Bijlage 1: regels bestemmingsplan Hoogeind 7 (3)
Tekst van het document
10.2 Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsplanregels voor het gebruiken van een deel van een (bedrijfs)woning voor logies in de vorm van een Bed & Breakfast, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het betreft maximaal 4 bedden en 2 slaapkamers; de Bed & Breakfast dient in bestaande bebouwing gerealiseerd te worden; maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten behoeve van een Bed & Breakfast in gebruik zijn. de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; permanente bewoning is niet toegestaan; bedoeld gebruik mag geen belemmering voor de omliggende bedrijven opleveren; het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of een bijbehorend bouwwerk uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de woning is; er mag geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan; de ontwikkeling mag niet leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer; 27 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
k.
er dient voldoende parkeren ten behoeve van de Bed & Breakfast op eigen terrein gerealiseerd te worden.
10.3 Kleinschalig kamperen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsplanregels voor het toestaan van kleinschalig kamperen bij agrarische bedrijven en woningen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b.
c. d.
e.
f. g.
de totale omvang niet meer mag bedragen dan 25 kampeermiddelen, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 5.000 m²; het kleinschalig kamperen is niet toegestaan ter plaatse van de bestemmingen Bos en Natuur. Het kleinschalig kamperen wordt gesitueerd op en/of direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak van de functie waarbij het kleinschalig kamperen wordt gerealiseerd; het kleinschalig kamperen mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben; sanitairgebouwen en/of recreatieruimten moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Indien er geen bouwvlak aanwezig is, dienen de gebouwen op het achtererfgebied gerealiseerd te worden; de oppervlakte van sanitairgebouwen en/of recreatieruimten moet passen binnen de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen of de regels van gebruik van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen.
Er mag voor de bouw van sanitairgebouwen en/of recreatieruimten voor kleinschalig kamperen bij (bedrijfs)woningen gebruik gemaakt worden van sloop-bonus en bij agrarische bedrijven van de afwijkingsmogelijkheden voor nevenfuncties; er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid; deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan.
10.4 Verduurzaming Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsplanregels en een grotere inhoud en/of goot- of bouwhoogte voor een woning toestaan, indien dit het gevolg is van verduurzaming van een bestaande woning, door bijvoorbeeld het aanbrengen van isolatie in of op de wanden of het dak. 10.5 Rijbakken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels ten behoeve van rijbakken, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f. g. h.
de rijbak wordt gesitueerd direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak van de functie waarbij de rijbak wordt gerealiseerd; de afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 50 m; de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 1200 m²; de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 9 m; het aantal lichtmasten per rijbak mag niet meer bedragen dan 4; lichtmasten mogen niet worden gerealiseerd binnen een afstand van 100 m van gronden met de bestemming 'Bos', 'Natuur' en 'Groen'; de bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van de rijbak, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m; de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; 28 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
i. j. k. l.
de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen; er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Meierijstad.
10.6 Energieopwekking Het is niet toegestaan om buiten een bouwvlak van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf of buiten de bestemming Wonen bouwwerken voor energieopwekking op te richten. 10.7 Zonnepanelen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.6 voor het bouwen van een grondopstelling voor zonnepanelen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b.
c. d.
e. f. g. h. i. j.
de bouwhoogte maximaal 1,5 m bedraagt; aangetoond is dat het ondoelmatig is om de zonnepanelen op het deel van het erf te realiseren waar zonnepanelen (hetzij op het dakvlak, hetzij via een grondopstelling) rechtstreeks zijn toegestaan; de omvang van de grondopstelling c.q. installatie niet groter is dan noodzakelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte; de grondopstelling en de situering van de bebouwing compact en geconcentreerd is vormgegeven op het achtererfgebied. Indien is aangetoond dat plaatsing op dit achtererfgebied ook ondoelmatig is, kan de grondopstelling aansluitend aan de achterste grens van het achtererfgebied geplaatst worden; er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het (beter) functioneren van de zonnepanelen; de archeologische, aardkundige, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; aangetoond moet worden dat er geen onaanvaardbare hinder door schittering ontstaat, zodat afgewogen kan worden of de grondopstelling aanvaardbaar is voor de omgeving; de grondopstelling niet gebruikt wordt voor opslagdoeleinden; geen zonnepanelen zijn toegestaan binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding.
