Bijlage 1 - Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Tekst van het document
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Inhoudsopgave 1. Inleiding ...............................................................................................................................................3 2. Uitgangspunten ...................................................................................................................................3 3. Relatie met bestaand beleid ................................................................................................................3 4. Gehanteerde gebiedstypen .................................................................................................................4 5. Monitoringsaanpak .............................................................................................................................5 5.1 Keuze voor monitoringsscenario ...................................................................................................5 5.2 Gebruik van bestaande monitoring ...............................................................................................6 5.3 Aanvullende monitoring ................................................................................................................6 6.
Sturing en bijsturing ............................................................................................................................8 6.1 Uitgangspunten voor sturing .........................................................................................................8 6.2 Stoplichtmodel voor sturing ..........................................................................................................9 7. Organisatie en verantwoordelijkheden ...............................................................................................9 8. Monitoringskalender .........................................................................................................................11 9. Kostenoverzicht .................................................................................................................................13
Datum: 8 april 2026
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
2
1. Inleiding In 2022 is de ambitie vastgesteld dat de biodiversiteit binnen de gemeentegrenzen tot 2030 minimaal behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Om deze ambitie te kunnen volgen, beoordelen en waar nodig bij te sturen, is een samenhangend en uitvoerbaar monitoringsplan noodzakelijk. Dit monitoringsplan beschrijft waarom, waar en hoe de gemeente de biodiversiteit monitort. Daarnaast wordt toegelicht hoe de monitoringsresultaten worden benut voor het bijsturen van beheer en onderhoud en het aanscherpen van eisen aan inrichting en ruimtelijke ontwikkelingen. Het monitoringsplan bouwt voort op het monitoringsadvies van Kragten (2025), dat opgenomen is in bijlage 1, en sluit zoveel mogelijk aan bij de uitgangspunten van de Basiskwaliteit Natuur (BKN) en bij bestaande monitoringsactiviteiten van professionele en vrijwillige organisaties in de gemeente.
2. Uitgangspunten Het monitoringsplan is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: 1. Doelgericht: monitoring is direct gekoppeld aan de gemeentelijke biodiversiteitsdoelstelling (minimaal gelijkblijvend tot 2030). 2. Gebiedsgericht: monitoring sluit aan bij de gebiedstypen die zijn beschreven in de Toekomstvisie. 3. Slim gebruik van bestaande data: Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en bestaande telnetwerken vormen de basis. 4. Pragmatisch en haalbaar: monitoring past binnen het beschikbaar gestelde biodiversiteitsbudget en is langdurig vol te houden. 5. Adaptief: monitoringsresultaten leiden aantoonbaar tot bijsturing van beleid, beheer en inrichting.
3. Relatie met bestaand beleid Dit monitoringsplan ondersteunt en operationaliseert onder meer: • • • • • •
Duurzaamheidsvisie Meierijstad (doel: biodiversiteit gelijk of beter in 2030); Biodiversiteitsbeleid 2022; Omgevingsvisie / Toekomstvisie Meierijstad; Meerjarenprogramma Groenblauwe Gebiedsontwikkelingen; Bomenbeleid; Europese Natuurherstelverordening. De Europese Natuurherstelverordening verplicht lidstaten om uiterlijk in 2030, 2040 en 2050 aantoonbare stappen te zetten in het herstel en het voorkomen van verdere achteruitgang van natuur en biodiversiteit. Hoewel de formele rapportageplicht primair bij het Rijk ligt, spelen gemeenten een cruciale rol in de uitvoering en monitoring op gebiedsniveau.
Daarnaast heeft het relevante raakvlakken met: • • •
Integrale Visie Openbare Ruimte (IVOR) Integraal Beheerplan Openbare Ruimte (IBOR) Groenbeleid
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
3
Monitoring levert informatie die direct kan worden gebruikt bij het beheer van openbare ruimte en groen, inclusief ecologische aspecten.
