Bijlage 1: Plantoelichting Den Dubbelen 4 Veghel (Eerde)
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied, herziening Den Dubbelen 4 Eerde Plantoelichting
Betreffende Planstatus Projectnummer Datum
2
Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Den Dubbelen 4 Eerde vastgesteld NL.IMRO.1948.BGV000BP0012022P-VG01 13-01-2023
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ........................................................ 8 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 8 1.4 Leeswijzer .................................................................................................. 13 2. Beleidskader ................................................................................................... 14 2.1 Inleiding .................................................................................................... 14 2.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 14 2.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 17 2.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 22 3. Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................... 29 4. Groenstructuur en natuur ................................................................................. 31 5.
Water ............................................................................................................ 32 6. Fysieke belemmeringen .................................................................................... 34 6.1 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen ................................ 34 7. Milieuhygiënische verantwoording ...................................................................... 36 7.1 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 36 7.2 Bodem ....................................................................................................... 38 7.3 Geluid ....................................................................................................... 39 7.4 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 40 7.5 Externe veiligheid ....................................................................................... 42 7.6 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 45 8. Bedrijven en voorzieningen ............................................................................... 48 8.1 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................... 48 9.
Verkeer .......................................................................................................... 50 9.1 Verkeer en parkeren.................................................................................... 50 10. Landschappelijke inpassing ............................................................................. 51 11. Juridische planopzet ....................................................................................... 53 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 53 11.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 53 11.3 Toelichting bestemmingen .......................................................................... 53 12. Economische uitvoerbaarheid .......................................................................... 54 13. Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................... 55 14. Conclusies .................................................................................................... 56
3
Bijlagen 1. Natuurlink, Ecologische quickscan, Den Dubbelen 4 Veghel, rapportnummer: EQ2128, 24-03-2021 2. MHB Consult, Onderzoek stikstofdepositie, Herbestemmingsplan, Den Dubbelen 4 te Veghel, 16-06-2021 2.1+2.2 – AERIUS 3. Bodeminzicht, Verkennend bodemonderzoek Den Dubbelen 4 te Veghel, projectnummer: B2775, 01-09-2021 4. GV Advies, Landschappelijke inpassing Den Dubbelen 4 Veghel, 21-09-2021 5. Advies Veiligheidsregio Brabant Noord 6. Nota van zienswijzen
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Initiatiefnemer heeft op 10 september 2020 het verzoek ingediend tot herbestemmen van de in eigendom zijnde (voormalige) agrarische bedrijfslocatie met een bedrijfswoning aan Den Dubbelen 4 te Eerde naar een woonbestemming met burgerwoning. Verder beoogt initiatiefnemer op de locatie een tweetal bed & breakfast-kamers met maximaal 4 bedden te realiseren en zullen enkele van de bijgebouwen worden behouden. Deze kamers komen op de eerste verdieping van de woning. De locatie betreft een voormalige agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. De bedrijfsactiviteiten zijn reeds circa 20 jaar geleden beëindigd. Op het perceel bevinden zich meerdere voormalige agrarische opstallen. Op het perceel rust de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Initiatiefnemer wil de bedrijfswoning als burgerwoning kunnen gebruiken. Hiervoor dient de bestemming omgezet te worden naar ‘Wonen’. Om dit mogelijk te maken wordt er een aantal voormalige agrarische opstallen gesloopt (opstallen 2, 4 en 5, zoals aangegeven op de foto op pagina 7 worden gesloopt). Gezien de geplande sloop van circa 375 m2 aan bijgebouwen wil initiatiefnemer in het nieuwe bestemmingsplan een maximum oppervlak van 300 m2 aan bijgebouwen opgenomen te hebben. Dit conform de zogenaamde sloopbonusregeling.
Daarnaast wil initiatiefnemer in het achterhuis van de woning een bed & breakfast oprichten. Deze B&B krijgt twee kamers. In totaal kunnen er maximaal 4 gasten verblijven. Parkeergelegenheid voor deze gasten wordt op eigen terrein gerealiseerd. Reeds is uit gesprekken met de buren gebleken dat zij geen problemen hebben met de voorziene ontwikkeling. Het plan voorziet dus in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein, (groen)inrichting en infrastructuur. Het plan gaat verder niet gepaard met de oprichting van nieuwe bouwwerken. Het verzoek is wel in strijd met het geldende bestemmingsplan en daarom, met verzoek om medewerking, voorgelegd aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meierijstad. Het College van Burgemeester en Wethouders heeft op 18 november 2020 laten weten dat zij heeft besloten dat het plan voor Den Dubbelen 4 te Eerde in principe ruimtelijk voorstelbaar is, onder nadere voorwaarden.
