CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integrale verordening Sociaal Domein Meierijstad

Commissie Mens en Maatschappij 2 december 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Integrale Verordening Sociaal Domein Meierijstad26.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende proberen werk te vinden; b. het niet aanvaarden van werk; c. het door eigen toedoen niet behouden van werk; d. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening waardoor de voorziening niet doorgegaan is of vroegtijdig beëindigd is. 5. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; b. het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening zonder gevolgen voor die voorziening; c. het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; d. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder. 6. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Artikel 9.2.7 Stoppen verlaging (PW, Awb, IOAW, IOAZ)

De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als overduidelijk blijkt dat de inwoner alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt. Artikel 9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid (PW, Awb)

1. De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich gezien zijn gedrag te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. 2. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag).

44

3. De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: a. 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; b. 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 1.000 tot € 2.000; c. 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000; d. 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of hoger; e. 20% van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat eerder een beroep op uitkering is gedaan, bij een benadelingsbedrag hoger dan € 10.000 in die gevallen waarbij sprake is van onverantwoord interen van vermogen. Artikel 9.2.9 Onacceptabel gedrag (PW, IOAW, IOAZ, Awb)

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner bij zeer ernstige misdragingen tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm. Artikel 9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen (PW, Awb)

1. De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt. 2. De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor een maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk; b. verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt; c. een opgelegde verplichting om een noodzakelijke medische behandeling te volgen; d. het voor de eerste keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet. 3. De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor een maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op vermindering van de bijstand; b. het voor de tweede keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet. 4. De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor een maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand; b. het voor de derde keer of vaker niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet. Artikel 9.2.11 Samenloop van gedragingen (PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan en ook de duur die bij die verlaging hoort. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 3. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 eerste lid van de Participatiewet genoemde inlichtingenplicht niet nakomt, wordt geen verlaging opgelegd voor zover voor de schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 eerste lid genoemde inlichtingenplicht niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging en een bestuurlijke boete opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 45

Artikel 9.2.12 Herhaling (recidive) (PW, IOAW, IOAZ, Awb)

1. De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen 12 maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0 (nihil). 2. De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen (zie artikel 9.2.5) gaat naar drie maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. Paragraaf 9.3 Terugvorderen uitkering Artikel 9.3.1 Terugvordering en incasso (PW, IOAW, IOAZ)

1. De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug, verhaalt gemeentelijke uitkeringen of legt een bestuurlijke boete op in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. 2. Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie heeft gegeven aan de gemeente. 3. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoner een inkomen blijft houden dat past bij zijn persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet. 4. Het college is bevoegd nadere regels te stellen over terugvordering, verhaal of een bestuurlijke boete. Paragraaf 9.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening Artikel 9.4.1 Beëindiging voorziening (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet)

1. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; f. de inwoner niet binnen 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is; g. als de inwoner recht heeft op een indicatie van een voorliggende wet. 2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). Artikel 9.4.2 Terugvordering voorziening (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet)

1. De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen of verrekenen met een voorziening die op grond van dezelfde wet wordt toegekend. Een voorziening kan worden teruggevorderd vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meerdere van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.4.1. 2. Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.

46

Artikel 9.4.3 Opschorten PGB De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het PGB helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het PGB weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; of b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het PGB; of c. de inwoner het PGB niet binnen zes maanden of voor een ander doel heeft gebruikt; of d. niet meer voldoende vaststaat dat de verleende ondersteuning doelmatig wordt verleend. Paragraaf 9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? Artikel 9.5.1 Controle (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv)

1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruikmaken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; b. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; c. signalen en tips van organisaties of particulieren; d. andere passende onderzoeksmethoden. 2. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier en voor het juiste doel wordt gebruikt. 3. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. 4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. Artikel 9.5.2 Voorkomen van fraude (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv)

1. De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. 2. Om fraude te voorkomen en op te sporen in de Participatiewet, IOAW, IOAZ hanteert de gemeente de uitgangspunten van Hoogwaardig Handhaven. De uitgangspunten rusten op: a. het beter en vroegtijdig informeren van inwoners over rechten, plichten en handhaving; b. het optimaliseren van de dienstverlening zonder belemmeringen, zodat de kans op spontane naleving wordt vergroot; c. vroegtijdige opsporen en afhandelen van fraudesignalen; d. bij geconstateerde fraude daadwerkelijk sanctioneren (afstemmen van de uitkering). Artikel 9.5.3 Beleidsplan en beleidsverslag (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ,Llv)

