Bijlage 1: Toelichting BP Schootsestraat 50, Schijndel.pdf
Tekst van het document
Ontwerp-bestemmingsplan
Landelijk gebied, herziening Schootsestraat 50 Schijndel PLANTOELICHTING
NL.IMRO.1948.BGS000BP0042019P-VG01
1
Titel:
Landelijk gebied, herziening Schootsestraat 50 Schijndel
Datum:
19-11-2020
Initiatiefnemers:
Contactpersoon: Projectnummer: Projectleider: Telefoonnummer: Faxnummer: E-mail: Website:
mr. David Wintraecken 20171057-2 Robert van Heeswijk 073 - 5477253 073 - 5493955 robert@milon.nl www.milon.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of MILON bv.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................. 10 2. Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 11 2.1 Huidige situatie omgeving ............................................................................ 11 2.2 Huidige situatie plangebied .......................................................................... 11 3. Visie op het plan(gebied) .................................................................................. 12 3.1 Doel en hoofdlijnen ..................................................................................... 12 3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................ 13 3.3 Beschrijving van de planontwikkeling ............................................................
15 3.4 Conclusie ................................................................................................... 16 4. Beleidskader ................................................................................................... 17 4.1 Inleiding .................................................................................................... 17 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 17 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 19 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 20 5. Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 27 6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving ........................................................... 32 7. Water ............................................................................................................ 33 8. Fysieke belemmeringen .................................................................................... 35 8.1 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 35 9. Milieu-hygiënische verantwoording ....................................................................
38 9.1 Inleiding .................................................................................................... 38 9.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 38 9.3 Bodem ....................................................................................................... 40 9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 42 9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 44 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 45 9.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 47 9.8 Externe veiligheid ....................................................................................... 48 9.9 Duurzaam en slim bouwen ........................................................................... 50 10. Mobiliteit; verkeer en parkeren ........................................................................ 51
3
11. Juridische opzet ............................................................................................. 52 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 52 11.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 52 11.3 Bebouwing algemeen ................................................................................. 53 12. Economische uitvoeringsaspecten .................................................................... 54 13. Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................... 55 14. Eindconclusie ................................................................................................ 56
Bijlagen 1 -- Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Schootsestraat 50, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: 20201536.v01, 9 november 2020; 2 -- Bouwhistorische verkenning met waardestelling, Jos Bertens & Boukje Hazeleger, december 2016; 3 -- Stedenbouwkundige analyse, Boukje Hazeleger/Factor-B, november 2020; 4.1 -- Landschappelijk inpassingsplan Schootsestraat 50 (toelichting), MILON, rapportnummer: 20171057-B, 11 november 2020; 4.2 -- Landschappelijk inpassings- en erfbeplantingsplan (tekening), MILON, rapportnummer 20171057-6, MILON, 4 november 2020; 5 -- Bureau voor Archeologie Rapport 601.
Schootsestraat 50, Schijndel, gemeente Meierijstad: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, Bureau voor Archeologie, projectnummer: 2017112102, 22 februari 2018; 6 -- Onderzoek bouwkundige elementen, Bouwadviesbureau Vorstenbosch, rapportnummer: 253161, 16 januari 2017; 7 -- Ecologische quickscan, Buro Maerlant, rapportnummer: BM-RAPPORT 2018, Buro Maerlant, 2 maart 2018; 8 -- Watertoets, MILON, projectnummer: 20171057-7, 5 november 2020; 9 -- Quickscan milieuaspecten ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing Schootsestraat 50, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: 20201536.v01, 9 november 2020; 10 -- Verkennend bodemonderzoek Schootsestraat 50 te Schijndel, MILON, rapportnummer: 20171057-6, 8 mei 2018; 10.1 – Verkennend asbestonderzoek Schootsestraat 50 Schijndel, MILON, projectnummer: 20171057-D, 22 november 2018; 11 -- Verslag omgevingsdialoog.