5
Op de hierna volgende foto is de boerderij in kwestie afgebeeld.
Ten behoeve van het planvoornemen zal een herstructurering in de vorm van sanering en hergebruik van bestaande (bij)gebouwen plaatsvinden. Concreet heeft de initiatiefnemer de volgende ontwikkelingen ten aanzien van de diverse bijgebouwen, welke navolgend op kaartbeeld zijn aangeduid, voor ogen. • Bijgebouw 1: ligt naast het woonhuis en zal gebruikt gaan worden als overdekt terras en tuinhuis. • Bijgebouw 2: zal worden afgebroken. • Bijgebouw 3: deze zal dienen als parkeergelegenheid voor eigen auto’s, werktuigen, klus- en hobbyruimte • Bijgebouw 4: Het oude schuilstalletje zal worden afgebroken. • Bijgebouw 5: zal worden afgebroken.
6
In zijn totaliteit betreft het een sanering van 375 m2 aan bijgebouwen (bijgebouwen 2, 4 en 5). Hierdoor blijft er 316 m2 aan bijgebouwen behouden (bijgebouwen 1 en 3). Hiermee wordt het maximum toegestane aantal vierkante meters aan bijgebouwen ná bestemmingswijziging van agrarisch-gerelateerd naar wonen overschreden en is de voorgestane ontwikkeling vooralsnog niet zonder meer mogelijk. Deze plantoelichting maakt inzichtelijk wat de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen zijn van voorliggende planontwikkeling voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. Uit de plantoelichting blijkt hoe het voorgenomen plan zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van de planlocatie en de directe omgeving.
7
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Voorliggend bestemmingsplan heeft specifiek betrekking op de boerderijwoning met bijgebouwen en gronden gelegen aan de Den Dubbelen 4 te Eerde. Op de hierna opgenomen luchtfoto zijn de ligging en globale begrenzing van de planlocatie rood omlijnd aangegeven.
1.3 Vigerend bestemmingsplan De planlocatie valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Buitengebied” van de voormalige gemeente Veghel (tegenwoordig: gemeente Meierijstad). De vigerende hoofdbestemming is ‘Agrarisch met waarden’. Ook is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing. De oostzijde van de planlocatie heeft een bouwvlak. Tot slot gelden nog de gebiedsaanduidingen ‘Oude akkers’, ‘Toerisme’, ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2’ en ‘Vrijwaringszone – radar’. Daar waar het gaat om mogelijke wijzigingen van een bestemming, bebouwde oppervlakten of nevenactiviteiten in het buitengebied, is tevens de regelgeving van het bestemmingsplan “Laaghangend fruit” van toepassing. Op navolgende uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied” is de ligging van de planlocatie te zien.
8
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat: 1. een intensieve veehouderij, uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; 2. hervestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' of 'reconstructiewetzone verwevingsgebied 2' niet is toegestaan; 3. tot en met 6: niet van toepassing; 7. omschakeling van een agrarisch bedrijf zonder vee naar een agrarisch bedrijf met vee niet is toegestaan; 8. per bouwvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan; c. tot en met j: niet van toepassing; k. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het algemeen en in het bijzonder voor: 1. de beekdalen, ter plaatse van de aanduiding 'beekdal'; 2. het kleinschalig cultuurlandschap, ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig cultuurlandschap'; 3. de oude akkercomplexen, ter plaatse van de aanduiding 'oude akkers'; l. niet van toepassing; m. kleinschalig kamperen, waarbij het bepaalde in lid 4.4.2, van toepassing is; n. tot en met q: niet van toepassing; r.