1. De gemeente stelt in een plan vast hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). 2. In het beleidsplan staat in ieder geval: a. wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt; b. wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting); c. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en d. hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. 47

Artikel 9.5.4 Privacy (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, AVG,Llv)

1. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 2. De gemeente stelt protocollen op voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van: a. Huisbezoeken b. Internetonderzoeken 3. De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De protocollen voldoen aan de regels die daarvoor gelden vanuit de regelgeving op het gebied van privacy, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De gemeente maakt de protocollen bekend. Artikel 9.5.5 Toezichthouders (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb,Llv)

De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

48

Hoofdstuk 10 Inwonersparticipatie Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners vanuit hun leefwereld kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een Adviesraad Sociaal Domein is en is de taak van deze raad beschreven. Kerndoelen: • De gemeente ziet de inwoner als volwaardig partner. • De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. • De adviesraad werkt onafhankelijk. • De adviesraad dient de algemene belangen van inwoners. Paragraaf 10.1 Inspraak algemeen Artikel 10.1 Inspraak van inwoners (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv, Gemeentewet)

1. De gemeente geeft inwoners inspraak in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Algemene Inspraakverordening gemeente Meierijstad zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. plannen voor beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; c. de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening); d. de manier waarop aanbieders hun taken uitvoeren. 2. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. 3. De gemeente kan inwoners bijvoorbeeld op de volgende manier inspraak geven: a. via de Adviesraad Sociaal Domein; b. door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en verschillende soorten bijeenkomsten; c. door samen met inwoners een plan te ontwerpen. 4. De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat. Paragraaf 10.2 Adviesraad Sociaal Domein (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet)

Artikel 10.2.1 De taak 1. De gemeente kent een Adviesraad Sociaal Domein (Adviesraad). 2. De Adviesraad heeft tot taak het college gevraagd en ongevraagd van advies te dienen over voorstellen tot gemeentelijke regelgeving, beleid, plannen en de uitvoering daarvan op het terrein van het Sociaal Domein, te weten de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Participatiewet, de Jeugdwet, de Woningwet en de Huisvestingswet. De Adviesraad zal actief participeren in de beleidsontwikkeling. 3. De adviesraad is niet bevoegd te adviseren over individuele situaties, klachten of bezwaarschriften van cliënten.

49

Artikel 10.2.2 Samenstelling 1. De Adviesraad bestaat minimaal uit 9 leden en maximaal uit 16 leden waarvan een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. 2. De leden van de Adviesraad en de voorzitter worden door het college benoemd. Er is aandacht voor een representatieve spreiding over het grondgebied van de gemeente en de betrokken onderwerpen. 3. De leden van de Adviesraad dienen (ervarings-)deskundig te zijn op het terrein van het Sociaal Domein en ingezetene te zijn van de gemeente Meierijstad. Leden van de Adviesraad mogen geen (burger)lid zijn van de gemeenteraad, het college of werkzaam zijn bij de gemeente Meierijstad dan wel werknemer, lid of bestuurder zijn van een onderneming of organisatie of zelfstandigen die in Meierijstad (tegen betaling) diensten aanbieden in het Sociaal Domein. 4. De zittingsduur is vier jaar en kan één maal worden verlengd met vier jaar. Voor leden die twee jaar na oprichting van de Adviesraad herbenoembaar zijn, geldt een maximale verlenging van de zittingsduur met twee maal vier jaar. De zittingsduur van de leden van de Adviesraad is geregeld in een lijst van aftreden waarbij continuïteit in de bezetting en deskundigheid geborgd is. 5. Het lidmaatschap van de Adviesraad eindigt: a. op eigen verzoek; b. bij verhuizing buiten gemeente Meierijstad; c. bij overlijden; d.