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Initiatiefnemers hebben in juni 2017 een verzoek ingediend voor de sloop, herbouw en splitsing van de boerderij (met bijgebouw) gelegen aan de Schootsestraat 50 te Schijndel. Dit verzoek is in strijd met het vigerende bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”, omdat binnen de geldende bestemming ‘Wonen’ splitsing van de bestaande, cultuurhistorisch waardevolle boerderij eerst, onder voorwaarden, na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid is toegestaan. Daarnaast is het niet zonder meer mogelijk om bestaande, cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te slopen om vervolgens op een andere plaats op het perceel her te bouwen. Het bestemmingsplan bepaalt verder dat de herbouw voor 3/4 deel plaats moet vinden op de plaats van de bestaande fundamenten van de woning. Op 24 oktober 2017 heeft het College van Burgemeester en Wethouders besloten in principe medewerking te verlenen aan het slopen, herbouwen en splitsen van de boerderij aan de Schootsestraat 50. De herbouw en splitsing moeten wel voldoen aan een aantal voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde waaraan bij de uitwerking van de plannen voor sloop, herbouw en splitsen van de boerderij moet worden voldaan betreft het borgen van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de boerderij en het bijgebouw.
Het behoud en borgen van deze waarden betreft twee aspecten van de op te stellen plannen, te weten: 1. De massa, vorm en gevelindeling van de nieuw op te richten boerderij en het bijgebouw. In het ‘RAAP-Rapport 2970 – Tussen Aa-dal en Rooise Heide’, dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”, is over de bebouwing aan de Schootsestraat 50 en haar omgeving het volgende vermeld: • Het waardevolle deel van de Schoot bestaat uit een kort lint met historische erven net buiten de bebouwde kom van Schijndel, langs de Schootsestraat. De boerderijen, waaronder enkele uit de wederopbouwperiode, zijn op verschillende wijze georiënteerd. Deels staan ze direct aan (evenwijdig of haaks), deels op enige afstand van de openbare weg. Er is sprake van een bebouwing me een vrij gave samenhang in schaal, korrelgrootte, traditionele bouwvormen, typen en materiaalgebruik ingebed in een bijzondere en kenmerkende historische nederzettingsstructuur. • Hierin moet de nieuwe boerderij passend zijn. Voor wat betreft de nieuwe, terug te bouwen boerderij moet het bestand herkenbaar blijven als agrarische bedrijfsbebouwing met een woongedeelte (1/3 deel) en een (voormalig) bedrijfsgedeelte (2/3 deel). 2. Voor wat betreft de planologische borging geldt dat de nieuwe bebouwing moet worden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’.
In de toelichting van het plan en in de planregels is een verwijzing naar genoemd RAAP-Rapport 2970 noodzakelijk. Bij de planontwikkeling moet tevens rekening worden gehouwen met kwaliteitsverbetering van de omgeving in de vorm van een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing. Deze landschappelijke inpassing moet de beide percelen M577 en M578 van het te splitsen perceel van Schootsestraat 50 omvatten. Speciale aandacht
5
verdient daarbij het voorerf dat als één geheel moet worden ingericht. Een suggestie daarbij is het doortrekken van de sloot die voor een deel al de scheiding vormt tussen de Schootsestraat en het plangebied. Het oorspronkelijke voornemen om de boerderij tevens te splitsen, is nadien gewijzigd. Het planvoornemen ziet thans enkel nog op het slopen van de aanwezige bebouwing (boerderij en bijgebouw) en herbouwen van boerderij en bijgebouw. De boerderij zal hierbij iets naar achteren worden gesitueerd, dus niet (voor 3/4 deel) op de oorspronkelijke fundering. Doelstelling van deze partiële planherziening is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen c.q. de sloop en herbouw van de boerderij planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd.
Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Onderhavig bestemmingsplan heeft specifiek betrekking op de gronden gelegen aan de Schootsestraat 50 te Schijndel. Het plangebied is daarmee gelegen aan een van de landelijke ontsluitingswegen van de kern Schijndel. De kern Schijndel is gelegen aan de oostzijde van het plangebied. Op de hierna opgenomen luchtfoto (bron: maps.google.com) zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied aangeduid. Het plangebied heeft een landelijke uitstraling en is groen van karakter.