het wonen in een bestaande bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis, waarbij het bepaalde in artikel 42.2, van toepassing is; s. niet van toepassing; t. extensief dagrecreatief medegebruik; u. tot en met w: niet van toepassing. met de daarbij behorende: x. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
9
y. groenvoorzieningen; z. wegen, paden en verkeersvoorzieningen; aa. parkeervoorzieningen; bb. tuinen, erven en terreinen; cc. voorzieningen van algemeen nut. Ten aanzien van de wijziging van een agrarisch-gerelateerde bestemming naar de bestemming 'Wonen', biedt artikel 4.8.8 van een mogelijkheid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' te wijzigen naar de bestemming 'Wonen', teneinde de omzetting van bestaande agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is; b. het aantal woningen bedraagt na wijziging niet meer dan het bestaande aantal agrarische bedrijfswoningen dat in het betreffende bouwvlak voor de wijziging aanwezig was; c. de omvang van het bestemmingsvlak wordt afgestemd op de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf, waarbij de overige gronden worden gewijzigd in de (aangrenzende) bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden; d. de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging niet meer dan 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid d; e.
voor zover de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen c.q. voormalige agrarische bedrijfsbebouwing de onder c voorgeschreven oppervlakte te boven gaat, wordt maximaal 25% van de te slopen overmaat eenmalig vervangen door een vergroting (uitgedrukt in m² per woonlaag) van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en/of een vergroting (uitgedrukt in m²) van de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met dien verstande dat: 1. de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen na vergroting niet meer bedraagt dan 900 m³; 2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen na vergroting niet meer bedraagt dan 200 m², waarbij de oppervlakte per vrijstaand bijgebouw of overkapping niet meer mag bedragen dan 100 m²; f. in afwijking van het bepaalde onder d en e dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te allen tijde gehandhaafd te blijven; g. de wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar; h. de wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; i.
er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; j. de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van boden, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft.
10
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. De maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied (gebiedsaanduiding: ‘Vrijwaringszone – radar’) - wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne, waarvan de hoogteligging ten opzichte van NAP is opgenomen in bijlage 8 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (voor Volkel 49 meter ten opzichte van N.A.P.), oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne. Ten aanzien van het bestemmignsplan “Laaghangend Fruit” zijn de afwijkingsmogelijkheden omschreven in artikelen 7.7 en 7.15 van toepassing op onderhavig planvoornemen. 7.7 Afwijkingsbevoegdheid voor het uitoefenen van een Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van artikel 7.2 voor het gebruiken van een deel van een woning voor logies in de vorm van een Bed & Breakfast, onder de volgende voorwaarden: a. het betreft maximaal 4 bedden en 2 slaapkamers; b. de Bed & Breakfast dient in bestaande bebouwing gerealiseerd te worden; c.
maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten behoeve van een Bed & Breakfast in gebruik zijn. d. de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; e. bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; f. permanente bewoning is niet toegestaan; g. bedoeld gebruik mag geen belemmering voor de omliggende bedrijven opleveren; h. het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of een bijbehorend bouwwerk uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de woning is; i. er mag geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan; j. de ontwikkeling mag niet leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer; k. er dient voldoende parkeren ten behoeve van de Bed & Breakfast op eigen terrein gerealiseerd te worden. 7.15 Afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (sloop-bonus) Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.4 onder b, en een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken toestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.
alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen worden gesloopt; b. cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; c. voor iedere m2 aan bebouwing die gesloopt wordt, geldt dat per m2 sloop er een vergroting van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken plaats kan vinden van 0,5 m2; d. de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij een woning na toepassing van deze regeling bedraagt 300 m2; e. de overige bepalingen uit artikel 7.4 blijven onverminderd van toepassing.
11
voorliggende planlocatie. Onder voorwaarden is een wijziging van een agrarisch-gerelateerd hoofdbestemming naar een woonbestemming mogelijk. Hiertoe is in artikel 4.8.8 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ een wijzigingsbevoegdheid opgenomen: Om de agrarische bestemming naar een woonbestemming te wijzigen biedt het genoemdde artikel 4.8.8 van het vigerende bestemmingsplan (“Buitengebied”) derhalve een wijzigingsbevoegdheid/-mogelijkheid. Aan lid e en d van artikel 4.8.8 kan echter niet worden voldaan, omdat er wordt beoogd 316 m 2 aan bijgebouwen te behouden. Het huidige bestemmingsplan staat daarentegen maximaal 200 m2 aan bijgebouwen toe. Derhalve is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Om toch de gewenste 316 m2 aan bijgebouwen mogelijk te maken, kan er gebruik worden gemaakt van de sloopbonusregeling (artikel 7.15) uit het inmiddels vastgestelde bestemmingsplan ‘Laaghangend fruit’. Deze sloopbonusregeling biedt de mogelijkheid om per 1 m2 te slopen voormalige agrarische bebouwing 0,5 m2 aan bijgebouwen terug te bouwen tot het maximum van 300 m2. Strikt genomen is er sprake van strijdigheid van 16 m2. Om deze strijdigheid ongedaan te maken, zou dan 16 m2 extra moeten worden gesloopt van een bestaand bijgebouw.