10.8 Windturbines voor eigen gebruik Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.6 voor het bouwen van een windturbine voor eigen gebruik, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f.
er is sprake van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf; is aangetoond dat het ondoelmatig is om te voorzien in de eigen behoefte door plaatsing van zonnepanelen op het dak van de (agrarische) bedrijfsgebouwen; er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik door situering van de windturbine op het achtererfgebied (nabij de aanwezige bebouwing); de tiphoogte van de windturbine bedraagt niet meer dan 25 meter; er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan; er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het beter functioneren van de windturbine; 29 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
g. h. i. j.
de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; de windturbine vanuit milieu- en veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is; de belangen van derden (omwonenden) niet worden geschaad; een kleinschalige windturbine dient minimaal 2x nominaal toerental afstand te houden van een hoogspanningsverbinding.
10.9 Toename stikstofdepositie Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsplanregels en handelingen en/of activiteiten toestaan waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie (mol/ha/jaar) toestaan indien: a. b. c.
toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) niet leidt tot een overschrijding van de kritische depositiewaarde van de habitats ter plaatse, of; toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) wordt gesaldeerd door een in ieder geval gelijkwaardige afname van depositie op het gebied uit andere bronnen; toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) niet de natuurlijke kenmerken van het gebied aantast. Deze kenmerken worden niet aangetast als op grond van de Wet natuurbescherming een vergunning is verleend dan wel deze op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is.
30 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Algemeen Het college van B&W is bevoegd, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a.
b.
c.
overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of – intensiteit daartoe aanleiding geeft; de overschrijdingen als bedoeld in sub a en b mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
31 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Artikel 12 Algemene procedureregels 12.1 Afwijkingsbevoegdheid Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 12.2 Wijzigingsbevoegdheid Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing. 12.3 Nadere eisen Bij toepassing van nadere eisen, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
32 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
b.
c.
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.; het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik a. b.
c.
d.
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
13.3 Hardheidsclausule Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.
33 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Artikel 14 Slotregel Dit bestemmingsplan kan worden aangehaald onder de titel: Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’ van de gemeente Meierijstad. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van ......................................................... De griffier,
34 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Onderhavige locatie is reeds op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast. Aan de voorzijde van de bestaande loods wordt de reeds bestaande groen invulling verder versterkt om het aanzicht op dit gebouw te verzachten. Struweel wordt aangebracht waarbij enkel gebruik gemaakt wordt van inheemse soorten.
Bomenrijen bestaande uit iep, es, linde, noot en beuk Globale situering grondgebonden zonnepanelen
Beukenhaag
Beoogd bouwvlak Bijgebouw ‘wonen’
Ho oge in
Woning Kastanje
Bosplantsoen bestaande uit o.a. hazelaar, krenteboompje Hoogstam fruitbomen kers (3 stuks)
Hoo gei n
d
d
Eiken
Eiken Laaggroeiende struiken
(nieuw aan te leggen)
vogelkers, lijsterbes, hondsroo, meidoorn, vlierbes
Landschappelijk inpassingsplan Hoogeind 7 Sint-Oedenrode Formaat tekening A4 Schaal 1:1000
d.d. 28-07-2023, versie 021
Bijlage 2
Effect en ingrepen
36 Regels bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Hoogeind 7’
Tabel omgevingsvergunning werken en werkzaamheden BP Buitengebied
Werken/werkzaamheden (zie overzicht werken en werkzaamheden) ►
Bestemmingen / aanduidingen Cultuurhistorisch waardevol gebied
1
2
3-4
Reliëf/Bodem/Water A
A
-A
6
7
8
9
10
11
Beplanting/Grondgebr. A
A
12
13
Infra
/ TOV *
A
A
Verklaring codes in schema:
A = Omgevingsvergunning vereist i.v.m. doeleinden bestemming NT = Niet toegestaan i.v.m. doeleinden bestemming NB: Ingreep 5 zit bij ingreep 3, TOV loopt via afwijking en dus NIET via omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden
Ingrepen: De gebruikte codes voor werken/werkzaamheden zijn als volgt omschreven : Reliëf/bodem/water 1.