6
Afbeelding 1: Luchtfoto met plangebied (bron: maps.google.com)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van de vigerende bestemmingplannen “Landelijk gebied” en “Landelijk gebied, herijking” rusten op het perceel c.q. onderliggend plangebied de bestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Cultuurhistorische ensembles’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. Tevens gelden voor de plangronden de gebiedsaanduidingen ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Een en ander is te herleiden aan de hierna opgenomen afbeelding welke een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan betreft. Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding “Landelijk Gebied”
7
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn, conform artikel 26.1 uit het bestemmingsplan bestemd voor: a. woningen; b. nevenactiviteiten zoals opgenomen in 26.1.2 onder c (n.v.t.); c. een aan huis verbonden beroep; d. een aan huis verbonden bedrijf, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 26.6. 1 (n.v.t.); e. bed en breakfast; f. water en waterhuishoudkundige doeleinden; g. ontsluitingswegen; h. parkeervoorzieningen; een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 26.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming Aanvullend gelden voor herbouw van bestaande woningen de volgende voorwaarden: • de herbouw vindt voor 3/4 deel plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning; • de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning; • de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en). De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: 1. verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 100 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld; 2. de bouw van een bijgebouw bij of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 100 m2 en dieper dan 0,3 m ten opzichte van maaiveld; 3. bouwwerken, geen bouwwerken zijnde ten dienste van de in 31.1 genoemde bestemming en ten dienste van een overige aan deze gronden gegeven bestemming voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 100 m 2 dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. In geval van verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen is het bevoegd gezag altijd toegestaan archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw De gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’ is met name van belang wanneer Ruimte-voor-Ruimte woningen worden opgericht. De aanduiding levert in onderhavig planvoornemen geen specifieke (aanvullende) eisen of beperkingen op.
8
Tevens vigeert het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking”, waardoor op het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ rusten. De met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden. De met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. Dit zijn waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. De voor ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden van gebouwen.
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2’ – binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ – geldt verder dat het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor slopen) gebouwen ter plaatse van deze bouwaanduiding geheel of gedeeltelijk te slopen. Strijdigheid bestemming(splannen) De strijdigheid van het bouwplan met de vigerende bestemmingsplannen is gelegen in het feit dat de gesloopte boerderij niet (voor 3/4 deel) op de oorspronkelijke fundering wordt herbouwd. Tevens mogen bouwwerkzaamheden niet zondermeer plaatsvinden, aangezien gronden zijn uitgerust met de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’. Verder gelden, conform het bestemmingsplan “Landelijk gebied, herijking’, de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’, inclusief de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 2’. Deze dubbelbestemmingen zijn van invloed op de mogelijkheden tot sloop, herbouw en splitsing van de bestaande woonboerderij.
Met onderhavig planvoornemen wordt een bestaande woonboerderij, aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebouw en element en tevens behorende tot een cultuurhistorisch waardevol ensemble teniet gedaan en herbouwd, waarbij tevens de gehele opzet van het plangebied wordt geherstructureerd. Dit heeft tot gevolg dat het nieuwbouwplan in zijn volledigheid kritisch dient te worden beoordeeld en in uiterste precisie dient te worden uitgewerkt om passend te zijn in haar omgeving, aan te sluiten op het bestaande ritme en de uitstraling van de bebouwingsconcentratie en breed te worden gedragen door de omwonenden, bevoegd gezag en overige betrokkenen. Voor deze sloop, herbouw en herstructurering bieden de huidige vigerende bestemmingsplannen vooralsnog geen afwijkings- dan wel wijzigingsmogelijkheden. Derhalve dienen initiatiefnemers een bestemmingsplan op te stellen, waarin de afwijking van de vigerende regelgeving wordt verantwoord en er wordt aangetoond dat de nieuwe situatie niet tot onoverkoombare nadelige gevolgen leidt voor de omgeving.
9
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 10 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11, de economische uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 13. Hoofdstuk 14 tenslotte bevat de eindconclusie.
