Bijlage 1: toelichting bestemmingsplan Hoogeind 7
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Herziening Hoogeind 7
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Plangebied Hoogeind 7, Sint-Oedenrode Plannaam Herbestemmen perceel Projectnummer HEUG01.RO01 Datum en versie 23 mei 2023, versie 03 Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Achtergrond en doel van het plan Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 3
2. 2.1 2.2
Beschrijving bestaande situatie Huidige situatie omgeving Huidige situatie plangebied
4 4 4
3. 3.1 3.2
Visie op het plangebied Doel en hoofdlijnen Beschrijving van de planontwikkeling
5 5 5
4. 4.1 4.2 4.3
Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
6 6 6 11
5. 5.1 5.2 5.3
Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Monumenten Archeologie
13 13 14 14
6. 6.1 6.2
Groenstructuur en natuur Groenstructuur plangebied Wet natuurbescherming
15 15 16
7. 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6
Water Waterbeleid Oppervlaktewater Grondwater Omgang met hemelwater Omgang met huishoudelijk afvalwater Conclusie
18 18 19 19 20 21 21
8. 8.1 8.2 8.3
Fysieke belemmeringen Kabels en leidingen Hoogspanningslijnen Spuitzones gewasbescherming
22 22 22 22
9. 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8 9.9 9.10
Milieuhygiënische verantwoording Inleiding M.e.r.-beoordeling Bodem Geluid (wegverkeerslawaai) Geluid (industrielawaai) Luchtkwaliteit Geur Externe veiligheid Duurzaam en slim bouwen Gezondheid
23 23 23 23 24 24 24 26 29 30 30
10.
Bedrijven en voorzieningen
32
11.
Verkeer
35 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
11.1 11.2 11.3 11.4
Huidige en verkeersstructuur Nieuwe verkeersstructuur Verkeersaantrekkende werking Parkeren
35 35 35 35
12. 12.1 12.2 12.3 12.4
Juridische planopzet Algemene opzet Toelichting op de verbeelding Bestemmingen op de verbeelding Toelichting op de regels
36 36 36 36 36
13.
Economische uitvoerbaarheid
37
14.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Situatietekening Landschappelijk inpassingsplan Gegevens geurberekeningen Verslag omgevingsdialoog Formulier historische bodemtoets Aerius-berekening
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
1. Inleiding 1.1
Achtergrond en doel van het plan
Op de locatie Hoogeind 7 te Sint-Oedenrode (hierna: het plangebied) is initiatiefnemer voornemens de huidige agrarische bestemming te wijzigen naar ‘Wonen’, Hiertoe dient de agrarische bestemming te worden gewijzigd in een woonbestemming met een gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken van 302 m2. Tevens dient het oppervlakte van het bestemmingsvlak verkleind te worden naar 2.590 m².
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad op een afstand van circa 0,85 kilometer van de kern van Sint-Oedenrode. Kadastraal staat het perceel waaruit het plangebied bestaat bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie R, nummer 236 (gedeeltelijk). De volgende figuren geven een impressie van de ligging van het plangebied in relatie tot de omgeving.
Kern Sint-Oedenrode
Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
1 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Figuur 2: Ligging plangebied in wijdere omgeving (plangebied rood omkaderd)
Figuur 3: Ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’, ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ en ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') van toepassing. De locatie heeft de bestemming ‘Agrarisch’ en een bouwvlak van circa 0,54 hectare. Daarnaast is de 2 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ van toepassing (zie volgende figuur).
Figuur 4: Ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)
Het bestaande bestemmingsplan maakt de wijziging van de bestemming niet mogelijk. De agrarische bestemming dient te worden gewijzigd in een woonbestemming; het gehele bestaande bijgebouw blijft behouden. Onderhavig bestemmingsplan maakt de planologische inpassing mogelijk van de beoogde wijziging van de bestemming en behoud van het bijgebouw. De vigerende bestemmingsplannen bieden niet de benodigde juridische basis voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied.