4. Gehanteerde gebiedstypen Het monitoringsadvies van Kragten (2025) hanteert de landschapstypen ontginningen, beekdalen, bos- en natuurgebieden en stedelijk groen. Het biodiversiteitsbeleid van gemeente Meierijstad werkt echter met de gebiedstypen natuurgebieden, buitengebied, stedelijk gebied en bedrijventerreinen. Om te zorgen voor een goede aansluiting tussen beleid, monitoring en uitvoering zijn deze indelingen in dit monitoringsplan samengebracht tot één consistente gebiedsindeling welke aansluiting vindt bij de Toekomstvisie. Voor de monitoring van biodiversiteit in Meierijstad worden de volgende gebiedstypen onderscheiden: 1. Natuurgebieden Dit gebiedstype omvat: • • •
bos- en natuurgebieden; natuurkernen en grotere groengebieden; natuur binnen het Natuurnetwerk Brabant.
Dit sluit aan bij het landschapstype bos- en natuurgebieden uit het monitoringsadvies van Kragten. De focus ligt op: • • •
behoud en verbetering van natuurkwaliteit; trends van kenmerkende en beschermde soorten; habitatkwaliteit en samenhang.
2. Beekdalen en zijwatersystemen Beekdalen en zijwatergangen vormen binnen Meierijstad een ecologisch en hydrologisch onderscheidend systeem en worden daarom als apart gebiedstype gemonitord. Dit gebiedstype komt overeen met het landschapstype beekdalen uit het monitoringsadvies en omvat onder andere de beekdalen van de Aa, Dommel en Leijgraaf. De beekdalen vallen onder de verantwoordelijkheid van de waterschappen, voor de zijwatersystemen zijn we als gemeente aan zet. De focus ligt op: • • •
natte natuur en waterafhankelijke soorten; kwaliteit van oppervlaktewater; structuurvariatie en landschappelijke samenhang.
3. Buitengebied Het buitengebied omvat het agrarisch cultuurlandschap, waaronder: • • •
jong en oud ontginningslandschap; agrarische percelen; erven, houtwallen, bermen en kleine landschapselementen.
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
4
Dit gebiedstype sluit aan bij het landschapstype ontginningen uit het monitoringsadvies van Kragten. De focus ligt op: • • •
biodiversiteit in het agrarisch landschap; landschapselementen en structuurkwaliteit; soorten die afhankelijk zijn van extensief beheer en kleinschaligheid.
4. Stedelijk gebied Het stedelijk gebied omvat: • • •
woonkernen en dorpen; parken, plantsoenen en begraafplaatsen; stedelijke watergangen, stadswateren en bermen.
Dit gebiedstype correspondeert met het landschapstype stedelijk groen uit het monitoringsadvies van Kragten. De focus ligt op: • • •
biodiversiteit in openbaar groen; ecologische kwaliteit van beheer; kansen voor natuur in de directe leefomgeving van inwoners.
5. Bedrijventerreinen (buiten scope) In het Biodiversiteitsbeleid 2022-2030 zijn bedrijventerreinen benoemd als een afzonderlijk gebiedstype, met een eigen dynamiek en ontwikkelopgave. Conform dit beleid worden bedrijventerreinen in dit monitoringsplan vooralsnog buiten beschouwing gelaten, om de volgende redenen: • • •
de ecologische uitgangssituatie is sterk variabel en vaak beperkt; inrichting en beheer zijn veelal privaat georganiseerd en minder eenduidig te sturen; het biodiversiteitsbeleid zet hier primair in op maatwerk, herontwikkeling en toekomstige transities, en nog niet op gebiedsdekkende monitoring.
Monitoring van biodiversiteit op bedrijventerreinen kan in een latere fase worden opgepakt, zodra beleidsdoelen, beheerafspraken en uitvoeringskaders hiervoor verder zijn uitgewerkt.
5. Monitoringsaanpak De monitoringsaanpak bouwt voort op het monitoringsadvies van Kragten en sluit aan bij het landelijk gedragen concept Basiskwaliteit Natuur (BKN).