10
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied wordt ligt ten zuiden van Schootsestraat en wordt verder omgeven door gronden die zich kenmerken door het agrarisch-landelijke karakter. In noordoostelijke richting bevindt zich de kern Schijndel. Afbeelding 3: Luchtfoto met plangebied in omgeving (bron: maps.google.com)
2.2 Huidige situatie plangebied Het plangebied is momenteel bebouwd met een woning en een ruime stal. De begrenzing van het terrein bestaat uit groen en natuur in de vorm van bomen, hagen en sloten. Navolgende afbeelding, gezien vanuit de Schootsestraat, geeft een indruk van de huidige inrichting van het plangebied, met de schuur aan de linkerzijde en de bestaande woning aan de rechterzijde. Afbeelding 4: Foto plangebied (bron: Google Streetview)
11
3. Visie op het plan(gebied) 3.1 Doel en hoofdlijnen Vooruitlopend op de uitwerking en inpassing van het planvoornemen hebben de initiatiefnemers laten inventariseren wat er stedenbouwkundig mogelijk is aan de Schootsestraat 50. De diverse onderzoeken (die later in deze rapportage verder worden toegelicht) hebben als uitgangspunt gediend voor deze analyse. Zo is de sloop en herbouw op basis van de aan het plangebied toegekende cultuurhistorische waarde toegestaan, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is dat de voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. Het rapport wegverkeerslawaai (bijlage 1) toont aan dat de boerderij op de huidige locatie niet voldoet. Aangezien uit de bouwhistorische verkenning met waardestelling (bijlage 2) blijkt dat de cultuurhistorische waarde voornamelijk gebaseerd is op de landschappelijke waarde van het ensemble, ontstond de vraag wat verplaatsing van de boerderij en/of bijbehorend opstal zou betekenen voor de landschappelijke waarde van dit cultuurhistorische ensemble. Welke opties zijn er en wat is de meest aanvaardbare situatie gelet op de Wet geluidhinder, de landschappelijke waarden en de stedenbouwkundige inpassing? Uit de stedenbouwkundige analyse, gemaakt door Factor-B, volgt de volgende conclusie en advies. De volledige analyse is als bijlage 3 bij deze plantoelichting gevoegd.
‘De uitkomst van deze analyse laat zien dat de volgende kaders stedenbouwkundig van belang zijn: het silhouet van beide gebouwen, de verhouding tussen de boerderij en de opstal en de locatie van de opstal ten opzichte van de boerderij. Indien de boerderij naar achteren verplaatst wordt zal de schuur ten behoud van het ensemble mee moeten verschuiven. Gezien het feit dat de Schootsestraat geen rigide bebouwingslint kent zal verplaatsing van het ensemble naar achteren toe weinig tot geen gevolgen hebben voor de landschappelijk waarden, mits er rekening wordt gehouden met bovengenoemde kaders en de verplaatsing zo gering mogelijk wordt gehouden. Scenario 2 laat de meest voorstelbare situatie zien. De opstal en boerderij laten eenzelfde samenspel zien als de bestaande situatie. De schuur is in deze vorm nog steeds bepalend in het landschap. Doordat de opstal de langgerekte vorm behoudt blijft deze tevens ondergeschikt aan de hoofdbouw. Hoe ver het ensemble precies naar achteren geschoven wordt zal het akoestisch onderzoek uit moeten wijzen. Er dient een goede balans gevonden te worden tussen dove gevels, de landschappelijke waarden en de stedenbouwkundige context. Bouwfysisch gezien zijn zo min mogelijk dove gevels wenselijk, stedenbouwkundig en landschappelijk gezien is een zo gering mogelijke verplaatsing wenselijk.
Onderstaande afbeeldingen laten echter zien dat een verplaatsing tussen de 10 en 20 meter voorstelbaar is. De meest ideale situatie qua geluidshinder zal hier hoogstwaarschijnlijk tussenin liggen.
12
Een bijkomend voordeel van het iets naar achteren verplaatsen van het ensemble is dat er een veiliger en gezonder leefklimaat ontstaat. Door de verbreding van het straatprofiel is de boerderij namelijk gevaarlijk dicht aan de provinciale weg komen te liggen.’ Afbeelding 5: Scenario herstructurering plangebied
3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijk inpassing De provincie Noord-Brabant schrijft voor dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied landschappelijk dienen te worden ingepast en dat in sommige situaties tevens compensatie (kwaliteitsverbetering) dient plaats te vinden, gebaseerd op waardevermeerdering van de gronden. De (voormalige) gemeente Schijndel heeft in 2005 het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het landschapsontwikkelingsplan heeft een sturende rol in het bestemmen, aanleggen, inrichten en beheren van gebieden. Het behouden, versterken en
13
ontwikkelen van bestaande kwaliteiten en met name kleinschalige landschapselementen alsmede de relatie hiervan met ruimtelijke ordening (onder andere beeldkwaliteit en landinrichting) zijn belangrijke doelen van het LOP. De landschappelijke inpassing van gebouwen is een concretisering van het Landschapsontwikkelingsplan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn de initiatiefnemers verplicht om zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Ter facilitering van initiatiefnemers heeft de (voormalige) gemeente Schijndel de ‘Handleiding landschappelijke inpassing’ opgesteld. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Op onderstaande afbeelding is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven.