2.
3. 4.
5.
6.
Het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,50 m wordt gewijzigd (zoals het verlagen, ophogen of egaliseren van de bodem) of waarbij de maaiveldniveaus van steilranden worden gewijzigd, met uitzondering van waterpoelen tot een oppervlakte van 125 m² en een diepte tot 1,5 m of indien een ontgrondingsvergunning vereist is. Het omzetten van grond (zoals het diepploegen of diepwoelen van de bodem) of het uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder maaiveld (zoals het leggen van leidingen, uitvoeren van heiwerken of indringen van voorwerpen in de bodem), met uitzondering van de vervanging van aanwezige ondergrondse leidingen; Het verlagen (wijzigen) van de (grond)waterstand door aanleg van drainage (ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage) of door bemaling en/of bronnering; Het verlagen (wijzigen) van de (grond)waterstand door het aanleggen (graven), dempen of wijzigen (verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren) van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van oppervlaktewateren (waterlopen, sloten en greppels en andere wateren zoals poelen en vennen); Het wijzigen van de waterstand anders dan door het graven van sloten of het toepassen van drainage (b.v.
(onder)bemaling of wateronttrekking) anders dan via legale grondwateronttrekking (vervallen, zit al in 3.); Het wijzigen van de bergingscapaciteit via het ophogen van gronden en het aanleggen van dammen, dijken of kaden.
Beplanting/grondgebruik 7. 8.
Het verwijderen of rooien (vellen) van bos en/of andere grote houtopstanden Het verwijderen of rooien (vellen) van natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie (zoals bosjes en houtsingels e.a. beplantingen) 9. Het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met agrarische productiefunctie (zoals fruitteelt, boomteelt of agrarische houtteelt); 10. Het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie (zoals perceelsrandbeplanting); 11. Het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten (scheuren) van grasland naar een andere bodemcultuur (zoals bouwland voor akkerbouw of tuinbouw); Infrastructuur/teeltondersteunende
14-15
voorzieningen
12. Het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, waterlopen
Ingrepen - Effecten Effecten BP Buitengebied Werken en werkzaamheden en hun effect op gebiedswaarden en gebiedskwaliteiten. Ad 1. Het afgraven, ophogen, vergraven en egaliseren van grond verandert het bodemprofiel en de waterhuishouding in de bodem. Ook vlakt het reliëf doorgaans af. Afgraven verkleint de afstand tussen maaiveld en grondwater. Ophogen vergroot de afstand tussen maaiveld en grondwater. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn vernatting of verdroging, verschraling, verlies aan waarden in de bodem, verlies aan ecologische gradiënten, verlies aan microreliëf en aardkundige vormen en verlies van vegetatiewaarden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, cultuurhistorie, dassen, beekdal, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur, archeologie en attentiegebied EHS. Ad 1 - 1a Afgraven (verlagen) - Mogelijke werken/werkzaamh werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep:
Ingreep zelf:
Het verwijderen van de bovenste bodemlaag/bodemlagen. Verschraling: verwijderen van bemeste/verzuurde gronden. Tegengaan verdroging in verdroginggevoelige gebieden. Grondstoffenwinning (humus, zand, klei, leem). Aanleggen van poelen. Verandering bodemprofiel Verkleining afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte)
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting / vermindering verdroging • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 1 – 1b Ophogen (verhogen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep:
Ingreep zelf:
Het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag. Mogelijk maken van bouwactiviteiten door aanvoer van zand van elders. Opheffen van maaivelddaling ten gevolge van inklinking. Verschraling door aanvoer van zand van elders. Bezanden van veengronden en gronden voor de bollenteelt. Verandering bodemprofiel. Vergroting afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte)
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 1 – 1c Vergraven (verlagen+opvullen (verlagen+opvullen) +opvullen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep: Ingreep zelf:
Het verwijderen van een of meerdere bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders. Het graven en opvullen van drainagesystemen en andere sleuven en kuilen. Verandering bodemprofiel. Verandering waterhuishouding in de bodem.