5.1 Keuze voor monitoringsscenario Conform het monitoringsadvies van Kragten kiest de gemeente Meierijstad voor Scenario 2: Monitoring van wettelijk beschermde soorten, aangevuld met geselecteerde indicatorsoorten voor natuurkwaliteit. Aansluiting bij Basiskwaliteit Natuur (BKN)
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
5
Daarnaast breiden we het monitoringsscenario uit met elementen uit het landelijk gedragen concept Basiskwaliteit Natuur. BKN richt zich op het op orde brengen en houden van de ecologische basisvoorwaarden die nodig zijn om algemene én bijzondere soorten duurzaam te laten voorkomen. Door het monitoringsscenario te verrijken met elementen uit de BKN wordt niet alleen gekeken of soorten aanwezig zijn, maar ook waarom soorten wel of niet voorkomen. Dit versterkt de sturingswaarde van de monitoring. We doen dit door het monitoren van de abiotische en biotische randvoorwaarden. Abiotische randvoorwaarden zijn de fysieke en chemische omstandigheden in een omgeving die het ecosysteem bepalen, bijvoorbeeld neerslag, luchtvochtigheid, bodemsamenstelling, voedingsstoffen en waterdoorlatendheid. Biotische randvoorwaarden zijn de invloeden van levende organismen op andere organismen in een ecosysteem.
5.2 Gebruik van bestaande monitoring Binnen Meierijstad vindt er op verschillende onderdelen en in verschillende gebieden al monitoring plaats, zie bijlage 2. De gemeente faciliteert, verbindt en benut deze inspanningen en sluit met dit plan aan op de bestaande monitoring. Het plan vervangt de bestaande monitoring niet. Data-ontsluiting via NDFF Om bestaande monitoring optimaal te kunnen benutten, zorgen we ervoor dat relevante biodiversiteitsgegevens die binnen de gemeentegrenzen worden verzameld zoveel mogelijk beschikbaar zijn via de NDFF. Hiermee beperken we versnippering van informatie en ontstaat er een vollediger en beter vergelijkbaar beeld van biodiversiteitsontwikkelingen. Deze werkwijze versterkt de samenhang tussen lokale monitoring en landelijke databronnen en vergroot de bruikbaarheid van verzamelde gegevens voor beheer, beleid en bijsturing. Trendanalyses beschermde soorten (NDFF) De NDFF vormt daarnaast de basis voor periodieke trendanalyses van het voorkomen van wettelijk beschermde soorten binnen de gemeente. In het kader van de monitoring van het biodiversiteitsbeleid wordt in 2031 een nieuwe trendanalyse uitgevoerd op basis van NDFF-gegevens uit de periode 2028–2030. Deze analyse wordt vergeleken met de eerdere biodiversiteitsmeting die is uitgevoerd bij de totstandkoming van het Biodiversiteitsbeleid 2022–2030.
In die meting is een trendanalyse gemaakt van beschermde soorten op basis van NDFF-gegevens uit de perioden 2008–2010 en 2018–2020, waarbij deze tijdvakken met elkaar zijn vergeleken om ontwikkelingen in het voorkomen van beschermde soorten inzichtelijk te maken. Door de analyse uit 2031 naast deze eerdere meting te leggen ontstaat een langere tijdreeks van waarnemingen van beschermde soorten binnen de gemeente. Dit maakt het mogelijk om te beoordelen of de biodiversiteit zich sinds de start van het biodiversiteitsbeleid stabiliseert, verbetert of verder onder druk staat. De resultaten van deze vergelijking worden meegenomen in de evaluatie van het biodiversiteitsbeleid en vormen een belangrijke basis voor eventuele bijsturing in toekomstig beleid.
5.3 Aanvullende monitoring Dit plan omvat een aanvullende monitoringsaanpak dat gebaseerd is op scenario 2 uit het monitoringsadvies van Kragten en aansluiting vindt bij de BKN.
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
6
De aanvullende monitoring richt zich met name op onderdelen waarvoor bestaande meetreeksen onvoldoende gebiedsdekkend, onvoldoende frequent of onvoldoende beleidsgericht zijn. Indicator- en gidssoorten Conform het monitoringsadvies van Kragten wordt gewerkt met indicator- en gidssoorten per gebiedstype. Deze soorten: • • •
zijn gevoelig voor veranderingen in beheer, inrichting en milieucondities; vertegenwoordigen bredere soortgroepen en ecologische functies; zijn geschikt voor herhaalbare monitoring en trendanalyse.
