CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 -Ruimtelijke onderbouwing De Beeke 2, Erp v6 18-12-2024

Raadsvergadering 23 januari 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte ontwerpverklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning huisvesting (shortstay) internationale werknemers aan De Beeke 2 in Erp14.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31

verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In dit geval is sprake van functiemening in het gebied. Op het bedrijventerrein komen vele verschillende soorten bedrijven terug en daarnaast zijn in de omgeving ook verschillende particuliere woningen aanwezig. Dit maakt dat de omgeving niet vergelijkbaar is met een rustige woonwijk. Als gevolg van de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met 1 stap teruggebracht worden. Relevantie voor het plangebied De huisvesting is vergelijkbaar met een pension. Pensions vallen in milieucategorie 1 waarbij de volgende richtafstanden in acht genomen moeten worden. • • • •

geur 10 m; fijn stof 0 m; geluid 10 m. gevaar 10 m

Binnen een straal van 10 m van de locatie waar de huisvesting geplaatst worden liggen geen woningen of bedrijfsvoering welke door de ontwikkeling wordt belemmerd. Gezien de ligging in een gemengd gebied kan de richtafstand teruggebracht worden naar 0 meter. Er wordt voldaan aan de eisen uit de VNGbrochure. Verder geldt dat de ontwikkeling van de huisvesting omliggende bedrijven niet mag belemmeren. In de omgeving komen vele bedrijven voor, wat logisch is gezien de ligging op een bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein mogen zich bedrijven vestigen tot en met milieucategorie 4.2. Aan de richtafstanden voor de milieucategorie wordt niet voldaan. In de overige paragraven van dit hoofdstuk zijn de verschillende aspecten apart beoordeeld of de ontwikkeling doorgang kan vinden. Daarnaast moet voor de huisvesting sprake zijn van een acceptabel woonen leefklimaat. Uit de specifieke beoordeling moet blijken of er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat. In de navolgende paragrafen wordt op deze aspecten ingegaan en bekeken of de ontwikkeling passend is. Dit komt overeen met stap 3 uit het stappenplan zoals opgenomen in bedrijven en milieuzonering. Uit de specifieke beoordeling blijkt dat de voldaan wordt.

4.7

GEURHINDER & LUCHTKWALITEIT

4.7.1

Geur De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de geursituatie en de luchtkwaliteit. Er vinden immers geen activiteiten plaats waarbij emissies vrijkomen. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gelegen. Om te bepalen of er sprake is van een overbelaste sitiautie is een gekeken naar de achtergrondbelasting geur. Hiervoor is de kaart “Achtergrondbelasting geur juni 2023” van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant gebruikt. Volgens deze kaart bedraagt de indicatieve achtergrondbelasting op de porjectlocatie tussen de 3,0 en 7,0 OUE/m3.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

32

Figuur 13

Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasti ng geur juni 2023” van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant f f

Tabel 1

k k

Percentage geurgehinderden en Milieukwaliteit

De achtergrondgeurbelasting is hiermee aan te merken als goed. Het woon- en leefklimaat is hiermee meer dan acceptabel voor de huisvesting van het personeel. Binnen de afstand van 50 meter zijn geen veehouderijen gelegen, de dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op 600 meter, aan de Boterweg 26 te Erp. Andere bedrijven zijn gelegen op een nog grotere afstand. Tussen deze bedrijven en de te realiseren huisvesting zijn vele andere gevoelige objecten gelegen welke eveneens in de bebouwde kom zijn gelegen. Hiermee is de huisvesting van het tijdelijke personeel voor geen enkel van de omliggende bedrijven het eerst belemmerende geur gevoelige object. Bij verdere ontwikkeling worden deze bedrijven niet belemmerd door de ontwikkeling in het projectgebied. Zie ook de navolgede figuur met daarop aangeduid de omliggende veehouderijen.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

