740 de locatie onderzocht te worden conform de strategie voor een onverdachte locatie, met hypothese ‘onverdachte locatie’. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 2.800 m 2. Onderzoeksresultaten Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond bijmengingen waargenomen met baksteen. Voor het overige zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het mengmonster van de bovengrond zonder bijmengingen is na uitsplitsing bij één boring een sterk verhoogd gehalten aan zink aangetroffen. In de overige monsters zijn in de boven- en ondergrond ten hoogste licht verhoogde waarden aan zink, lood en cadmium aangetroffen. In het grondwater is een concentratie naftaleen aangetroffen gelijk aan de achtergrondwaarde. Met aanvullende boringen en analyses is het sterk verhoogde gehalte zink verticaal ingekaderd. In de aanvullende boringen zijn in de bovengrond zintuigelijk bijmengingen met baksteen waargenomen. In de ondergrond zijn geen bijmengingen waargenomen.
Met aanvullende analyses zijn ten hoogste licht verhoogde waarden in de ondergrond aangetroffen, uitgezonderd bij boringen 100 en 101 waar bijmengingen met baksteen en een sterk verhoogde waarde zink zijn aangetroffen. De bovengrond is over een oppervlakte van minimaal 100 m2 sterk verontreinigd met zink tot een diepte van circa 0,5 m-mv. De omvang wordt geraamd op basis van huidige onderzoeksgegevens op tenminste 50 m3. Conclusie en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter hoogte van de aanbouw en het terrein ten zuiden van de aanbouw zijn sterk verhoogde waarden aan zink en bijmengingen met baksteen aangetroffen in de bovengrond. De verontreiniging heeft een oppervlakte van minimaal 100 m2 tot een diepte van circa 0,5 m-mv met een omvang van tenminste 50 m3. Naar alle waarschijnlijkheid hangt de verontreiniging samen met de aangetroffen bijmengingen met baksteen. De verontreiniging betreft een historisch geval (voor 1987) omdat de zinkverontreiniging mede onder de aanbouw zit die rond 1980 is gerealiseerd. De verontreiniging is verticaal ingekaderd. Bij de voorgenomen sanering dient de verontreiniging volledig ingekaderd te worden. Op het overige deel van de onderzoekslocatie zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten of concentraties aangetroffen.
Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er ons inziens geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. De opstallen met aangetoond asbesthoudend materiaal zijn niet allemaal voorzien van hemelwaterafvoer en zijn asbesthoudende wandplaten in de grond gesitueerd. Geadviseerd wordt een verkennend asbest in bodemonderzoek uit te voeren. In overleg met de opdrachtgever is aangegeven dit niet tijdens onderhavig onderzoek uit te voeren.
41
Vervolgonderzoek naar de licht verhoogde concentraties wordt niet zinvol geacht. Dit verkennend bodemonderzoek is geen bewijsmiddel zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.
Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Wat betreft de milieu-hygiënische bodemkwaliteit bestaat en naar de mening van het onderzoeksbureau geen belemmering voor de voorgenomen splitsing en grondtransactie. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Het asbestonderzoek is als bijlage 10.1 bij de plantoelichting opgenomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering meer vormt voor onderhavige ontwikkeling.
9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie. Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q.
onderliggend bouwplan is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 1 opgenomen.
42
In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woning aan de Schootstestraat 50 in Schijndel berekend. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor de N618. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 58 dB, waardoor de hoogst toelaatbare geluidbelasting niet wordt overschreden (vervangende nieuwbouw). Maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie paragraaf 3.5. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 60 dB ter plaatse van de beoogde woning. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 60 33 = 27 dB. Een dergelijke gevelwering is in het kader van nieuwbouw zeer goed haalbaar zonder dat grote bouwkundige ingrepen noodzakelijk zijn. Bij de overige gevels is de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k lager (op gelijke wijze te bepalen). Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘matig’. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.6.1 en 3.6.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Wegverkeerslawaai vormt geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling. Er dient wel een hogere waarde-procedure te worden gevolgd. Aangeraden wordt om bij het ontwerp van het pand nader te onderzoeken of de karakteristieke geluidwering van deze geveldelen voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het bouwplan geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.
43
9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een Quickscan milieuaspecten uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen.
De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 9 bij de plantoelichting opgenomen.
44
In dit rapport zijn de milieuaspecten ten aanzien van het plangebied aan de Schootsestraat 50 te Schijndel beschreven. Uit de beoordeling is gebleken dat de milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Ten aanzien van wegverkeerslawaai worden hogere waarden aangevraagd.
Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Conclusie In de nabijheid van het plangebied komt geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven en woonfuncties. Dit betekent dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het plan.
9.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.
De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is
45
opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 1% op 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 1.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte.
Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect
46
luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg of een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is. Het bestemmingsplan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 µg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3 • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 µg NO 2/m3). Uit de gegevens van het ‘Compendium voor de leefomgeving’ blijkt dat voor Schijndel het volgende geldt: • het aantal dagen dat overschrijding van het daggemiddelde concentratie fijnstof plaatsvindt is minder dan 25.