Indicator- en gidssoorten worden geselecteerd per gebiedstype en sluiten aan bij de ecologische kenmerken van dat gebiedstype. De aan- of afwezigheid en trends van deze soorten geven inzicht in de kwaliteit en ontwikkeling van het leefgebied en fungeren als signaal voor bredere biodiversiteitsveranderingen. De geselecteerde gids- en indicatorsoorten per gebiedstype zijn uitgewerkt in het monitoringsadvies van Kragten, dat opgenomen is in bijlage 1. Om aansluiting te vinden bij de NHV zijn de onderstaande soorten/soortgroepen hieraan toegevoegd: •
•
•
De gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is een van de meest algemene vleermuissoorten in Nederland en komt veel voor in stedelijk gebied. Daarmee is deze soort bijzonder geschikt voor monitoring in het kader van artikel 8 van de EU-natuurherstelverordening, dat zich richt op de kwaliteit en ontwikkeling van stedelijke ecosystemen. De gewone dwergvleermuis is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, zoals bomenrijen, parken en tuinen, en van een voldoende aanbod aan insecten. Hierdoor fungeert de soort als indicator voor zowel de kwaliteit van het stedelijk groen als de beschikbaarheid van voedsel (insecten), die weer samenhangt met biodiversiteit en ecologisch beheer. Wilde bijen Wilde bijen vormen een zeer diverse groep met ongeveer 350 soorten in Nederland en spelen een cruciale rol als bestuivers in zowel natuurlijke als landbouw- en stedelijke ecosystemen. Hierdoor zijn ze direct relevant voor artikel 10 van de EUnatuurherstelverordening, dat gericht is op het stoppen van de achteruitgang van bestuivers en het bevorderen van herstel van hun populaties. Daarnaast zijn wilde bijen goed te monitoren via gestandaardiseerde methoden, zoals teltrappen, bloemobservaties en nestmonitoring, waardoor trends in populaties betrouwbaar gevolgd kunnen worden.
Veranderingen in het voorkomen en de diversiteit van wilde bijen geven daarmee direct inzicht in de staat van bestuiversgemeenschappen en de voortgang van natuurherstelmaatregelen. Dagvlinders Net als bij wilde bijen zijn dagvlinders belangrijke bestuivers en daarmee direct relevant voor de doelen van artikel 10 van de EU-natuurherstelverordening. Dagvlinders zijn bovendien zeer geschikt als indicatorsoorten: ze reageren snel op veranderingen in habitatkwaliteit, zoals de beschikbaarheid van nectarbronnen, waardplanten en de inrichting van het landschap. Daarnaast zijn dagvlinders relatief eenvoudig en gestandaardiseerd te monitoren, en is er al een lange traditie van monitoringprogramma’s in Nederland.
De monitoring van deze soorten vindt waar mogelijk plaats via bestaande telnetwerken en databronnen (zoals NDFF), en wordt waar nodig aangevuld met gerichte tellingen of inventarisaties.
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
7
Groenbalans Als onderdeel van de aanvullende monitoring wordt ingezet op een groenbalans. De groenbalans geeft inzicht in: • •
de hoeveelheid en verdeling van groen binnen de verschillende gebiedstypen; veranderingen in groenoppervlak en groenstructuren in de tijd.
De groenbalans vormt een belangrijke schakel tussen monitoring en ruimtelijke ontwikkeling. Hiermee kan worden gevolgd of verlies aan groen (bijvoorbeeld door ontwikkelingen) wordt gecompenseerd en of de kwantiteit van groen minimaal behouden blijft. De groenbalans ondersteunt daarmee het principe minimaal niet achteruit en biedt handvatten voor bijsturing bij inrichting en ontwikkeling. De groenbalans gaat dus enkel over kwantiteit en niet over de kwaliteit van het groen. Biodiversiteitsmaatlat Voor het duiden van abiotische en biotische randvoorwaarden maken we gebruik van een biodiversiteitsmaatlat. Deze maatlat: • • •
combineert gegevens over abiotische en biotische condities en structuurkwaliteit; vertaalt meetgegevens naar een samenhangend kwaliteitsbeeld; maakt vergelijking in de tijd en tussen gebieden mogelijk.