1.4
Leeswijzer
De voorliggende toelichting vormt de basis voor de herziening van het bestemmingsplan voor de locatie. De herziening maakt de planologische inpassing mogelijk van de beoogde ontwikkeling. De bestemmingsplanherziening is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn onder meer de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. De regels omvatten de bestemmingsbepalingen van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan; de toelichting is van belang als beleidsdocument. De toelichting bestaat uit 14 hoofdstukken: 1) een inleiding, 2) beschrijving van het plan, 3) een visie op het plangebied, 4) een beleidstoets, 5) tot en met 11) een verantwoording op de milieutechnische aspecten en een verantwoording ten aanzien van eventueel aanwezige waarden, 12) een juridische planopzet en 13) en 14) financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage bij deze toelichting gevoegd.
3 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1
Huidige situatie omgeving
Het plangebied is gelegen aan de weg Hoogeind in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Aan de oost- en zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de weg Hoogeind. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden. Het plangebied grenst aan de westkant aan een groenstrook. De omgeving van het plangebied is gemengd van karakter, met enkele veehouderijen en burgerwoningen.
2.2
Huidige situatie plangebied
Binnen het plangebied is een (voormalig) tuinbouwbedrijf aanwezig met een agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van 5.440 m². Op de locatie staat de volgende bebouwing: • Bedrijfswoning; • Bedrijfsruimte: oppervlakte 302 m². De volgende figuren geven een overzicht van de bestaande situatie.
Bouwvlak (5.440 m²)
Bedrijfswoning
Bedrijfsgebouw (302 m²)
Figuur 5: Bestaande situatie plangebied
4 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
3. Visie op het plangebied 3.1
Doel en hoofdlijnen
Middels dit bestemmingsplan wordt de huidige bestemming ‘Agrarisch’ omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. De beoogde woonbestemming omvat de te handhaven woning met het bijbehorende bouwwerk met een oppervlakte van in totaal 302 m². De overige gronden binnen het plangebied blijven de bestemming ‘Agrarisch’ houden overeenkomstig de omliggende agrarische gronden. De bedrijfswoning wordt daarmee omgezet naar burgerwoning
3.2
Beschrijving van de planontwikkeling
Het tuinbouwbedrijf dat op de locatie Hoogeind 7 is gevestigd wordt beëindigd. De huidige bestemming ‘Agrarisch’ is derhalve niet overeenkomstig het beoogde gebruik. De initiatiefnemer wil derhalve de huidige agrarische bestemming ter plaatse van het bouwvlak te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. De oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ bedraagt in de beoogde situatie 2.590 m². De loods wordt in gebruik genomen als bijgebouw bij de burgerwoning. De loods wordt gebruikt ten behoeve van opslag en stalling van klein materiaal en materieel zoals personenwagens en klein materieel ten behoeve van het onderhoud van tuin en omliggende gronden. Daarnaast wordt binnen een deel van het perceel van de beoogde woonbestemming grondgebonden zonnepanelen gerealiseerd. De gronden ten noorden en oosten van de beoogde woonbestemming (circa 2.590 m²) zijn reeds ingericht met beplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de locatie. De volgende figuur geeft een impressie van de beoogde situatie.
Figuur 6: Beoogde situatie 5 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
4.