Om de volgende reden is de gemeente tot de afweging gekomen dat de extra 16 m 2 aan bestaande bijgebouwen wordt toegestaan en daarmee niet hoeft te worden gesloopt. Er sprake is van een geringe overschrijding, het slopen van 16 m 2 bij een bestaand bijgebouw gaat gepaard met veel extra kosten en in het huidige voorstel vindt reeds een aanzienlijke sloop van gebouwen plaats (375 m 2). Aan het toestaan van 316 m2 aan bestaande bijgebouwen wordt wel een voorwaarde gekoppeld: er dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat het maximum aantal toegestane m2 aan bijgebouwen 300 m2 is. Dit zorgt ervoor dat in de toekomst bij een eventuele nieuwbouw van bijgebouwen de harde eis van maximaal van 300 m2 aan bijgebouwen wel geldt en daarmee in lijn is met artikel 7.15 van het ontwerpbestemmingsplan ‘Laaghangend Fruit’. Uit een verdere beoordeling komt naar voren dat de vervallen schuilstal in de open wei geen cultuurhistorische waarden bevat en daarmee ook niet hoeft te worden behouden en of worden teruggebouwd. Daarmee wordt dit bouwwerk meegerekend bij de voormalige agrarische gebouwen die dienen te worden gesloopt. Tot slot gelden voor het realiseren van B&B kamers enkele randvoorwaarden, die beschreven worden in artikel 7.7 uit het ontwerpbestemmingsplan ‘Laaghangend Fruit’.
Belangrijk is om te vermelden dat er in deze afwijkingsbevoegdheid ruimte wordt geboden voor maximaal 4 bedden en twee kamers. De realisatie van een woonbestemming (burgerwoning), inclusief oprichting van een B&B, is mogelijk, indien aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Tevens gelden de volgende drie voorwaarden: 1. het motiveren van de wijziging van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan als basis voor het doorvoeren van de planherziening; 2. het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren.
12
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 2 behandelt het beleidskader. In hoofdstuk 3 t/m 10 komen de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten aan de orde. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de manier waarop onderhavige ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12 en 13. Hoofdstuk 14 tenslotte bevat de slotconclusie.
13
2. Beleidskader 2.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
2.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken.
Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
14
1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.
Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en
15
zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.
16
Doorwerking plan(gebied) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
2.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening NoordBrabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden.
Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen.
17
Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp_ Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant.
De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een zestal mogelijk van toepassing zijnde thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Instructieregels voor gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Instructieregels voor gemeenten: natuur en stiltegebieden Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Ja Nee Nee Ja Ja Nee
Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: basiskaart’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
18
Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Binnen het Landelijk gebied zijn er mogelijkheden om burgerwoningen toe te voegen, wanneer dit ten minste gepaard gaat met een tenietdoening van overtollige bebouwing en agrarische activiteiten worden beëindigd. Voorts spreekt onderhavige locatie in het voordeel, aangezien de ontwikkeling kleinschalig is, overtollige bebouwing teniet wordt gedaan en de bestemmingswijziging niet gepaard gaat met de oprichting van nieuwe bouwwerken. Aangezien ontwikkeling deels valt in het landelijk gebied, dient deze stedelijk uitbreiding gepaard te gaan met een compensatie in de vorm van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 4.11 uit de omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied, die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Onderhavige plantoelichting onderbouwt derhalve dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, en dat de uitvoering is geborgd door financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan of nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg.