na het verstrijken van de zittingsduur behoudens herbenoeming; e. bij toetreding tot de gemeenteraad of het college dan wel wanneer het lid werkzaam zal worden bij de gemeente Meierijstad of bij een onderneming, organisatie of als zelfstandige die diensten aanbiedt op het terrein van het Sociaal Domein in Meierijstad; f. na een ontslagbesluit van het college op voordracht van de Adviesraad. 6. De Adviesraad stelt intern aandachtsgebieden in die de Adviesraad adviseren. Voor het aandachtsgebied Participatie worden tevens vertegenwoordigers van de Adviesraad Boekel en Bernheze uitgenodigd. Als zij zitting nemen, adviseren deze leden tevens hun eigen Adviesraad. 7. Naast een aandachtsgebied Participatie is er tenminste ook een aandachtsgebied Wmo, een aandachtsgebied Jeugd en een aandachtsgebied Onderwijs. 8. De aandachtsgebieden kunnen ondersteund worden door externe leden van een expertisegroep. Artikel 10.2.3 Openbaarheid vergaderingen 1. De vergaderingen van de Adviesraad worden in het openbaar gehouden. 2. De deuren worden gesloten wanneer tenminste vier van de aanwezige leden daarom verzoeken of de voorzitter het nodig oordeelt. De Adviesraad besluit vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd wanneer privacy van betrokkenen dit verreist, met in achtneming van Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). 3. De kennisgroepen vergaderen niet in het openbaarheid.

Zie nemen geen besluiten en adviseren de ASD. Artikel 10.2.4 Samenwerking Adviesraad en gemeentebestuur 1. Het college draagt er zorg voor dat van de zijde van de gemeente aan de Adviesraad alle relevante informatie wordt verstrekt die nodig is om naar behoren te adviseren. 2. Het college draagt er zorg voor dat de adviesvraag en de daarvoor benodigde informatie op een zodanig tijdstip wordt verstrekt, dat de Adviesraad adequaat advies kan uitbrengen. 3. Indien gewenst door de Adviesraad, vindt (aanvullende) informatieverstrekking plaats door de ambtelijke organisatie van de gemeente. 4. In geval de gemeenteraad het bevoegde orgaan tot besluitvorming is, stuurt het college het advies van de Adviesraad samen met het raadsvoorstel aan de gemeenteraad. 5. Voorafgaande aan het uitbrengen van advies kan op verzoek van de Adviesraad overleg plaatsvinden met de betrokken portefeuillehouder van het college. 6. In het geval het college afwijkt van het advies van de Adviesraad, wordt dit bij het voorstel aan de gemeenteraad vermeld, waarbij tevens is aangegeven waarom en op welke onderdelen van het advies wordt afgeweken. 50

7. De betrokken portefeuillehouder(s) voeren in het kader van de burger- en cliëntparticipatie minimaal vier keer per jaar overleg met de Adviesraad over zaken die betrekking hebben op het Sociaal Domein. Zowel de Adviesraad als de betrokken portefeuillehouder(s) kunnen onderwerpen agenderen. Betrokken (beleids-)medewerkers van de gemeente Meierijstad kunnen bij het overleg aanwezig zijn. Daarnaast zal er per aandachtsgebied ook minimaal vier keer per jaar een overleg met de betrokken portefeuillehouders plaatvinden. Artikel 10.2.5 Ondersteuning 1. Het college draagt er zorg voor dat de Adviesraad beschikt over middelen die noodzakelijk zijn om de taken als vastgelegd in deze verordening te kunnen uitvoeren. Deze middelen zijn opgenomen in een jaarplan en jaarlijks opgenomen in de gemeentebegroting en betreffen in elk geval: a. ondersteuning door ambtelijke medewerkers; b. vergaderfaciliteiten zoals vergaderruimten, kopieer- en postmogelijkheden; c. een vergoeding voor de leden van de Adviesraad per maand en voor de leden van de kennisgroepen per deelgenomen overleg, welke vergoeding plaats vindt met inachtneming van het bepaalde in de Gemeentewet; d. zo nodig voorzieningen in verband met de handicap van een lid van de Adviesraad in relatie tot de taak van de Adviesraad; e. faciliteiten voor deskundigheidsbevordering en documentatie; f.

faciliteiten voor publiciteit en overleg met de achterban. Artikel 10.2.6 Reglement Adviesraad Sociaal Domein Meierijstad De Adviesraad regelt binnen de kaders van deze verordening zijn eigen werkwijze en de samenwerking en kan daartoe een reglement vaststellen.

51

Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een inwoner niet tevreden is, wil de gemeente dit graag horen en kan er altijd contact worden opgenomen om de klacht door te nemen en te bespreken of er een oplossing gevonden kan worden. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. De gemeente ziet een klacht of bezwaar als: a. een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken; b. een middel voor de inwoner om zijn mening te laten weten; c. een mogelijkheid om de dienstverlening aan inwoners te verbeteren; d. een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en e. een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te herstellen. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Dit hoofdstuk sluit aan op de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.