De biodiversiteitsmaatlat sluit aan bij het concept Basiskwaliteit Natuur (BKN) en maakt inzichtelijk in hoeverre de ecologische basisvoorwaarden per gebiedstype op orde zijn. Door de maatlat toe te passen ontstaat een robuust beeld van trends en kan tijdig worden bijgestuurd wanneer verslechtering wordt gesignaleerd. Samenhang en sturingswaarde Door de combinatie van indicator- en gidssoorten, een groenbalans en de biodiversiteitsmaatlat ontstaat een integrale aanvullende monitoringsaanpak die niet alleen inzicht geeft in de staat van de biodiversiteit, maar ook in de onderliggende oorzaken van veranderingen. Dit maakt de monitoring bruikbaar voor sturing op beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling.
6. Sturing en bijsturing Monitoring is geen doel op zich, maar een instrument om te beoordelen of de biodiversiteitsdoelstelling — minimaal gelijkblijvend tot 2030 — wordt gehaald.
6.1 Uitgangspunten voor sturing De beoordeling gebeurt op basis van trends in indicator- en gidssoorten, de groenbalans en de biodiversiteitsmaatlat. Het uitgangspunt is dat biodiversiteit minimaal gelijk blijft. Verbetering bevestigt dat beheer en inrichting effectief zijn. Stabiliteit vraagt om voortzetting van de huidige aanpak. Achteruitgang vormt aanleiding voor nadere analyse en mogelijke bijsturing. Wanneer wordt bijgestuurd? Bijsturing wordt overwogen wanneer monitoring laat zien dat: •
indicator- of gidssoorten structureel afnemen;
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
8
• • •
habitat- of structuurkwaliteit verslechtert; de biodiversiteitsmaatlat een dalende trend laat zien; groenoppervlak of samenhang merkbaar afneemt.
Niet elke tijdelijke schommeling leidt direct tot actie. Bijsturing is aan de orde wanneer een negatieve ontwikkeling zich herhaalt of meerdere meetmomenten zichtbaar is. Vorm van bijsturing Wanneer achteruitgang wordt vastgesteld, volgt eerst een analyse van mogelijke oorzaken. Op basis daarvan kan worden bijgestuurd via: • • • •
aanpassing van beheer en onderhoud; verbetering van inrichting of habitatkwaliteit; gerichte maatregelen per gebiedstype; aanscherping van randvoorwaarden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
De aard en omvang van bijsturing zijn afhankelijk van het gebiedstype, de ernst van de achteruitgang en de haalbaarheid van maatregelen.
6.2 Stoplichtmodel voor sturing Om resultaten van de monitoring te interpreteren gebruiken we een stoplichtmodel. De kleuren geven de status van biodiversiteit per gebiedstype aan en bepalen welke actie nodig is. Kleur
Interpretatie
Criteria
Groen
Biodiversiteit is - Positieve trend in indicator- of stabiel of gidssoorten verbeterd - Biodiversiteitsmaatlat stabiel of stijgend - Groenbalans stabiel of verbeterd
Actie Huidig beheer en inrichting voortzetten; successen waar mogelijk versterken.
Oranje Mogelijke achteruitgang (signaal)
- Trend in indicator- of gidssoorten daling ≤ 10% - Maatlat licht gedaald - Lokaal verlies van habitat of groenstructuur
Analyse van oorzaken; beoordelen of bijsturing nodig is; mogelijke maatregelen voorbereiden.
Rood
- Negatieve trend in indicator- of gidssoorten over twee cycli - Dalende maatlat ≥ 1 kwaliteitsklasse - Structurele afname van groen of habitatkwaliteit
Actieve bijsturing: aanpassing beheer, verbetering inrichting, gerichte maatregelen voor kwetsbare soorten, toetsing ruimtelijke ontwikkeling.