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: wijziging bodemprofiel • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige steilranden/terreintreden)
vormen
(stroomgeulen,
• • •
Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren) Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna
Ad 1 – 1d Egaliseren (effenen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep: Ingreep zelf:
Het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (feitelijk een combinatie van ophogen en afgraven Wateroverlast en droogtegevoeligheid binnen agrarisch perceel tegengaan Verbetering van de bewerkbaarheid voor agrarisch gebruik Opheffen niveauverschillen die het effect zijn van inklinking Verandering van het microreliëf (afvlakken van dit reliëf) Verandering waterhuishouding in de bodem.
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: wijziging bodemprofiel • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen • Verlies aan ecologische gradiënten (greppels, laagtes, microreliëf) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 2. Het diepploegen, diepwoelen van grond en heien in grond zorgt voor homogenisatie, resp. doorbreking/doorboring van de bodem. Het vernietigt het bodemprofiel en verandert de waterhuishouding in de bodem. Als ondoorlatende bodemlagen worden doorbroken kan verstoring en vervuiling van de (grond)waterhuishouding plaats vinden. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn vernietiging en verstoring van het bodemprofiel, verandering van de hydrologie, verlies aan waarden in de bodem, verlies aan ecologische gradiënten, verlies aan microreliëf en aardkundige vormen en verlies van vegetatiewaarden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, cultuurhistorie, dassen, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur, archeologie en attentiegebied EHS. Ad 2 – 2a Diepploegen en diepwoelen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel, eventueel tot in de diepere ondergrond.
(Eenmalige ingreep met blijvend effect) dieper dan 0,50 m. Doel ingreep: Verbetering bodemprofiel voor agrarisch gebruik Vergroten bewortelingsdiepte Vergroten berijdbaarheid Verschraling Mengen van kleigrond met onderliggend zand Ingreep zelf: Homogenisatie van de bodem Vernietiging bodemprofiel Verandering waterhuishouding bodem Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: wijziging bodemprofiel • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Wijziging ondoorlatende bodemlagen en daarmee verstoring van de (grond)waterhuishouding • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 2 – 2b Heien en indrijven voorwerpen in de bodem - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen, leggen van leidingen Doel ingreep: Dragers voor bouwwerken aanbrengen, damwanden plaatsen, graven van sleuven voor het leggen van leidingen Ingreep zelf: Bouwen op slappe bodem is mogelijk, afschermen van delen van de bodem, Ondergrondse leidingen kunnen beschadigd worden Graven van sleuven al dan niet in combinatie met rooien
van houtgewas Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Wijziging (doorbreken) ondoorlatende bodemlagen en (grond)waterhuishouding
daarmee
verstoring
van
de
• •
Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren)
Ad 3. 3. Het aanleggen van drainage en het aanbrengen van onderbemaling versterkt de ontwatering, verlaagt de grondwaterstand op het perceel en in de directe omgeving en vergroot de verdroging. Deze verdroging kan vervolgens voor inklinking en verzuring zorgen. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn verdroging (en verzuring), verlies aan waarden in de bodem, verlies aan natte levensgemeenschappen en inklinking van venige bodems. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, dassen, beekdal, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur, attentiegebied EHS en waterbergingsgebied. Ad 3 – 3a aanleggen drainage - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het aanbrengen van drainagebuizen in de grond, in het algemeen op een diepte van 70-110 cm - mv. Doel ingreep: Versterken van de ontwatering van een of meerdere percelen Ingreep zelf: Lokale verlaging grondwaterstand -> perceel wordt droger Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt.
aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Wijziging ondoorlatende bodemlagen en daarmee verstoring van de (grond)waterhuishouding • Verlies aan (natte) levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 3 – 3b aanbrengen onderbemaling - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Bemalen van een of meerdere percelen, waardoor de grondwaterspiegel er lager staat dan in het omringende gebied. Doel ingreep: Vergroten afstand tussen maaiveld en grondwaterspiegel, droger maken perceel. Ingreep zelf: Lokale verlaging grondwaterstand -> perceel wordt droger. Aantrekken van grondwater uit de omgeving -> deze omgeving wordt droger. Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Inklinking van venige bodems (onomkeerbare klink) • Verlies aan (natte) levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 4. Het aanleggen aanleggen van dammen en stuwen zorgt voor een vermindering (afname) van de dynamiek in de waterloop. Bij natuurlijke waterlopen zorgt dit tevens voor een afname in variatie in oever en waterloop en een vermindering van de stroomsnelheid.
Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn verlies aan levensgemeenschappen van stromend water, verlies van de variatie in biotopen/ecotopen in de waterloop en op de oever, het verdwijnen van het natuurlijk karakter van de waterloop, als mede vernatting en vermindering van de verdroging. Het aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels zorgt voor het wegtrekken van kwelstromen en voor verdroging, verandering van het landschap (percelering, waterhuishouding), verlies aan ecologische gradiënten en verlies aan natte levensgemeenschappen. Het dempen van sloten, greppels en kleine geïsoleerde wateren (lees poelen en vennen) zorgt voor een verlies aan natte levensgemeenschappen, nivellering van het landschap, het verdwijnen van slootoevers, het verlies van voortplantingswateren voor amfibieën en vernatting van de (directe) omgeving. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, cultuurhistorie (cwg), dassen, beekdal, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur en archeologie, attentiegebied EHS en waterbergingsgebied. Ad 4 – 4a aanleggen van dammen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Aanbrengen van een permanent, stuwend obstakel over de gehele breedte van een watergang. Hoogte zodanig dat waterloop ten dele of volledig geblokkeerd wordt.
Doel ingreep: Vasthouden water in een gebied (door verkleinen debiet) Verminderen stroomsnelheid Afsluiten waterloop, Afwatering gebied in andere richting dwingen Ingreep zelf: Afname dynamiek in de waterloop Alleen bij natuurlijke waterloop: afname variatie in oever en waterloop Afname stroomsnelheid Isolatie waterloop t.o.v. het stelsel van waterlopen
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting / vermindering verdroging • Verlies natuurlijke karakter van waterloop (landschappelijk aspect) • Verlies aan variatie in biotopen in de waterloop/oever en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van stromend water en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 4 – 4b aanleggen van stuwen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Aanbrengen van een stuwend obstakel waarvan de werking tijdelijk geheel of gedeeltelijk opgeheven kan worden. Doel ingreep: Vasthouden water in een gebied (door verkleinen debiet) Verminderen stroomsnelheid Ingreep zelf: Afname dynamiek in de waterloop Alleen bij natuurlijke waterloop: afname variatie in oever en waterloop Afname stroomsnelheid / Sterke wisseling stroomsnelheid Isolatie waterloop t.o.v.
het stelsel van waterlopen Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting / vermindering verdroging • Verlies natuurlijke karakter van waterloop (landschappelijk aspect) • Verlies aan variatie in biotopen in de waterloop/oever en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van stromend water en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna • Wegspoelen levensgemeenschappen bij openen stuw Ad 4 – 4c aanleggen sloten en greppels - Mogelijke werken/werkzaamheden werken/werkzaamheden Definitie: Aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten en greppels. Doel ingreep: Verbeteren ontwatering agrarische gronden. Ingreep zelf: Verkleining afstand maaiveld-grondwaterspiegel (ontwateringsdiepte) Vergroten oppervlakkige afstroming neerslagwater Droger worden omgeving Verlies aan levensgemeenschappen van slootkanten door steiler talud Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: toename extremen in waterafvoer.
• Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Aantrekken en afvangen kwelstromen in nieuwe/diepere sloten en greppels • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) • Verlies aan variatie in (natte) biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 4 – 4c dempen sloten en poelen/vennen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Dichten van sloten of greppels met van elders aangevoerde grond, dichten van kleine wateren (poelen, vennen, wielen, afgesneden meanders) met van elders aangevoerde grond Doel ingreep: Verkleinen waterafvoer van agrarische gronden Wijzigen perceelsindeling, alsmede Egaliseren agrarisch perceel Vergroting oppervlak agrarisch bruikbare grond Efficiëntere bewerking agrarische grond mogelijk maken Ingreep zelf: Natter worden van omliggende gebied Afname totale slootlengte, alsmede Verlies aan kleine wateren Egalisatie landschap Toename kwel in directe omgeving Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting omgeving • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering,
landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verdwijnen van ecologische verbindingen (zones/stapstenen) in het landschap
• • •
Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) Verlies aan variatie in (natte) biotopen (o.a. voortplantingsbiotopen amfibieën) en daarmee verlies aan biodiversiteit Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten sloten en poelen/vennen) met bijbehorende fauna
Ad 5. Deze is ondergebracht bij 3. Ad 6. Het wijzigen van de bergingscapaciteit van de bergingscapaciteit via het ophogen van gronden en het aanleggen van dammen, dijken of kaden vermindert de bergingscapaciteit van een gebied. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn verlies aan ecologische gradiënten, verlies aan microreliëf en aardkundige vormen (maar deze zijn reeds beschermd via 1) en verlies van de natuurlijke bergingscapaciteit van een gebied. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor waterstaat – waterbergingsgebied. Ad 6 – 6a Ophogen (verhogen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep:
Ingreep zelf:
Het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag. Mogelijk maken van bouwactiviteiten door aanvoer van zand van elders. Opheffen van maaivelddaling ten gevolge van inklinking. Verschraling door aanvoer van zand van elders. Bezanden van veengronden en gronden voor de bollenteelt. Verandering bodemprofiel. Vergroting afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte)
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 6 – 6b aanleggen van dammen en kaden - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Aanbrengen van permanente, kerende obstakels in een gebied. Hoogte zodanig dat waterloop ten dele of volledig gekeerd wordt. Doel ingreep: Buiten houden / Tegen houden van water in een (deel)gebied (door het verkleinen van de bergingscapaciteit) Verminderen van de bergingscapaciteit Afsluiten gebieden voor evt.
wateroverlast Ingreep zelf: Afname waterberging in een gebied Afname wateroverlast in een gebied Mogelijke gevolgen/effecten gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vermindering berging/wateroverlast • Verlies natuurlijke overstromingskarakter van een gebied (landschappelijk aspect) • Verlies aan variatie in biotopen in een beekdal en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch Ad 7. en en 8. Het rooien van houtgewas via het verwijderen van bos, bosjes, bomen en struiken struiken zorgt voor een verlies aan landschapselementen (landschappelijke en cultuurhistorische waarden) en een verlies van biotopen voor levensgemeenschappen van struwelen, houtwallen en bosranden. Verder kan er een verlies aan oriëntatiepunten en – lijnen, alsmede een verlies aan slaapplekken/schuilplekken en nestgelegenheid optreden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor aardkunde, cultuurhistorie, dassen, beekdal, struweelvogels, kwetsbare soorten, bos, groen en natuur.
Ad 7/8 7/8 rooien van van bos, bosjes en houtsingels - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, bosjes, houtsingels, houtwallen) Doel ingreep: Verwijderen van ziek plantmateriaal Onderhoud – uitdunning van bossen/bosjes Hinder voor agrarische bedrijfsvoering verminderen Ingreep zelf: Grotere openheid landschap Verlies aan beschutting, schaduw Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verlies aan ecologische gradiënten (bosranden, struwelen, microreliëf) • Verlies aan variatie in biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van bos, bosranden en struwelen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna • Verlies aan oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten (o.a. vlinders, • vleermuizen, marterachtigen) • Verlies aan slaap/schuilplaatsen, nestgelegenheid, dekking tegen weersomstandigheden • Grotere openheid, betekent soms afname leefgebied dassen en struweelvogels, soms toename leefgebied weidevogels Ad 9.