33

Figuur 14

Uitsnede kaart Veehouderijen in Noord-Brabant, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant f f

k k

Qua industriële geur geldt dat er op het bedrijventerrein geen bedrijven gevestigd zijn welke op dit moment geur uitstoten die van invloed is op het plangebied. Er zijn geen plannen bekend voor de vestiging van geuremmiterende bedrijven op het bedrijven terrein. Op het bedrijven terrein zijn reeds verschillende bedrijven gevestigd die aangemerkt kunnen worden als geurgevoeling. Dit betreft onder meer het kantoorpand van Van de Bosch, gevestigd aan de Hoogveld 10, de woning Franseweg 15, autohandel Bijvelds, gevestigd aan de De Beeke 4. Ook de omliggende woningen aan de Hoogstraat en Molentiend zijn reeds geurgevoelige objecten. Dit maakt dat er geen belemmering is voor de omliggende bedrijven. Deze worden door de bestaande functies reeds in hun uitbreidingsmogelijkheden belemmerd. Ter plaatse van de huisvesting is sparke van een acceptabel woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven worden niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Geur is geen belemmering voor de ontwikkeling van de huisvesting en de omliggende bedrijven worden niet belemmerd. 4.7.2

Luchtkwaliteit Voor het aspect fijnstof is gekeken naar de Grootschalige Concentratie- en Depostiekaarten van Nederland, zoals opgesteld door de RIVM. Op deze kaart is voor de locatie van het gebouw een achtergrondconcentratie van 17,71 μg/m3 fijn stof (PM10) opgenomen (2022). Dit is ver onder de norm van 40,0 μg/m3 uit de Wet Milieubeheer. Voor zeer fijn stof (PM2,5) is voor de locatie van het gebouw sprake van een achtergrondconcentratie van 9,8 μg/m3. Dit is ver onder de norm van 20,0 μg/m3. Op deze kaart is voor stikstof (NO2) een waarde opgenomen van 11,11 μg/m3. Dit is eveneens ver onder de grenswaarde van 40,0 μg/m3. Met de ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen van en op de locatie toe. Zie hiervoor de onderbouwing van de verkeersbewegingen zoals opgenomen in paragraaf 4.10. In de toekomstige situatie worden 192 verkeersbewegingen per dag verwacht, en daarnaast 8 bewegingen met middelzwaar verkeer. De ontwikkeling is aan te merken als Niet In Betekenende Mate. Dit blijkt ook uit de ingevulde NIBMtool, versie 22-04-2022.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

34

Figuur 15 NIBM-tool

Concluderend kan gesteld worden dat er voor de toekomstige gebruikers van het plan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dit maakt ook dat er voor de bedrijven in de omgeving ruimte is om verder uit te breiden zonder dat de huisvesting hiervoor een belemmering vormt en de vergroting van het bestemmingsvlak en bouwvlak passend is.

4.8

EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen en spoorwegen); het gebruik van luchthavens.

4.9.1

Risico normering Het externe veiligheidsbeleid van de rijksoverheid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

35

Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Een plaatsgebonden risico van 10-6 betekent dat omwonenden van bijvoorbeeld een lpg-tankstation op die plaats een kans van één op een miljoen hebben om als gevolg van een ramp te overlijden. Het Groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico wordt niet uitgedrukt in een risicocontour maar in een FN-curve, waarbij het aantal slachtoffers wordt afgezet tegen de cumulatieve kans die ze als groep hebben om te overlijden. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Risicobronnen kunnen worden opgesplitst in: inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; transportroutes van gevaarlijke stoffen; buisleidingen; luchthavens. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof.

Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour níet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bíj een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico transport Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bíj het maken van ruimtelijke keuzes.

Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

36

kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico opgesteld door de rijksoverheid zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. In onderstaande tabel is weergegeven wanneer een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

lnrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Weg, spoorweg binnenwater (Bevt)

of

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is don 0,7 keer de oriëntatiewaarde, af 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,7 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Externe veiligheid transport In dit geval is sprake van de ligging binnen het invloedsgebied van transportroute De Beeke, voor gevaarlijke stoffen voor LT1, LT2 (beide 150 transporten per jaar) en GF3. Tevens ligt de locatie binnen het invloedgebied van de weg de Hurkse voor GF3 stoffen. Over deze weg vinden per jaar 30 transporten met deze categorie plaats. Dit blijkt uit het ‘Inventarisatie vervoer gevaarlijk stoffen Deel B, Gemeente Meierijstad’ uit mei 2019. Om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van een beperkte verantwoording is gebruik gemaakt van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Hurkske: De weg Hurkse is een weg gelegen buiten de bebouwde kom. De vuistregels in het kader van transport bij een weg buiten de bebouwde kom, zijn voor plaatsgebonden risico als volgt: • •

Vuistregel 1: Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour. Vuistregel 2: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour.

•

Vuistregel 3: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar groter is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour als

0.0003*(GF3+0.2*LF2+LT1+LT2+3*LT3+GT4+GT5)<1

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

37

Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour. Daarnaast heeft de weg eveneens geen 10-6-contour, omdat het aantal transporten met GF3 stoffen met 30 minder dan 500 transporten per jaar bedraagt. Vuistregel 3 is niet van toepassing, omdat het aantal transporten GF3 niet hoger is dan 500 transporten per jaar. Daarnaast moet gekeken worden naar het groepsrisico. Daarvoor is gebruik gemaakt van de in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico opgenomen vuistregels. Deze vuistregels luiden als volgt: Toetsing oriëntatiewaarde •

•

Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-7 (2zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

Als wordt getoetst aan vuistregel 1 geldt in dit geval voor de verantwoording van het groepsrisico oriëntatiewaarde dat er geen sprake is van de stoffen genoemd in deze vuistregel. Er vinden geen transpoten plaats met stoffen in de categorieën LT3, GT4 of GT5. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Voor toetsing aan vuistregel 2 geldt dat het aantal transportbewegingen niet meer dan 10 maal de drempelwaarde uit tabel 1-6 de bijlagen van HART, waarmee verdere toetsing niet noodzakelijk is. Dit is als volgt bepaald: In totaal worden er in de toekomstige situatie maximaal 80 mensen gehuisvest waarmee de personen dichtheid in het gebied tussen de 300 en 400 personen per hectare komt (dit is inclusief de bestaande personen in de omgeving). De afstand van de weg waarover de transporten plaatsvinden tot de huisvesting, bedraagt 25 meter. De drempelwaarde voor een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor groepsrisico bedraagt hiermee 40 transportbewegingen over een weg. Dit maakt dat nader onderzoek naar de oriëntatiewaarde noodzakelijk is bij 400 of meer transportbewegingen met GF3 transporten. Met de geconstateerde 30 transporten met een dergelijke GT3 stof wordt ver onder de drempelwaarde gebleven. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde •

•

Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden.

Ten aanzien van vuistregel 1 geldt dat er geen transporten plaatsvinden van stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5. Nadere toetsing is niet noodzakelijk. Als getoetst wordt aan vuistregel 2 geldt dat het aantal transport bewegingen de genomen in tabel 1.6 (eenzijdige bebouwing) voor deze weg niet overschrijdt. De in tabel 1.6 genoemde drempelwaarde bedraagt 40 transporten per jaar. Het daadwerkelijk aantal transporten bedraagt 30 per jaar. Hiermee wordt de 10%

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

38

oriëntatiewaarde niet overschreden. Dit maakt dat artikel 8 van Besluit externe veiligheid transporten (Bevt) toegepast kan worden. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de standaard verantwoording groepsrisico wordt gebruikt gemaakt van Standaard Verantwoording Groepsrisico van de Veiligheidsregio. Deze verantwoording is als bijlage 11 bij de aanvraag opgenomen.

De Beeke Voor De Beeke geldt dat er sprake is van een weg gelegen binnen de bebouwde kom. De vuistregels in het kader van transport bij een weg binnen de bebouwde kom zijn voor plaatsgebonden risico zijn als volgt: • •

Vuistregel 1: Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour. Vuistregel 2: Een weg binnen de bebouwde kom heeft geen 10-6-contour.