Beleidskader
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Deze visie vervangt een aantal nationale nota’s, waaronder de Nota Ruimte. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken (door het creëren van een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat); • De bereikbaarheid verbeteren; • Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De nationale belangen uit de SVIR zijn juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, welke weer een doorwerking kent in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In de structuurvisie is geen specifiek beleid opgenomen voor onderhavige kleinschalige ontwikkeling. 4.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking (art.3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder moet verplicht worden toegepast bij ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling (wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen) mogelijk maken. Sinds 1 juli 2017 is de gewijzigde Ladder van toepassing (besluit tot wijziging Bro). Een van de wijzigingen betreft een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke ‘treden’ en het vervangen van het begrip ‘actuele regionale behoefte’ door ‘behoefte’. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Onderhavige ontwikkeling ziet niet op een toename van woningen en ruimtebeslag. Derhalve wordt dit niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. De Ladder is dan ook niet van toepassing.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant (‘De kwaliteit van Brabant; Visie op de Brabantse Leefomgeving’) vastgesteld. De Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren (tot 2050). Dat gaat om ambities op gebied 6 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De reden voor het opstellen van een Omgevingsvisie is de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. In de Omgevingswet voegt het Rijk alle regels voor de fysieke leefomgeving samen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. De wet verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. Ten aanzien van de landbouw wordt gestreefd dat in 2050 de bestaande problemen in de fysieke leefomgeving opgelost. De landbouw produceert op een duurzame manier en onze natuur en landschappen zijn veerkrachtig en aantrekkelijk. De bodem-, water en luchtkwaliteit zijn weer gezond.
Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie is zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeterd. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. De ontwikkeling past binnen het beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. 4.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben maart 2022 de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Het ontwerp is opgesteld om te voldoen aan de nieuwe Omgevingswet. De regels in de omgevingsverordening sluiten aan op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De regels sluiten verder aan bij vastgesteld beleid, bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken uit de Omgevingsvisie. Of de doelen en ambities voor duurzame energie uit de Energie-agenda of bij de uitwerking van beleid in het Regionaal waterprogramma. De Omgevingswet vraagt dat provincies afwegen of het vanuit subsidiariteit nodig is om op provinciaal niveau rechtstreeks werkende (algemene) regels te stellen. In het algemeen geldt dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten, bijvoorbeeld omdat de provincie vanuit de wet verantwoordelijk is om bepaalde doelen te halen, of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Bij het opnemen van instructieregels aan gemeente en waterschap geldt dat deze nodig zijn vanuit de opgaven en ambities uit de omgevingsvisie. Bij het vormgeven van de instructieregels geldt dat waar mogelijk is gewerkt met kaders die ruimte bieden voor eigen beleidsmatige invullingen.
Voor enkele onderwerpen, zoals het Natuurnetwerk Brabant, beleid rondom de veehouderij of het voldoen aan omgevingswaarden is die ruimte beperkt. Ten opzichte van de huidige Interim omgevingsverordening is een aantal wijzigingen doorgevoerd. Een van de wijzigingen is dat de gebieden ‘Verstedelijking afweegbaar’ komt te vervallen. Gemeenten zijn daardoor zelf aan zet om gebaseerd op de diep-rond-breed methodiek uit de omgevingsvisie een afweging te maken waar stedelijke ontwikkeling het beste een plek kan krijgen. Het beleid zoals opgenomen in de nieuwe Omgevingsverordening vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 7 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
4.2.3
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld, vooruitlopend op de aanstaande Omgevingswet. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Het doel van deze verordening is het bij elkaar brengen van alle regels (uit een aantal provinciale verordeningen) over de fysieke leefomgeving in één verordening. Deze verordening vervangt onder andere de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het plangebied is volgens de bijbehorende kaart gelegen binnen ‘landelijk gebied’, ‘gemengd landelijk gebied’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ (zie volgende figuur).
Figuur 7: Uitsnede ‘Basiskaart landelijk gebied’ Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Tot het gemengd landelijk gebied behoort het gebied buiten bestaand stedelijk gebied met uitzondering van Natuur Netwerk Nederland, ecologische verbindingszone, primaire waterkeringen, rivierbed en groenblauwe mantel. De provincie geeft binnen deze gebieden ruimte aan de gemeenten om zelf aan te geven welke ontwikkelmogelijkheden er zijn voor een gevarieerde plattelandseconomie en in welke gebieden het agrarische gebruik prevaleert. Verder is de locatie gelegen binnen de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Deze is gerelateerd aan de veehouderij. Aangezien het hier geen ontwikkeling van de veehouderij betreft, zijn deze regels niet van toepassing. De volgende regels zijn van toepassing op onderhavig initiatief: • Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik; • Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; • Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden; • Artikel 3.68 Wonen in landelijk gebied; • Artikel 3.69 Afwijkende regels voor wonen. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit In artikel 3.5 zijn regels opgenomen voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Deze zijn opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol.
Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. De zorgplicht voor 8 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Onderhavig plan ziet op de sanering van een agrarische bedrijfslocatie (kwekerij). De agrarische bestemming wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. De woonfunctie betreft een in het buitengebied passende functie. De nieuwe woonbestemming belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet. De ontwikkeling draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit door de duurzame instandhouding van de reeds uitgevoerde landschappelijke inpassing en versterking daarvan. Er is sprake van een goede omgevingskwaliteit als gevolg van de ontwikkeling. Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied.
Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Er is sprake van een bestaand bouwperceel, dat met de bestemmingswijziging qua oppervlakte wordt verkleind naar een bouwperceel op maat met een oppervlakte van 2.590 m². Een deel van het bouwvlak is noodzakelijk voor het aanbrengen van grondgebonden zonnepanelen. Het plan draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de naaste omgeving.
De locatie is reeds op een zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast. Ingeval van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). In paragraaf 3.1.2 is gemotiveerd dat een verdere toetsing aan de Ladder niet noodzakelijk is. Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 5 tot en met 12). Er wordt toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Kwaliteitsverbetering van het landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Noord-Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in de provincie hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. 9 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds te storten. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het bestemmingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen. De kwaliteitsverbeterende maatregelen dienen zowel financieel, juridisch en feitelijk geborgd te worden in het plan. Voor de ontwikkeling wordt aangesloten bij de ‘Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode 2016’. In dit beleidsstuk is het toepassingsbereik van kwaliteitsverbetering, de hoogte van de basisinspanning en aanvullende kwaliteitsverbetering vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hierin in drie categorieën ingedeeld, beoordeeld op impact op de omgeving en het landschap.
Onderhavig initiatief valt onder ‘wijziging bestemming agrarisch bedrijf in bestemming wonen, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m² en er resteert maximaal 500 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing. Dit betreft een ontwikkeling in categorie 2, waarvoor een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer is vereist. De locatie is reeds op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage. Juridische en feitelijke verankering De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt juridisch vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan door het opnemen van een enkelbestemming ‘Groen’. Daarnaast wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels waarmee het gebruik binnen de bestemming ‘Wonen’ wordt gekoppeld aan de uitvoering en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing. Cultuurhistorische waarden; Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch waardevol gebied ‘Het Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap.
Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Van belang is het behoud van de kleinschalige karakteristieken. In onderhavige situatie wijzigt er niets aan de ruimtelijke uitstraling van het plangebied. De bestaande groenstructuren blijven behouden. Het bouwperceel wordt verkleind en de oppervlakte aan maximaal toegestane bijgebouwen wordt verankerd in de regels waarmee de bouwmogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie worden verkleind. Dit komt het landschap ten goede. Wonen in landelijk gebied In artikel 3.68 zijn regels ten aanzien van wonen in landelijk gebied opgenomen. Uitgangspunt is dat in beginsel geen woningen mogen worden toegevoegd in landelijk gebied. Hierop geldt een aantal uitzonderingen, zie artikel 3.69. 10 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Afwijkende regels wonen In artikel 3.69 is onder lid c opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. De voormalige bedrijfswoning wordt in de beoogde situatie gebruikt als burgerwoning. In de beoogde situatie is geen sprake van een splitsing in meerdere woonfuncties. In de beoogde situatie is geen sprake van overtollige bebouwing; de volledige bestaande bijbehorende bebouwing (302 m²) blijft gehandhaafd. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de regels van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Visie gemeente Meierijstad ‘Kansen voor Kwaliteit’
De gemeentelijke visie ‘Kansen voor kwaliteit’ is een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarisch) bebouwing. Het afwegingskader voor vrijkomende (agrarische) bebouwing ‘Kansen voor Kwaliteit’ tracht hier in te voorzien. Het doel van dit rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. De functie wonen valt onder de gebiedspassende functies. Gebiedspassende functies zijn functies die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in (delen van) het buitengebied. Gebiedspassende functies worden niet uitgesloten, maar er wordt wel kritischer getoetst op kwaliteit. Het toevoegen van een nieuwe woonfunctie in het buitengebied vormt vaak een belangrijke economische component van een nieuwe ontwikkeling. Dit kan zijn de splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand of het toevoegen van een zogenaamde Ruimte-voor-Ruimte woning. Voor het buitengebied wordt een beperkt aantal woningen gereserveerd. Er wordt, zo veel als mogelijk, gestuurd op andere oplossingen dan woningbouw.
Onderhavige ontwikkeling ziet niet op een toevoeging van een nieuwe wooneenheid in het buitengebied, maar van een wijziging van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Deze wijziging belemmert de omliggende functies niet. Derhalve past binnen de visie van de gemeente. 4.3.2
Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ is in artikel 3.6.21 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden de bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ zover het een voormalige agrarische bedrijfswoning betreft. Onderstaand wordt aan de wijzigingsvoorwaarden getoetst: a. Er wordt een bestemmingsvlak en bouwvlak op maat gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning en bijbehorende tuinen, erven en verhardingen. Het bouwvlak wordt verkleind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorende tuin, erf, verharding en bijgebouw bij de woning (van 5.442 m² tot een oppervlakte van 2.590 m²). b. De oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij de voormalige agrarische bedrijfswoning dient door sloop van overtollige bedrijfsbebouwing teruggebracht te worden tot een gezamenlijke 11 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
oppervlakte van 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid c of sprake is van een situatie als bedoeld in lid d. De bestaande loods blijft behouden; deze heeft een oppervlakte van 302 m². c.
Bij sloop van alle overtollige bedrijfsbebouwing, mag ofwel 25% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m³ ofwel 25% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de gezamenlijke maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen tot een maximum van 200 m² waarbij alle bijgebouwen en overkappingen, met een oppervlakte groter dan 100 m², dienen te worden gesloopt. Niet van toepassing.
d. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen dienen te allen tijde gehandhaafd dienen te blijven. In onderhavige situatie is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. e. De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woonen leefklimaat. De ontwikkeling is aanvaardbaar, zie voor een nadere onderbouwing de onderbouwing ‘Bedrijven en milieuzonering’ en hoofdstuk 9 van onderhavig toelichting. f.
Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk. Het agrarisch bedrijf is beëindigd.
g.
Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. De ontwikkeling is aanvaardbaar, zie voor een nadere onderbouwing de onderbouwing ‘Bedrijven en milieuzonering’.
h. De woning leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Door de wijziging worden de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen niet aangetast. i.
De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in bijlage 06 van de planregels. De locatie wordt landschappelijk ingepast. In de regeling kwaliteitsverbetering landschap SintOedenrode zijn ruimtelijke ontwikkelingen ingedeeld in drie categorieën, beoordeeld op impact op de omgeving en het landschap. Onderhavige ontwikkeling, een wijziging van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ betreft een categorie 2-ontwikkeling. Dit betekent dat de locatie landschappelijk dient te worden ingepast. Er wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door de aanleg en onderhoud van beplanting (zie landschappelijk inpassingsplan).
j.
Aan de gronden die met toepassing van deze wijziging vallen buiten het bestemmingsvlak ‘Wonen’, wordt de gebiedsbestemming 'Agrarisch' toegekend. De gronden behorende bij het voormalige agrarische bouwvlak krijgen de bestemming ‘Agrarisch’.