De tekening is op schaal bijgevoegd als bijlage 4.1. De toelichting van het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 4.2 bijgevoegd. Afbeelding 6: Tekening landschappelijk inpassingsplan
14
Landschappelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap, als bedoeld in artikel 3.9 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk, aangezien het plan een concrete en positieve bijdrage levert aan het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed.
Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden.
3.3 Beschrijving van de planontwikkeling De genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten voor de herstructurering worden in het kader van de verdere (bouw)planuitwerking in acht genomen. Uiteindelijk zal het definitieve bouwontwerp worden voorgelegd aan de welstandscommissie. De beoogde ruimtelijke ingreep voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur ter plaatse van het plangebied. Het plan is daarentegen niet of nauwelijks van invloed op de parkeervoorzieningen, (groen)inrichting en infrastructuur. Navolgende afbeelding betreft het verschil tussen de bestaande en de nieuwe situatie. De rode vlakken betreffen de nieuwe situatie. Afbeelding 7: Schetsbeeld bestaande en nieuwe situatie
15
De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.
3.4 Conclusie De voorziene hoofdmassa en hoofdvorm van de bebouwing worden afgestemd op de omgeving, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid en uitstraling. Door de voorgestelde situering blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen percelen voldoende groot. Bij het ontwerpen van de woning worden de randvoorwaarden in acht genomen die gelden voor het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Zo zijn de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin passend in hun omgeving en wordt de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting ingepast te worden in het omringende landschap. De beeldkwaliteitseisen dienen als kader voor de welstandstoets. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat de voorgestane ontwikkeling bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt.
De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
16
4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. Onderhavig planvoornemen heeft geen wijziging van de vigerende bestemming tot gevolg. Binnen de kaders van de bestaande bestemming wordt enkel (het bouwvlak voor) de hoofdbouw/woning gesloopt en verplaatst. Dat wil dus zeggen dat de belangen, ambities en uitgangspunten van her Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Meierijstad niet in het geding komen.
Deze toetsing heeft in feite al plaatsgevonden op het moment dat de (hoofd)bestemming ‘Wonen’ in het verleden aan deze planlocatie werd toegekend. Hier moet aan worden toegevoegd dat het op grond van het vigerende bestemmingsplan niet zonder meer mogelijk is om bestaande, cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te slopen om vervolgens op een andere plaats op het perceel her te bouwen. In dit kader wordt verwezen naar bijlage 2 (bouwhistorische verkenning), bijlage 3 (stedenbouwkundige analyse) en bijlage 6 (onderzoek bouwkundige elementen).
4.2 Rijksbeleid Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en
17
zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
18
Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(lgebied) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
4.3 Provinciaal beleid De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering Een belangrijk onderdeel van de Interim Omgevingsverordening vormt de bevordering van ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap. Een en ander is nader vormgegeven in (met name) artikel 3.9. Een planvoornemen dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken gebied en de naaste omgeving. Onder ruimtelijke ontwikkeling worden verstaan bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.
Naast een goede landschappelijke inpassing (zie de bijlagen 4.1 en 4.2) is voor onderhavig planvoornemen géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk, aangezien het plan een concrete en positieve bijdrage levert aan het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed. De functie die wordt opgericht geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen, aan de rand van een dorpskern. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande
19
landelijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die tezamen dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.
4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Het vigerende bestemmingsplan is reeds behandeld in paragraaf 1.3. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de nieuwe Woonvisie Meierijstad, de Structuurvisie Ruimte, de Structuurvisie Buitengebied, de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’, het welstandsbeleid, de Welstandsnota en het Waterplan Schijndel. Woonvisie Meierijstad (2018) Toetsingskader Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. De woonvisie van Meierijstad wil richting geven aan wat de gemeente op het gebied van wonen gaat doen, waarbij ze voldoende flexibiliteit wil houden om goed in te kunnen spelen op de veranderingen die komen. De focus ligt op de volgende vier thema’s en de realisatiekracht van de visie: 1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2.
wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een
20
inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De gemeente Meierijstad wil dat alle inwoners van Meierijstad zo passend mogelijk wonen. Dat er beweging zit in de woningmarkt, zodat de bestaande woningvoorraad zo goed mogelijk wordt benut om in alle woonwensen te voorzien. Nieuwbouw voorziet vooral in die typen woningen die onvoldoende in de bestaande woningvoorraad aanwezig zijn. Bij nieuwbouw wil de gemeente de juiste woningen op de juiste plaatsen toevoegen. Met woningbouwplannen wil de gemeente in de behoefte voorzien en dat de plannen ook daadwerkelijk tot uitvoering komen. De kwantitatieve woningbouwbehoefte voor de kern Schijndel is vastgesteld op 876 woningen. De gemeente biedt ruimte voor die woningbouwaantallen, het is aan bewoners en ontwikkelaars om de plannen te realiseren. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling ziet op de herbouw van een woning en doet daarmee geen afbreuk aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de nieuwe Woonvisie Meierijstad.
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de nieuwe Woonvisie Meierijstad. Structuurvisie Ruimte (2011) Toetsingskader De Structuurvisie Ruimte heeft een duidelijke relatie met de Wet ruimtelijke ordening. Deze wet schrijft namelijk voor dat gemeenten een structuurvisie moeten opstellen voor hun grondgebied. De structuurvisie speelt een cruciale rol bij de integrale onderbouwing van ruimtelijke plannen. Daarnaast legt de structuurvisie een relatie tussen lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Via de structuurvisie heeft de (voormalige) gemeente Schijndel, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, haar lange termijndoelen vast. Bij de totstandkoming van de Structuurvisie Ruimte vormden de volgende vier kernwaarden het uitgangspunt: 1. verdieping van de Strategische Visie ‘Op weg naar ’t skonste plekske in 2020’; 2. behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; 3. regierol voor de gemeente Schijndel; 4. transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes.
21
De Structuurvisie Ruimte is een vertaling van een in 2010 uitgevoerde uitgebreide analyse van zeven thema’s aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die per thema beleidsmatig vertaald zijn. De zeven thema’s zijn: 1. natuur, water en cultuurhistorie; 2. recreatie en toerisme; 3. landbouw en buitengebied; 4. voorzieningen; 5. verkeer en vervoer; 6. werken; 7. Wonen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Doorwerking plan(gebied) Voor onderhavig plan is slechts relevant dat op beperkte schaal en volgens strenge voorwaarden woningbouw mogelijk is in het buitengebied. In de gemeentelijke visie op de bebouwingsconcentraties (Structuurvisie Buitengebied) zijn de omstandigheden verder uitgewerkt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de verbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap.
Het is de initiatiefnemers van onderhavig plan er alles aan gelegen om aan te sluiten op de gemeentelijke ambitie. De initiatienemer streeft er dan ook naar om tijdens de planvorming in contact te blijven met de gemeente om tot een definitief plan te komen, waarin wensen, belangen en ambities van alle partijen een plek krijgen. In onderhavig plan wordt zoveel als mogelijk invulling gegeven aan de doelstellingen en uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Ruimte. In het verlengde hiervan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie de bijlagen 4.1 en 4.2). Structuurvisie Buitengebied (2011) Toetsingskader Het plangebied is, conform de Structuurvisie Buitengebied, gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Schootsestraat – Venushoek - Putsteeg’. De belangrijkste doelstelling voor de Structuurvisie Buitengebied is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de veranderingen op het platteland is het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. Het vormt de identiteit en aantrekkingskracht van Schijndel en is voor diverse economische functies belangrijk, zoals recreatie, dienstverlenende functies en wonen. De structuurvisie erkent de behoefte aan nieuwe economische dragers. Echter mogen deze activiteiten niet tot een verslechtering van de specifieke ecologische, landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied leiden.
22
Eisen aan ruimtelijke kwaliteit Voor de nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden gedaan. Negatieve effecten voor waarden moeten worden voorkomen en gecompenseerd. Een vereiste vanuit het bestemmingsplan is het opstellen van een erfbeplantingsplan. Dit geldt voor ieder initiatief in het buitengebied. Hierin, maar ook indien sprake is van compensatie, moet worden gemotiveerd hoe het initiatief de omgevingskwaliteit ter plaatse respecteert of mogelijk verbetert. Algemene randvoorwaarden Een aantal voorwaarden wordt aan alle activiteiten in de bebouwingsconcentraties gesteld: • Er mag door de nieuwe activiteit geen overlast of hinder worden veroorzaakt. Bestaande (agrarische) bedrijven mogen niet in de bedrijfsvoering of bedrijfsontwikkeling worden belemmerd. Nieuwe activiteiten mogen geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, buitenopslag is niet toegestaan en het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. • Voor nieuwe initiatieven dienen diverse onderzoeken verricht te worden, waarin diverse waarden en milieuaspecten worden getoetst. De volgende beleidsvoornemens zijn voor deze bebouwingsconcentraties geformuleerd: Functionele opbouw • Het betreft hier een gevarieerde cluster met hoofdzakelijk de functie ‘wonen’.