Achteruitgang (actie noodzakelijk)
7. Organisatie en verantwoordelijkheden Regierol: Gemeente Meierijstad Dit betekent dat de gemeente de algehele coördinatie en besluitvorming op zich neemt, de resultaten interpreteert en waar nodig bijstuurt om de doelstellingen uit het Biodiversiteitsbeleid 2022-2030 te realiseren.
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
9
Faciliterende rol: Gemeente Meierijstad De gemeente faciliteert uitvoerende partijen waar dit nodig is. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het beschikbaar stellen van materialen, logistieke ondersteuning bij dataverzameling of het bieden van technische hulpmiddelen voor rapportage. Uitvoerende rol: Vrijwilligersorganisaties en professionele partijen Dit omvat uitvoering van de monitoring door het verzamelen en registreren van gegevens en het uitvoeren van observaties of metingen.
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Pagina
10
8. Monitoringskalender Beoordelingsinstrument
Frequent Monitoring Gebiedstyp Verantwoordelijke ie s-methode e (zie H4)
Uitvoeren de partij
Uitvoering in maandnummer 1
Trendanalyses beschermde soorten Groenbalans Biodiversiteitsmaatlat
Elke 10 jaar Jaarlijks Jaarlijks
Rapportage 1, 2, 3, 4
Beleidsmedewerker Biodiversiteit Beleidsmedewerker Groen Beleidsmedewerker Biodiversiteit
Rapportage 3, 4 Rapportage 1, 2, 3, 4
Marktpartij
Soort/soortgroep
Frequentie
Patrijs
Jaarlijks
Haas
Jaarlijks
Wilde bijen
Jaarlijks
Huismus
Tweejaarlijk s
Ja, SMP
Bureauonderzoek, veldonderzoek
4
Medewerker SMP
Marktpartij
Kamsalamander
Jaarlijks
Nee
e-DNA onderzoek
2
Marktpartij
Bosuil
Jaarlijks
Nee
Broedvogel Monitoring Project
1
Beleidsmedewerk er oppervlaktewater Beleidsmedewerk er biodiversiteit
Gulden boterbloem
Jaarlijks
Nee
Kilometerhokken
1
Marktpartij
Eenbes
Jaarlijks
Nee
Kilometerhokken
1
Gewone dwergvleermuis
Jaarlijks
Ja, tuintelling
Gestandaardiseerde 4 soortentelling
Beleidsmedewerk er biodiversiteit Beleidsmedewerk er biodiversiteit Beleidsmedewerk er biodiversiteit
2
3
4
5
6
203 1
Aansluiting Monitoringsmethod Gebiedstyp Verantwoordelijk Uitvoerend Uitvoering in maandnummer bestaande e e (zie H4) e e partij 1 2 3 4 5 6 monitoring ? Nee Lijntransectmethode 3 Beleidsmedewerk Marktpartij er biodiversiteit Nee Lijntransectmethode 3 Beleidsmedewerk Marktpartij er biodiversiteit Ja, Citizen Science, 4 Beleidsmedewerk Marktpartij, BeeGrateful gestandaardiseerde er biodiversiteit inwoners en tuintelling soortentelling
Marktpartij
Marktpartij Inwoners, vrijwilligersorganisaties
Gewone dwergvleermuis
Tweejaarlijk s
Ja, SMP
Transecttellingen, batdetector
4
Medewerker SMP
Marktpartij
Lange ereprijs
Jaarlijks
Nee
Kilometerhokken
2
Beleidsmedewerk er oppervlaktewater
Marktpartij
Soort/soortgroep
Frequentie
Aansluiting Monitoringsmetho Gebiedsty Verantwoordelij bestaande de pe (zie H4) ke monitoring?