Op basis van de vuistregels heeft een weg binnen de bebouwde komt geen Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour en geen 10-6-contour. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Daarnaast moet gekeken worden naar het groepsrisico. Daarvoor is gebruik gemaakt van de in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico opgenomen vuistregels. Deze vuistregels luiden als volgt: •

•

Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-98 (2zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

Ten aanzien van vuistregel 1 geldt dat er geen transporten plaatsvinden van stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5. Nadere toetsing is niet noodzakelijk. Voor toetsing aan vuistregel 2 geldt dat het aantal transportbewegingen niet meer dan 10 maal de drempelwaarde uit tabel 1-6 de bijlagen van HART, waarmee verdere toetsing niet noodzakelijk is. Dit is als volgt bepaald: In totaal worden er in de toekomstige situatie maximaal 80 mensen gehuisvest waarmee de personen dichtheid in het gebied tussen de 300 en 400 personen per hectare komt (dit is inclusief de bestaande personen in de omgeving). De afstand van de weg waarover de transporten plaatsvinden tot de huisvesting bedraagt 55 meter. De drempelwaarde voor een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor groepsrisico bedraagt hiermee 110 transportbewegingen over een weg. Dit maakt dat nader onderzoek naar de oriëntatiewaarde noodzakelijk is bij 1.100 of meer transportbewegingen met GF3 transporten Met de geconstateerde 30 transporten met een dergelijke GT3 stof wordt ver onder de drempelwaarde gebleven. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

39

•

•

Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden.

Ten aanzien van vuistregel 1 geldt dat er geen transporten plaatsvinden van stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5. Nadere toetsing is niet noodzakelijk. Vanuit vuistregel 2 geldt dat het aantal transportbewegingen volgens tabel 1.9 (dubbelzijdige bebouwing binnen de bebouwde kom) van HART minder dan de genoemde drempelwaarde van 150 transporten bedraagt, namelijk 30 transportbewegingen. Hiermee wordt de 10% oriëntatiewaarde niet overschreden. Dit maakt dat artikel 8 van Besluit externe veiligheid transporten (Bevt) toegepast kan worden. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de standaard verantwoording groepsrisico wordt gebruikt gemaakt Standaard Verantwoording Groepsrisico van de Veiligheidsregio. Deze verantwoording is als bijlage 11 bij de aanvraag opgenomen. Verantwoording plaatsgebonden risico Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er voor de ontwikkeling beperkingen voorkomen kijkend naar het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is de risicokaart bekeken. Uit de EVsignaleringskaart blijkt dat er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen zijn. Hierdoor zijn er voor onderhavig plan geen belemmeringen. Zie hiervoor ook navolgende figuur. Buisleidingen Op een afstand van 2,8 kilometer van het projectgebied komen buisleidingen voor welke op de risicokaart zijn opgenomen.

De locatie is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van deze buisleiding. Zie hiervoor ook navolgende figuur. Transporten van gevaarlijke stoffen Ten aanzien van dit aspect, wordt opgemerkt dat hier sprake is van een toevoeging van een (beperkt)kwetsbaar object, zijnde de huisvesting. Dit geeft geen belemmeringen. Zie hiervoor de voorgaande toetsing. Luchthavens In de omgeving van het projectgebied zijn geen luchthavens gelegen. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico’ dat overblijft nadat de benodígde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

40

Figuur 16 Uitsnede Signaleringskaart EV

4.9.2

Overige wet- en regelgeving In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening) is getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden lpgtankstations' en andere inrichtingen met een mogelijke effectafstand. De externe veiligheidsrisico's voor het projectgebied zijn met behulp van de signaleringskaart EV (zie navolgende figuur). Er zijn geen inrichtingen gelegen waarvan de contouren over het projectgebied vallen. Figuur 17 Signaleringskaart EV groter gebied (locatie rood omcirkeld)