Aangezien niet wordt voldaan aan de voorwaarde voor het behoud van de bestaande oppervlakte van 302 m² aan bijbehorende bouwwerken, dient een bestemmingsplanprocedure te worden opgestart.
12 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
5. Cultuurhistorie en archeologie 5.1
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016’ van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio ‘Meierij’ (zie volgende figuur).
Het Groene Woud
Plangebied Meierij
Hoogeind: historischgeografisch waardevolle lijn
Figuur 8: Uitsnede ‘Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herziening 2016’ Noord-Brabant
De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch waardevol gebied ‘Het Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Van belang is het behoud van de kleinschalige karakteristieken. Daarnaast zijn de wegen grenzend aan het plangebied aangeduid als een lijn met redelijk hoge waarde. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het gebied.
In onderhavige situatie wijzigt er niets aan de ruimtelijke uitstraling van het plangebied. De bestaande groenstructuren blijven behouden. Het bouwperceel wordt verkleind en de oppervlakte aan maximaal toegestane 13
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
bijgebouwen wordt verankerd in de regels waarmee de bouwmogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie worden verkleind. Dit komt het landschap ten goede. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor het behoud van de aanwezige waarden.
5.2
Monumenten
Binnen het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig.
5.3
Archeologie
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Volgens de archeologische verwachtingswaardekaart van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode is het plangebied gedeeltelijk binnen een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (zie volgende figuur).
Plangebied
Figuur 9: Uitsnede archeologische verwachtingskaart voormalige gemeente Sint-Oedenrode
Binnen deze zone geldt geen onderzoeksplicht. Daarnaast worden ten behoeve van de voorgenomen wijziging van de bestemming geen bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Ook tast de ontwikkeling de archeologische (verwachtings-)waarden niet aan. Indien tijdens eventuele werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform Artikel 53 van de Monumentenwet.
14 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
6. Groenstructuur en natuur 6.1
Groenstructuur plangebied
6.1.1
Natuur Netwerk Brabant
Natuur Netwerk Brabant maakt onderdeel uit van Natuur Netwerk Nederland, dat een samenhangend geheel is van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Op een afstand van circa 750 meter van het plangebied is het dichtstbijzijnde gebied behorende tot Natuur Netwerk Brabant (rivier de Dommel) gelegen (zie volgende figuur).
Plangebied
NNB
Figuur 10: Natuur Netwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl)
Door onderhavige ontwikkeling wordt dit gebied niet aangetast c.q. doorkruist. 6.1.2
Landschappelijke waarden
Onderhavige locatie is reeds op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast. Aan de voorzijde van de bestaande loods wordt de reeds bestaande groen invulling verder versterkt om het aanzicht op dit gebouw te verzachten. Struweel wordt aangebracht waarbij enkel gebruik gemaakt wordt van inheemse soorten. De volgende figuur toont een uitsnede van de tekening van het landschappelijk inpassingsplan (zie tevens bijlage). Als onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan is een analyse van het gebied opgenomen waarbinnen het plangebied is gelegen. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke ziet op de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan. Tevens wordt een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Meierijstad gesloten waarmee de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan is geborgd. 15 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Figuur 11: Uitsnede tekening landschappelijk inpassingsplan
6.2
Wet natuurbescherming
6.2.1
Gebiedsbescherming
Natura2000-gebieden Natura2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op een afstand van circa 9,1 kilometer. Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen is een berekening gemaakt met het programma Aerius Calculator. In. In bijlage 6 zijn de invoergegevens en resultaten van de berekening toegevoegd. Het resultaat van de berekening voor de gebruiksfase laat zien dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van deze fase.