De norm van 35 dagen of meer wordt niet overschreden; • het jaargemiddelde fijnstofconcentratie bedraagt 25-30 µg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 10-30 µg NO2/m3. Deze blijft beneden de norm van 40. De normen voor luchtkwaliteit worden in de huidige situatie niet overschreden. Het bestemmingsplan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het bestemmingsplan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is in het plangebied sprake van een goed leef- en woonklimaat doordat de achtergrondconcentraties ruim onder de normen blijven. Tenslotte is de beoogde woning geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn twee geitenhouderijen gelegen: • Oetelaarsestraat 29 (480 geiten) • Boxtelsesweg 10 (525 geiten)
47
Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt binnen de afstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Initiatiefnemer heeft echter aantoonbaar kennisgenomen van de volksgezondheidsrisico’s met betrekking tot de ligging in een straal van 2 km van (een) geitenhouderij(en). De geurbelasting en fijn stof concentraties voldoen aan de geldende normen. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemmingen en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. In de omgeving bevinden zich geen bedrijven met pluimvee en varkens waardoor een verhoogde kans op zoonosen aanwezig is. Een GGD advies hoeft niet te worden gevraagd.
9.8 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Externe veiligheid kan betrekking hebben op inrichtingen of op transportroutes (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Voor inrichtingen vormt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het wettelijk kader. Voor transportroutes (weg, spoor en water) geldt het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen vormt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Kernbegrippen In de genoemde beleidskaders staan twee begrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats nabij een risicobron verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 10-6 per jaar, oftewel een kans van één op een miljoen. Het plaatsgebonden risico wordt door middel van risicocontouren op een kaart weergegeven. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is de kans dat een groep van tien of meer personen in de omgeving van een risicobron in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt gevormd door de 1%-letaliteitsgrens van de risicobron; de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden.
48
Doorwerking plangebied Op basis van gegevens van de Risicokaart zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen zijn weergegeven op afbeelding 11.
Afbeelding 11: risicobronnen Op ongeveer 150 meter van het plangebied ligt een hogedruk-aardgasleiding met de eigenschappen zoals opgesomd in tabel 4.
Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de hogedruk-aardgasleiding en van overige risicobronnen in de omgeving. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
49
9.9 Duurzaam en slim bouwen De gemeente Meierijstad wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. De bouwkundige duurzaamheid laat zich bijvoorbeeld uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie. Met het realisatie van het bouwplan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen.
50
10. Mobiliteit; verkeer en parkeren Verkeer De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de Schootsestraat. In de huidige en nieuwe situatie betreft het twee opritten. Na realisatie van het bouwplan zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen ten opzichte het huidige niveau. De voorgestane ontwikkeling leidt in ieder geval niet tot een onaanvaardbare toename van de verkeersintensiteit/-druk op de Schootsestraat. Parkeren Naast een goede ontsluiting streeft de gemeente Meierijstad naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd moet en kan worden. De parkeerbehoefte moet namelijk volledig op eigen terrein worden ingevuld. Hier wordt in ruim voldoende mate in voorzien.
51
11. Juridische opzet 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.
11.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • de digitale raadpleegbaarheid; • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de (dubbel)bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied; • de aanduiding.
52
11.3 Bebouwing algemeen Er wordt in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen gebouwen, waaronder woningen, en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De woningen (hoofdgebouwen) dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Voor de situering van bouwwerken wordt tevens verwezen naar de verbeelding. Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd.
53
12. Economische uitvoeringsaspecten Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemers en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemers. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit het bestemmingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de kaders waarbinnen de gewenste (plan-)ontwikkeling in het plangebied kan plaatsvinden. De initiatiefnemers kunnen binnen de stedenbouwkundige en planologische randvoorwaarden zijn (bouw)plan en een bijbehorende exploitatieopzetten uitwerken, waarbij het exploitatierisico geheel bij de initiatiefnemers ligt. De realisatie- en beheerskosten van de uit te werken inrichtings- en bouwplannen zijn voor rekening van de initiatiefnemers.
54
13. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Van de zijde van initiatiefnemers is contact opgenomen met de direct aan- en omwonenden. Niet gebleken is dat er bezwaren zijn tegen het bouwplan. Voor het verslag van de gevoerde omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage 11. Wettelijk (voor)overleg De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Aangegeven is dat in eerste instantie tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart. Verder is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur van gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn.
55
14. Eindconclusie In dit bestemmingsplan is nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke, stedenbouwkundige en milieu-hygiënische effecten van het plan. Gemotiveerd is dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieukundige deelaspecten onderzocht. Aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. het motiveren van de wijziging van de geldende bestemming middels het opstellen van onderliggend bestemmingsplan; 2. het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; Met dit bestemmingsplan is thans een planologische en juridische basis gelegd om de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) te kunnen verlenen en daarmee het onderliggende bouwplan te kunnen realiseren.
56