In dit hoofdstuk wordt verwezen naar de Beleidsregels intern klachtrecht 2020, en naar de Commissie rechtsbescherming Meierijstad. Kerndoelen: •

De gemeente ziet de inwoner als volwaardig partner.

•

De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus.

•

De gemeente helpt de inwoner om op een eenvoudige manier zijn mening te geven.

Artikel 11.1 Indienen klacht over gemeente of aanbieder (Awb, Gemeentewet)

1. Inwoners die klachten hebben over gedragingen van medewerkers maken gebruik van de klachtenregeling zoals die geldt bij de gemeente (Beleidsregels intern klachtrecht 2020). 2. Inwoners die klachten hebben over de zorg van een aanbieder maken gebruik van de klachtenregeling zoals die geldt bij deze aanbieder. Artikel 11.2 Bezwaar en beroep (Awb, Gemeentewet)

De gemeente informeert de inwoner correct over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld tegen een besluit of het uitblijven ervan. Artikel 11.3 Vertrouwenspersoon 1. Inwoners die het niet eens zijn met de manier waarop een medewerker van de gemeente met hen omgaat, kunnen contact opnemen met de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon luistert en kan helpen een probleem aan te pakken. De vertrouwenspersoon kan er niet altijd voor zorgen dat het gaat zoals de inwoner het wil, maar zorgt er wel voor dat het proces verloopt zoals het hoort. 2. Ook bij problemen met een zorgaanbieder kan een inwoner contact opnemen met de vertrouwenspersoon. 3. De vertrouwenspersoon is neutraal en heeft een geheimhoudingsplicht.

52

Hoofdstuk 12 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding (Jeugdwet, Wmo,Llv, Gemeentewet, Aanbestedingswet 2012)

De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. Kerndoelen: •

Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passen bij de behoefte van de inwoner.

•

De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus.

•

De gemeente werkt efficiënt en doelgericht.

Artikel 12.1 Kwaliteit 1. Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste resultaat voor de inwoner kan worden bereikt. 2. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door: a. een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of b. een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder. 3. De aanbieder zorgt voor een goede kwaliteit van de diensten en producten. Dat betekent dat diensten en producten: a. passen bij de behoefte van de inwoner; b. zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; c. voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. zijn niet in strijd met de rechten van de inwoner; e. worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd; f. worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld. 4. De gemeente kan in nadere regels aanvullende kwaliteitseisen en andere voorschriften vaststellen en controleert of deze eisen door aanbieders worden nageleefd. 5.

De gemeente controleert op deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 12.2 Inkoop en aanbesteding 1. Voor kwaliteit en tarieven van onze zorg in natura producten op het gebied van Wmo en Jeugdhulp gelden de eisen zoals die zijn vastgelegd bij de Regionale Inkoop. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1, het tweede lid. 3. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij: a. diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en b. zich houden aan de regels van het arbeidsrecht als zij personeel hebben. 4. De gemeente houdt bij het vaststellen van prijzen rekening met: a. het soort dienst of product; b. het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de beroepskrachten; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel; 53

e. reis- en opleidingskosten; f. het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten; g. andere kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen. 5. De aanbieder moet aantonen dat bij het bepalen van de kostprijs rekening gehouden is met de zaken die bij het vorige lid zijn genoemd.

54

Hoofdstuk 13 Van oud naar nieuw (Gemeentewet)

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog volgens de bedoeling werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. Artikel 13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening (evaluatie) De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan, verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Artikel 13.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in artikel 1.2 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.

Artikel 13.3 Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: • Verordening maatschappelijke ondersteuning Meierijstad 2019 e.v. ; • Verordening jeugdhulp gemeente Meierijstad 2020; • Participatieverordening 2017; • Verordening tegenprestatie Participatiewet 2017; • Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2017; • Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017; • Afstemmingsverordening Participatiewet 2017; • Verordening Gemeentelijk Minimabeleid 2018; • Verordening Leerlingenvervoer gemeente Meierijstad 2017 • Verordening Adviesraad Sociaal Domein gemeente Meierijstad Artikel 13.4 Overgangsrecht 1. Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze verordening door. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit is afgelopen. 2. Voor lopende Wmo-voorzieningen die op basis van PGB zijn verstrekt en waarop het tarief voor informele zorg van toepassing is, geldt dat het ‘oude’ tarief van toepassing blijft tot einde van de hulpvraag. Het oude tarief blijft voor bestaande klanten dus ook na herindicatie van toepassing. 3.

Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 13.3 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.

55

13.5 Ingangsdatum 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 2. Hoofdstuk 6 is voor het eerst van toepassing op aanvragen om vervoersvoorzieningen die worden ingediend voor het schooljaar 2022/2023

56

Hoofdstuk 14 Begrippenlijst In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? • Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. • Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik. • Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. • Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente. Aangepast vervoer: vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi. Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de Expertisecentra Aanvraag: een officieel verzoek om een besluit te nemen. Een aanvraag wordt gedaan door iemand die direct belang bij dat verzoek heeft. Gebaseerd op artikel 1:3 lid 3 Awb.

Afstand: afstand tussen de woning en de school voor de leerling, gemeten langs de kortste en voldoende begaanbare en veilige weg op basis van de ANWB routeplanner. Begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: • in de reguliere handel verkrijgbaar is • niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking • een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. • betaalbaar is met een inkomen op minimumniveau. De gemeente hanteert hierbij een drempelbedrag van € 1000. Algemene Verordening Gegevensbescherming: verordening die regels geeft voor de manier waarop de gemeente moet omgaan met de privacy van inwoners. Algemene wet bestuursrecht: wet met algemene regels voor de manier waarop de gemeente onder andere moet omgaan met aanvragen, termijnen, klachten en bezwaarschriften. Andere voorziening/vrij toegankelijke voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de ondersteuning die hij nodig heeft, anders dan ondersteuning-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner.

Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen. AOW-leeftijd: leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat. 57

Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te krijgen, het accepteren en behouden van werk of het leveren van een tegenprestatie. artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW, artikel 37 van de IOAZ Basisschool: een school waar basisonderwijs wordt aangeboden. Een basisschool of speciale school voor basisonderwijs. Wet op het primair onderwijs Beperking: de vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap waardoor een belemmering ontstaat in het sociaalmaatschappelijk functioneren. Of als het om vervoer naar school gaat de leerling die vanwege zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap niet of niet zelfstandig van de fiets of het openbaar gebruik kan maken. Beslissing of besluit: In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud. Als het om een jongere van 18 tot 21 jaar gaat, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand.

artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet, artikel 12 van de Participatiewet Collectief Maatwerkvervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep (en met een deeltaxi). Deskundige: onafhankelijk (medisch of pedagogisch) deskundige die door de gemeente kan worden gevraagd advies uit te brengen. Dichtstbijzijnde toegankelijke school: de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, dan wel de openbare school die het dichtst bij de woning van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Hieronder wordt niet verstaan een onderwijsmethode zoals bijvoorbeeld jenaplan en Montessori onderwijs. Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra DUO: de Dienst Uitvoering Onderwijs. Deze dienst voert verschillende onderwijswettenen -regelingen uit. Duurzaam: op de toekomst gericht (bijvoorbeeld: duurzaam, passend werk, duurzame bijdrage) Eigen bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet Wmo Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of mag gebruiken. Financiële buffer: een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens.

Vermogen is het totaal aan bezit in geld en goederen. artikel 34, lid 3 van de Participatiewet

58

Formele zorg: zorg en ondersteuning die geleverd wordt door beroepskrachten. In tegenstelling tot informele zorg die en ondersteuning door mantelzorgers (zoals familie, buren en vrienden) en door vrijwilligers. Fraude: het geven van onjuiste en/of onvolledige informatie of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om informatie of gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Door fraude wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk onterecht verstrekt. Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Gemeente: College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meierijstad Gemeentewet: wet die de gemeente bevoegdheden geeft om taken te kunnen uitvoeren en eigen beleid te kunnen maken. Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat hij wil bereiken bespreekt. Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding aangeeft.

Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de inwoner in de gemeentelijke basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres. Informele zorg: zorg en ondersteuning die geleverd wordt door mantelzorgers (zoals familie, buren en vrienden) en door vrijwilligers. In tegenstelling tot formele zorg en ondersteuning door beroepskrachten. Inkomen: alles wat iemand als opbrengst van werk, een eigen onderneming of vermogen krijgt, bijvoorbeeld loon, winst, dividend of rente. Bij inkomen wordt vaak over geld gesproken, maar goederen of diensten kunnen ook tot het inkomen behoren. In verschillende wetten worden hier verschillende definities voor gegeven. Inspraak: het betrekken van inwoners of belanghebbenden om invloed uit te oefenen en over iets mee te praten of beslissen, bijvoorbeeld over een plan of beleid van de gemeente. Inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen. Intramuraal: zorg die wordt geboden in een zorginstelling. Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente en die daar rechtmatig verblijft.

Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor ondersteuning door de gemeente. In de verschillende wetten worden hier verschillende definities voor gegeven. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 59

Jeugdhulp: ondersteuning of een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd. artikel 1.1 van de Jeugdwet Jeugdwet: wet met regels over de verantwoordelijkheid van de gemeente voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jongeren en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Jongere: in de Jeugdwet: personen tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 21 jaar (pleegzorg 23 jaar) die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze ondersteuning vanaf hun 18e jaar nog nodig hebben. In de Participatiewet: personen tot 27 jaar. Participatiewet, artikel 1.1 van de Jeugdwet Jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel hebben. Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. artikel 22a van de Participatiewet Leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voorgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.

Leerlingenvervoer (Llv): de wetten die regelen dat de gemeente vervoer van leerlingen aanbiedt, die zelf niet in staat zijn om van en naar school gaan te organiseren. Het gaat om de Wet op de primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra. Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor eten en drinken, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. Maatschappelijke opvang: opvang die is bedoeld voor de inwoner die niet meer thuis kan wonen en zich niet kan handhaven in de samenleving door psychische, psychosociale of financiële problemen of de dreiging van huiselijk geweld . Hieronder vallen de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang en kleinschalige opvang.. Mantelzorg: hulp die wordt verleend door een directe naaste vanuit een sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt, zoals de klantmanager die het gesprek met de inwoner voert. Melding: het eerste contact waarin de inwoner zijn hulpvraag aan de gemeente stelt. In verschillende wetten wordt hier een verschillende definitie voor gegeven.

Nadere regels: regels die het college van burgemeester en wethouders vaststellen ter uitvoering van deze verordening binnen de kaders die de raad in deze verordening daarvoor stelt. Ondersteuning: hulp bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, schuldhulpverlening of een vervoersvoorziening. artikel 7 van de Participatiewet, artikel 1.1.1 van de Wmo, artikel 1.1 van de Jeugdwet, artikel 1 van de Wgs, Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra Ondersteuning-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. 60

Ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat de gemeente samen met de inwoner opstelt. Hierin staan de knelpunten die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, de gewenste ondersteuning en mogelijke oplossingen die de gemeente voorstelt. OF in het geval van vervoer naar school is een ondersteuningsplan een plan van het samenwerkingsverband dat na overleg met de regiogemeenten wordt vastgesteld. Oneigenlijk gebruik: een voorziening gebruiken waar het niet voor bedoeld is. Openbaar vervoer (ov): openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart). Ontwikkelingsperspectiefplan (Opp): een voor de leerling vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a in de Wpo, artikel 41a als bedoeld in de Wec of artikel 26 als bedoeld in de Wvo dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Opstapplaats: door de gemeente aangewezen plaats vanaf waar de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer. Ouders: ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de jongere. Participatiewet (PW): iedereen die kan werken maar daarbij ondersteuning nodig heeft, valt onder de Participatiewet. De wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden.

Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de ondersteuning die hij wenst. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, (on)mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn. PGB: persoonsgebonden budget, een budget dat een inwoner toegekend kan krijgen om zelf een hulpverlener of aanbieder in te huren voor de uitvoering van de ondersteuning-op-maat of het kopen van een product. PGB-plan: een plan van aanpak dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) opstelt over de ondersteuning die hij nodig heeft en die hij met het PGB wil financieren. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener of aanbieder op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke ondersteuning gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die ondersteuning gewaarborgd worden. Professionele ondersteuner: iemand die beroepsmatig ondersteuning biedt en voldoet aan (kwaliteits)eisen die daaraan gesteld zijn. Regelingen Meedoen: een vergoeding voor huishoudens met een laag inkomen. Het doel van de regeling is te voorkomen dat mensen in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. Er is een reductieregeling voor kinderen en een regeling voor volwassenen.