16 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Overige storende effecten Daarnaast heeft men te maken met de volgende mogelijke storende aspecten ten gevolge van activiteiten en plannen zoals verlies van oppervlakte, barrièrewerking en versnippering, verstoring door geluid en licht, trilling, optische verstoring, verstoring door mensen, mechanische effecten, verontreiniging, verdroging en bewuste verandering soortensamenstelling. Door de aard en geringe omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de geruime afstand tot de Natura2000-gebieden zijn storende effecten op deze gebieden uitgesloten. 6.2.2
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De toets in het kader van de soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming, die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze wet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren.
Toets plangebied In relatie tot de Wet natuurbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt: • De locatie heeft geen kenmerkende specifieke natuurwaarden die planologisch zijn vastgelegd in het vigerend bestemmingsplan die in stand dienen te worden gehouden of extra zorg behoeven. Ook liggen de gebieden behorende tot Natuur Netwerk Brabant en Natura2000-gebieden op voldoende ruime afstand van het plangebied; • De omliggende landerijen zijn reeds sinds lange tijd in gebruik als agrarische grond. Door het intensieve gebruik van het land is het zeer onwaarschijnlijk dat in de directe omgeving van het plangebied beschermde soorten voorkomen; • Door middel van het aanbrengen van erfbeplanting wordt onderhavige ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten en draagt bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving voor eventueel voorkomende soorten; • Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling worden geen gebouwen gesloopt of aangepast. Enkel het gebruik van de bebouwing verandert. De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming; de ontwikkeling heeft naar verwachting geen effecten op beschermde dier- en plantensoorten.
17 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
7. Water 7.1
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Provinciaal Waterplan Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in de gemeente Meierijstad is in handen van het Waterschap Aa en Maas en de gemeente. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050) en vertaalt deze ambities naar doelen en maatregelen voor de periode van dit Waterbeheerprogramma.
Dit Waterbeheerprogramma is een echte koerswijziging van het waterschap. De Dommel wil dat de waterhuishouding in 2050 toekomstbestendig is. Dat betekent een waterhuishouding die robuust, wendbaar, in balans met de omgeving is en die voorziet in een goede waterkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de Keur waterschap De Dommel van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en het afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2.
18 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP+) 2017-2022 Op 21 september 2017 is door de gemeenteraad van Meierijstad het Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP+) 2017-2022 vastgesteld. Naast het in stand houden en goed laten functioneren van het rioolstelsel richt het VGRP+ zich ook op het klimaatbestendig inrichten van openbaar en particulier gebied, het verhogen van het waterbewustzijn en stimuleren en waterbewust handelen, het verduurzamen van de afvalwaterketen, het behalen van de waterkwaliteitsdoelen, het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied, het verhogen van de belevingswaarde en benutten van water voor natuur en recreatie, het verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer en samenwerken met andere waterpartners. In het VGRP+ 2017-2022 zijn de te nemen maatregelen en onderzoeken op hoofdlijnen opgenomen. Vanuit het VGRP+ geldt dat elke toegevoegde m² verharding hydrologisch neutraal ontwikkeld dient te worden.
7.2
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap De Dommel.
Plangebied
Watergang
Watergang
Figuur 12: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/)
Het plangebied is op geruime afstand van deze watergangen gelegen om invloed op de oppervlaktewaterhuishouding van het gebied uit te oefenen.
7.3
Grondwater
Via de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij de onderzoekslocatie. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond de 60-100 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 180-250 centimeter beneden maaiveld (zie volgende figuren).
19 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Figuur 13: Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)
Figuur 14: Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG)
7.4
Omgang met hemelwater
Verhard oppervlak De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename of een afname van het verhard oppervlakte. Afvoer hemelwater In de Keur 2015 is een vrijstelling van de compensatie opgenomen voor nieuwe verharde oppervlakken kleiner dan 500 m2. Aangezien in onderhavige situatie het verharde oppervlakte niet toeneemt, is bij deze ontwikkeling sprake van een vrijstelling van de Keur. Dit betekent dat er vanuit de Keur geen compensatie wordt gevraagd voor deze ontwikkeling.