Er staan her en der oude stallen in het cluster welke niet meer in gebruik zijn. Er staat een aantal karakteristieke langgevelboerderijen in het cluster. Volgens het bestemmingsplan zijn de volgende functies aanwezig in het lint: o 16 burgerwoningen; o 2 agrarische bouwblokken; o 1 agrarisch verwant bedrijf. Beleid Het lint is gelegen binnen de zones: • landelijke regio; • extensiveringsgebied; • verwevingsgebied; • EHS; • groenblauwe mantel; • agrarisch gebied; • Het Groene Woud; • cultuurhistorisch vlak Het beleid is voor dit lint gericht op: • de ontwikkeling van de landbouw (in beginsel); • het beheer en behoud van de bestaande landschappelijke verschijningsvorm (geschiktheid behouden voor mogelijke natuurontwikkeling op de locaties die door de provinciale verordening als zodanig zijn aangewezen); • verweving van functies landbouw, wonen en natuur.
23
Doorwerking plan(gebied) De voorgestane slopen en herbouwen van de boerderijwoning vindt plaats binnen een van de door de gemeente vastgestelde bebouwingsconcentraties. Wat volume, maat en schaal betreft wordt aangesloten bij de eisen en voorwaarden zoals opgenomen in de Structuurvisie Buitengebied. In de visie vormt het cluster, waartoe onderhavig plangebied behoort, meerdere gemengde open linten, die een groene (landelijke) schil vormen om de kernrand van Schijndel. Belangrijk voor de toekomstige ontwikkelingen van het plangebied is dat de groene uitstraling en een duidelijke relatie met de kernrand behouden blijven (zichtlijnen). In de visie wordt gestuurd op een geleidelijke transformatie naar ‘landelijk woonlint’. Het blijft daarbij het mogelijk om verschillende kleinschalige nieuwe economische functies toe te voegen. Dit wordt gedaan door het stimuleren van opstellen van het landschappelijke inpassingsplan en ontstening. Knelpunten worden eveneens aangepakt middels een landschappelijke inpassing. De ontwikkeling betreft hierdoor voor een kwaliteitsverbetering van de situatie ter plaatse. In deze plantoelichting wordt kwalitatief gemotiveerd dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan.
Met het bestemmingsplan is ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van het onderliggende bouwplan aangetoond. Verder is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied Toetsingskader De provincie Noord-Brabant vereist als compensatie voor bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied, naast een gedegen landschappelijke inpassing, (extra) maatregelen om de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. De voormalige gemeente Schijndel heeft dit provinciale beleid nader uitgewerkt in de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’. De nota legt onder meer vast hoe de omvang van de benodigde bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden berekend en welke maatregelen ingezet mogen worden. De gekozen systematiek sluit aan bij de werkwijze van de regiogemeenten uit Noordoost-Brabant. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Een en ander is opgesteld met inachtneming van de diverse beleidsdocumenten (waaronder de Nota Kwaltietsverbetering), regelgeving en kwaliteitseisen.