Regiegesprekken: gesprekken die de klantmanager met inwoner en zorgaanbieder voert tijdens de uitvoering van de ondersteuning Reistijd: de tijd tussen het moment van het verlaten van de woning en de starttijd van de school volgens de schoolgids. Van deze reistijd mag maximaal 15 minuten worden afgetrokken als het kind gewoonlijk iets voor de start van de school aankomt op school. Voor de terugreis geldt de tijd tussen 61

de eindtijd van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning van het kind. Hierbij kan maximaal 15 minuten worden opgeteld voor een eventuele wachttijd voor ov of aangepast vervoer. Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra. Residentieel daklozen: mensen die in een instelling voor maatschappelijke opvang verblijven’, Respijtzorg: tijdelijke overname van zorg om de mantelzorger te ontlasten Resultaat: het effect of het doel dat de inwoner wil behalen of hoeverre het gewenste doel of effect is behaald. Samenwerkingsverband: er zijn twee samenwerkingsverbanden passend onderwijs: één voor basisonderwijs en één voor voortgezet onderwijs. Alle scholen zijn verplicht aangesloten, behalve cluster 1 en 2 scholen. In het basisonderwijs bestaat het samenwerkingsverband uit de reguliere basisscholen, scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo) en de scholen voor speciaal onderwijs (so) van de clusters 3 en 4. In het voortgezet onderwijs bestaat het samenwerkingsverband uit het regulier onderwijs: vmbo, havo en vwo, het praktijkonderwijs en de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso). Samen zorgen ze ervoor dat alle kinderen een passende plek op school krijgen.

artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs Samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren. artikel 3 van de Participatiewet School: basisschool, speciale school voor basisonderwijs of school waar speciaal of voortgezet (speciaal) onderwijs wordt gegeven. Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra Sociale activering: het aanbieden van zinvolle activiteiten die de inwoner dichter bij werk kan brengen. Vrijwilligers werk is hier een voorbeeld van. Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). Speciaal onderwijs: onderwijs aan kinderen die vanwege leer- of gedragsproblemen, vanwege lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicaps of door gedragsstoornissen extra zorg op school nodig hebben. Wet op de Expertisecentra SVB: Sociale Verzekeringsbank, een organisatie die onder andere de PGB’s beheert en uitvoert. Technische afschrijving: de datum waarop door de fabrikant wordt aangegeven dat gebreken aan het product, ontstaan door gewoon gebruik, niet meer hersteld kunnen worden. Toegang: het gemeentelijke loket waar een inwoner zich kan melden bij vragen. In de gemeente Meierijstad zijn dat de gebiedsteams in Veghel, Sint-Oedenrode en Schijndel.

In deze toegang zitten medewerkers van de gemeente (klantmanagers) en medewerkers van maatschappelijke organisaties uit Meierijstad. Voor jeugd kunnen inwoners zich met hun vraag melden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Toekenningsbesluit: een schriftelijke verklaring waarin de toegekende ondersteuning-op-maat staat (indicatie). Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. artikel 5 onderdeel b en artikel 12 Participatiewet en artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ 62

Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering in de situatie van de inwoner. Dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Dit is een Nederlandse overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van verschillende werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet, de Ziektewet, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Vergoeding van reiskosten: een geldbedrag dat de inwoner krijgt om (een deel van) de noodzakelijke reiskosten van de leerling en eventueel begeleider te betalen. artikel 4 Wet op het primair onderwijs, artikel 4 Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra Vervoermiddel: een hulpmiddel dat is bedoeld om de belemmeringen bij het verplaatsen weg te nemen. Voortgezet onderwijs: het onderwijsniveau dat volgt na de basisschool en dat doorgaans gevolgd wordt vanaf de leeftijd van 12 jaar.

Wet op het Voortgezet Onderwijs Voorliggende voorziening: Voorzieningen die vanuit andere regelingen worden gefinancierd, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet Langdurige Zorg (Wlz) of de Participatiewet (PW), die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de klant toereikend en passend te zijn. Voorziening: ondersteuning in de vorm van een dienst, activiteit, product, PGB of geldbedrag. Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet op de expertisecentra. Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een wet die regelt dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en blijven meedoen in de samenleving. Wmo-ondersteuning: de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang. de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo Woning: de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Gaat het om vervoer naar school, dan is de woning de plaats waar het kind over een langere periode met een zekere regelmaat verblijft.

Zorg in natura: bij zorg in natura krijgt de inwoner de ondersteuning of voorziening die nodig is via een aanbieder die een contract heeft met de gemeente.

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=37a4573c-d7e1-4f92-9546-6ac3c5119bf3