4.9

KABELS EN LEIDINGEN Onderhavige ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect kabels en leidingen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsleiding is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer, waardoor de indicatieve magneetzone van een dergelijke leiding geen belemmering vormt. Voordat de grond geroerd wordt word een KLICK-melding gedaan.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

41

4.10

PARKEREN EN VERKEER Parkeren Voor de huisvesting van tijdelijk personeel zijn geen specifieke normen opgenomen in het parkeerbeleid van de gemeente Meierijstad. Gezien de doelgroep, Expats en arbeidsmigranten, is door de gemeente aangegeven uit te gaan van de norm voor kamerverhuur zelfstandig. De parkeerbehoefte voor het huisvesten van maximaal 80 personen in 40 kamers komt daarbij, volgens de onderstaande berekening aangeleverd door de gemeente Meierijstad, uit op maximaal 25 parkeerplaatsen. Binnen het projectgebied is voorzien in een parkeergelegenheid met 25 parkeerplaatsen.

Figuur 18 Parkeereis ontwikkeling huisvesting De Beeke

In de navolgende figuur is de invulling van de parkeerbehoefte binnen het plangebied weergegeven. Bij het realiseren van de parkeerplaatsen wordt ten minste 1 laadpunt voor elektrische auto’s gerealiseerd. Daarnaast worden er 5 doorvoerleidingen voor oplaadpunten aangelegd. Daarmee wordt rekening gehouden met de verwachte toename aan laadpunten voor elektrische auto’s. Figuur 19 Invulling Parkeerbehoefte

Verkeersbewegingen Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

42

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH 3) in de beoogde situatie vinden plaats door verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. De verkeersgeneratie is gebaseerd op kencijfers. Voor een kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten), moet een aantal verkeersbewegingen per dag aangehouden worden van 2,4 verkeersbewegingen per gerbuiker. Voor de maximaal 80 toekomstige gebruikers geeft dit per dag maximaal 192 verkeersbewegingen. Daarnaast worden 8 bewegingen met middelzwaar verkeer per dag verwacht. Voor de omgeving zijn er verkeerskundig geen nadelige effecten te verwachten bij de ontwikkeling van het plan.

4.11

SPUITZONES Ten aanzien van het aspect spuitzone geldt in de ruimtelijke ordening geen wettelijk toetsingskader. Echter, volgens vaste jurisprudentie wordt een afstand van 50 meter aangehouden tussen de plek waar gespoten wordt en gevoelige objecten. De nieuw op te richten huisvesting is aan te merken als een gevoelig object. Binnen 50 meter van de voorziene locatie van de huisvesting komen agrarische gronden voor. De afstand tussen de huisvesting en de agrarische gronden bedraagt ten minste 31 meter. Op de gronden welke gelegen zijn binnen de 50 meter vindt op dit moment geen fruitteelt plaats. Verder geldt dat de gronden zijn gelegen binnen de gebiedsaanduiding oude akker. Dit maakt dat niet zondermeer overgeschakeld kan worden naar boomteelt. Ook is het niet zondermeer toegestaan om diepwortelende beplanting aan te brengen. Fruitbomen zijn diepwortelende planten, waarmee deze niet zonder vergunning geplant kunnen worden. Verder geldt dat het tegenwoordig wettelijk verplicht is om te spuiten met tenminste 75%.

Concluderend kan gesteld worden dat een spuitzone van 50 meter op deze percelen niet van toepassing is, omdat er gespoten wordt met een driftreductie van 75%, de gronden op dit moment niet benut worden voor boom- en fruitteelt. Bovendien maakt het bestemmingsplan het niet mogelijk om op de gronden zonder vergunning over te schakelen naar boom- en fruitteelt. De afstand van meer dan 30 meter wordt voldoende geacht. Hiermee is ter plaatse van de huisvesting van het personeel sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat voor dit aspect en zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

43

4.12

MER-BEOORDELING Wet milieubeheer Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn.