Uitvoeren de partij
Wilde bijen
Jaarlijks
Ja, BeeGrateful
4
Beleidsmedewerk Marktpartij, er biodiversiteit inwoners
Dagvlinders
Jaarlijks
Ja, tuintelling Gestandaardiseerd 4 e soortentelling
Lange ereprijs
Jaarlijks
Nee
Egel
Jaarlijks
Ja, tuintelling Gestandaardiseerd 4 e soortentelling
Kastanjeboleet
Jaarlijks
Nee
Gewone dwergvleermuis
Tweejaarlijks Ja, SMP
Beleidsmedewerk Inwoners, er biodiversiteit vrijwilligers organisatie s Beleidsmedewerk Marktpartij er oppervlaktewater Beleidsmedewerk Inwoners, er biodiversiteit vrijwilligers organisatie s Beleidsmedewerk Marktpartij, er biodiversiteit vrijwilligers organisatie s Medewerker SMP Marktpartij
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Citizen Science
Kilometerhokken
2
Kilometerhokken
1
Transecttellingen, batdetector
4
Pagina
12
Uitvoering in maandnummer 7 8 9 10 11 12
9. Kostenoverzicht Vanuit het biodiversiteitsbeleid is er jaarlijks € 50.000,- gereserveerd voor de uitvoering van het monitoringsplan. In dit hoofdstuk wordt inzichtelijk gemaakt hoe dit budget wordt verdeeld over de verschillende soorten en methoden, zodat het zo effectief mogelijk wordt ingezet om waardevolle data te verzamelen en beleidsdoelen te ondersteunen. Het overzicht is niet in beton gegoten; indien tijdens de uitvoering blijkt dat een herverdeling van middelen een beter resultaat oplevert, kan dit binnen het vastgestelde budget worden aangepast. Monitoring van Trendanalyse beschermde soorten
Beschikbaar budget Nvt
De groenbalans
€0
De biodiversiteitsmaatlat
€ 2.000
Patrijs Haas Wilde bijen
€ 4.125 € 7.700 € 8.000
Huismus
€0
Kamsalamander Bosuil Gulden boterbloem Eenbes Gewone dwergvleermuis
€ 3.200 € 6.600 € 3.850 € 3.850 €0
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
Opmerking Omdat deze analyse slechts eens per 10 jaar wordt uitgevoerd en onderdeel is van de beleidsevaluatie, worden de kosten hiervoor incidenteel geraamd. Hiermee blijven de structurele monitoringskosten beperkt tot de reguliere meet- en inventarisatieactiviteiten uit dit monitoringsplan. Mogelijke kosten voor het in beeld brengen van de groenbalans vallen onder de totale projectkosten. De licentiekosten voor het gebruik van de biodiversiteitsmaatlat worden betaald uit het monitoringsbudget biodiversiteit. De uitvoering combineren we met de schouw van beeldkwaliteit. Deze kosten worden opgenomen onder het exploitatiebudget voor groenbeheer.
Monitoring van bijenhotels en omgeving door inwoners via Citizen Science met twee metingen per jaar. Inclusief locatiekeuze, opleiding, gedragsmetingen en jaarlijkse impactrapportage met advies voor habitatverbetering. In het soortenmanagementplan (SMP) is de huismus meegenomen. Voor monitoring gebruiken we de data uit het SMP en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
In het soortenmanagementplan (SMP) is de gewone dwergvleermuis meegenomen. Daarnaast sluiten we aan bij de gestandaardiseerde soortentelling van de landelijke tuintelling. Deze data wordt verwerkt in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor
Pagina
13
Dagvlinders
€0
Lange ereprijs Egel
€ 3.850 €0
Kastanjeboleet Overig
€ 2.000 € 4.825
TOTAAL
€ 50.000
Monitoringsplan biodiversiteit 2026-2030
monitoring gebruiken we de data uit het SMP en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). We sluiten aan bij de gestandaardiseerde soortentelling van de landelijke tuintelling. Deze data wordt verwerkt in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor monitoring gebruiken we de data uit de NDFF. We sluiten aan bij de gestandaardiseerde soortentelling van de landelijke tuintelling. Deze data wordt verwerkt in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor monitoring gebruiken we de data uit de NDFF. Onder overige kosten vallen kosten die gemaakt worden voor onderhoud en/of vervanging van meetapparatuur en -instrumenten, softwarelicenties en kleine correcties in planning of extra metingen bij onverwachte omstandigheden.
Pagina
14