Bijlage 1 Quickscan wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Bunderstraat 107 te Schijndel Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0168
Datum:
3 maart 2023
Samensteller:
ing. B.C.E. Vleeshouwers
Collegiale toets:
ing. D.F. Knoops
Opdrachtgever:
Wintraecken Advies B.V.
Contactpersoon:
D. Wintraecken
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
17
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1
Conclusie
21
5.2
Uitvoerbaarheid
21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
1 Inleiding Aan de Bunderstraat 107 te Schijndel is een kantoorpand met daarin een architectenbureau, en een riante tuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande kantoorpand op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van twee vrijstaande woningen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Kantoor’ naar ‘Wonen’ De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Wintraecken Advies B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Bunderstraat 107 te Schijndel. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bunderstraat 107 te Schijndel (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een kantoorpand met daaromheen een tuin met verschillende (jaarrond groene) struiken en bomen. Het kantoorpand is opgebouwd uit baksteenmuren met spouw en een plat bitumen dak. Daarnaast zijn er een groot aantal ramen aanwezig. Rondom het dak is er een boeiboord met daklijst gesitueerd. Het uitgangspunt is om zo veel mogelijk groen te behouden in de beoogde ontwikkeling. De planlocatie is gedeeltelijk verhard met tegels en klinkers. Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen de grenzen van de planlocatie. De omliggende tuin en groenstructuren kennen een hoog kwaliteitsbeeld. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bunderstraat 107 te Schijndel. De planlocatie is gelegen in Schijndel en de directe omgeving wordt gekenmerkt door verschillende woonwijken bestaand uit vrijstaande- en twee-onder-een kapwoningen. De omgeving van Schijndel wordt gekenmerkt door agrarische- en bosgebieden. Het dichtstbijzijnde natuurgebied ‘De Geelders’ is op circa 3 km ten zuidwesten gelegen.
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van het huidige kantoorpand ten behoeve van de realisatie van twee vrijstaande woningen. Het uitgangspunt is om het omliggende groen op de planlocatie zoveel mogelijk te behouden in de beoogde ontwikkeling. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Kantoor’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; Indien nodig het verwijderen van groen: kapwerkzaamheden en afvoer hout en groenafval; verwijderen terreininrichting: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.3 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Omni architecten B.V.).
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 22 februari 2023 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 0 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
7
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
8
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.22 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant. Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Haas
Tweekleurige bosspitsmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Veldmuis
Bruine kikker
Kleine watersalamander
Vos
Dwergmuis
Konijn
Wild zwijn
Dwergspitsmuis
Meerkikker
Woelrat
Egel
Ondergrondse woelmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen.
9
Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe mantel is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kartuizer anjer en kluwenklokje (NDFF 2013-2023). Groeiplaatsen van de kartuizer anjer worden gevonden op zonnige, warme, droge, stikstofarme, matig voedselarme, basenrijke en kalkhoudende grond. Dit soort gronden betreffen voornamelijk schrale-, of kalkrijke graslanden, bermen en rotsachtige plaatsen. De tuin op de planlocatie bestaat voornamelijk uit dominantie van gras en klimop. Door de aanwezigheid van dominante soorten en de afwezigheid van geschikt standplaatsen kan het voorkomen van de kartuizer anjer op de planlocatie uitgesloten worden. Kluwenklokje is gebonden aan kalkgrasland, ruderale plaatsen, zandige ruggen in uiterwaarden, lichte bossen en langs bermen, bosranden en rivierdijken.
De standplaatsen van de soort zijn zonnige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humus houdende gronden (FLORON Verspreidingsatlas, 2022). De planlocatie is centraal gelegen in Schijndel en bestaat voornamelijk uit een dominantie van grassen en klimop. Gezien het ontbreken van geschikte standplaatsen kan de aanwezigheid van kluwenklokje op de planlocatie uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: klimop, winterpostelein en zevenblad. De planlocatie is gedeeltelijk verhard met klinkers en tegels. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Binnen de grenzen van de planlocatie komen er verschillende bomen en struiken voor waaronder acacia, conifeer, Douglas par, grove den, hulst, laurierkers, plataan, ruwe berk, sneeuwbal, taxus, toverhazelaar, walnoot en wilde liguster. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode.
Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, vos en wezel (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, das, rode eekhoorn en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bunzing en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Deze soort zijn meer kwetsbaar voor verstoringen en tijdens het foerageren. Ten behoeve van het foerageren maken ze gebruik van elementen die de soort dekking geven. Voorbeelden hiervan zijn laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruige vegetatie, takkenhopen en stenenstapels. De planlocatie is centraal gesitueerd in een woonwijk in Schijndel. Rondom de planlocatie zijn er verscheidende wegen gesitueerd die intensief gebruikt worden. 11
Alle waarnemingen van de bunzing en wezel zijn buiten Schijndel bekend (NDFF, 2013-2023). Op de planlocatie zijn, vanwege het onderhoudsbeeld, geen elementen aanwezig welke kleine marterachtigen als verblijfplaats kunnen gebruikten. Door verschillende verstorende factoren, zoals woningen en wegen, en het gebrek aan geschikte verbindingen en verblijfplaatsen binnen de grenzen van de planlocatie kan het voorkomen van de bunzing en wezel en de aanwezigheid van essentieel leefgebied uitgesloten worden. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Daarnaast is het van belang dat er weinig verstoringen aanwezig zijn in het leefgebied van de das (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De planlocatie is centraal gelegen in Schijndel. Door de ligging van de planlocatie zijn er verschillende verstoringen aanwezig. De dichtstbijzijnde waarneming van de das is bekend op circa 1 km ten oosten van de planlocatie. Tussen deze waarneming en de planlocatie zijn verschillende barrières aanwezig, waaronder verschillende woonwijken van Schijndel en drukke wegen.
Door de aanwezigheid van verscheidende barrières en gebrek aan geschikt leefgebied kan het voorkomen van de das uitgesloten worden. De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2022). In 2017 is er één waarneming bekend van de rode eekhoorn binnen de grenzen van de planlocatie. In Schijndel zijn er meerdere waarnemingen bekend van de rode eekhoorn (NDFF, 2013-2023). Er zijn geen nesten of andere potentiële verblijfplaatsen van de rode eekhoorn aangetroffen tijdens het veldbezoek. Tevens zijn er geen (knaag)sporen aangetroffen. Binnen de grenzen van de planlocatie zijn er verschillende groenstructuren aanwezig. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk groenstructuren in de beoogde ontwikkeling te behouden. Hierdoor leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een afname van functioneel leefgebied van de rode eekhoorn. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel en mol. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.
Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Op de planlocatie is één walnoot aanwezig waarin meerdere boomholten zijn waargenomen die geschikt zijn voor boombewonende vleermuizen gezien deze naar boven ingerot zijn.
12
Figuur 3.1 Aanwezig boomholtes in notenbomen achter toekomstig nummer 105. Deze boom blijft behouden in de beoogde ontwikkeling. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is om ook de overige bomen te behouden. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Indien deze boom wel gekapt wordt is er vervolgonderzoek benodigd (zie H5.4).
Figuur 3.2 Op de planlocatie is er een walnoot aanwezig waar meerdere geschikte boomholten zijn aangetroffen voor boombewonende vleermuizen. Het te slopen kantoorpand is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het kantoorpand is opgebouwd uit baksteen muren en spouw. Het dak bestaat uit een plat bitumen dak met een boeiboord en daklijst. In de muren zijn geen openingen aanwezig die leiden naar de spouwmuur. Tevens zijn er geen openingen aanwezig onder het boeiboord en daklijst die vleermuizen toegang kunnen geven naar geschikte verblijfplaatsen.
13
Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de beoogde ontwikkeling worden zoveel mogelijk groenstructuren behouden. Daarnaast zijn er verschillende structuren, zoals bomenrijen en bebouwing, in de directe omgeving van de planlocatie. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast waardoor negatieve effecten op foerageergebieden en/of vliegroutes uitgesloten zijn. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 20132023). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel, maar ook in parken en landgoederen. De samenhang van geschikte landhabitats en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort (RAVON kamsalamander, 2022). De planlocatie is centraal gelegen in een woonwijk van Schijndel. Er zijn geen oppervlaktewateren aanwezig op en rondom de planlocatie. De dichtstbijzijnde waarneming is op circa 1 km ten westen bekend rondom een vijver in een agrarisch gebied. Tussen deze waarneming en de planlocatie zijn er verscheidende barrières aanwezig waaronder grote open agrarische en verscheidende wegen en woonwijken in Schijndel. Door de ligging van de planlocatie, de hoge mate aan barrières en het gebrek aan oppervlaktewater kan het voorkomen van de kamsalamander uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de levendbarende hagedis (NDFF 2013-2023).
Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen, ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in duinen. Het habitattype heide en hoogveen genieten echter de voorkeur. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort. In de genoemde landschapstypen wordt de soort voornamelijk aangetroffen op structuurrijke overgangen van droge naar vochtige terreindelen/oevers (BIJ12 kennisdocument levendbarende hagedis, 2017; RAVON levendbarende hagedis, 2022). De planlocatie is gesitueerd in een woonwijk in Schijndel met weinig variërende landschappen in de directe omgeving. Er is één waarneming bekend van de levendbarende hagedis op circa 2 km ten zuiden van de planlocatie. Door het gebrek aan leefgebied op en rondom de planlocatie, en de barrières tussen de locatie van de waarneming en het plangebied kan het voorkomen van levendbarende hagedis uitgesloten worden. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten.
Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
14
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2013-2023). De grote modderkruiper is schemer- en nachtactief en is overdag in de modder en tussen de vegetatie te vinden. Voornamelijk komt de soort voor in ondiepe stilstaande tot langzaam stromende wateren, welke rijkelijk begroeid zijn met onderwater- en oevervegetatie (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2021; Ravon, 2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Derhalve kan het voorkomen en negatieve effecten op de grote modderkruiper uitgesloten worden. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder (NDFF 2013-2023). Grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder worden regelmatig waargenomen in bosrijke omgevingen en langs bosranden. Daarnaast kan het habitat vochtig tot vrij droog zijn. De waardplanten bestaan uit verscheidende wilgensoorten (grote vos en grote weerschijnvlinder) en wilde kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder).
De planlocatie is centraal gelegen in een stedelijk gebied met geen tot weinig bosgebieden in de directe omgeving. Tevens zijn er geen waardplanten aanwezig voor de genoemde vlindersoorten. Door gebrek aan geschikt habitat en waardplanten kan de aanwezigheid van grote vos, grote weerschijnvlinder en de kleine ijsvogelvlinder uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, groenling, houtduif, kauw, koolmees, merel, roek, spreeuw, Turkse tortel, vink, winterkoning en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied.
Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Het kantoorpand bezit een plat bitumen dak met een boeiboord en daklijst. Er zijn geen openingen aanwezig in het boeiboord of onder de daklijst. Derhalve kan het voorkomen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw uitgesloten worden.
Op de planlocatie zijn er verschillende struiken aanwezig die gebruikt kunnen worden als foerageergebied van huismussen. Echter is het uitgangspunt om zo min mogelijk groenstructuren te verwijderen ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.
15
Daarnaast zijn er voldoende groene tuinen aanwezig in de directe omgeving om als leefgebied van de huismus te dienen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. In het kantoorpand zijn geen openingen aanwezig waar gebouwbewonende uilen (kerkuil en steenuil) kunnen nestelen. Daarnaast zijn er binnen de grenzen van de planlocatie geen sporen, zoals veren, braakballen of uitwerpselen, aangetroffen. Teven zijn er geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Doordat de planlocatie centraal is gelegen tussen verschillende woonwijken van Schijndel is er geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Rondom Schijndel zijn er voldoende agrarische- en bosgebieden die als leefgebied van uilen en roofvogelsoorten kunnen dienen. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat.
5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de (indien nodige) kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
16
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 9,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek’ (figuur 3.1).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 9,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van twee vrijstaande woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (9,3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 960 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.2). Op een afstand van circa 1 km ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3.3). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) een toetsingskader biedt. Door de aard van de werkzaamheden, de bufferende werking van de bebouwing rondom de planlocatie en afstand van de Planlocatie tot het NNB kunnen negatieve effecten van geluid, licht, trilling en betreding op het Natuurnetwerk Brabant uitgesloten worden.
17
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 960 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noord-brabant.tercera-ro.nl).
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Groenblauwe mantel (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).
18
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
19
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming. *Indien de walnoot gekapt wordt is vervolgonderzoek naar boombewonende vleermuizen genoodzaakt.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Planten
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke functie planlocatie
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee*
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe mantel
9,3 km 960 m 1 km
Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
20
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van het kantoorpand ten behoeve van de realisatie van twee vrijstaande woningen aan de Bunderstraat 107 te Schijndel is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De (indien nodige) kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. • Indien de walnoot met boomholtes wordt omgekapt is vervolgonderzoek naar boombewonende vleermuizen genoodzaakt.
21
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.noord-brabant.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
22
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bunderstraat 107 te Schijndel en bestaat uit een kantoorpand met riante tuin. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van het kantoorpand ten behoeve van twee vrijstaande woningen.
Figuur 2
De planlocatie bestaat uit een kantoorgebouw met riante tuin. In de tuin zijn meerdere (jaarrond groene) bomen en struiken aanwezig. 23
Figuur 3
Op de planlocatie is er een notenboom aanwezig met meerdere boomholten welke geschikt zijn voor vleermuizen.
Figuur 4
De planlocatie is gedeeltelijk verhard met klinkers en tegels. 24
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 25