Besluit m.e.r. In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Onder de drempelwaarden van de D-lijst kan volstaan worden met een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. In het voorliggende wordt een gebouw voor maximaal 80 tijdelijke personeelsleden gerealiseerd. Dit project kan worden ondergebracht in categorie 11.2 van de D-lijst: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De (relevante) drempelwaarde van categorie D11.2 ziet toe op gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het voorliggende plan ziet toe op 1 gebouw en overschrijdt daarmee geen van de aangegeven drempelwaarden. Aangezien de activiteit onder de drempelwaarden van D11.2 van de D-lijst blijft moet voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Initiatiefnemer moet een m.e.r.beoordelingsnotitie (ook wel aanmeldnotitie genoemd) opstellen. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Meierijstad, moet vervolgens beoordelen of bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden waarvoor een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Het besluit op de vormvrije m.e.r-beoordeling maakt onderdeel uit van ruimtelijke procedure. De als bijlage 12 bij dit plan opgenomen vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie bevat alle Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

44

wettelijk voorgeschreven informatie, voor zover relevant voor deze specifieke activiteit.

4.13

GEZONDHEID De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zevenstappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Uit de toetsing blijkt dat er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is namelijk op een afstand van circa 600 meter gelegen. De berekende afstand met gebruikmaking van de rekentool van Erbrink op basis van de emissie van 230 kilogram fijnstof per jaar bedraagt voor de pluimveehouderij (leghennen) 78 meter. Met 500 meter wordt hier ruimschoots aan voldaan. De overige veehouderijen liggen op nog grotere afstanden. Figuur 20 Endotoxine berekening Boterweg 26, Erp

p1 p2 leghennen constant PM10 500 1500 3000 5000 7500 10000 12000 17000 PM10 invullen (kg/jaar) 230

macht 14,1291356 0,315114337 legh afstand 100 144 173 204 240 256 274 303

nvt.

afst 100 142 176 207 235 257 273 304 berekende afstand (m) 78

De ontwikkeling leidt niet tot een toename van de emissie van geur, fijnstof of ammoniak (stap 2). Het betreft de huisvesting van tijdelijk personeel. Ten aanzien van achtergrondconcentratie voor fijnstof en stikstof geldt dat ruimschoots voldaan wordt aan de wettelijke advieswaarden. Er wordt echter niet voldaan aan de door de WHO geadviseerde gezondheidswaarden. De gezondheidswaarde voor PM 10 bedraagt 10,0 μg/m3. Op de projectlocatie bedraagt deze 17,71 μg/m3. Voor PM2,5 bedraagt de gezondheidswaarde 5,0 μg/m3, terwijl deze op de projectlocatie 9,8 μg/m3 bedraagt. Voor NO2 bedraagt de gezondheidswaarde 10,0 μg/m3. De waarde bedraagt op de projectlocatie 11,11 μg/m3. Het project zelf draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er zijn ook geen maatregelen die genomen kunnen worden in het projectgebied om de luchtkwaliteit te verbeteren. Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

45

In vrijwel geheel Nederland wordt niet voldaan aan de gezondheidswaarden voor fijnstof, waarmee andere locaties niet per definitie beter zijn. Er kan door de gemeente voor dit aspect advies gevraagd worden bij de GGD. Voor stap 3a en b is getoetst aan de geur. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen gelegen. Voor de achtergrondbelasting wordt voldaan aan de maximale waarde van 20,0 OUE/m3. De gezondheidskundige advieswaarde welke gehanteerd wordt bedraagt 10,0 OUE/m3. Ook aan deze waarde wordt voldaan. De achtergrondgeurbelasting ligt namelijk tussen de 3.0 en 7,0 OUE/m3. Zie ook paragraaf 4.7.1. Binnen de afstand van 50 meter zijn geen veehouderijen gelegen, de dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op circa 600 meter, aan de Boterweg 26 te Erp. Voor de gezondheidkundige waarden geldt voor achtergrond een maximale geurbelasting van 5,0 OUE/m3. Omdat er geen locatie specifiek onderzoek is gedaan naar de achtergrondbelasting geur kan niet met zekerheid gesteld worden dat aan de gezondheidskundige waarde wordt voldaan. Omdat het tijdelijke werknemers betreft, in steeds wisselende samenstelling, kan dit acceptabel worden geacht. De gemeente kan hiervoor advies opvragen bij de GGD. Voor punt 4 a en b geldt dat er binnen de inrichting zelf geen landbouwhuisdieren worden gehouden.