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stadland; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
19
In het vorige hoofdstuk is uitgebreid aandacht besteed aan de wijze waarop onderhavig planvoornemen tevens een bijdrage levert aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen betreft de bestemmingswijziging van een agrarische onderneming naar een burgerwoning, met aanbod van twee kamers bed & breakfast. Doordat er geen nieuwe bouwwerken worden opgericht, deze ontwikkeling gepaard gaat met de tenietdoening van bebouwing en de agrarische onderneming en er een landschappelijke inpassing plaatsvindt, is deze ontwikkeling passend binnen het bestaande landelijk gebied. Hoofdstuk 10 en bijlage 4 gaan nader in op de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen’ is het plangebied aangeduid als ‘Voorkomen grondwaterverontreiniging’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Een omgevingsplan gelegen binnen de aanduiding ‘Voorkomen grondwaterverontreiniging’ bepaalt dat voorafgaand aan het verrichten van een bouwactiviteit voor een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, onderzocht wordt of er sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie door raadpleging van een bodeminformatiesysteem, voorafgaand bodemonderzoek of het overleggen van een beschikking, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
20
Doorwerking plan(gebied) Op de planlocatie vindt geen uitbreiding van verhard oppervlak plaats. De bestemmingswijziging gaat niet gepaard met een toevoeging van verhard oppervlak, maar wel met een afname van bebouwd c.q. verhard oppervlak. Uit hydrologisch oogpunt heeft dit een gunstig effect. De aanduiding ‘Voorkomen grondwaterverontreiniging’ heeft geen directe invloed op deze ontwikkeling, en andersom, heeft onderhavige ontwikkeling geen effect op deze aanduiding. Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘Stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘Stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de bestemmingswijziging, zonder oprichting van bouwwerken, ten behoeven van een nieuwe woonbestemming. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van veehouderijen en staldering hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregel. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Conclusie De gemeente Meierijstad streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. De bestemming die wordt opgericht geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats aansluitend op een bestaande woonkern, betreft een bestemmingswijziging met tenietdoening van overtollige bebouwing en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot wonen in het buitenegbied.
21
De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 3.
2.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Woonvisie Meierijstad 2018, het Paraplubestemmingsplan parkeren, de Welstandsnota, de nota Kansen voor Kwaliteit, de Visie recreatie en toerisme Meierijstad en de Structuurvisie Veghel 2030. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting. Per 1 januari 2017 zijn de gemeenten Veghel, Sint-Oedenrode en Schijndel gefuseerd tot één gemeente: Meierijstad. Woonvisie Meierijstad (2018) Toetsingskader Meierijstad wil een gemeente zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Gestreefd wordt, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Waar de vergrijzing, de gezinsverdunning en de inclusieve samenleving, waar iedereen meedoet en tot zijn recht komt, om aandacht vragen. Waar de gemeente duurzaam en zorgvuldig gebruik maakt van de ruimte en bestaand vastgoed. Een woonbeleid wat toekomstbestendig is en haar basis vindt in de woningbehoefte van de woningzoekenden.
Om te voorzien in de diversiteit van woningbehoeften en wensen van eigen inwoners en van hen die zich in Meierijstad al dan niet tijdelijk willen vestigen, geeft de gemeente ruimte aan woningbouwplannen. Voor de woningbehoefte wordt niet alleen gekeken naar de korte maar ook naar de lange termijn. Waar het goede van het landelijk wonen wordt behouden en de meer stedelijke kern aantrekkelijker wordt gemaakt en wordt versterkt. En waar de gemeente samenwerkt met plaatselijke partners en inwoners, maar ook met de regio. De gemeente richt de aandacht op vier thema’s en de realisatiekracht van deze visie: 1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2. wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van
22
eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De gemeente Meierijstad geeft prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. De gemeente werkt aanvullend op deze woonvisie aan een transformatievisie. Daarin worden potentiële inbreidings- en transformatielocaties in kaart gebracht en wordt een afwegingskader opgenomen. De gemeente geeft tevens aan meer ruimte te willen bieden aan nieuwe woonvormen voor ouderen die willen doorstromen. Daarbij wil de gemeente de doorstroming van ouderen, eventueel met een zorgbehoefte, naar meer geschikte woningen stimuleren. De gemeente legt het accent op het bouwen voor de doorstroming door goede alternatieven te realiseren voor ouderen (de woonwensen van ouderen in met name de kleinere kernen) en dure scheefwoners (in met namen de grotere kernen).
Daarbij wordt ingezet op inbreiding in bestaande kernen met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de kracht van de kern. Een dergelijke kwaliteitsverbetering, die ook kan resulteren in unieke woonconcepten op unieke plekken is bijvoorbeeld wenselijk voor vastgoed dat niet meer voor het oorspronkelijke doel wordt gebruikt, leeg staat of al gesloopt is. Doorwerking plan(locatie) Voorliggend initiatief ziet op een bestemmingswijziging van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning, met aanbod van twee kamers bed & breakfast. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik van bestaande bebouwing na. Het initiatief staat min of meer los van het beleid zoals opgenomen in de Woonvisie, en doet geen afbreuk aan de doelstellingen en ambities zoals hierin opgenomen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie Meierijstad 2018. Paraplubestemmingsplan parkeren Toetsingskader Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen.
Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen. De gemeente Meierijstad is voornemens om alle huidige bestemmingsplannen aan te laten sluiten bij de doelstellingen van deze wetswijziging. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden.
23
Geldende bestemmingsplannen die in de regels reeds verwijzen naar het parkeerbeleid en/of waarvoor geldt dat in de regels reeds parkeernormen zijn opgenomen, hoeven strikt genomen niet te worden herzien, maar het kan wel. Voor de uniformiteit is ervoor gekozen om de normen op alle ruimtelijke plannen van toepassing te verklaren. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Doorwerking plan(locatie) Verwezen wordt naar paragraaf 9.1. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren. Welstandsnota Meierijstad 2018 Toetsingskader De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor iedereen in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en SintOedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid.
De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. Met het nieuwe voorstel wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘thema-beoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3. beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden. Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: • Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. • Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen.
Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld
24
• •
aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan.
Doorwerking plan(locatie) De planlocatie ligt in het buitengebied van Eerde en is derhalve voorgelegd aan de gemeentelijke Welstandscommissie. Bij het ontwerpen en vormgeven van de woning en bijgebouw(en) dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die de gemeente heeft opgenomen in de principebeoordeling en die gelden voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het welstandsbeleid. Kansen voor Kwaliteit Toetsingskader Meierijstad heeft een waardevol en groot buitengebied. Een buitengebied dat de komende jaren te maken gaat krijgen met toenemende bedrijfsbeëindiging, leegstand, verrommeling, botsende belangen en oprukkende verstedelijking. Daarbij wordt hetzelfde buitengebied ook gezien als een van de plaatsen om oplossingen te creëren voor de energietransitie, klimaatadaptatie en circulariteit. Al deze ontwikkelingen hebben invloed op de vitaliteit van het buitengebied. Om het buitengebied vitaal te houden is de gemeente in 2018 gestart met het project ‘Vitaal buitengebied’. Belangrijk doel van dit project is het behoud en waar mogelijk de versterking van het waardevolle buitengebied en het zorgen voor een goede balans tussen de agrarische sector, wonen, volksgezondheid, dierenwelzijn, natuur, milieu en recreatie.
De gemeente wil een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Het doel van de nota Kansen voor Kwaliteit is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. De gemeente staat dus open voor nieuwe initiatieven (‘nodigt uit’), maar stelt tegelijk eisen aan (het behoud en de versterking van) de omgevingskwaliteit. Hierbij is de uitdaging om een goede balans te vinden tussen (duurzame) economische functies en een veilige en kwalitatieve leefomgeving. We willen hergebruik faciliteren, daar waar dit passend is, en sloop stimuleren. Sluitstuk van een bij de omgeving passende omvang ten aanzien van nieuwe, stedelijk bestemmingen is dat overtollige bebouwing wordt gesloopt en dat de ruimtelijke ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de gemaximeerde toegestane omvang. De noodzaak van (behoud van) de bebouwing dient worden aangetoond. Het bepalen wat overtollige bebouwing is, gebeurt in overleg met de gemeente. Een uitzondering op de sloopbepaling is de cultuurhistorische waardevolle bebouwing. De gemeente heeft in diverse (gebieds-)visies ruimtelijke structuren, gebiedskarakteristieken en streefbeelden beschreven.
Deze geven richting aan de invulling van het erf en gebouwen.
25
Bij het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Met name geurhinder vormt hierbij regelmatig een struikelblok. Om kosten te voorkomen is het raadzaam eerst onderzoeken te laten verrichten naar de voorgrond- en achtergrondbelasting geurhinder en luchtkwaliteit. Ook fijnstof en endotoxinen leiden er steeds vaker toe dat geen medewerking verleend kan worden. Herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing is altijd gebonden aan een kwaliteitsimpuls. Een kwaliteitsimpuls is een handeling met als effect de verbetering van de kwaliteit. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen ziet op de bestemmingswijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning, met aanbod van twee kamers bed & breakfast. Vanuit de nota Kansen voor Kwaliteit is deze ontwikkeling mogelijk en wenselijk, tenzij er aan enkele voorwaarden wordt voldaan. Ten aanzien van de ontwikkeling aan Den Dubbelen 4 kan worden gesteld dat er bebouwing wordt gesloopt, dat er een landschappelijke inpassing plaatsvindt en dat er diverse onderzoeken hebben plaatsgevonden, waarmee is aangetoond dat de er goed woon- en leefklimaat heerst.