Het landschappelijk inpassingsplan en de bijbehorende tekening zijn respectievelijk als bijlage 4.1 en bijlage 4.2 aan deze plantoelichting toegevoegd. Welstandsbeleid Toetsingskader Het welstandsbeleid is neergelegd in de Welstandsnota van de voormalige gemeente Schijndel. Deze nota geeft richting aan het gewenste gemeentelijke welstandsbeleid en
24
geeft inzicht in de architectonische kwaliteit van de verschillende gebieden en de criteria die welstand hanteert bij de toetsing van bouwaanvragen. Cruciaal in de nieuwe regelgeving is dat de welstandsbeoordeling alleen nog mag plaatsvinden op basis van de welstandscriteria die in de Welstandsnota zijn opgenomen. De normstelling voor de welstandsbeoordeling van een bouwplan kan dus niet meer plaatsvinden nadat het bouwplan is ingediend; van tevoren moet uit de Welstandsnota duidelijkheid verkregen worden welke welstandseisen er voortaan gelden voor de bouwwerken. Om dit te kunnen toetsen bevat de nota objectieve criteria. Een ander aspect van de nieuwe regelgeving is het feit dat een gemeente die niet beschikt over een welstandsnota, aanvragen om bouwvergunning niet meer mag toetsen aan welstandseisen. Doorwerking plan(gebied) Bij het ontwerpen van de te verplaatsen woning en bijgebouw(en) dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor woningbouw in het buitengebied. Het uiteindelijke bouwontwerp zal in nauw overleg met de Welstandscommissie van de gemeente Meierijstad worden besproken en nader worden uitgewerkt tot een definitief ontwerp. Welstandsnota voormalige gemeente Schijndel Toetsingskader Via analyses is een inventarisatie gemaakt van de bestaande bebouwing in de bebouwde kom en het buitengebied.
De in stedenbouwkundig en architectonisch opzicht samenhangende gebieden met dezelfde kenmerken zijn hiervoor samengebracht op een zogenaamde bouwstenenkaart. Vervolgens zijn aan deze bouwstenenkaart de gebiedscriteria verbonden voor de ‘grotere bouwplannen’ en de sneltoetscriteria voor kleinere bouwplannen (denk aan aan- en uitbouwen, dakkapellen). De nota bevat ook een hoofdstuk met criteria voor reclames omdat deze eveneens van invloed zijn op de gebouwde omgeving. Behalve dat de criteria zijn aangegeven waarop de Welstandscommissie wordt geacht te oordelen, is ook aangegeven in welke mate de commissie beoordeelt: • niveau 1, hoog: beoordeling op hoofd-, deel- en detailaspecten; • niveau 2, normaal: beoordeling op hoofd- en deelaspecten; • niveau 3, laag: beoordeling op hoofdaspecten; • niveau 4, vrij: geen welstandsbeoordeling. De Welstandsnota geeft inzicht in architectonische kwaliteit van de verschillende gebieden en de criteria die welstand hanteert bij de toetsing van bouwaanvragen. Het plangebied ligt in het buitengebied en heeft in de welstandsnota daarom welstandsniveau 1 toegewezen gekregen. Doorwerking plan(gebied) Bij het ontwerpen van de woning en bijgebouw(en) dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor woningen in het buitengebied.
Het uiteindelijke bouwontwerp zal in nauw overleg met de Welstandscommissie van de gemeente Meierijstad worden besproken en nader worden uitgewerkt tot een definitief ontwerp.
25
Waterplan Schijndel (2008) Toetsingskader Met het Waterplan Schijndel wordt vorm en inhoud gegeven aan de activiteiten in het kader van duurzaam waterbeheer van watersysteem en -keten in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van de gemeente Schijndel. Hiervoor is door de volgende waterpartners een gezamenlijke visie opgesteld: • gemeente Schijndel; • Waterschap Aa en Maas; • Waterschap De Dommel; • provincie Noord-Brabant; • Waterleidingbedrijf Brabant Water. Het waterplan schept randvoorwaarden en (beleid)uitgangspunten voor projecten binnen de gemeente Schijndel. Het waterplan is hierdoor een ‘parapluplan’ voor het onderhavig bouwplan, waarin ook het aspect water een rol speelt. Middels een bestuursovereenkomst hebben de (voormalige) gemeente Schijndel en de waterschappen Aa en Maas en De Dommel zich aan de inhoud van dit waterplan geconformeerd. Doorwerking plan(gebied) Voor de waterparagraaf die ten behoeve van onderhavig bouwplan is opgesteld, wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze plantoelichting. Conclusie De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de gemeente Meierijstad nastreeft. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen de gemeente die heeft geformuleerd in de diverse beleidsstukken.
De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.
26
5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemers. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) gewijzigd.
In lid 5 van dat artikel is bepaald dat een beschrijving wordt verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststellen van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.
27
Doorwerking plan(gebied) Archeologie Op het plangebied rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door Bureau voor Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierna is de samenvatting van het onderzoeksbureau letterlijk overgenomen. De volledige rapportage is als bijlage 5 opgenomen.