Verder zijn er in een straal van 100 meter rondom de locatie geen veehouderijen gelegen waar varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers of kleine herkauwers onderling worden gehouden. De planlocatie is niet gelegen binnen een straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf: Boterweg 26 te Erp (stap 5b), maar niet binnen 250 meter van overige veehouderijen. Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGOIII de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de ODBN in overleg met de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij.

Het pluimveebedrijf aan Boterweg 26 te Erp ligt op ongeveer 600 meter afstand van het plangebied. Aan de hand van bovenstaande afspraak, hoeft op dit punt geen advies te worden opgevraagd bij de GGD. Er hoeft op dit punt geen advies gevraagd te worden bij de GGD. Ten aanzien van (stap) 6 geldt dat er in de omgeving geen sprake is van mestbe- of verwerking. Er zijn vanuit de omgeving geen geluiden bekend dat men zich zorgen maakt over de gezondheid (stap 7). Conclusie

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

46

Op basis van de voorgaande toetsing kan geconcludeerd worden dat er op basis van punt 2 (gezondheidswaarde luchtkwaliteit) en 3b (gezondheidswaarde geur), door de gemeente een advies aan de GGD gevraagd kan worden. Ten aanzien van punt 2 geldt dat in vrijwel geheel Nederland niet voldaan wordt aan de gezondheidswaarden voor luchtkwaliteit. Voor punt 3b geldt dat het gaat om de huisvesting van tijdelijke werknemers. Deze werknemers zijn tijdelijk aanwezig en de samenstelling bestaat uit steeds wisselende groepen. De verblijfsduur van een individu is nooit meer dan 6 maanden. Daarmee is het verblijf van kortere duur dan personen die daadwerkelijk op de locatie zouden wonen. Omdat de verblijfsduur korter is, is de huisvesting van tijdelijk personeel acceptabel.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

47

5

UITVOERBAARHEID

In artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1 eerste lid 1 onder c vergezeld gaat van een ruimtelijke onderbouwing waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Met deze vergunning wordt, in afwijking van het vigerende bestemmingsplan, de huisvesting van maximaal 80 tijdelijke arbeidskrachten en een bouwhoogte van 9,9 meter mogelijk gemaakt. Dit project is aan te merken als een bouwplan. Kosten verhaal is van toepassing. Het kostenverhaal zal middels een anterieure overeenkomst worden geregeld tussen gemeente en initiatiefnemer. Eveneens zal er een planschadeovereenkomst worden afgesloten met initiatiefnemer.

5.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Er heeft overleg plaatsgevonden met de omwonenden. Zie hiervoor ook de als bijlage bijgevoegde omgevingsdialoog. Verder zal de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besproken worden met de vaste overlegpartners van de gemeente. Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

48

6 6.1

PROCEDURE

PROCEDURE De verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan volgt de uitgebreide procedure. Deze is beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiertoe is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere: •

• •

•

6.2

Aanvraag, ontwerpbesluit en/ of het definitieve besluit moeten op grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in bepaalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties worden toegestuurd. Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). De beslistermijn van zes maanden begint te lopen op de dag ná de dag van ontvangst van een ontvankelijke- aanvraag (art. 3.12 lid 7 Wabo). De beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12 lid 8 Wabo). Bij een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo wordt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in het gemeenteblad geplaatst. De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor).

VOOROVERLEG In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing verklaard. Voor onderhavige procedure dient dan ook in principe vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

49

gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Het initiatief wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de Provincie Brabant en Waterschap AA en Maas.

Ruimtelijke onderbouwing, De Beeke 2, Erp

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=916ff865-590b-45eb-8195-48a18b124f5a