Geconcludeerd kan worden dat het plan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke, stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in Kansen voor Kwaliteit. Visie recreatie en toerisme Meierijstad Toetsingskader De gemeente Meierijstad is zich bewust van de ligging en de mogelijke kansen op het gebied van recreatie en toerisme. Zo zou men kunnen inspelen op de trend dat mensen van buitenaf steeds vaker kiezen voor een uniek, onderscheidend aanbod. Gemeente zou hier op kunnen inspelen door kleinschalige, bijzondere vormen van verblijf aan te bieden. Uit een in de visie opgenomen SWOT-analyse blijkt dat er slechts een minimum aantal aan verblijfsaccommodaties met hoge kwaliteit en/of capaciteit in Meierijstad aanwezig is. Terwijl er wel kansen liggen, als bijvoorbeeld aangesloten wordt op agrarische bedrijven in het buitengebied, welke ruimte hebben en kunnen bieden aan verblijf, waarbij de landelijke kwaliteiten in het daglicht worden gezet.
Gemeente ziet tevens kansen om te dienen als uitvalsbasis voor in de omgeving liggende gemeenten ’s-Hertogenbosch en Eindhoven. Hiertoe kan en mag het verblijfsaanbod binnen de gemeente worden uitgebreid. Binnen de gemeente zouden er mogelijk particulieren zijn, bijvoorbeeld agrarische bedrijven die op zoek zijn naar extra inkomsten, die dit willen realiseren. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen betreft naast de wijziging naar een burgerwoning, ook de oprichting van een nevenactiviteit in de vorm van een tweetal B&B-kamers met maximaal 4 bedden. Dit sluit dus aan bij de ambities die zijn uitgesproken in de Visie recreatie en toerisme Meierijstad.
26
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Visie recreatie en toerisme Meierijstad. Structuurvisie Veghel 2030 Toetsingskader Op 19 december 2013 heeft de Gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. Voor de kern Veghel zijn de volgende prioriteiten geformuleerd: • Ontwikkeling van de Scheifelaar II. • Ontwikkeling van de eerste delen van Veghels Buiten: de oude ontginning en delen van de nieuwe ontginning (Erpseweg-zuid). • De ontwikkeling van een groot aantal binnenstedelijke locaties. Aangezien de ervaring leert dat de ontwikkeling van binnenstedelijke locaties lastig te faseren is, dienen de eerdergenoemde uitleglocaties als mengkraan In en rond de kern Veghel is sprake van twee soorten locaties. Voor een behoorlijk aantal locaties geldt dat ontwikkeling voor 2030 vrijwel zeker is, bijvoorbeeld omdat al met de bouw begonnen is of omdat sprake is van een vastgesteld bestemmingsplan. Alle andere locaties zijn gekenmerkt als ‘strategische ontwikkellocaties’.
Op deze locaties kan woningbouw plaatsvinden, maar de exacte invulling, fasering en bijvoorbeeld de gewenste woningtypen zijn nog niet vastgelegd. De gemeente zal zorgvuldig bekijken waar en wanneer deze strategische ontwikkellocaties in harde woningbouwplancapaciteit worden omgezet, vooral omdat een teveel aan harde woningbouwplannen de noodzakelijke flexibiliteit voor de toekomst ontneemt. De ervaring leert dat voor inbreidingslocaties geldt dat ontwikkeling ervan over het algemeen lastiger is dan de ontwikkeling van een uitbreidingslocatie. De gemeente zet er dan ook op in om in Veghels Buiten de programmatische flexibiliteit te scheppen die het mogelijk moet maken om altijd in te kunnen spelen op de (fluctuerende) vraag vanuit de markt. In de gemeentelijke structuurvisie is veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de verschillende kernen binnen de gemeente, waarbij het accent ligt op het behouden van de nodige voorzieningen. De gemeente heeft de ambitie om de bestaande woonkwaliteiten van de dorpen te versterken, waarbij wordt aangegeven dat toekomstige woningbouwontwikkelingen gepaard moeten gaan met een ruimtelijke kwaliteitsverbetering.