Het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met agrarische productiefunctie (zoals fruitteelt, boomteelt of agrarische houtteelt) zorgt voor een verlies aan landschapswaarden in open gebieden zoals weidevogelgebieden en gebieden met cultuurhistorische waarden zoals cultuurhistorisch waardevolle akkers met akkerland en waardevolle beekdalen met graslanden, elzensingels en broekbosjes. Vanwege de intensieve teelt zorgen ze ook voor een verlies aan natuurwaarden in gebieden met kwetsbare soorten (amfibieën, dagvlinders, bijzondere vegetaties). Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor cultuurhistorie (cwa), beekdal, weidevogels en kwetsbare soorten. Ad 9 – aanplanten agrarisch houtgewas via boomboom-/houtteelt /houtteelt - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Verwijderen bestaand gewas/bestaande vegetatie en aanplanten van gewassen of jonge bomen, die permanent een bepaalde hoogte (vaak meer dan 1,50 m) hebben. Doel ingreep: Gebruik grond voor het opkweken van sierteelten of bomen (o.a.sierbomen, bosplantsoen en park- en laanbomen) Ingreep zelf: Grasland/Vegetatie verdwijnt, perceel krijgt functie van sierteelt of boomkwekerij Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging a.g.v.
extra verdamping (vaak in combinatie met verzuring) • Verlies aan waarden in de bodem door diepe beworteling (archeologie, bodem) • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verandering landschapsbeeld (openheid gaat verloren) • Verkleining areaal weidevogelgebied • Verlies aan variatie in biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van open gebieden (waardevolle beekdalen, weidevogels) en vegetatiewaarden ((schraal)graslanden, planten) met bijbehorende fauna • Verloren gaan van biotoop voor soorten / Fourageerplaats, die (deels) afhankelijk zijn van graslanden en/of akkerbouwgronden (o.a. das) Ad 10. Het aanplanten van houtgewas via het planten van bomen en struiken zorgt voor een toename aan biotopen voor levensgemeenschappen van struwelen, houtwallen en bosranden. Verder kan er een kan er een toename aan oriëntatiepunten en – lijnen, alsmede een toename aan slaapplekken/schuilplekken en nestgelegenheid optreden. Landschappelijk kan de openheid verminderen. Hierdoor kan nivellering van (open) landschappen optreden, als mede een teloorgang van weidevogel- en ganzengebieden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor cultuurhistorie en beekdal.
Ad 10 Aanplanten houtgewas - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het planten van bomen en/of struiken Doel ingreep: Vergroten natuurwaarden, landschappelijke kwaliteit
Ingreep zelf:
Houtproductie, levering geriefhout Bescherming tegen wind, vastlegging stuifzand Verminderen openheid landschap / Vergroten beslotenheid landschap Toename houtgewas/landschapselementen Meer beschutting, meer schaduw
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch, ander landschapsbeeld • Toename aan ecologische gradiënten (struweel, zoom, houtsingels, microreliëf) • Toename aan variatie in biotopen en daarmee winst aan biodiversiteit • Toename aan levensgemeenschappen van bos, struweel en houtsingel en bijbehorende vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna • Nieuwe oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten, beschutting voor planten en dieren • Minder openheid, kan verlies betekenen voor leefgebied weidevogels en ganzen Ad 11. Het permanent permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten (scheuren) van grasland naar een andere bodemcultuur (bouwland, boomkwekerij, tuinland) zorgt voor een wijziging van het (open) landschapsbeeld, een verlies aan graslandvegetaties en bijbehorende flora en fauna. Verder gaan er foerageergebied voor enkele diersoorten als de das verloren. Tenslotte zal het areaal weidevogelgebied verkleind worden. NB: gewone vruchtwisseling blijft mogelijk. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor dassen, weidevogels, kwetsbare soorten en natuur.