20 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de eventuele herbouw van de woning zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren.
7.5
Omgang met huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels de bestaande aansluiting op de gemeentelijke riolering.
7.6
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap De Dommel en de gemeente Meierijstad inzake de watertoets.
21 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
8. Fysieke belemmeringen 8.1
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen liggen geen leidingen in de directe omgeving van het plangebied die een fysieke belemmering vormen. In de directe omgeving zijn geen kabels en leidingen gelegen.
8.2
Hoogspanningslijnen
Op een afstand van ongeveer 5,2 kilometer van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
8.3
Spuitzones gewasbescherming
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt.
Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Een viertal aandachtspunten zijn van belang: • Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en geldende bestemming(en); • Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; • Wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen of maatregelen; • Overheersende windrichting. In de bestaande situatie is reeds sprake van een gevoelig object (bedrijfswoning); in de beoogde situatie krijgt deze de functie van burgerwoning. Het aspect spuitzonering vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.
22 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
9. Milieuhygiënische verantwoording 9.1
Inleiding
Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.
9.2
M.e.r.-beoordeling
Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden (vormvrije m.e.r.beoordeling). Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 liggen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Indien het een stedelijk ontwikkelingsproject (cat. D 11.2) betreft, welke zowel in kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit staat, dan moet er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen dat geen MER nodig is. Gelet op de aard en kleinschaligheid van het project wordt dit niet als een stedelijk ontwikkelingsproject beschouwd zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
9.3
Bodem
Wettelijke basis In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet onder andere worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Aanleiding en doel Een bodemonderzoek moet in bepaalde gevallen worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak.
Aanleiding van de bodemtoets vormt de wijziging van de bestemming aan het Hoogeind 7 te SintOedenrode. Huidige situatie en toekomstige situatie In de huidige situatie is binnen het plangebied een agrarisch bedrijf gevestigd. In de beoogde situatie wordt de bestemming gewijzigd in een woonbestemming. 23 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
In het kader van de bodemtoets is het formulier ‘Historische bodemtoets’ ingevuld (zie bijlage). Hieruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat zich hier in het verleden bodemverontreinigende activiteiten hebben voorgedaan. In de beoogde situatie vinden er geen bodembedreigende activiteiten plaats. Er vindt geen opslag van bodembedreigende stoffen plaats zoals de opslag van dieselolie. Er is dan ook geen sprake van een blootstellingsrisico aan een potentiële bodem- of grondwaterverontreiniging. Geconcludeerd kan worden dat er geen risico van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is en er geen verontreinigingen te verwachten zijn. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
9.4
Geluid (wegverkeerslawaai)
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving. De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De weg Hoogeind betreft een 60 km/uur-weg met een geluidzone. Echter, er is in de huidige situatie reeds sprake van een woning (geluidgevoelig object). Tevens is het Hoogeind een weg met een beperkte verkeersintensiteit (470 mvt/etm).
Een indicatieve berekening uitgevoerd door Omgevingsdienst Brabant Noord toont aan dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden als gevolg van het verkeer op het Hoogeind. Gezien de staat van de woning is te verwachten dat er in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behaald wordt van 33 dB. Er vinden geen wijzigingen plaats aan de bedrijfswoning en daarmee aan het beschermingsregime van de woning. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. Het betreft reeds een geluidsgevoelig object.
9.5
Geluid (industrielawaai)
Ten aanzien van geluid worden de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden (zie hoofdstuk 10). Voor de volledigheid wordt verwezen naar deze paragraaf. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
9.6
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. 24 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. Toetsing initiatief Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt, is de NIBM-tool (versie 2021) ingevuld. Hierin is de bijdrage berekend bij een aantal dagelijkse voertuigbewegingen van maximaal 10. Onderstaande figuur toont het resultaat.