Ad 11 – Scheuren van grasland - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Verwijderen gras en aanplanten of inzaaien van andere gewassen Doel ingreep: Gebruik grond voor de teelt van gewassen voor voedselproductie of ruwvoer Ingreep zelf: Grasland/Graslandvegetatie verdwijnt, perceel krijgt andere functie Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) • Verlies aan variatie in biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden ((schraal)graslanden, graslandplanten) met bijbehorende fauna • Verloren gaan van biotoop voor soorten / Fourageerplaats, die (deels) afhankelijk zijn van graslanden (o.a. dassen, weidevogels) • Verkleining areaal weidevogelgebied Ad 12. Het verwijderen van perceelsindelingen, perceelsindelingen zoals tot uiting komend in greppels, sloten, waterlopen of steilranden, en het verwijderen van paden en onverharde wegen zorgt voor een nivellering van het landschap en een vermindering van allerlei gradiënten in het landschap. Ook zal er een verlies aan microreliëf en aardkundige vormen en verlies van vegetatiewaarden plaats vinden.
Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor cultuurhistorie, dassen, struweelvogels, weidevogels, kwetsbare soorten, bos en natuur. Ad 12 – verwijderen van perceelsindelingen perceelsindelingen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Verwijderen bestaande perceelsgrenzen en/of aanbrengen nieuwe perceelsgrenzen (sloten, afrasteringen, hagen, houtwallen) Doel ingreep: Efficiënter gebruik van agrarische grond mogelijk maken, veldsituatie aanpassen aan eigendomssituatie Ingreep zelf: Verdwijnen van perceelsgrenzen Nieuwe perceelsgrenzen Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Het verkavelingspatroon verandert • Het patroon van watergangen verandert • Het landschapsbeeld verandert schaalvergroting/schaalverkleining
• • • •
verdwijnen/toevoegen verbindingswegen (perceelsranden) en oriëntatielijnen voor sommigediersoorten Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) Verlies aan variatie in biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit Verlies aan levensgemeenschappen bos bosrand en struweel en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna
Ad 13. Het aanbrengen van verhardingen verandert het bodemprofiel en de waterhuishouding in de bodem door verstening en vermindering van de infiltratiecapaciteit. Verhardingen zijn barrières voor veel soorten kleine dieren. Ook zal er een verlies aan microreliëf en aardkundige vormen en verlies van vegetatiewaarden plaats vinden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor cultuurhistorie, dassen, struweelvogels, weidevogels, kwetsbare soorten, bos en natuur, alsmede attentiegebied EHS en waterbergingsgebied. Ad 13 – het aanbrengen van verhardingen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het bestraten of asfalteren van de bodem Doel ingreep: Aanleggen ontsluitingspad in weilanden of akkers Tegengaan vervuiling bodem en grondwater (bv. door aanleg mestplaat, bietenplaat, ondergrond voor containerteelt) Ingreep zelf: Afsluiting bodem Oppervlakkige afvoer neerslag (met evt. verontreiniging) naar randen verharding Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Vermindering infiltratie kan groeiplaats vegetatie in de directe omgeving beïnvloeden • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt.
aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem), bodem wordt ontoegankelijk • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch, verdere verstening van het buitengebied • Verlies aan ecologische gradiënten (microreliëf) • Verlies aan variatie in (bodem)biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verharding is barrière voor kleine diersoorten (o.a. muizen, amfibieën, insecten) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna
of steilranden, en het verwijderen van paden en onverharde wegen; 13. Het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere (niet omkeerbare) oppervlakteverhardingen, geen containervelden zijnde en indien meer dan 100 m² per perceel (kavel); 14. Het aanleggen van hoge (> 1,5 m), tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen (zoals tunnels of regenkappen) wordt niet via een omgevingsvergunning geregeld, maar via een afwijking van de bouwregels/gebruiksregels, respectievelijk wijzigingsregels 15. Het aanleggen van lage (< 1,5 m), tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen (zoals folies, acryldoek) wordt niet via een omgevingsvergunning geregeld, maar via een afwijking van de bouwregels/gebruiksregels, respectievelijk wijzigingsregels